Site-archief

Overleden dichter

Frank Diamand

.

In de krant Volkskrant van zaterdag las ik het overlijdensbericht van filmmaker, regisseur, producer en dichter Frank Diamand (1939-2025). Ik ken Frank van een voordracht die ik gaf bij poëziepodium Reuring van Alja Spaan in Alkmaar in 2021. Ik was toen meteen onder de indruk van zijn poëzie en schafte de bundel ‘Hoe dat moet loslaten en bewaren tegelijk’. Deze bundel werd uitgegeven door Essential Art (waar hij voorzitter van was) en waar een aantal van zijn dichtbundels verschenen.

Diamand debuteerde als dichter in 1966 met het gedicht ‘Cybernetica’ in De Gids. Twintig jaar later verscheen bij Van Gennep zijn debuutbundel met de ietwat bizarre titel ‘Wie wil er nu met Hitler in de tobbe?’. Frank Diamand was een bijzonder mens met een bijzondere geschiedenis. Aan de hoeveelheid namen onder zijn overlijdensadvertentie blijkt dat hij ook een zeer geliefd mens was, wat me niet verbaasd, mijn enige ontmoeting met hem was met een vriendelijk, aimabel en opgewekt mens.

In het literaire tijdschrift Raster, jaargang 1 (1967-1968) verschenen twee gedichten van zijn hand. Een in het Nederlands, de ander in het Engels (in zijn bundels waren beide talen vertegenwoordigd). Ik koos het Nederlandstalige gedicht met de titel ‘Communicatiestoring’ opgedragen aan professor Vermeulen-Cranch (de eerste hoogleraar anesthesiologie in Nederland).

.

Communicatiestoring

.

– oude man met miltruptuur en breuk –
zo iemand krijgt een lichte narcose
van zuurstof en ether, een inleiding
van cyclo-propaan.’
De ontvanger kleurt de zin homerisch bij:
‘en het lieflijk cyclo-propaan
brengt hem in slaap.’
gebeurt wat er gebeurt:
de poliklinieken verkleuren
worden asfaltgroen en oker
bedekt met stof en luizen
een weefsel van pervers kant.
Bomen ontsappen –
het beton verbrandt
en in de koude die dan optreedt
drijven sneeuwblinde olifanten,
huilen koolzuurschuim.
Egelvissen midden in de nacht
richten een onweer op.
En een zachte auto
die goed in de was is gezet
rolt door het snikheet Andalusië.
Een zeker tijdsverloop verstrijkt
voor de triviale betekenis
van het vreedzaam gebruik, van sommige
volgens ringstructuur gebouwde gassen
alle andere verdringt
.

Verknoping

Sandra Roobaert

.

In 2023 debuteerde de Vlaamse dichter Sandra Roobaert (1968) bij uitgeverij De Zeef met de bundel ‘De inventarisatie van wat blijft’. De bundel kreeg goede recensies. Zo schrijft Tom Veys op de website van Meander: “De dichter schrijft pur sang. Vrijwel alle prozagedichten zijn volle gedichten die zich twee keer laten openplooien. ‘De inventaris van wat blijft’ is meer dan een inventaris, het is een geslaagde en gelaagde debuutbundel waarbij verwondering en maatschappijkritiek verschillende kansen krijgen, zowel door taal, als door inhoud.”

Sandra Roobaert won in 2022 met het gedicht ‘Als het trilt’ de Poëzieprijs van de stad Oostende. Ze bedacht Dichter&Dichter waarbij je als dichter (maar ze geeft ook andere beroepsgroepen de mogelijkheid dit te doen) echt in gesprek gaat met een andere dichter, of zoals ze het zelf beschrijft: “Omdat ik hou van gesprekken die veel meer zijn dan praatjes of babbels (maar niks mis met praatjes en babbels hè). Omdat we als auteur / maker / creatieveling voortdurend de boodschap meekrijgen dat een online community en sociale media onmisbaar zijn om te groeien. Ik wil dat niet betwisten of ontkennen, maar wil er graag iets naast zetten.”

In 2023 leverde ze een bijdrage aan ‘Wat maakt een gedicht goed’ een uitgave van Meander, werk van haar verscheen in Het Liegend Konijn, De Poëziekrant en Meander en op Het Gezeefde Gedicht. Van 2020-2022 volgde ze de tweejarige opleiding poëzie aan de Schrijversacademie Antwerpen.

