Site-archief

Wandrers Nachtlied

Johann Wolfgang von Goethe

.

Zo nu en dan kom ik gedichten of delen van gedichten tegen waarnaar ik dan heel nieuwsgierig ben. In het ene geval omdat ik dan het hele gedicht graag wil lezen (bij een zin of een strofe), in het nadere geval omdat ik dan het gedicht goed wil kunnen begrijpen en doorgronden (bijvoorbeeld door een vertaling te hebben of te kunnen lezen).

Dit gebeurde me afgelopen zaterdag toen ik boven een rouwadvertentie een gedicht of een deel van een gedicht (8 zinnen zonder titel) las van Johann Wolfgang von Goethe (1749 – 1832). Na enig speurwerk blijkt het hier te gaan om ‘Wandrers Nachtlied’ twee van Goethes meest beroemde gedichten uit 1776 en 1780 die voor het eerst in 1815 in één band verschenen onder de titel ‘Werke’. In dit geval betrof het het gedicht uit 1780 dat begint met de regel ‘Uber allen Gipfeln’. (het andere gedicht uit 1776 is het gedicht dat begint met de regel ‘Der du von dem Himmel bist’. Beide gedichten zijn door componist Franz Schubert op muziek gezet als D 224 and D 768.

Dichter, vertaler Menno Wigman heeft het gedicht vertaald naar het Nederlands en beide kun je hier lezen.

.

Wandrers Nachtlied

.

Über allen Gipfeln
Ist Ruh,
In allen Wipfeln
Spürest Du
Kaum einen Hauch;
Die Vögelein schweigen im Walde.
Warte nur, balde
Ruhest Du auch.

.

Boven elke bergtop
heerst rust,
in elke boomkruin
bespeur
je amper nog een zucht;
de vogels zwijgen in het loof.
Wacht maar, spoedig
rust jij ook.

.

Krijtweelde

Jan Baeke

.

Vandaag uit mijn boekenkast de bundel ‘Brommerdagen’ van Jan Baeke gepakt. Een bundel waarin “heden en verleden verstrikt raken en onze eigen angsten, illusies en fantasieën doorklinken” zoals op de achterflap staat te lezen. Jan Baeke (1956) is dichter en vertaler en hij debuteerde in 1997 met de bundel ‘Nooit zonder de paarden’.In 2008 werd hij genomineerd voor de VSB Poëzieprijs. In 2016 kreeg hij de Jan Campertprijs voor zijn bundel ‘De seizoensroddel’. De poëzie van Jan Baeke neemt in Nederland een eigen plek in. Het is poëzie die in gewone taal en met directe beelden een mysterie weet op te roepen. Uit de bundel ‘Brommerdagen’ uit 2010 het gedicht ‘Krijtweelde’.

.

Krijtweelde

.

Een

twee

drie

vier

vijf

zes

even

zacht

negers

zien

beffen

dwalen

kerven

veertjes

stijf zien

sex zien

wat niet weg

vreet

.

is

.

gezien

.

Vingerafdrukken

Herman de Coninck

.

Van een goede vriendin kreeg ik een doos met poëziebundels. Bij het uitruimen van de boekenkast van haar ouders kwam ze ze tegen en daarop vroeg ze of ik geïnteresseerd was. Dat was ik en er zitten prachtige (oudere en nieuwere) bundels bij. Onder andere de bundel ‘Vingerafdrukken’ van Herman de Coninck uit 1997. Hermen de Coninck schrijft in het voorwoord: “In elk geval is deze bundel schaamteloos pastoraal, in een periode waarin het televisiejournaal alleen maar oorlog te bieden heeft”. In het gedicht ‘Slaapliedje voor Laura in Gigaro’ komt dit mooi tot uiting wanneer je de betekenis van zielverzorgend kiest voor pastoraal (het kan ook herderlijk, landelijk of arcadisch betekenen).

.

Slaapliedje voor Laura in Gigaro

.

Eén miljoen vissen houden zich stil

en daardoor slaapt de zee.

Moge ook jij een paar duizend gedachten

niet hebben, en daaronder slapen.

.

(Ik heb ze voor jou gehad. En soorten verdriet.

Ze waren de moeite niet.)

En moge je ontwaken door vogelgekwetter.

God is vrij vertaald in het Hebreeuws,

.

maar dit is naar de letter.

.

