Site-archief

Paard van Glas

Koen Stassijns

.

Fulltime dichter, vertaler, bloemlezer, performer en een veelgevraagd docent literaire creatie Koen Stassijns (1953) is een maatschappelijk betrokken dichter. Tijdens de oorlog in Kosovo vertaalde hij onder andere een bundel met moderne Albanese poëzie en met zijn jeugdvriend Ivo van Strijtem stelde hij diverse bloemlezingen samen.

Hij debuteerde in 1984 met ‘Ik hou niet van de dagen’ en in 1993 verschijnt de bundel ‘Paard van glas’. Van die bundel het titelgedicht.

.

Paard van glas

.

Een paard op een marktplein van glas.

Het kijkt naar zichzelf, dat kan onbewogen

omdat ik het zag. En wie begrijpt dat

bijvoorbeeld vandaag, plots voor zijn ogen

.

de poort van een landschap openwaait

en hij onvoorwaardelijk vrij door kan

draven, achter zijn spiegelbeeld aan?

Is dit een droom? En hoeven man en paard

.

maar tussen kop en schouders te gaan

schuilen als kooplui, die uitmuntend dromen

verruilen, hun hoop aan scherven slaan?

.

Wij nemen niets aan en grijpen de teugel,

tegendraads, bewogen voortaan onder glas,

waar altijd een beeld van een boom kon staan.

.

Koen_Stassijns

Otiot

Lut de Block

.

Lut De Block (1952) studeerde filosofie aan de RUG; zij werkt als freelance journaliste, o.a. voor Knack. In 1984 debuteerde ze met de bundel ‘Vader’. In haar werk is één van de kernthema’s de vader-dochter relatie (evenals de natuur en de dood). Reden hiervan ligt in het feit dat ze in februari 1963 haar vader dood aan de keukentafel vond. Dit trauma was een belangrijke inspiratiebron voor haar vroege werk. Lut de Block heeft inmiddels 7 poëziebundels en een roman gepubliceerd.

In Vlaanderen heeft ze een aantal literaire prijzen gewonnen. Haar werk is in het Engels, Frans en Afrikaans vertaald.

Uit:’De luwte van het late middaguur’ uit 2002 een gedicht geschreven voor Harry Mulisch.

.

Otiot

.

Het vlees komt los van de botten. De ziel zingt

zich weg van het lichaam. De klinkers botsen

tegen het karkas van tweeëntwintig letters aan.

In den beginne was het woord. Een alefbeet

van slijk en klei. Hoor ik haar heer of huur haar hier.

Kon ik maar al jouw klinkers zijn en weerklinken

in de klankkast van je lijf. Ik koester het skelet van

zachte consonanten. De meester van ‘de procedure’

noemde hen het zichtbare lichaam van de woorden.

De klinkers noemde hij hun ziel en dus onzichtbaar.

D KLNKRS ZN HN ZL N DS NZCHTBR. Zo bijbels

klinkt het niet in onze ingedijkte moddertaal. en ander-

maal stoor ik je rust, staar je me aan, stuur je me weg.

.

lut

Ik word als jij

Jan Pieter Guépin

.

Er zijn veel dichters. Heel veel dichters. Als je bloemlezingen bekijkt dan staan er soms dichters in van eeuwen her. Dat betekent dat het arsenaal aan dichters voor iemand die over poëzie schrijft (zoals ik) enorm is. Dat is één van de redenen dat ik, een tijd geleden alweer, begonnen ben met de rubriek (bijna) vergeten dichters. Veel van de dichters die heden te dage niet meer gelezen worden zijn namelijk nog steeds zeer goed leesbaar.

Een goed voorbeeld van zo’n (bijna) vergeten dichter is wat mij betreft J.P. Guépin (1929 – 2006). Tijdens zijn studie klassieke letteren aan de universiteit van Amsterdam was hij redacteur van het studentenweekblad Propria Cures. Hij promoveerde op een onderwerp uit de Griekse godsdienstgeschiedenis: De tragische paradox.

Guépin was dan ook een groot pleitbezorger van de Neolatijnse poëzie, waarvan hij veel vertalingen maakte. De Neolatijnse poëzie zijn gedichten die zijn geschreven in het Latijn in de periode vanaf de renaissance.

In het gedicht’Ik word als jij’ komt deze voorliefde niet zozeer naar voren. Het gedicht komt uit de bundel ‘Gedichten’ uit 1984.

.

Ik word als jij

.

‘ik word als jij, we gaan elkaar vertrouwen,

kom bij me, kijk naar mij, ik naar jou,

mijn armen om je schouders, jij de jouwe,

ik voel hoe jij, jij hoe ik van je hou.’

.

