Site-archief
Budé over Armando
Dichters over dichters
.
In de bundel ‘Achter het verdwijnpunt’ van Frans Budé, gepubliceerd in 2015 staat fraaie poëzie te lezen. Franciscus Hyacinthus Gerardus Antonius (Frans) Budé (kom er nog maar eens om zulke prachtige voornamen) is een Nederlands dichter geboren in Maastricht (1945). Budë debuteerde in 1968 met een aantal gedichten dat werd afgedrukt in Elseviers Weekblad. Zijn eerste bundel ‘Vlammend marmer’ verscheen in 1984, waarna hij een groot oeuvre van poëzie, proza en essays opbouwde. Budé is bekend door de vele gedichten die hij schreef bij werk van beeld kunstenaars.
In de bundel ‘Achter het verdwijnpunt’ zijn 14e dichtbundel, staan een aantal voorbeelden van gedichten die hij naar aanleiding van of over beeldende kunst schreef. Misschien is daarom ook het gedicht ‘Armando uitgelicht’ opgenomen maar omdat Armando ook een dichter is heb ik het gedicht toch vooral gelezen als een gedicht van de ene dichter over een andere dichter.
.
Armando uitgelicht
.
Als een blad neerdaalt midden in het zwijgen, water
zich samentrekt en weer uitvloeit, als een bos
het duister afschermt, een bronstig hert vervaagt
in gedempt licht en druppels schuchter beginnen
aan een eentonig vallen zonder zich te schikken
naar strak staande waterplassen. Als de rots gestreng
zijn rug recht voordat hij de avond omhelst,
verguld met zichzelf tijd in handen krijgt die hij
openbreekt en uitzet ver het landschap in, dan,
ja dan, verwijdt zich het ogenblik, schuift de horizon
de zee vooruit, verspreidt een geur van zout en zand.
.
(Wasser)
.
En wat dan nog?
Annie M.G.Schmidt
.
Hoewel Annie M.G. Schmidt (1911-1995) vooral bekend is van haar kinderboeken, musicalteksten, hoorspelen en series was ze bovenal dichter. In 1950 debuteerde ze met ‘Het fluitketeltje en andere versjes’ met daarin klassiek geworden versjes als Dikkertje Dap en het beertje Pippeloentje.
In 1951 verscheen van haar hand haar eerste bundel met gedichten voor volwassenen getiteld ‘En wat dan nog!’. Een tweede bundel gedichten voor volwassenen ‘Weer of geen weer’ volgde in 1954. Beide bundels heb ik op de kop getikt in een kringloopwinkel en ik ben er erg blij mee.
In deze bundels zijn de verzen rijmend zoals we gewend zijn van Annie M.G. Schmidt maar hebben de verzen volwassen onderwerpen. Een bekend gedicht, dat ze al in 1938 schreef is het gedicht ‘Leeszaal’ waar ik al eerder over schreef in 2017 https://woutervanheiningen.wordpress.com/2017/07/14/ik-ben-een-god/
Een ander mooi en herkenbaar gedicht, nog steeds, is het gedicht ‘Ondergang van een illusie’ over dromen die niet uitkomen.
.
Ondergang van een illusie
.
Je bent dus geen diep water, Jan Willem,
je bent maar een meneer op een fiets.
Je hebt wel een gezicht voor de film,
maar achter dat gezicht is – niets.
.
Je kon soms in het vuur zitten staren,
je ogen werden dieper en dieper…
Ik voelde, dat het zielsconflicten waren!
– Maar nee, je zat te denken aan de keeper.
.
Ik dacht zo, dat we samen zouden dromen
over gedichten, kleur en klank en rijm…
Maar litterair kon je niet hoger komen
dan bij de werken van E. Philips Oppenheim.
.
’t Is niet zo erg belangrijk. ‘t Wordt geen ruzie!
Je moet niet denken, dat mijn hart nu breekt!
Alleen – wat vang ik aan met mijn illusie
die ik met zoveel zorg heb opgekweekt.
.
Die ik gekoesterd heb in al die jaren…
Weggooien maar? Was het alleen maar kolder?
Ik zal haar in een oude doos bewaren
bij andre malle dromen, op de zolder
.
Gemadeliefd
Anton Ent
.
Anton Ent is het pseudoniem van Henk van der Ent (1939), een Rotterdams dichter, prozaschrijver en essayist. Op zoek naar de achtergrond van Anton Ent bleek dat we beide op de School voor Taal en Letterkunde hebben gestudeerd in Den Haag (inmiddels reeds lang geleden opgegaan in een andere opleiding). Hij was zijn werkzame leven actief in het lager onderwijs en docent Nederlands.
