Site-archief
Met Slauerhoff
Dichters over dichters
.
In de bundel ‘De hazen en andere gedichten’ uit 1979, de debuutbundel van dichter Ed Leeflang (1929 – 2008) waarvoor hij in 1980 de Jan Campertprijs zou krijgen, staat in de cyclus ‘Van poëzie’ een fraai gedicht van zijn hand over collega dichter J. Slauerhoff (1898 – 1936). In de rubriek ‘Dichters over dichters’is dit gedicht helemaal op zijn plaats. Uit de tekst komt de waardering van Leeflang voor Slauerhoff heel goed naar voren, het verwijst naar diens werk en leven en zou je het werk van J. Slauerhoff niet kennen dan wordt je na lezing van dit gedicht vanzelf nieuwsgierig.
.
Met Slauerhoff raakt ik het verst van huis,
want het verleden was zijn vormeloze vrouw,
maar in de leegte van het landschap zou
de wijze haar eens ontmoeten, begerig en schijnbaar kuis.
.
Niet het leven aan boord, niet de stadsgezichten,
maar het balsturig ongeloof aan geluk
en de trouw achter de ontrouw in zijn gedichten
geheimzinnig en toch onopgesmukt,
het dubbelzinnig verwarring stichten
maakten mijn eigen stuurloosheid bijna wenselijk.
.
Poëzie voor vluchtelingen; iedereen
in mijn omgeving was doelbewuster, beter
toegerust voor toekomst, benijdenswaardig
uit één stuk
.
Nu hij toch gestorven was –
zijn doodsfoto zei het ontluisterend ongebruikelijk –
kon ik misschien in die gedichten wonen, ze
stonden toch leeg en ik ging voldoende gebukt,
dacht ik, zodat het zijn moeite tenminste
zou lonen.
.
Boer, land- en tuinbouw
Dubbelgedicht
.
Nu het rumoer rond de CO2 kwestie en het boerenprotest wat is gaan liggen door een andere belangrijker en actueler probleem, wilde ik in het kader van het Dubbel-gedicht hier twee gedichten van twee ogenschijnlijk totaal verschillende dichters plaatsen. Ogenschijnlijk want eigenlijk hebben beide dichters veel meer gemeen dan je misschien in eerste instantie zou denken. het betreft hier de dichters Jotie ‘T Hooft (1956 – 1977) en Jules Deelder (1944 – 2019). Twee dichters wier leven getekend is door hun drugsgebruik. Waar ‘T Hooft zelfmoord pleegde op 21 jarige leeftijd door een overdosis cocaïne te nemen, werd Jules Deelder ondanks een leven lang speedgebruik toch nog een respectabele 75 jaar.
Wat voor mij deze aflevering van het Dubbel-gedicht nog bijzonderder maakt is het onderwerp van de twee gedichten; de boer, land- en tuinbouwer. Een onderwerp dat je (ik niet in ieder geval) niet verwacht bij deze twee dichters die toch vooral om allerlei andere zaken bekend staan. Het eerste gedicht is van Jotie ‘T Hooft en komt uit de bundel ‘Junkieverdriet’ uit 1976 en is getiteld ‘Voor boer en tuinder’. Het tweede gedicht ‘Gedicht voor Land- en Tuinbouw’ is van Jules Deelder en komt uit de bundel ‘Dag en nacht geopend’ uit 1970.
.
Voor boer en tuinder
.
Mijn geboorte was geen verstilling
Maar regelrecht oorlog
Want tussen brandnetel en dovenetel
Ligt een verterend vuur.
.
Hoe huiverde ik in die tuin en zag
Het bewegen van gelederen ledematen
Vanuit het sprakeloos veld van de hersenen.
Bemest en bemoederd ontstond verdriet.
.
Om de duif die langzaam huiswaarts keert
Over de meren en gebieden, cirkelend
En haperend aan de dorst, de draden.
Om al wat in mijn maag verteert.
.
En na de brand, die dooft, na het rood
Der geraniums en het groen van agaves
Bemorst de kwasterige bloesem ons
Van een in herfstkou geteelde chrysant.
.
Gedicht voor land- en tuinbouw
.
Voor het eerst een merel
horen zingen.
Het eerste wilde viooltje
gevonden.
De kastanjes in bloei.
.
Het eerste speenkruidbloempje
gezien.
De eerste zwaluw waargenomen.
Voor het eerst gegeten zonder
lamp.
.
Bloeiend klein Hoefblad
gevonden.
Voor het eerst een koekoek
gehoord.
Het eerste gras gemaaid.
.
De kersebomen bloeien.
De peren in bloei.
De appels in bloesemtooi.
De eerste aardbeien.
De aalbessen rijp.
.
De kersen rijp.
De haver op het veld rijp.