‘Ik word als jij, als we in elkaar vergroeien,

ik proef mijn zoen, jouw zoen is nu mijn zoen,

mijn hand jouw buik, jouw buik mijn hand doet gloeien,

wat ik ook doe met jou zal jij weer doen.’

.

Nu woest maar kalm, dan opgewonden klaar,

gefluister, schreeuwen, en doodstil een poosje,

heel knus als lepeltjes in een klein doosje.

.

Zo gaan we op in elkaar,

wij met zijn tweeën weten hoe dat kan:

de man wordt telkens vrouw, de vrouw wordt man.

.

guepin

Driehoek

Onbegonnen werk

.

Deze zondag een gedicht van Herman de Coninck uit zijn bundel ‘Onbegonnen werk, gedichten 1964 – 1982’ uit 1984 met de titel ‘Driehoek’.

.

Driehoek

.

Het leek wel een goeie driehoeksverhouding:

ik hield van jou

en van mij.

.

Ik hield van jou zoals je dat alleen maar

voor het eerst doet: alsof het elke keer

voor het laatst is.

.

Ik hield van jou om de manier waarop ik je

in alle stàten bracht,

in België, Frankrijk, Nederland, Joegoslavië,

geluk was inderdaad zo uitgestrekt als hele landen

en telkens net zo onderling verschillend.

.

Ik hield van jou om de manier waarop je,

over mijn schouder meelezend, kon zeggen:

jaja, schrijven hoe goed je het kan,

dàt kan je wel, maar laat maar eens zien.

.

En ik hield van mij, o, wat hield ik

even nadien van mij, want hoe zalig was het

mezelf te zijn

in jouw armen.

.

Onbegonnen werk

3hoek

Lozenges

Gedichten in vreemde vormen

.

In 1965 gaf Colleen Thibaudeau een alleraardigst boekje uit met de intrigerende titel ‘Lozenges’. Om daar maar mee te beginnen; een Lozenge () is een ruitvormig leesteken dat nog maar weinig gebruikt wordt.  De lozenge werd vroeger wel eens gebruikt om spaties aan te geven bij woorden waar onduidelijk was of deze aan elkaar hoorden of niet. In de huidige spelling is dit niet meer nodig.

Colleen Thibaudeau (1925 – 2012) was een Canadees dichteres en schrijfster van korte verhalen die in veel tijdschriften en magazines gedichten publiceerde. Behalve ‘Lozenges’ publiceerde ze nog de bundels ‘Ten Letters’ (1975), ‘My Granddaughters Are Combing Out Their Long Hair’ (1977), ‘The Martha Landscapes’ (1984), ‘The “Patricia” Album’ (1992) en ‘The Artemesia Book’ (1991).

Het boekje ‘Lozenges’ staat vol met gedichtjes in de vorm van een object en heeft dit ook als titel. Voorbeelden zijn een kroon, een trein, een hockeystick en een pop.

Hieronder twee voorbeelden van een ballongedicht en een kaarsgedicht.

.

ballon

kaars

lozenges

Voor het hele boekje on-line ga je naar http://colleenthibaudeau.com/lozenges-poems-in-the-shape-of-things/

De Poëziebus Deel 9

Andrea van Herk

 

Na Brussel (waar ik de dichters van de Poeziebus even ben wezen opzoeken) trekt de karavaan dichters vandaag door naar Oostende. In Oostende wordt Vrijstaat O en ’t Kroegske aangedaan in de middag (na 14.00 uur) waarna men ’s avonds door zal rijden naar Antwerpen waar bar Paniek zal worden voorzien van veel poezie. Of Andrea van Herk daar aanwezig zal zijn weet ik niet, wel zal het aantal dichters groeien want op zondag is in Antwerpen de grande finale waar ook ik zal voordragen.

Andrea (1984), regelmatig bij De Poetsclub te vinden in Rotterdam, trad op op het Lezersfeest Rotterdam als Dichter in de lift, exposeerde een gedicht op festival Lost&Sound, klom op het podium bij Speak XL en Dichter bij de Bar. Schrijft graag over het alledaagse, liefde en het leven, alhoewel zij denkt, dat dat hetzelfde is. Is graag onderweg, omdat dit de momenten zijn waarop de geest zich opent, de ziel spreekt. Werkt aan een novelle waar ook poëzie in te vinden zal zijn.

.

Langzaam

Ik wil het zien
zoals het niet eerder was
zonder schaamte, angst
hoe je boven mij
tussen verlopen uren
minuten zwijgen zal

hoe we langzaam
de regen schaken
je je hand verplaatste
op geraakte plaatsen
omdat jij mij ziet
zoals ik altijd al was

.

andrea-van-herk

cropped-poeziebus_banner-03

Lees alles over het programma van de Poëziebus op http://poeziebus.nl

 

Met glinsterend haar

Mark Braet (1925 – 2003)

.