Mooi zijn je haren

Adriaan Morriën

.

De dichter, essayist, vertaler en criticus Adriaan Morriën (1912 – 2002) debuteerde in 1935 met een gedicht in het Nederlands-Vlaams literaire tijdschrift Forum. In 1939 verscheen zijn dichtbundel ‘Hartslag’, de eerste van velen. Na de tweede wereldoorlog werkte hij bij Het Parool waar hij literaire beschouwingen, vertalingen en recensies schreef. Hij vertaalde onder meer werken van Albert Camus, Heinrich Böll, Sigmund Freud, Erich Kästner, Choderlos de Laclos, Guy de Maupassant en Pauline Réage.

Hij was redacteur bij Tirade, beoordeelde manuscripten, was bij de oprichting van het Fonds voor de Letteren en was hij adviseur bij uitgeverij De Bezige Bij en G.A. van Oorschot. Bij die laatste uitgeverij verscheen in 1980 zijn dichtbundel ‘Avond in een tuin’. Uit deze bundel het gedicht ‘Mooi zijn je haren’.

.

Mooi zijn je haren

.

Mooi zijn je haren.

En nu het zomer wordt

worden ze blonder, nog blonder.

Je mag de zon wel bedanken.

.

Als je bij mij in bed stapt

ruik ik de geur van ozon.

De bliksem is ingeslagen.

Vriendelijk. Zonder donder.

.

Hoe zich een dichter troost

P.A. de Génestet

.

Petrus Augustus de Génestet (1829 – 1861) was een Nederlands dichter en theoloog. De Génestet had een kort en verdrietig leven. In 1852 werd hij predikant maar in 1859 stierven zowel zijn vrouw als éen van zijn vier kinderen aan Tuberculose en moest hij zelf ontslag nemen als dominee wegens zijn zwakke gezondheid. Twee jaar later, in 1861, overleed hij zelf aan Tuberculose.

Door zijn humoristische en ontroerende gedichten was de Génestet erg populair.  Zijn poëzie was toegankelijk voor een breed publiek. Maar ook godsdienst was een belangrijk thema in zijn gedichten. De Génestet was vrijzinnig-protestant, maar hij neemt even scherp stelling tegen de oppervlakkige vrijzinnigheid als tegen de steile onverdraagzaamheid. Samen met Nicolaas Beets wordt hij gezien als een deel van de Nederlandse navolging van het Byronisme (aanduiding van de navolging in de romantische literatuur van de eerste helft van de 19e eeuw van het werk van de Engelse dichter Lord G.G. Byron (1788-1824), die met zijn individualistische vrijheidsidealen, zijn gevoelens van melancholie over de onvervulbaarheid van het ideaal, zijn heldendom, wanhoop en cynisme, talloze West-Europese bewonderaars en navolgers kende).

De Génestet heeft in zijn korte leven toch nog heel wat gedichten geschreven die na zijn dood zijn gepubliceerd in ‘Dichtwerken’. Later werden zijn gedichten ook uitgegeven door N.V. Wereldbibliotheek en mijn (tweede) druk uit 1934 heeft als titel P.A. de Génestet, Complete Gedichten’. Uit deze bundel het gedicht ‘Hoe zich een dichter troost’.

.

Hoe zich een dichter troost

                                           Probatum est

Geen goud heeft ooit mijn oog getrokken

Dan ’t zijden goud van maagdelokken,

Dan ’t purpren goud van d’avondstond;

Dan, rijke Muze dezer dalen,

Aurora met den krans van stralen!

De gouden rozen in uw mond;

Dan ’t bruine goud der beukeblaêren,

Het blonde goud der ruischende aren,

Het maatgeluid van gouden snaren;

Dan ’t heilig goud, dat Liefde en Echt

Door ’s Bruigoms witbesneeuwde haren

In groene mirtekransen vlecht,

Of – op des voorjaars milde wegen

De stromen van den gouden regen.

.

Poëzie / Költészet

Poëzieproject

.

