Site-archief

Flanders Literature

Albert Bontridder

.

Behalve van poëzie hou ik erg van alles wat met poëzie te maken heeft. Ook websites over poëzie of over dichters mag ik graag bekijken. Of het nu van één dichter is of, zoals in het geval van de poëziesectie van de website ‘Flanders Literature’, een website over meerdere dichters of poëzie in het algemeen, het heeft mijn interesse. Op de website ‘Flanders Literature’ staat in de poëzie sectie een overzicht van Vlaamse dichters. Het zijn er 45 en ik durf te beweren dat elk van deze dichters wel ergens op dit blog voorbij komt. Waarom deze website over het literaire landschap van Noord-België een Engelstalige titel heeft is me overigens een raadsel. Juist de Vlamingen staan bekend om hun behoud van de Nederlandse taal.

Eén van de 45 dichters is Albert Bontridder (1921-2015). Deze Vlaamse architect en dichter was, vanaf 1949, redacteur van het vernieuwende tijdschrift ‘Tijd en Mens, waarmee hij het modernisme in de Vlaamse poëzie en literatuur introduceerde. Bontridder debuteerde in 1951 met de bundel ‘Poésie se brise’ in het Frans en ‘Hoog water’ in het Nederlands. Zijn doorbraak kwam in 1955 met zijn maatschappelijk geëngageerde gedichten over Willie McGee in ‘Dood hout’. 

Hij won in 1957 de Arkprijs van het Vrije Woord. In 1967 werd hij opgenomen in de groep rond het tijdschrift Kentering. In 1972 mocht Bontridder de Jan Campert-prijs in ontvangst nemen. In 1975 werd hij voorzitter van PEN Vlaanderen, in 1984 lid van de Académie Royale de Belgique, Classe des Beaux-Arts, en van 1987 tot 1993 was hij voorzitter van de Europese Vereniging ter Bevordering van de Poëzie.

Uit zijn laatste bundel uit 2012 getiteld ‘Wonen in de vloed’ komt het gedicht ‘Overweging’.

.

Overweging

.

De maat van alle dingen
– zo die al bestaat –
is de juiste nabijheid,
inclusief de geboden afstand
van wat mét ons
en tégen ons is,
niet in enige afgebakende ruimte,
niet in een vermoede
of gevreesde confrontatie,
maar in het begrip
van de buigzame,
weerbare,
slijtbare
tussenruimte.

.

 

Blijf de verwonde wereld bezingen

Adam Zagajewski

.

Afgelopen maand schreef ik een bericht over de bundel ‘Averij aan de wereld‘, van Ewa Lipska (1945), een nieuw deel in de kleine Poolse bibliotheek van uitgeverij P. Vandaag opnieuw een deel uit deze bijzondere bibliotheek. De bundel ‘Blijf de verwonde wereld bezingen’ van Adam Zagajewski (1945-2021) bevat honderd gedichten, gekozen, vertaald en van commentaar voorzien door (opnieuw) René Smeets, Maarten Tengbergen en Kris van Heuckelom.

Zagajewski was naast dichter ook schrijver, vertaler en essayist en hij wordt beschouwd als een vooraanstaande dichter van de Generatie van ’68, ofwel de Poolse Nieuwe Golf (Pools: Nowa fala), en een van de meest prominente hedendaagse dichters van Polen. Het doel van de groep Nowa fala was “zich te verzetten tegen de vervalsingen van de werkelijkheid en de toe-eigening van taal door de communistische ideologie en propaganda”. Hij ontving voor zijn werk de Neustadt International Prize for Literature in 2004 , de Griffin Poetry Prize Lifetime Recognition Award in 2016, de Princess of Asturias Award for Literature in 2017 en de Gouden Krans van de Poëzie tijdens de Struga Poetry Evenings in 2018.

In 1967 debuteerde hij als dichter met het gedicht Muziek ‘, dat werd gepubliceerd in het tijdschrift Życie Literackie . Hij publiceerde zijn werken en recensies in tijdschriften als Odra (1969-1976) en Twórczość. Van alle grote naoorlogse dichters is hij waarschijnlijk de meest mysterieuze en ongrijpbare. Na zijn beginjaren als politiek dichter ging hij zich op latere leeftijd steeds meer bezig houden met de meer beschrijvende en bezingende poëzie, werd zijn werk meer beschouwend en filosofisch. Zijn latere poëzie is er één van een soms haast ontastbare wereldvreemdheid; meditatieve gedachtengedichten vol vraagtekens en associatieve verzen vol culturele referenties.