Uit de bundel ‘De inventarisatie van wat blijft’ koos ik het gedicht ‘Verknoping’ . Dit gedicht werd ook opgenomen in ‘de 44 beste gedichten van de Herman de Coninckprijs 2024’.

 

.

Verknoping

.

We waden door de wereld als vissers zonder boot

we stevenen door de gangen van de supermarkt met fuiken voor de buik

aanhangsels genaamd armen vangen

van elkaar zien we de blikken erwten de ananas de afro de blokhak

we taxeren stoppels oogwal kleurspoeling.

.

Achter ons trekken we onzichtbare sleepnetten

dat van de man bij de ontbijtgranen bevat diepgevroren het pesten voor de bel

het mijne een uitval in ochtendchaos naar de voeten van een zusje

het rukken aan schoenen maat 33.

.

Wanneer we elkaar naderen raken netten verstrikt

het mijne en het zijne in kortstondige verkoping

zijn kinderangst rolt in mijn oude blauwe jas van zestien

mijn gevit van lang geleden glijdt door zijn mazen.

.

Tegelijk naar hetzelfde pak koffie grijpend gaan we lichtglimlachen.

.

 

Door de jaren heen

MUGzines

.

De afgelopen 5 jaar maken Marianne van Poetry Affairs, Bart van Brrt.graphic.design en ik, in samenwerking met een aantal losse vrijwillige redactionele krachten het leukste, eigenzinnigste en kleinste poëziemagazine van Nederland en Vlaanderen. Inmiddels zijn we volop bezig met de voorbereidingen van #28 alweer. Dit nummer verschijnt deze zomer.

In de aanloop naar het verschijnen wil ik de komende weken terugblikken op oudere nummers, wat meer informatie geven over de dichters en gedichten plaatsen die zij bijdroegen aan MUGzine. Want ondanks dat we elk nummer gratis verspreiden onder donateurs en via de website, merken we dat veel poëzieliefhebbers MUGzine nog niet kennen. En dat is jammer.

In elk nummer proberen we een mix van gedichten aan te bieden aan de lezer van nog wat onbekendere dichters, dichters die op het punt staan wat bekender te worden, bekende dichters en dichters die wat op de achtergrond geraakt zijn als het gaat om bekendheid of aanwezigheid in het literaire veld.

Een van die dichters die enige bekendheid geniet en als één van de eerste dichters een bijdrage leverde aan MUGzine #2 is Sabine Kars (1971). De vaste lezer van dit blog kent haar naam, ik schreef al vaker over haar, haar debuutbundel ‘Hoofdkwartier‘ en de podia waarop ik haar tegenkwam of de jury waarin ik haar vroeg voor de poëziewedstrijd van poëziestichting Ongehoord! in 2020. Daarnaast was ze op dit blog al eens Dichter van de maand april in 2018.

In de tweede editie (in #1 stonden alleen de makers, het was toen nog een soort pilot editie) is het gedicht ‘eerst was verlies iets om het huis te verlaten’ en dat gedicht deel ik hier graag met jullie.

Wil je nou ook een jaar lang elke editie van MUGzine ontvangen op papier (met een leuke extra) word dan donateur via de QR code hieronder of een mail aan mugazines@yahoo.com.

.

eerst was verlies iets om het huis te verlaten

.

ik herinner me de laatste kans

om afscheid te nemen

.

het onvermijdelijke blijven

dat voor inkeer werd aangezien

.

de onbekende

luw en zwervend

die nog altijd naast me

wakker wordt in het smalle huis

naar me kijkt me op de voet volgt

.

hij heeft al die tijd gezwegen

.

Na de tweede ontmoeting

Clara Haesaert

.

In 1955 verscheen bij uitgeverij A. Manteau N.V. de bundel ‘waar is de eerste morgen?’ de levende experimentele poëzie in vlaanderen, samengesteld en ingeleid door jan walravens (het gebrek aan hoofdletters heb ik overgenomen uit de bundel). Ik bezit de tweede vermeerderde druk uit 1960.

In de inleiding schrijft Jan Walravens (nu wel met hoofdletters) onder andere: “Wat is een experimenteel gedicht? Hoe kan het beschreven, uitgelegd, gefundeerd worden? Ik wil een gemakkelijke, gedeeltelijk-valse, toch verhelderende definitie geven: in deze poëzie wordt de mededeling van gedachten en gevoelens niet gedaan door woorden die in een logisch en redelijk zinsverband geplaatst word-en, maar door beelden.”