In 1969 debuteerde hij met de bundel ‘Hagel en sneeuw’ Eind 1993 baarde Henk van der Ent opzien door zich te onthullen als de man achter het pseudoniem Marieke Jonkman, een dichteres die sinds 1991 veel succes had met haar bundels. Onder zijn eigen naam publiceerde hij in ‘Maatstaf’, ‘Liter’ en ‘Tirade’ en als Marieke Jonkman in ‘De Gids’, ‘Ons Erfdeel’, ‘Dietsche Warande en Belfort’ en ‘Hollands Maandblad’. In totaal publiceerde Ent 17 dichtbundels. Hij wil door middel van beelden, klanken en ritme bij de lezers gevoelens oproepen. Zijn poëzie vereist een leeshouding waarbij de lezer zich openstelt voor de evocatieve kracht van de taal.
In de binnenflap van de bundel ‘Hoe het licht valt’ van Anton Ent uit 2016, schrijft Jaap Goedegebuure: “Karakteristiek voor zijn poëzie is dat ze in haar mystieke gerichtheid gedurig heen en weer slingert tussen hartstochtelijk beleden obsessie en de neiging tot berusting en verstilling”.
Op zoek naar het laatste kwam ik uit bij beide in het bijzondere gedicht ‘Gemadeliefd’. Bijzonder omdat de dichter in dit gedicht woorden gebruikt die in het Nederlands niet bestaan maar waarbij de lezer meteen een beeld of idee heeft. Ik hou van dergelijke taalvondsten en daarom hier dit gedicht.
.
Gemadeliefd
.
Ben ik gemadeliefd om gloed te zien in spierwitte straling?
.
De lintbloemen glimlachen om de vierentwintig fijnzinnige
richtingen van de windroos die naar haar willen verwijzen
.
Ik zou vergrast of versteend willen zijn
maar verman me
.
Götterdämmerung
Johnny van Doorn
.
Johnny the Self-kicker schreef in 1963 een brief naar het tijdschrift ‘Podium’ waarin hij uiteen zette dat hij in financiële nood verkeerde en zich gedwongen zag het tijdschrift vier verzen toe te sturen uit zijn nieuwe bundel ‘DE NIEUWE MONGOLEN’. De vier bijgevoegde gedichten; ‘De terreur van de tongval’, ‘Vers’, ‘Op de rand van het verdoemd voorgevoel’, en ‘De stofnaalden der opwaartsgelegen stelsels’ zouden uiteindelijk niet in de bundel ‘Een nieuwe mongool’ verschijnen. Toch zorgde deze brief ervoor dat Johnny van Doorn (1944 – 1991) met deze gedichten zou debuteren.
In de bundel ‘Droom vrijuit’ uit 2014 waarin alle gedichten van Johnny van Doorn zijn opgenomen staat achterin deze brief in zijn geheel afgedrukt. Hoewel de titels van zijn proza bij mij en vele anderen beter bekend zijn (‘Gevecht tegen het zuur’ en ‘De geest moet waaien’) heeft Johnny van Doorn onmiskenbaar zijn stempel gedrukt op de poëzie in de jaren ’60. In ‘Droom vrijuit’ zijn de bundel ‘Een nieuwe mongool’ uit 1966 en ‘De heilige huichelaar’ uit 1968 in zijn geheel opgenomen evenals een aantal losse gedichten die in tijdschriften zijn gepubliceerd.
Zo ook het gedicht met de altijd intrigerende titel ‘Götterdämmerung’.
.
Götterdämmerung
.
3 ijslollies pers ik
Hardhandig in haar zwangere
Gecorsetteerde buik &
Sardonisch hijg ik in
Haar te kleine oren
Een kompleet giftige
Maalstroom van
Woorden & woorden:
Van tot tot teen
Schiet een zwavelige
Vlam door haar heen &
Akelig gillend ver-
Koolt ze onder haar
Pikante peignoir
Tot 5 vierkante cm.
Grijs bitter as &
Vol valsigheid
Kondig ik met een
Krijsende Eucalyptastem
De GötterDämmerung &
Het Laatste Oordeel
Aan &
Op de hoek van een
Op zijn grondvesten
Trillend huizenblok
Verziek ik met een
Laatste Caballero
M’n astmatische
Bronchiën &
Ik leg me bij
De ernstige
Situatie neer.
.
Max Brückner , printed by Otto Henning
Overdenking
(bijna) vergeten dichters
Allerzielen 2 november 1974
Overdenking
Lieve Mamma. Hoe gaat het met je en Pappa,
en Oma en het wéér daarzo? Warm en vrolijk voor
.
Edwin Fagel
Het extatische landschap in
.