Zijn naam werd regelmatig genoemd als mogelijke derde Poolse winnaar van de Nobelprijs voor de Literatuur, na Czesław Miłosz (1911-2004) en Wisława Szymborska (1923-2012). Zagajewski is ook de naamgever van de stichting De zoek naar schittering, de naam komt uit een van zijn gedichten. In de opnieuw fraai uitgegeven bundel ‘Blijf de verwonde wereld bezingen’ is een veertigtal gedichten toegevoegd, geselecteerd uit de bundels die Zagajewski na 2013 en vóór zijn overlijden in 2021 heeft gepubliceerd, alsmede uit zijn postume bundel ‘Driekwart’ uit 2024. Uit die laatste bundel komt ook het gedicht ‘Driekwart’ of ‘Try czwarte’ in een vertaling van Maarten Tengbergen.

.

Driekwart

 Ergens rond 1800 bestond

                     driekwart van de mensheid uit slaven

Adam Hochschild

.

Zie de edele roeping van de mens, zie de waardige gang

Waarmee hij voortschrijdt sinds de tijden dat wij ons ontdeden van die

Saaie Neanderthalers met hun trieste

Blik, en daarna al die ontelbare voorzieningen,

De kampen waarin wij de minder vernuftigen

Verzamelden en die wij altijd weer volstopten met

Vluchtelingen, Joden, Rohingya, Syriërs,

Oeigoeren en zovele anderen, zodat wij hun hopeloze zaken

Op orde konden brengen en zij zich niet zouden bemoeien

Met zaken van een hogere orde, waar één kwart

Van de mensheid veel beter in thuis is, dat wil zeggen

Je hoeft maar om je heen te kijken, jij, mijn dierbare lezer,

en ik, de auteur.

.

Averij aan de wereld

Ewa Lipska

.

De Poolse dichter Ewa Lipska (1945) is één van de belangrijkste vertegenwoordigers van de grote generatie Poolse dichters die na de tweede wereldoorlog werden geboren. Ze debuteerde in 1961, net 16 jaar oud met enkele gedichten in een dagblad. Tijdens de jaren ’70 was ze actief als poëzieredacteur bij uitgeverij Wydawnictwo Literackie in Krakau. Een paar jaar na de val van het communisme verhuisde ze naar Wenen waar ze werkzaam was in het Poolse Instituut. Inmiddels woont en werkt ze weer vanuit Krakau.

Sinds haar debuutbundel ‘Wiersze’ (Verzen) uit 1967 heeft ze ruim twintig poëziebundels gepubliceerd. Hiervoor ontving ze in binnen en buitenland talloze literaire onderscheidingen.  Ze is lid van de Poolse en Oostenrijkse PEN Club , oprichtend lid van de Vereniging van Poolse Schrijvers (1989), lid van de Poolse Academie van Kunsten en Wetenschappen. Haar poëzie is in vele talen vertaald en in 2024 verscheen er bij uitgeverij P de mooi vormgegeven bundel ‘Averij aan de wereld’ 100 gedichten van haar hand, gekozen, vertaald en van commentaar voorzien door René Smeets, Maarten Tengberger en Kris Van Heuckelom. Deze bundel is een nieuwe loot aan de ‘kleine Poolse bibliotheek’ van uitgeverij P.

Een bundel waar steeds op elke bladzijde aan de ene kant het vertaalde gedicht in het Nederlands is opgenomen en daarnaast het gedicht in het Pools. Uit deze bundel nam ik het gedicht ‘Maffia” of in het Pools ‘Mafia’ in een vertaling van Maarten Tengbergen.

.

Maffia

.

Wij handelden in Shakespeare

sinds onze vroegste kinderjaren.

Van het verbod op lyriek

is niets terecht gekomen.

.

Capo di tutti i capi

De Godfather

van mijn debuut

gaf mij de eerste instructies:

.

Er is geen kunst

zonder geweld

de harde hand van woorden

de terreur van stijl.

.

We aten Siciliaanse croissantjes

bepoederd met ochtendmist.

.

Tot op vandaag

slaap ik tussen de versregels door

met de wapens in de aanslag.

.

Dat treft goed

wanneer het succes van de zon opkomt.

.

Valentijnsdag

Méér dan een gedicht

.