De eerste peren.
De laatste maaltijd zonder
lamp.
.
De eerste appels.
De eerste druiven.
Het laatste bad in de open
lucht.
Het vertrek van de zwaluwen.
.
Het laatste gras gemaaid.
Voor het eerst de kachel aan.
De eerste rijp.
De laatste roos.
De eerste sneeuw gevallen.
.
Schoon in elk oog is wat het bemint
Hafid Bouazza
.
In 2005 en 2006 publiceerde dichter Hafid Bouazza bij uitgeverij Prometheus drie bundels met vertaalde Arabische poëzie. Over het deel ‘Om wat er nog moet komen’ Pornografica, schreef ik al op 22 februari van dit jaar https://woutervanheiningen.wordpress.com/2020/02/22/pornografica/ maar nu wil ik het tweede deel uit deze drie bundels van deze Arabische bibliotheek, zoals Bouazza het noemt, bespreken dat handelt over Arabische liefdesgedichten met de titel ‘Schoon in elk oog is wat het bemint’.
In het woord vooraf schrijft Bouazza dat het hier een persoonlijke keuze van hem is uit de gigantische hoeveelheid klassieke Arabische minnepoëzie zowel lyrisch en melancholisch als vrolijk en fysiek uitbundig. Het hart wordt niet altijd boven externe lichaamsdelen verkozen- en waarom zou het? voegt hij er nog aan toe.
We realiseren het ons tegenwoordig, zeker in de westerse wereld, niet meer maar in de klassieke oudheid heeft het Arabisch schiereiland maar ook landen uit Noord Afrika, Turkije en Iran, grote en beroemde dichters voortgebracht. Van de meeste (en misschien van alle) dichters in de bundel hebben de meeste mensen nog nooit gehoord (ik ook niet) maar dat wil niet zeggen dat deze dichters niet meer dan de moeite waard zijn.
Omdat ik, zoals gezegd, de dichters in de bundel ook niet ken heb ik voor een gedicht gekozen dat me beviel en dat is een gedicht geworden van Dik al-Djinn die leefde tussen het jaar 777/778 en 849/850 in de nu Syrische stad Homs. Dik al-Djin leefde ten tijde van het Abbasid kalifaat en was vooral beroemd door zijn liefde voor een christelijke vrouw met de naam Ward. Veel van zijn poëzie is voor haar geschreven. Daarnaast gaat veel van zijn poëzie over zijn liefde voor wijn.
.
Kijk naar de zon van de kastelen en hun naam
En naar hun lavendel en het blaken van hun bloesemrijk
Nimmer beproefde je oog een blank dat van zwart
Zo veel schoonheid vergaarde als haar gezicht in haar haar
Rozig van konen en wie nooit van haar heeft gehoord
Kan uit haar speeksel haar naam verkrijgen
Zij heupwiegde en ik lachte verwonderd om haar billen
Maar ik huilde om haar middel
Uit haar hand schenkt ze je een beker rozige wijn
En een wijn van twee van haar voortanden
.
Ons te vroeg ontvallen
Antoinette Sisto
.
In de afgelopen 12,5 jaar waarin ik me, na mijn debuut als dichter met ‘Zichtbaar alleen’ actief bezig hou met poëzie, zijn er een aantal goede bekende en bevriende dichters overleden. Op te jonge leeftijd werden zij uit het leven gerukt door ziekte of hartstilstand. Dit waren geen dichters van grote naam en faam onder de Nederlandse bevolking zoals bijvoorbeeld Gerrit Komrij, Jules Deelder of Menno Wigman maar dichters die met hart en ziel aan hun poëzie werkte, bundels uitgaven, actief waren met poëzieprojecten en op podia overal in Nederland stonden.
Omdat ik vind dat deze dichters niet vergeten mogen worden zal ik hier de komende tijd gedichten van hen plaatsen. Om te beginnen met dichter Antoinette Sisto (1963 – 2017). Op 3 juli 2017 overleed zij plotseling na twee hersenbloedingen. Antoinette was naast redacteur van Meander en medewerker van de stichting Perdu, secretaris van het Departement of Communication Sciences, dichter, redacteur en vertaalster van Italiaanse dichters.
In 2013 verscheen van haar hand de bundel ‘Dichter bij de dagen’ met veel gedichten die handelden over de ziekte en dood van haar man Wally, gevolgd door ‘Iemand moet altijd gemist worden’ in 2014. Ik mocht een aantal gedichten van haar voordragen samen met wat eigen werk op de presentatie van haar laatste bundel ‘Hoe een zee een woord werd’ uit 2017. Antoinette was naast een begenadigd dichter een mooi en vriendelijk mens. Ik had het voorrecht om een aantal keer samen met haar op een podium te staan, werd door haar voor Meander geïnterviewd en nodigde haar uit om bij Ongehoord! voor te dragen.