In 2018 verscheen bij uitgeverij Nieuw Amsterdam de bundel ‘Het extatische landschap in’ van Edwin Fagel (1973). Fagel is dichter en journalist. Hij studeerde Nederlands en was hoofdredacteur van ‘Awater’, redacteur van ‘de Recensent’ en medewerker aan onder andere ‘Bunker Hill’, ‘Lava’, ‘Meander’, ‘Tirade’ en ‘Tzum’. Fagel debuteerde in 2007 met de bundel ‘In uw afwezigheid’ en ‘Het extatische landschap in’is zijn 4e bundel. In deze bundel staat de vrouwelijke godheid centraal, in lyrische, mystieke gedichten. Hans Franse schreef daarover in zijn Meander recensie: “Het is een indrukwekkende bundel die mij doet denken aan de oerfunctie van de poëzie, de bezwering, waardoor de mysticus dichterbij de Godheid, in welke vorm dan ook, komt en de eenwording bereikt. De gedichten lijken mantra’s, de herhaling brengt de lezer er toe dieper te graven. Wat Gerrit Achterberg dichtte: ’nochtans moet het woord bestaan dat met u samenvalt’ , lijkt hier gerealiseerd. Een bundel die de herhaling hanteert om, als in minimal music, het hoofd leeg te maken om plaats te maken voor de vrouwelijke God.”
Uit de bundel koos ik voor het gedicht ‘koningin’.
.
koningin
.
vastgebonden lig je & geblinddoekt
& alle mannen zingen
.
sanctus sanctus
.
ze dragen allemaal dezelfde naam
& ze lopen allemaal als ik
.
zingend rond je bed
& ze zingen sanctus
.
ik zet mijn mes
ik zet mijn mes in het vlees van je zij
.
(vinger in de wond)
.
dan storten alle mannen
zich zingend op je rillende lijf
scheuren ze je lichaam open
.
je lippen liggen
in een gelukzalige lach
.
sanctus zingen we
& we zijn voldaan
& we zijn gelukkig
.
De broekbewapperde mens
Robert Anker
.
Wat ik – naast heel veel andere aspecten – erg leuk aan poëzie vind is de vindingrijkheid van dichters als het gaat om bijzondere titels van bundels. Als ik in mijn boekenkast kijk staan daar bundels met namen waar ik me elke keer weer over verbaas en waar ik elke keer opnieuw weer vrolijk van word. Ik noem: ‘Het glimpen van de welkwiek’ (Pfeijffer), ‘Gevecht tegen het zuur’ (van Doorn), ‘Verboden voor kettingzagen'(de Bas), ‘Totemtaal'(Harten) en ga zo maar door. Een van die titels is ook de bundel van Robert Anker namelijk ‘De broekbewapperde mens’.
Rengert Robert Anker (1946 – 2017) was schrijver, dichter en literatuurcriticus. Hij debuteerde in 1979 met de bundel ‘Waar ik nog ben’. Daarvoor verschenen al gedichten van zijn hand in tijdschriften als De Revisor. Waar zijn debuut nog een traditionele dichtbundel was, geïnspireerd op zijn jeugd in het Westfriese Oostwoud en naar binnen gericht, veranderde dit al snel en kwam de nadruk te liggen op de buitenwereld, zoals in ‘Van het balkon’ (1983), en op maatschappelijke problemen, zoals in ‘De broekbewapperde mens’ (2002). Van de natuur verschoof het perspectief naar het stadsleven. Het werk van Robert Anker werd vele malen bekroond met onder andere de Jan Campert-prijs en de Herman Gorterprijs.
Hoewel de gedichten in ‘De broekbewapperde mens’ zeker geen eenvoudige kost is, zijn de gedichten toch zeer te genieten. Ik koos uit deze bundel het titelgedicht al was het alleen maar door de bijzondere titel.
.
De broekbewapperde mens
.
Dat er altijd maar die bron zou zijn
die reikt tot in de hemel.
Het is de mens die op de kemel
des woestijns ons doortrokken hebbend
steeds rechterop
van waterput tot avondkleding
ons nu verlaat voor wat hij denkt
te zijn op de bedijkte dijk:
.
de broekbewapperde mens!
.
Die nu omkeert en afdaalt
voor een bagagedrager
(en een broekklem)
zeggende:
vlaggen psalmen verrekijkers
en voordehandse liederen
inleveren bij de windmolen
die de dood vermaalt
tot hevige aanwezigheid
angst en vreze te behouden.
.
Spring maar achterop bij de mens!
.
Koor
Peter Verhelst
.