Vandaag is het Valentijnsdag en eerlijk gezegd heb ik daar vrij weinig mee. Het is alweer zo’n ‘feestdag’ die overgewaaid vanaf de overkant van de grote plas. Een commercieel marketinggedrocht. Dacht ik. Want vanmorgen heb ik de achtergrond van Valentijnsdag eens opgezocht. Op de website van het Meertens Instituut vond ik de uitleg. Het komt uit Engeland. Ontstaan rond het jaar 1400. Waarom dit uitgerekend op 14 februari was, de dag waarop de rooms-katholiek kerk de heilige Valentijn vereerde is niet meer te achterhalen. Je zou kunnen denken dat er iets in het leven van deze Valentijn (of Valentijns, want er waren meer heiligen met die naam) geweest moet zijn waardoor hij wat met verliefdheid had. Maar dat is niet zo. Het verband is echt volkomen willekeurig.

Ook lees ik op de website: “Wat deden ze in Engeland op Valentijnsdag? Jongeren op het platteland trokken lootjes om uit te maken wie die dag met wie mocht gaan. Er werd gezegd dat nogal wat van die paartjes later trouwden. Aan het hof en bij de adel stuurden ze elkaar liefdesgedichtjes en cadeautjes. Die gewoonte werd in de loop van de tijd door andere mensen overgenomen. Dat gebeurde vanaf zo 1850 ook in Amerika. Krachtig gestimuleerd door fabrikanten als Hallmark werd daar het sturen van speciale Valentijnsbriefkaarten enorm populair. Niet eens alleen door mensen die verliefd waren, maar door iedereen die het leuk vond om te laten blijken dat hij of zij op iemand gesteld was – anoniem of niet.”

Hoe het ook zij (vanmorgen las ik een column van dichter/schrijver Maud Vanhauwaert met nog een andere uitleg) inmiddels heb ik wat van mijn cynische houding ten opzichte van Valentijnsdag laten varen. Tenslotte is elke dag waarop mensen elkaar de liefde betuigen – anoniem of niet-  er een van aandacht voor de ander en daar kan je, wat mij betreft, nooit tegen zijn. Dus verras je geliefde eens met een gedicht. Dat mag van jezelf zijn maar ook een bestaand gedicht. Daarom ook vandaag een liefdesgedicht als voorbeeld. Niet dat ik Valentijnsdag nodig heb om liefdespoëzie hier te delen, integendeel, maar ach voor all you lovers out there..

Ik heb gekozen voor de dichter Pierre Kemp (1886-1967), die naar verluid een geheime muze had, met het gedicht ‘Méér dan een gedicht’. Het gedicht komt uit ‘Verzameld werk’ uit 1976.

.

Méér dan een gedicht

.

Hij had haar lichaam nagekeken

en grondig onderzocht.

Bij de wisseling van blozen en bleken

zag hij niets, wat niet mocht.

Hij hield haar het onderste boven

centraal in het zonnelicht.

Toen moest hij het wel geloven:

zij was toch méér dan een gedicht.

.

Rondeel – e – rondeel

Jaap Bakker

.

Al verschillende versvormen heb ik op dit blog beschreven. het zijn er dan ook heel veel. Vandaag voeg ik er weer een aan toe het rondeel – e – rondeel, bedacht door Jaap Bakker en gebaseerd op het grondtal van de natuurlijke logaritme. In dit geval is het aantal regels 2+7+1+8+2 en is het rijmschema AB bbabaab A abaababb BA. Geen eenvoudige vorm dus een echte uitdaging voor de vaste vormdichter. Voeg daar aan toe dat in de rondeel – e – rondeel A liefst mannelijk en B liefst vrouwelijk moet zijn en dat het metrum uit 4 of 5 jamben moet bestaan. Ga er maar aanstaan zeg ik.

Hieronder een voorbeeld van Jaap Bakker (1967), Bakker is een bekende in de wereld van de vaste vormdichters, een recensie van zijn bundel ‘Een zieke is een oude trui’ uit 2023 op de website van Meander vind je hier. Tenminste dat dacht ik. Er blijken twee Jaap Bakkers actief. De ene van de rondeel -e-rondeel (en het gedicht hieronder) en de andere, lightverse dichter van de bundel ‘Een zieke is eennoude trui’.

Wat ik met u vol ernst nu ga bespreken:

Een klooster midden in het Vlaamse land.

In’t dorpje Malle ligt het aan de rand

En eromheen is bos, naar alle kant.

We leefden er naar toe al vele weken;

Ik telde dagen, nee, dat is geen schand’.

We zijn voor de Trappisten weer bezweken.