Uit haar bundel ‘Iemand moet altijd gemist worden’ koos ik het gedicht ‘Ambacht’.
.
Ambacht
.
In het diepst van mijn hart
dacht ik voor de duizendste maal
toen ik de ven zag en haast voorbij liep
.
maar evenredig zoveel keren
dacht ik het niet
en ik struikelde over een beter beeld
.
dat ik vasthouden wilde
maar bang als ik was
met andere woorden ontweek
.
over één nacht ijs ga ik niet.
.
Dag aan dag bewerk ik
de barts in het oppervlak
het lek in de stilte
het gewicht van water en lucht.
.
Mijn geduldige handen was ik.
En was ik opnieuw
ze ontdoen zich van iets.
.
De broekbewapperde mens
Robert Anker
.
Wat ik – naast heel veel andere aspecten – erg leuk aan poëzie vind is de vindingrijkheid van dichters als het gaat om bijzondere titels van bundels. Als ik in mijn boekenkast kijk staan daar bundels met namen waar ik me elke keer weer over verbaas en waar ik elke keer opnieuw weer vrolijk van word. Ik noem: ‘Het glimpen van de welkwiek’ (Pfeijffer), ‘Gevecht tegen het zuur’ (van Doorn), ‘Verboden voor kettingzagen'(de Bas), ‘Totemtaal'(Harten) en ga zo maar door. Een van die titels is ook de bundel van Robert Anker namelijk ‘De broekbewapperde mens’.
Rengert Robert Anker (1946 – 2017) was schrijver, dichter en literatuurcriticus. Hij debuteerde in 1979 met de bundel ‘Waar ik nog ben’. Daarvoor verschenen al gedichten van zijn hand in tijdschriften als De Revisor. Waar zijn debuut nog een traditionele dichtbundel was, geïnspireerd op zijn jeugd in het Westfriese Oostwoud en naar binnen gericht, veranderde dit al snel en kwam de nadruk te liggen op de buitenwereld, zoals in ‘Van het balkon’ (1983), en op maatschappelijke problemen, zoals in ‘De broekbewapperde mens’ (2002). Van de natuur verschoof het perspectief naar het stadsleven. Het werk van Robert Anker werd vele malen bekroond met onder andere de Jan Campert-prijs en de Herman Gorterprijs.
Hoewel de gedichten in ‘De broekbewapperde mens’ zeker geen eenvoudige kost is, zijn de gedichten toch zeer te genieten. Ik koos uit deze bundel het titelgedicht al was het alleen maar door de bijzondere titel.
.
De broekbewapperde mens
.
Dat er altijd maar die bron zou zijn
die reikt tot in de hemel.
Het is de mens die op de kemel
des woestijns ons doortrokken hebbend
steeds rechterop
van waterput tot avondkleding
ons nu verlaat voor wat hij denkt
te zijn op de bedijkte dijk:
.
de broekbewapperde mens!
.
Die nu omkeert en afdaalt
voor een bagagedrager
(en een broekklem)
zeggende:
vlaggen psalmen verrekijkers
en voordehandse liederen
inleveren bij de windmolen
die de dood vermaalt
tot hevige aanwezigheid
angst en vreze te behouden.
.
Spring maar achterop bij de mens!
.
In de bibliotheek
Herman de Coninck
.
in deze moeilijke tijden van Coronavirus en het stilvallen van het dagelijks leven zijn er gelukkig nog instituten waar je terecht kan wanneer je gedwongen bent om thuis te blijven. Zeker wanneer zo’n beetje elke vorm van vermaak is afgelast, geannuleerd of verzet is er niets mooiers dan naar de bibliotheek te gaan en daar het boek van je keuze uit te zoeken, te lenen en te gaan lezen.
Ik weet dat er ook bibliotheken sluiten ( zeker de grote waar op elk moment van de dag meer dan 100 mensen aanwezig zijn) maar er zijn zeker ook nog veel bibliotheken die gewoon open zijn en waar je terecht kan.
Charles Simic (1938) is een Servisch-Amerikaanse dichter en voormalig co-poëzie-editor van de Paris Review. Hij ontving de Pulitzer Prize for Poetry in 1990 voor ‘The World Doesn’t End’, en was finalist van de Pulitzer Prize in 1986 voor ‘Selected Poems, 1963-1983’ en in 1987 voor ’Unending Blues’.
In ‘ De gedichten’ de verzamelde werken van Herman de Coninck uit 1998 staat een door Herman de Coninck vertaald gedicht van Charles Simic met als titel ‘In de bibliotheek’. Als ode aan de dit belangrijke instituut dat ook heden ten dagen nog steeds midden in de samenleving staat hier het gedicht van Simic.