Dit lijkt mij een redelijke maar nogal vage omschrijving van wat experimentele poëzie is. Een andere definitie, die wat mij betreft al wat scherper is, is: Experimentele poëzie is een vorm van poëzie die zich kenmerkt door een wijziging van de traditionele regels en normen van poëzie, zoals rijm, metrum en vaste strofebouw. Experimentele poëzie legt de nadruk op het experimenteren met, inhoud en betekenis, en zoekt naar nieuwe manieren om de taal te gebruiken om betekenis over te brengen. Kenmerken zijn vormexperimenten, inhoudelijke experimenten, nieuwe betekenislagen, breken met conventies en niet-taalkundige elementen.

Voorbeelden van experimentele poëzie zijn concrete poëzie, geluids- of klankpoëzie, niet-sequentiële poëzie en assemblage poëzie (of collage poëzie). Deze vormen worden niet direct benoemd of behandeld in deze pocket, de inzichten rondom experimentele poëzie zijn tenslotte in de loop der jaren nogal uitgebreid en gewijzigd.

In deze bundel staat een gedicht van Clara Haesaert (1924-2018). Na haar studie was Haesaert werkzaam als ambtenaar bij het Ministerie van Nationale Opvoeding en Nederlandse Cultuur. In die functie zette ze zich in voor bibliotheekvoorzieningen en de kwaliteit van jeugdboeken. Haar debuut kwam in 1952 met de gedichtenbundel ‘De overkant’ waarna diverse andere bundels verschenen. Haesaert was medeoprichtster en redacteur van het tweemaandelijks tijdschrift De Meridiaan.  Zij was ook medeoprichter van het Haiku-centrum Vlaanderen. Het haikutijdschrift Vuursteen dankt zijn naam aan haar vindingrijkheid.

In ‘Waar is de eerste morgen?’ is het gedicht ‘Na de tweede ontmoeting’ opgenomen uit haar debuutbundel.

.

Na de tweede ontmoeting

.

Na de tweede ontmoeting

de tweede geboorte van mezelf

ik dacht dat het licht werd

doch het bleef duister

en ik was de uren zo dankbaar.

.

Geen vogels ook geen woorden

wel bomen en kruiden

wel handen en ogen

en het bloed op en onder onze huid.

.

Ondeelbare aanwezigheid

van lucht en groen

verving de versnippering

de trilling van de krekel en de mier.

.

De tocht, of was het de reis,

een droom, een verre vlucht,

verliep zonder twijfel

ook zonder hinder of hapering.

De tocht zonder dood of einde

werd een verrijzenis zonder dood.

.

Zwerm

Hanneke van Eijken

.

Voordat dichter Hanneke van Eijken (1981) debuteerde in 2013 met haar bundel ‘Papieren veulens‘ mocht ik haar al eens aankondigen (in 2012) op een podium van poëziestichting Ongehoord! tijdens Route du Nord in café Faas in Rotterdam. Na haar debuutbundel maakte ze snel naam als dichter. Zo ontving ze in 2015 de Lucy B. en C.W. van der Hoogtprijs en werd ze (ook voor haar debuutbundel) genomineerd voor de C. Buddingh’ prijs in 2014.

In 2018 verscheen van haar hand de bundel ‘Kozijnen van krijt’, in 2021 de bundel ‘Waar slaap van gemaakt is’ en nu, in 2025, is haar derde bundel verschenen getiteld ‘Hazenklop’. De recensies zijn onverminderd positief. Zo schrijft Dietske Geerlings op Tzum literair weblog: “Over Hazenklop kun je blijven denken en blijven schrijven, want er is zoveel moois in te ontdekken. Wie bang is voor ontlezing doet er goed aan dit soort parels te verspreiden en anderen te laten voelen wat de kracht is van taal.” En schrijft Janita Monna in Trouw: “In Hazenklop houdt Van Eijken houdt het gevaar op afstand in kalme, fluisterende regels en precieze, heldere beelden.”