– Hoewel hun stiltes vaak op stugheid leken -,

Maar met hun psalters hebben wij een band.

Wat ik met u vol vreugde wil bespreken

Is iets waarom ik af en toe kan smeken:

Zo’n mooie bruine Dubbel met schuimrand,

Die fles, wat heb ik daar vaak naar gekeken,

Het glas tenslotte (dat je nóóit mag breken),

Van al die dingen heb ik nu verstand.

“O, monnik, blijf hier energie in steken,

En draag het uit, voor mijn part in de krant:

“Westmalle is de top in Vlaanderland!””

Zo’n klooster, midden in het Vlaamse land:

Wat zou ik verder nog moeten bespreken?

.

Bibliotheekleven

Pierre Kemp

.

In 2017 verscheen de bundel ‘Het regent in de trompetten’ de mooiste gedichten van Pierre Kemp (1886-1967). Wiel Kusters en Ingrid Wijk maakten een keuze uit het werk van Kemp en zij kozen voor een thematische ordening van de gedichten. Er zijn gedichten opgenomen over het verlangen, de vrouw, licht en kleuren, klank en muziek, planten en dieren, nacht en dromen, stad en land, ouderdom en dood, maar ook over kind zijn op latere leeftijd.

Pierre Kemp (1886–1967) werkte jarenlang als schilder, voordat hij in 1914 zijn eerste gedichten publiceerde in de bundel ‘Het wondere lied’. Hij brak pas echt goed met de bundel ‘Stabielen en passanten’ (1934) toen hij al bijna vijftig was. Kemp publiceerde vervolgens nog ruim tien bundels, in sommige speelden kleur en verf een belangrijke rol zoals ‘Engelse verfdoos’ (1956), ‘Vijf families en één poederblauw’ (1958). Hij ontving voor zijn werk de Constantijn Huygensprijs 1956 en in 1959 werd hem de P.C. Hooftprijs uitgereikt. Twee jaar voor zijn dood verscheen zijn laatste bundel, ‘Perzische suite’ (1965). Zijn Verzameld werk (drie delen) verscheen in 1976.

En in 2017 werd zijn poëzie dus opnieuw gebundeld. In deze verzamelbundel staat het gedicht ‘Bibliotheekleven’. En aangezien ik mijn leven heb gewijd aan de bibliotheek (inmiddels al meer dan 40 jaar werk in in bibliotheken) mag het geen verrassing zijn dat ik juist voor dit gedicht koos om hier met jullie te delen.

.

Bibliotheekleven

.

Zo nu en dan leg ik die prinses op haar rug.

Zij kijkt mij daar dankbaar voor aan

en zegt: doe mij nu niet meer te vlug

weer blijven staan.

.

Ik weet het en al bent u niet van vlees en doek,

u staat toch in mijn adelsboek.

.

Weet je dus werkelijk wie ik ben?

.

Of ik niet alle prinsessen op de erwten ken.

.

 

Mmmm… zei zij

100 erotische gedichten

 

Het leuke van verzamelbundels rondom een thema is dat je van allerlei gedichten over dat thema bij elkaar hebt, in allerlei stijlen, van (soms) over de hele wereld en van oude gedichten tot gedichten van dit decennium. Dit gaat ook op voor de verzameling erotische gedichten uit de wereldliteratuur, samengebracht door Koen Stassijns en Ivo van Strijtem onder de titel ‘Mmmm… zei zij’ 100 erotische gedichten uit de wereldliteratuur.

Een overzicht dat begint bij Sapho van Lesbos (ca. 630 voor Christus) via Imru I-Qays (ca. 500-540), Francois Villon (1431-1463?), William Shakespeare (1564-1616), Walt Whitman (1819-1892), Aleksander Blok (1880-1921), Henrik Nordbrandt (1945-2023)) tot aan Krisztina Tóth (1967) en nog vele, vele anderen. De enige Nederlandse (Nederlandse Antillen) vertegenwoordiger is Tip Marugg (1923-2006).

“De bundel combineert erotiek en poëzie van vroeger tot nu, van zoetgevooisd tot vuilgebekt, van zinnenstrelend tot zinnenbeukend. Hier wordt gepaard, gekruist en omarmend gevrijd, in een kwatrijn, een sonnet of gewoon op de mat of in bed. Spelen en overspelen, daar draait het allemaal om, en om de speeltjes, groot en klein.” aldus de achterflap.