Eind 2016 werd ik benaderd door de Stichting Maassluis Partnerstad Kézdivásárhely met de vraag of ik mee wilde denken over een project met de zusterstad van Maassluis in Roemenië Kézdivásárhely. Deze stad in het Hongaars sprekende deel van Roemenië is naast Hatvan (in Hongarije) al jaren zusterstad van Maassluis en er zijn op verschillende niveau’s al uitwisselingen en projecten gedaan. Maar nog niet op het gbeid van literatuur en poëzie. Ik heb vervolgens een aantal dichters van de Poëziewerkplaats benaderd met de vraag of ze mee wilde doen. Ook in Kézdi heb ik via mijn collega van de bibliotheek aldaar gevraagd naar namen van dichters. Toen ik die kreeg en deze dichters voorstelde om mee te doen was men meteen enthousiast.

Vervolgens had het vertalen nogal wat voeten in de aarde, met nagenoeg geen budget en de wil om een bundeltje te laten maken hebben we naar wegen gezocht om dit te realiseren. Uiteindelijk is dat gelukt en van de 9 deelnemende dichters (5 uit Nederland en 4 uit Roemenië) is een gedicht van het Hongaars naar het Nederlands en van het Nederlands naar het Hongaars.  Ans van der Wiel tekende voor de vormgeving en het werd uitgegeven onder uitgeverijnaam van MUG books. Nu is dit kleine maar fijne bundeltje een feit. Ik sta er zelf in met het gedicht ‘Voor jou’ of ‘Hozzád’ maar hier koos ik voor een gedicht van Sántha Atilla met het gedicht ‘Rákosidénes’ of zoals het in de vertaling heet ‘Dénesrákosi’.

.

Dénesrákosi

 

Hij ging, want hij werd meegenomen.

Achttien jaar was hij. Gelukkig

kreeg hij van zijn moeder genoeg mee,

zodat hij nog voor enkele dagen de smaak van thuis proeven kon.

 

Hij ging, want hij werd meegenomen.

Rechtstreeks naar het Italiaanse front,

terwijl hij alleen maar aan vrouwen kon denken.

 

Bij de Piave hebben ze zich

voor drie jaar ingegraven,

de frontlijn en hij werden beide stijf;

daarvoor kreeg hij een extra portie broom.

 

Misschien leerde hij een Italiaans meisje kennen,

dat van hem hield en een vers broodje voor hem bakte,

maar hij kan ook maagd zijn geweest,

toen hij aan het prikkeldraad bleef hangen.

 

Rákosidénes

 

Ment, mert vitték,

tizennyolc évesen. Még szerencse,

hogy anyja felcsomagolta,

és pár napig szájában érezhette

az otthoni kenyér ízét.

 

Ment, mert vitték,

egyenesen az olasz frontra,

pedig csak a nőkön járt az esze.

 

Piavénál három évre beásták

magukat a földbe,

a frontvonal és ő is megmerevedett,

ezért extra adag brómot kapott.

 

Lehet, megismert valami olasz lányt,

ki szerette és friss cipót sütött neki,

de az is lehet, szűz volt,

mikor a szögesdróton fennakadt.

.

Bombast en larie

De 25 afschuwelijkste gedichten uit de Nederlandse literatuur

.

In 2009 verscheen in de Sandwich-reeks (nr. 20) de bundel ‘Bombast en larie’ samengesteld door Gerrit Komrij. In dit charmante bundeltje zet Komrij zijn gedachten op papier over hoge en lage poëzie en kiest hij de, vijfentwintig in zijn ogen, slechtste gedichten uit de periode 1822-1935.  Komrij’s voorkeur gaat uit naar de edelkitsch, de huilende zigeunerjongetjes in versvorm, en dat leidt tot een kleine collectie zeer onbedoeld vermakelijke gedichten.

Komrij houdt op bij 1935 omdat levende dichters geen toestemming zouden geven voor een dergelijke bloemlezing. Desalniettemin is dit een bundel met heerlijke edelkitsch gedichten, poëzie vol clichés en meer tranentrekkende rijmelarij. Een heel fijn bundeltje dus en het was nog niet eenvoudig om er de, in mijn ogen, slechtste uit te kiezen.

Het is uiteindelijk het gedicht ‘Mijn leed’ geworden van de dichter H.C. Kakebeeke. Het gedicht verscheen oorspronkelijk in de bundel ‘Verzen’ uit 1903.

.

Mijn leed

.

Mijn leed staat als een hoge toren van hard metaal

en staart met blinde ogen neer in het verre dal,

waar kommer zweeft, en waar een ongesproken taal

zingt van mijn blij geluk en van zijn droeve val.

.