.
In de bibliotheek
.
Er is een boek,
’Het woordenboek der engelen’ geheten.
Vijftig jaar lang heeft niemand het geopend,
Weet ik, want toen ik het deed
Krakte de cover, verkruimelden
De bladzijden. Daar ontdekte ik
.
Dat engelen ooit zo talrijk waren
Als vliegensoorten
In de schemering
Maakten ze de lucht dik.
Je had twee armen nodig
Om ze van je af te slaan.
.
Vandaag schijnt de zon
Door de hoge ramen.
De bibliotheek is een rustige plek.
Engelen en goden opeengepakt
In donkere, ongeopende boeken.
Het grote geheim ligt
Op een schap waar Mrs. Jones
Elke dag op haar ronde voorbijgaat.
.
Ze is erg groot, ze houdt haar hoofd
Daar nog bovenuit, of ze luistert.
De boeken fluisteren.
Ik hoor niks, maar zij wel.
.
De nieuwe bibliotheek aan het Neude in Utrecht die vandaag geopend zou worden.
Koor
Peter Verhelst
.
In 1987 debuteerde de Vlaamse dichter Peter Verhelst (1962) met de bundel ‘Obsidiaan’. Dertig jaar later, inmiddels een belangrijk en gelauwerd dichter ( Verhelst ontving onder andere de Paul Snoekprijs, De Gedichtendagprijs, de Jan Campert-prijs, de Herman de Coninckprijs en de Ida Gerhardt Poëzieprijs) verschijnt in 2017 de bundel ‘Koor’ een bloemlezing uit zijn meest opzienbarende poëzie.
In de bundel ‘Koor’ is door de dichter zelf een keuze gemaakt uit eerder gepubliceerd werk aangevuld met ongepubliceerde gedichten. Om uit zoveel bijzondere en mooie gedichten een keuze te maken is zelfs voor mij een opgave maar uiteindelijk kies ik voor het (liefdes-) gedicht ‘Tegen het vergeten’. Ik kies hier bewust voor dit gedicht omdat het mooi aansluit bij een categorie die ik hier alweer een paar jaar geleden begonnen ben; (bijna) vergeten dichters. Ook die dichters waar we nooit meer wat van horen hebben vaak zulke mooie poëzie geschreven, reden waarom ik ze regelmatig weer terug haal. Bij een dichter als Peter Verhelst zal dit waarschijnlijk niet snel gebeuren. Daarom is de combinatie tussen zijn gedicht en deze categorie dichters een waardevolle.
Oorspronkelijk verschenen in de bundel ‘Wij totale vlam’ uit 2014 ‘Tegen het vergeten’.
.
Tegen het vergeten
.
Niet hoe je was, hoe je op je ellenbogen achterover leunend, zo bleek was je,
hoe we keken – niet vergeten,
niet het zich zuchtend openvouwen – nooit vergeten,
niet hoe het had kunnen zijn, hoe we hadden willen zijn.
.
Wat van ons verloren is gegaan.
Wie van ons verloren ging.
Laten we ons elkaar zo herinneren
voor de herinneringen dingen met ons doen:
.
een dunne lijn rood, gloeiend in de avondlucht,
hoe we, op onze ellenbogen achterover leunend, naar elkaar keken,
een fonkeling in het wachten, een nauwelijks hoorbare zucht.
.
Wit
oplossend als suiker
in het vallende duister.
.
De echo van je zucht.
.
De echo van de echo van je zucht.
.
Visuele gedichten
Freda Kamphuis
.
Bij De Slegte in Antwerpen kwam ik de bundel ‘Titel’ van Freda Kamphuis (1965) tegen en ik werd daar heel vrolijk van. ‘Titel’ uit 2014 is de tweede bundel van Freda Kamphuis die bij uitgeverij Voetnoot verscheen als 20ste deel in de reeks ‘Eigentijdse Poëzie’. De bundel bevat naast een aantal Haiku’s (Een dichtvorm van drie regels van vijf, zeven en vijf lettergrepen, en die traditioneel naar een jaargetijde verwijst) vooral een aantal bijzondere visuele gedichten waar ik vrolijk van werd. In de hedendaagse poëzie is het visuele gedicht, in de traditie van Paul van Ostaijen, steeds minder aanwezig. Alle reden voor mij om hier stil te staan bij de visuele gedichten van Kamphuis.
Freda Kamphuis verweeft poëzie en grafisch ontwerp in haar visuele gedichten op een verrassende manier waarbij ze de zeggingskracht van woord en beeld verkend en onderzoekt. Op haar blog http://freda-s-blog.blogspot.com is, naast de twee voorbeelden die ik hier plaats, nog veel meer over haar werk en haar poëzie te lezen.
.


