Ik koos uit haar nieuwe bundel het gedicht ‘Zwerm’. In de aankondiging van deze bundel schrijft de uitgever: “Met haar nieuwe bundel Hazenklop verkent Hanneke van Eijken in zorgvuldige en beeldende taal de begrippen tijd, ruimte en het horen bij een kudde.” Lees voor het woord kudde het woord zwerm en het mag duidelijk zijn waarom ik diot gedicht koos.

.

Zwerm

.

De schaduw is zo groot als het dier in ons

dat we te weinig zien

we voeren het veel om het rustig te houden

.

aan een ketting rammelt het verlangen om uit te breken

met zware poten door de omgewoelde grond te ploegen

de wens om een zwerm te zijn

.

ik wil een verenvacht, scherpe klauwen

een blik vol nachtnavigatie, de roep

uit mijn borst laten ronken

.

ik wil de wilde dieren in mij, die wroeten

grommen tegen het donker

.

 

Voor altijd de jouwe

Agnes de Graaf

.

Ik las in de verzamelbundel ‘Vrouwen dichten anders’ samengesteld en ingeleid door Cox Habbema uit 2000, een gedicht van Agnes de Graaf (1948) getiteld ‘Voor altijd de jouwe’. Een heel mooi liefdesgedicht. Nieuwsgierig als ik ben ging ik op zoek naar deze dichter die ik niet kende. Meteen stuitte ik op een artikel uit De Groene Amsterdammer uit 2001 waaruit al snel bleek waarom ik nog niet van deze dichter gehoord had. Ze werd in dit artikel besproken door Joris van Casteren in de rubriek Vergeten dichters.

Omdat ik een dergelijke rubriek al jaar en dag op dit blog voer was ik meteen geïnteresseerd. Agnes de Graaf haar debuut ‘Gotweet wat voor ongelukken hiervan komen’ uit 1970 werd zeer wisselend ontvangen. Ze bediende zich in haar eerste en enige bundel van een nogal afwijkend vocabulaire dat “ekspres” barstte van de fouten. Haar gedichten werden geschreven in een taal die geen rekening houdt met grammatica, ze zijn opgeschreven zoals ze klinken. Nu was dat in die tijd niet heel ongewoon, ook dichter en schrijver Remco Campert bediende zich in 1968 in zijn roman ‘Tjeempie! of Liesje in luiletterland’ ook van fonetische alternatieve spelling van woorden.

De recensenten waren echter in 1970 minder positief over de debuutbundel van Agnes de Graaf. Zo schreef Peter Berger in het Vaderland: “Datgene waar haar gedichten door opvielen, een merkwaardige, opzettelijke kinderlijkheid die merkwaardig contrasteert met de nogal rijpe dingen die het meisje te vertellen heeft, dat is allemaal even wel aardig maar veel meer dan dat heeft de dichteres niet in haar knusse huisje.” Los van het nogal aanmatigende toontje (Agnes was destijds 22) bevind Berger zich in een gezelschap dat het wel met hem eens is. Want ook Kees Fens was geen liefhebber. Hij schreef dat de spelling van kinderen nooit een systeem is en dat van Agnes wel en dat daar door een ‘schijn-kinderlijk uiterlijk’ ontstaat dat irritant kan gaan werken.

De Graaf blijft tot 1990 publiceren in Tirade en Hollands Maandblad. Haar taal verandert, haar toon wordt serieuzer. In het artikel in De Groene Amsterdammer schrijft Joris van Casteren dat ze op dat moment in Wales woont, daar dicht in het Engels. Ze heeft haar poëzie naar Poetry Wales opgestuurd, in de hoop op publicatie. Niet lang daarna verdwijnt Agnes de Graaf. Op 11 september 2016 raakt ze vermist. Ze is tot nog toe niet gevonden.

Het gedicht ‘Voor altijd de jouwe’ dat stamt uit de periode dat ze serieuzere poëzie schrijft, is genomen uit Hollands Maandblad, jaargang 20, nummer 366 uit 1978.

.

Voor altijd de jouwe

.

er was een overvloed aan tekenen geweest

waaruit al bleek

dat het in het geheel niet goed ging

meerdere poezen waren weggelopen

mijn gezondheid liet te wensen over

.

langzamerhand kwam ik tot het

verontrustende besef

dat ik mij stukken beter voelde

als er dagenlang niemand thuis kwam

.

want juist als jij mij zacht vast houdt

(en toch stevig zoals ik dat het prettigst vind)

ben ik zo bang dat je me vragen zult

nooit van je weg te gaan

.

ben ik bang dat je besluit me

zo grondig

de adem te benemen

dat ik voor altijd de jouwe zal zijn

.