Marcel Maurits (Mark) Braet  was dichter, humanist, links politiek militant, uitgever en vertaler van Pablo Neruda. Braet begon met dichten in 1939 maar zijn eerste dichtbundel verscheen in 1950 met de titel ‘Achttien stappen in de storm’.

Braet was heel actief in de contacten met het (voormalig) Oostblok. In 1958 is hij mede-stichter van de Vereniging België-DDR. Van 1963 tot 1970 is hij Politiek secretaris van de Communistische Partij België. In 1968 Maakt hij deel uit van een delegatie van het Centraal Komité van de KPB (Communistische Partij van België)  voor een studiereis naar de Sovjet Unie. Hij bezoekt aldaar de Socialistische Federatieve Sovjetrepubliek Rusland, de SSR Oezbekistan en het Autonoom gebied Bachkirië.

Als secretaris Generaal van de Belgo-Sovjetse Vereniging (vanaf 1977 Vereniging België-USSR) verzorgt hij de culturele uitwisselingen tussen Vlaanderen en de 15 Sovjetrepublieken. In 1984 maakt hij samen met Willy Spillebeen en Bart Vonck een vertaling van de Canto General van Pablo Neruda.

Mark Braet was een zeer actief publicist  in verschillende tijdschriften. Hij verzorgde inleidingen bij publicaties en tentoonstellingen, nam deel aan talrijke letterkundige en politieke avonden, debatten, poëziehappenings, en interviews. Daarnaast gaf hij regelmatig lezingen over Pablo Neruda, de Spaanse burgeroorlog, Bertold Brecht en Federico García Lorca.

In zijn vroege poëzie is zijn activisme een belangrijk thema. De gedichten gaan over oorlog, verzet, sabotage en angst. Het is strijdbare poëzie, waarin het leven van onderdrukten sociaal-realistisch wordt weergegeven. In zijn latere poëzie is de liefde in al zijn vormen het allesoverheersende thema.

.

Met glinsterend haar

.

Met een gelaat van nachtelijk water

ach water is zwart en hopeloos diep

en dieper dan het gelaat van het water

waarop een zilveren kangoeroe liep

 

en ik dacht dat ik sliep in de diepte

maar slapend rechtopstaan is recht

naar de dood gaan met glinsterend haar

met een woord dat men nachtelijk zegt

 

en ik dacht ach ik dacht dat ik dacht

maar de dag staat bleek in mijn mond

maar mijn mond is nu nachtelijk graf

en graf is het woord dat ik vond

.

Uit: Onbewoonbaar verklaard, 1972.

braet

Braet-11

Tweedst

J. Bernlef (1937 – 2012)

.

J. Bernlef  is het pseudoniem voor Hendrik Jan Marsman. Bernlef was schrijver, dichter en vertaler. Ik kende hem vooral als schrijver maar van de meer dan ruim 80 boeken en bundels die van hem bij leven zijn uitgegeven zijn er 25 met poëzie. Bernlef debuteerde in 1959 met de gedichtenbundel ‘Kokkels’. Vanaf 2002 publiceerde hij onder het pseudoniem Bernlef (zonder de initiaal J.), soms als Henk Bernlef (hij heeft eerder vertalingen gemaakt als Jan Bernlef).

Bernlef ontving tijdens zijn leven vele literaire prijzen als de Reina Prinsen Geerligsprijs voor ‘Kokkels’ (1959), de Constantijn Huygensprijs voor zijn gehele oeuvre (1984) en de P.C. Hooft-prijs voor zijn gehele oeuvre (1994).

In 1988 verscheen bij Querido de verzamelbundel ‘Gedichten 1970 – 1980’.

Uit deze bundel het gedicht ‘De kunst om tweedst te zijn’ (Voor het eerst gepubliceerd in de bundel ‘Stilleven’ uit 1979).

.

De kunst om tweedst te zijn

.

Net achter de leider de zijweg ingeglipt

(die hij niet had gezien)

en zo de bessestruik ontdekt

.

Goed, ze smaken bitter maar

aan alles wen je op den duur

.

Kleine, harde bessen, zuur

maar zoet smakend naast het

al half vergane lijk van de leider.

.

bernlef

bernlef2

Hoekkamer

Clara Haesaert

.

Vandaag wil ik een vrouwelijk Vlaamse dichter Clara Haesaert belichten. En wel om de volgende reden. Toen ik informatie over haar las waarin stond dat ze zich professioneel inzette voor bibliotheekvoorzieningen en de kwaliteit van jeugdboeken scoorde ze als mens al punten bij me, toen ik op zoek ging naar haar poëzie was het duidelijk; ik ging een blogpost over haar schrijven.