Wat ik erg leuk vind is dat er dichters in deze bundel zijn opgenomen waarvan ik nooit gedacht had dat ze zich aan erotische poëzie hadden gewaagd. Een voorbeeld hiervan is de Zuid Afrikaanse dichter Antjie Krog (1952). Van haar hand is een gedicht opgenomen met de beginzin ‘We zijn alleen in de sauna’ dat werd genomen uit haar bundel ‘Om te kan asemhaal’ uit 1999 in een vertaling van Robert Dorsman.

.

We zijn alleen in de sauna

jij denkt dat ik hetero ben omdat ik getrouwd ben

ik wéét dat jij een taai suburban heterokoekje bent

ik haak mijn bh los en draai me op mijn buik

ineen puil jij uit je zwempak

je ongebruinde delen hoogtepunten in de stoom

je borsten bobbelen in een satijnen glans van zweet

mijn hele vagina rukt naar boven

ik lig sprakeloos toegezwollen

argeloos tuimelen je celluliteloze benen open

en ik voel dat ik ga flauwvallen

zoals mijn tong al

pindakaas uitsmeert op een snee honing

.

Wat de voorzitter tegen Tom zei

Basil Bunting

.

Op zoek naar stromingen binnen de poëzie kwam ik een mij nog onbekende stroming tegen; Het Objectivisme. Objectivistische poëzie is een stroming in de Amerikaanse poëzie, vooral prominent in de jaren ’30 van de vorige eeuw, waarbij dichters de nadruk leggen op een directe, concrete beschrijving van de werkelijkheid, zonder al teveel nadruk op abstracte ideeën of emoties. Ze gebruiken een eenvoudige, vaak zakelijke taal en richten zich op het presenteren van objecten en gebeurtenissen zoals ze zijn, zonder ze te interpreteren of te symboliseren. Bekendste dichters die tot deze stroming behoren zijn Louis Zukofsky, William Carlos Williams, Charles Reznikoff.

Een van Engelse dichters uit die stroming was de modernistische dichter Basil Cheesman Bunting (1900-1985). Zijn reputatie werd gevestigd met de publicatie van het lange gedicht ‘Briggflatts’ in 1966, algemeen beschouwd als een van de belangrijkste prestaties van de modernistische traditie in het Engels. Bunting had een levenslange interesse in muziek, wat hem ertoe bracht de sonische kwaliteiten van poëzie te benadrukken, met name het belang van het hardop voorlezen van poëzie: hij was een volleerd voorlezer van zijn eigen werk. Zijn poëzie werd gepubliceerd in de Objectivist- uitgave van ‘Poetry magazine’, in de ‘Objectivist Anthology’ en in Ezra Pounds ‘Active Anthology’.

Bunting debuteerde in 1930 met in een eigen beheer uitgegeven bundeltje met de Latijnse titel ‘Redimiculum Matellarum’ (Een ketting van kamerpotten) een pamfletcollectie van dertien gedichten geschreven tussen 1925 en 1929. Zijn debuut als publicerend dichter kwam veel later in 1950 toen de bundel ‘Poems’ verscheen. In 1967 publiceerde Bunting de bundel ‘What the chairman Told Tom’. Uit die bundel vertaalde ik het titelgedicht.

.

Wat de voorzitter tegen Tom zei

.

Poëzie? Het is een hobby.
Ik rijd modeltreinen.
Meneer Shaw daar fokt duiven.

Het is geen werk. Je zweet niet.
Niemand betaalt ervoor.
Je zou reclame kunnen maken voor zeep.

Kunst, dat is opera; of repertoire –
The Desert Song.
Nancy zat in het refrein.

Maar om twaalf pond per week te vragen –
getrouwd, toch? –
je durft wel.

Hoe zou ik een busconducteur
in de ogen kunnen kijken
als ik je twaalf pond betaalde?

Wie zegt trouwens dat het poëzie is?
Mijn tienjarige dochter
kan het én rijmen.

Ik krijg drieduizend pond, onkostenvergoeding,
een auto, vouchers,
maar ik ben accountant.

Ze doen wat ik ze zeg,
mijn bedrijf.
Wat doe jij?

Vieze woordjes, vieze lange woorden,
het is ongezond.
Ik wil me wassen als ik een dichter ontmoet.

Het zijn communisten, verslaafden,
allemaal delinquenten.
Wat jij schrijft is rotzooi.

Meneer Hines zegt het, en hij is een schoolleraar,
hij zou het moeten weten.
Ga werk zoeken.

.

Er wonen woorden in mijn hoofd

Stadsdichters

.