In 1987 debuteerde de Vlaamse dichter Peter Verhelst (1962) met de bundel ‘Obsidiaan’. Dertig jaar later, inmiddels een belangrijk en gelauwerd dichter ( Verhelst ontving onder andere de Paul Snoekprijs, De Gedichtendagprijs, de Jan Campert-prijs, de Herman de Coninckprijs en de Ida Gerhardt Poëzieprijs) verschijnt in 2017 de bundel ‘Koor’ een bloemlezing uit zijn meest opzienbarende poëzie.
In de bundel ‘Koor’ is door de dichter zelf een keuze gemaakt uit eerder gepubliceerd werk aangevuld met ongepubliceerde gedichten. Om uit zoveel bijzondere en mooie gedichten een keuze te maken is zelfs voor mij een opgave maar uiteindelijk kies ik voor het (liefdes-) gedicht ‘Tegen het vergeten’. Ik kies hier bewust voor dit gedicht omdat het mooi aansluit bij een categorie die ik hier alweer een paar jaar geleden begonnen ben; (bijna) vergeten dichters. Ook die dichters waar we nooit meer wat van horen hebben vaak zulke mooie poëzie geschreven, reden waarom ik ze regelmatig weer terug haal. Bij een dichter als Peter Verhelst zal dit waarschijnlijk niet snel gebeuren. Daarom is de combinatie tussen zijn gedicht en deze categorie dichters een waardevolle.
Oorspronkelijk verschenen in de bundel ‘Wij totale vlam’ uit 2014 ‘Tegen het vergeten’.
.
Tegen het vergeten
.
Niet hoe je was, hoe je op je ellenbogen achterover leunend, zo bleek was je,
hoe we keken – niet vergeten,
niet het zich zuchtend openvouwen – nooit vergeten,
niet hoe het had kunnen zijn, hoe we hadden willen zijn.
.
Wat van ons verloren is gegaan.
Wie van ons verloren ging.
Laten we ons elkaar zo herinneren
voor de herinneringen dingen met ons doen:
.
een dunne lijn rood, gloeiend in de avondlucht,
hoe we, op onze ellenbogen achterover leunend, naar elkaar keken,
een fonkeling in het wachten, een nauwelijks hoorbare zucht.
.
Wit
oplossend als suiker
in het vallende duister.
.
De echo van je zucht.
.
De echo van de echo van je zucht.
.
De toekomst is nu
Poëzieweek 2020
.
Van 30 januari tot en met 5 februari is het Poëzieweek en op 30 januari is het Nationale Gedichtendag in Nederland en Vlaanderen. Op de website van de Poëzieweek https://www.poezieweek.com/ kun je alle activiteiten en bijzonderheden nalezen. Het thema van de Poëzieweek is ‘De toekomst is nu’.
In aanloop naar de Poëzieweek toe wil ik een aantal gedichten van dichters die in dit thema geplaatst kunnen worden, hier plaatsen. De eerste dichter en het eerste gedicht is van Hans Berghuis.
Berghuis (1924 – 1994) was dichter en prozaschrijver. Hij debuteerde in 1947 met de poëziebundel ‘Stanza’s voor haar’ in 1950 gevolgd door de bundel ‘Grote en kleine metten voor jou’ waarna het tot 1984 zou duren voor hij weer een dichtbundel publiceerde, namelijk ‘Postpapier voor Nigra’. In veel van Berghuis’ poëzie is er sprake van een rusteloos zoeken om te ontkomen aan de essentieel menselijke eenzaamheid. In het gedicht ‘De laatste adem’ komt dit ook mooi naar voren. Het gedicht komt uit de bundel ‘Postpapier voor Nigra’ briefgedichten, dat in 1984 werd uitgegeven door Uitgeverij Stichting Ravenberg Pers. In dit gedicht wordt pijnlijk duidelijk een situatie geschetst waarin de toekomst van de hoofdpersoon al vast staat en al reeds is begonnen.
.
Laatste adem
.
Des nachts sluipend door het huis, op zoek
naar drank en sigaretten, een glas achterover
slaan tegen de pijn, tien regels van het boek
lezen dat nooit geschreven werd, daar zitten
in een stoel zonder zeker te weten wat te doen,
de vogels horen wakker worden tegen vieren
en dan kruipend en tierend terug naar bed.
Hij vloekt tegen haar billen, tast de spleet,
hij kneedt de mammas van zijn zwarte schaap,
hij laat de slang die één maal Eva beet
kopstoten in zijn boom, totdat zij vraagt:
‘Wil je gewoon doen? Kom je in mijn hol?
Ik ruik je al een uur van hier tot daar. -‘
Ongewoon levend blaast hij zijn adem bol:
zijn dood begraaft hij in de moederbaar.
.
