Geboren in 1924 was Clara Haesaert na haar studie werkzaam als ambtenaar bij het Ministerie van Nationale Opvoeding en Nederlandse Cultuur (kom daar tegenwoordig nog maar eens om, ministeries met zulke ronkende namen). In die functie zette ze zich dus in voor bibliotheekvoorzieningen en de kwaliteit van jeugdboeken.

Op 29 jarige leeftijd debuteerde ze als dichter met de bundel ‘De overkant’ waarna er nog 8 bundels volgden. Haar laatste bundel ‘Voorbij de laatste vijver’ verscheen in 1995. Ze was medeoprichtster en redacteur van het tweemaandelijkse tijdschrift ‘De Meridiaan’ tijdschrift voor kunst en letteren, en oprichtster van Internationaal Kunstcentrum Taptoe in Brussel. Tot slot was ze mede-stichtster van de “Middagen van de Poëzie” en van het Haiku-centrum voor Vlaanderen in Overijse.

Naast de Basiel de Craeneprijs voor haar gedicht ‘de Man’ in 1952 , de Mathias Kempprijs voor Poëzie voor haar bundel ‘Medeplichtig’ in 1984 en ‘Het gulden boek voor Verdiensten bewezen aan het Boekwezen’ in 1991 werd ze in 2001  bevorderd tot Officier in de Leopoldsorde.

Uit jaargang 8 van De Brakke Hond uit 1991 het gedicht Hoekkamer van haar hand.

.

Hoekkamer

Het gulden boek voor verdiensten bewezen aan het boekwezen, bibliotheken, jeugdboeken,

1.
Je loopt levend door mijn gedachten,
je handen bewegen,
je knippert met de ogen.
Ik ben dood, zei je toen, die avond,
zeven jaar geleden.
Nu hoor ik je stem, verdrietig,
ik zie je stappen, voorovergebogen.
Toch loop je elk ogenblik, veerkrachtig,
lachend en pratend door mijn gedachten.
2.
Op een dag liep ik met een vriend door het bos.
Een groot bos vlakbij de grootste stad van het land.
Het was februari, ik hoorde een ijsvogel zingen.
Op het smalle wandelpad lag een dun laagje sneeuw.
3.
In deze hoekkamer rees de vraag:
waarom de stem verheffen,
waarom met woorden treffen.
Waarom het ondoordachte:
steeds de sterkere, de onverstoorbare te lijken,
waarom geraffineerd de meedogenloze spelen.
In het schild voor het ongeluk geboren:
onloochenbaar merkbaar in ogen en stem,
koele tegenstrijdigheid in zien en horen.
.
Clara
Met dank aan dbnl.org en Wikipedia

The Olympic Girl

John Betjeman

Van de week schreef ik al over Philip Larkin en de vraag van Jessica Hynes aan Hugh Bonneville: Larkin of Betjeman. Hij koos voor Larkin maar Betjeman mocht er ook zijn (vond het tweetal). John Betjeman was een Engels dichter en literatuurcriticus. Zijn voorouders waren van Nederlandse afkomst. De oorspronkelijke familienaam was Betjemann. De laatste n verdween tijdens de Eerste Wereldoorlog om de naam minder Duits te doen lijken.

Betjeman (1906 – 1984) nam zichzelf niet al te serieus. Zijn gedichten zijn mede daardoor zeer toegankelijk. Hij schreef persoonlijk getinte, soms lyrische, maar ook humoristische en satirische gedichten, en deed dat in eenvoudige taal. Zijn dichtwerk mocht zich daardoor verheugen in de belangstelling van een breed publiek. Lees en oordeel zelf.

.

The Olympic Girl

The sort of girl I like to see
Smiles down from her great height at me.
She stands in strong, athletic pose
And wrinkles her retroussé nose.
Is it distaste that makes her frown,
So furious and freckled, down
On an unhealthy worm like me?
Or am I what she likes to see?
I do not know, though much I care,
xxxxxxxx.....would I were
(Forgive me, shade of Rupert Brooke)
An object fit to claim her look.
Oh! would I were her racket press'd
With hard excitement to her breast
And swished into the sunlit air
Arm-high above her tousled hair,
And banged against the bounding ball
"Oh! Plung!" my tauten'd strings would call,
"Oh! Plung! my darling, break my strings
For you I will do brilliant things."
And when the match is over, I
Would flop beside you, hear you sigh;
And then with what supreme caress,
You'd tuck me up into my press.
Fair tigress of the tennis courts,
So short in sleeve and strong in shorts,
Little, alas, to you I mean,
For I am bald and old and green. 
.
betjeman