Zoals zovele steden en dorpen heeft ook Gouda een stadsdichter. Een een junior staddichter. Een goed voorbeeld voor andere dorpen en steden. Geef jong talent een podium en wie weet tot wat voor poëtische parels ze uitgroeien. Een voor mij onbekende stadsdichter van Gouda is Ruud Broekhuizen (1967) die van 2014 tot 2016 stadsdichter was. In 2020 publiceerde Broekhuizen zijn debuutbundel ‘Een Lege Plek’. De bundel zag het licht in de vorm van een avondvullend theaterprogramma dat dezelfde titel droeg.

In zijn tijd als stadsdichter  schreef Broekhuizen verschillende gedichten over de stad Gouda maar ook gedichten met een ander, vrij thema. Eén van die gedichten is getiteld ‘Er wonen woorden in mijn hoofd’.

.

Er wonen woorden in mijn hoofd

.

Er liggen letters in mijn hoofd

Luierend in de hangmat van de verbeelding

Beetje schommelen op gedachtegolven

Alsof het zomer is daarboven

.

De lelijkste tijd om een letter te zijn

.

Er wonen woorden in mijn hoofd

Eten zich een toekomst aan de keukentafel

Groeien hun hoofd tegen de zoldering

Om zich dan volwassen te noemen

.

Woorden wijzen soms de verkeerde weg

.

Er zingen zinnen in mijn hoofd

Kaatsende klanken aan een krekelmeer

Rijgen regels aaneen tot sereen symfonie

Roepend om meer vrijheid

.

Of ik mijn hoofd even leegschudt op papier

.

Maar de mooiste letters kennen geen volgorde

De mooiste woorden duren eindeloos

De mooiste zinnen zijn ongeschreven

.

Ze voelen het mooist

Het warmst

Het waarst

Het raakst

.

Als ik ze schrijf zijn ze verloren

Voor de schoonheid die ik ze heb beloofd

Toen ze nog woonden in mijn hoofd

.

Boos

J.A. Emmens

.

Ik bladerde door ‘De Nederlandse poëzie in pocketformaat’, samengesteld door Philip Hoorne en Chrétien Breukers uit 2012 en ik ontdekte dat deze handige, kleine uitgave destijds is uitgegeven door Compaan uitgevers uit Maassluis. Nu twijfelde ik even maar na een korte zoektocht bleek dat ik voor mijn werk daar ook een keer een boek heb uitgegeven: ‘Balkonscènes aan het water’ uit 2010 met onder andere poëzie van Pero Senda en Henriette Faas. Ik had de regie over dit boek gekregen van de gemeente (naar aanleiding van de bouw van een nieuwe wijk) en schreef er een inleiding voor.

Maar terug naar ‘De Nederlandse poëzie in pocketformaat’. Een pocket zonder inleiding, nawoord of enige duiding maar wel heerlijk gevuld met ruim 300 pagina’s gedichten van alle tijden. Waaronder een gedicht van de Rotterdamse dichter J.A. Emmens (1924-1971). Emmens was naast dichter ook doctor in de Kunstgeschiedenis en van 1958 tot 1961 directeur van het Nederlands Kunsthistorisch Instituut in Florence. Vanaf 1967 was J.A. Emmens hoogleraar algemene kunstwetenschap en ikonologie aan de Rijksuniversiteit in Utrecht.

Na zijn zelfverkozen dood in 1971 verscheen tussen 1979 en 1981  zijn ‘Verzameld werk’ in vier delen: zijn proefschrift, twee delen Kunsthistorische opstellen en een deel ‘Gedichten en aforismen’, dat veel meer materiaal bevat dan de drie kleine, tijdens zijn leven gepubliceerde bundels ‘Kunst- en vliegwerk’, ‘Autobiografisch woordenboek‘ en ‘Een hond van Pavlov’.

Uit ‘Gedichten en Aforismen’ uit 1980 van deze dichter hebben de samenstellers het gedicht ‘Boos’ opgenomen. Een grappige titel als je het gedicht leest. Ik weet niet precies waar en waarom Emmens ‘Boos’ werd maar het lijkt me een heel milde boosheid.

.

Boos

.

Het is bepaald overdreven te denken

dat het gedicht een poging betekent

om iets verstaanbaar te maken, laat staan

een uiting van priesters die god zien.

.

Een gedicht is niet meer dan een oor, om te grijpen

wanneer men geen woorden meer heeft

in officiële gesprekken, een railing

bij zeeziekte in de salon.

.