 

 

Er wonen woorden in mijn hoofd

Stadsdichters

.

Zoals zovele steden en dorpen heeft ook Gouda een stadsdichter. Een een junior staddichter. Een goed voorbeeld voor andere dorpen en steden. Geef jong talent een podium en wie weet tot wat voor poëtische parels ze uitgroeien. Een voor mij onbekende stadsdichter van Gouda is Ruud Broekhuizen (1967) die van 2014 tot 2016 stadsdichter was. In 2020 publiceerde Broekhuizen zijn debuutbundel ‘Een Lege Plek’. De bundel zag het licht in de vorm van een avondvullend theaterprogramma dat dezelfde titel droeg.

In zijn tijd als stadsdichter  schreef Broekhuizen verschillende gedichten over de stad Gouda maar ook gedichten met een ander, vrij thema. Eén van die gedichten is getiteld ‘Er wonen woorden in mijn hoofd’.

.

Er wonen woorden in mijn hoofd

.

Er liggen letters in mijn hoofd

Luierend in de hangmat van de verbeelding

Beetje schommelen op gedachtegolven

Alsof het zomer is daarboven

.

De lelijkste tijd om een letter te zijn

.

Er wonen woorden in mijn hoofd

Eten zich een toekomst aan de keukentafel

Groeien hun hoofd tegen de zoldering

Om zich dan volwassen te noemen

.

Woorden wijzen soms de verkeerde weg

.

Er zingen zinnen in mijn hoofd

Kaatsende klanken aan een krekelmeer

Rijgen regels aaneen tot sereen symfonie

Roepend om meer vrijheid

.

Of ik mijn hoofd even leegschudt op papier

.

Maar de mooiste letters kennen geen volgorde

De mooiste woorden duren eindeloos

De mooiste zinnen zijn ongeschreven

.

Ze voelen het mooist

Het warmst

Het waarst

Het raakst

.

Als ik ze schrijf zijn ze verloren

Voor de schoonheid die ik ze heb beloofd

Toen ze nog woonden in mijn hoofd

.

Met die blik

Anke Senden

.

De Vlaamse dichter Anke Senden (1994)  studeerde Taal- en Letterkunde Engels-Nederlands aan de universiteit in Leuven en volgde de opleiding Literaire Creatie aan de Stedelijke Academie van Deinze. Ze schrijft gedichten op maat en brengt ook graag poëzieprogramma’s in samenwerking met muzikanten.

In 2024 verscheen haar debuutbundel ‘Gezwommen worden’ bij het Poëziecentrum en in dat zelfde jaar verscheen een gedicht van haar in de bundel ‘Het gras lacht groen’ klimaatgedichten en kortverhalen met naast de bijdrage van Anke Senden ook gedichten en verhalen van onder andere Maud Vanhauwaert, Wim Hofman, Joke van Leeuwen, Anne Provoost en Jens Meijen. Ook verschenen van haar hand gedichten in Het Liegend Konijn.

De debuutbundel ‘Gezwommen worden’ heeft de zee als thema en Senden varieert in haar poëzie door vele onderwerpen die je kan associëren met de zee de revue te laten passeren zoals schelpen, zwemmen, meeuwen etc. In de recensies op de sites van Meander, Awater en Tzum werd haar debuut enthousiast ontvangen.

Elk jaar organiseren Creatief Schrijven en Kinderkankerfonds vzw de wedstrijd ‘gedichten om te koesteren’, waarbij ze op zoek gaan naar troostende woorden voor ouders die een kind hebben verloren. Deze woorden worden op een postkaart geplaatst en naar de ouders gestuurd. In 2024 kreeg Anke Senden een eervolle vermelding van de vakjury voor haar gedicht ‘met die blik’.

.

met die blik

.

hij heeft het van zijn dochter geërfd – dat geloof

in als ik later groot ben, dat uitkijken naar

 

morgen, daar had zij zoveel van, voor veel te weinig leven,

dat heeft hij van haar gekregen, als een zoen

 

en dan haar blik, dat dolenthousiast naar buiten

rennen, dat wijzen naar de sterren alsof ze die

 

persoonlijk kende, ze noemde hen één voor één bij naam,

ook nu zij er niet meer is, kent hij hen

 

nog allemaal – zo, met die blik, wil hij ’s morgens in de spiegel kijken,

welke vader wil er nu niet op zijn dochter lijken

,

Oudervergadering

Armand van Assche

.
Opnieuw ben ik op een dichter gestuit die ik nog niet kende. In dit geval was dit de Vlaamse dichter Armand van Assche (1940-1990). Van Assche studeerde Germaanse filologie en toegepaste psychologie aan de KU Leuven, waar hij ook promoveerde en wetenschappelijk medewerker werd (literatuurdidactiek en receptie-esthetica). Hij gaf ook lange tijd les op een middelbare school in Sint-Niklaas. Van Assche was poëzierecensent bij verschillende literaire tijdschriften (Ons Erfdeel, Poëziekrant, Vlaanderen en DWB).

Hij debuteerde in 1973 met de bundel ‘De chemie van de dauw’. In deze bundel richt zijn poëzie zich onder meer op de relatie van mens en technologie. De bundel werd bekroond met de zesde poëzieprijs van de stad Tielt.

Ander dichtbundels van hem zijn ‘Even boven het evenwicht’ (1978), ‘Cel’ (1981) en ‘Voorgevoel’ (1992). Van Assche schreef ook gedichten voor kinderen: ‘De zee is een orkest’ (1978) en ‘Haartjes op mijn arm’ (1984), die in 2002 samen werden gebracht in ‘Soms kietelt het’.

Uit zijn debuutbundel komt het gedicht ‘Oudervergadering’.

.

Oudervergadering

 

Uw dochter, oogappel en doorn in het oog,
is een zes waard,
goede middelmaat, geen moeilijkheden,
niet actief, niet passief,
zij kan het halen.

Terwijl haar deugd en ontembare
leergierigheid wordt opgehemeld,
zie ik u wakker liggen
als zij om twee uur ’s nachts
de sleutel omdraait;
uw sleutel op de toekomst.

Overigens, geen klachten.
Op een school, met faam,
met beproefde bakvorm
(de creativiteit van de folder)
staat uw dochter onder de hoede
én de vakkennis van
een wiskundige, een fysicus,
een bioloog, een taalkundige…
Al is het een puzzel, mevrouw,
iedere leerkracht legt
zijn stukje naadloos.
Zij wordt bedrijfsklaar
en desnoods met handleiding afgeleverd.

Slaap dus op beide oren.

.

Pegasus

Catharina Blaauwendraad

.

Zo nu en dan kom ik de naam van een dichter tegen die ik niet ken. Nu zal je denken dat dat niet zo vreemd is maar als je, zoals ik, al ruim 17 jaar dagelijks (de laatste 15 jaar) over poëzie schrijf, dan doen de meeste dichtersnamen wel ergens een belletje rinkelen. Maar niet altijd en is ook zo met de dichter en vertaler Catharina Blaauwendraad (1965). Voor de zekerheid check ik dan altijd nog even dit blog want na bijna 5.300 berichten weet ik ook niet precies meer over wie ik wat wanneer geschreven heb.

Maar over Catharina Blaauwendraad dus nog nooit. Op zichzelf niet heel vreemd want na te zijn gedebuteerd in 2004 met de bundel ‘Niet ik beheers de taal’ verscheen daarna alleen nog in 2009 de bundel ‘Beroepsgeheim’. In 1989 debuteerde zij in het literaire blad De Tweede Ronde, waaraan zij in de loop van de daaropvolgende jaren veel bijdragen zou leveren. Ook trad ze een aantal malen op als gastredacteur voor dit blad. Als vertaler vertaalde ze onder andere ‘Honderd liefdessonnetten’ van Pablo Neruda.

Uit haar debuutbundel uit 2004 nam ik het gedicht ‘Pegasus’.

.

Pegasus

.

Ik heb mij plotseling bedacht

al weet ik niet waarom. Ik jaag

de trappen af

omlaag

omlaag

.

Op straat

heb ik mijn draai verloren

en raak ik buiten adem van zijn naam.

.

Ik sta te zwaaien naar een verre man

en zoek de woorden om hem te herroepen.

.

Dan keer ik op mijn schreden terug

en tel de gaten die mijn hakken

als paardehoeven in ’t plaveisel sloegen.

.