Zo staat mijn hoge toren in sombere praal,

maar slechts een blik uit tweeër ogen tal

behoeft te wenken één enkele maal

en instorten heel mijn hoge toren zal.

.

Want gewrocht uit hard metaal en sterke steen

is toch hij slechts als gemaakt van ’t zwakste was

wanneer mijn liefste blikt er even heen.

.

Een enkele blik slechts, en zie, ras

ligt hij in puin, er blijft geen steen

om te getuigen, wat eens mijn toren van leed was.

.

 

Zonder liefde ben je nergens

Karel Eykman

.

Afgelopen zaterdag mocht ik als BABS (buitengewoon ambtenaar van de burgerlijke stand) een bevriend stel trouwen. Uitgangspunt voor mijn verhaal was de liefde en toen ik in het proces was van het schrijven van het verhaal, stuitte ik op het gedicht ‘Zonder liefde ben je nergens’ van Karel Eykman, uit de gelijknamige bundel uit 2003.

Het gedicht is een afgeleidde van de tekst in 1 Korinthiërs 13. Waar de tekst (door Paulus geschreven, een verstokte vrijgezel) een sterk religieus karakter heeft, is in het gedicht van Eykman hier weinig van over. Juist bruidsparen zijn nogal verzot op de psalm om haar inhoud.

Zo ook het gedicht van Karel Eykman. Het betreft hier geen exclusief liefdesliedje bedoeld voor geliefden maar eerder een loflied op de liefde geschreven voor iedereen aanwezig, heel inclusief dus. Omdat het zo’n wonderschoon gedicht is wil ik het hier met jullie delen.

.

Zonder liefde ben je nergens

.

Al kon ik nog zozeer
in prachtige preken
mijn redes afsteken
en wist wijze woorden op ieder gebied
maar had de liefde niet
dan was het toch meer
wat trommelgekletter
gezwets en geschetter
had ik de liefde niet.

Al blies ik trompet
hoog van de toren
al zong ik in koren
de sterren van de hemel, het hoogste lied
maar had de liefde niet
dan klonk het toch net
als toeters en bellen.
Ik had niets te vertellen
had ik de liefde niet.

Zonder liefde ben ik nergens
zonder jullie stel ik niets voor.
Had ik jullie niet bij me
dan ging ik er aan onderdoor.
Want liefde is echt
en liefde is aardig
is open, oprecht
en eerlijk, rechtvaardig.
’t Is liefde die ziet
hoe opnieuw te beginnen
die ieder verdriet
ook de dood kan overwinnen.

.

Ik heb het rood van het joodse bruidje lief

Pierre Kemp

.

Van sommige dichtbundels of bloemlezingen weet ik nog precies wanneer of bij welke gelegenheid ik ze voor het eerst zag of las. Dat geldt zeker voor de bloemlezing ‘Ik heb het rood van het joodse bruidje lief’ uit 1988 en samengesteld door Ton van Deel. Ik herinner het mij zo goed omdat ik destijds net was begonnen met het collectioneren voor de bibliotheek waar ik werkte. De recensie was niet bijzonder positief, maar mijn interesse was gewekt zodat ik de bundel toch heb aangeschaft terwijl poëzie voor zo’n kleine bibliotheek zeker geen automatisme was om aan te schaffen (eerder het omgekeerde).

Toen ik de bundel een aantal weken later in handen kreeg sloeg ik als eerste het gedicht van Pierre Kemp met de (bijna) gelijknamige titel op. Bij het gedicht een afbeelding van het schilderij van Rembrandt (in zwart-wit, dat wel maar de afbeelding stond op de voorkant in kleur). Toen, en nog steeds, leest het gedicht als een liefdesgedicht, de liefde van de dichter die hij voelde voor het schilderij en de schilder toen hij het schilderij bezag.

.

Het Rood van het Joodse Bruidje

.

Ik heb het Rood van ’t Joodse Bruidje lief,
van toen ik het zag voor het eerst
en ik nog niet begreep,
welk een verkering ik die dag begon.
Ik kwam er ook op dagen zonder zon,
of dat haar licht zich even maar verhief
en vloeide weg in een wankele streep,
dan zocht ik de nuance, die het teerst
en toch nooit diep genoeg
mij lang te blijven vroeg.
Ik zag het Bruidje met de linkerhand
piano spelen op de rechter- van
haar door de tijd bedeesde man
en ik werd niet jaloers. Dat was hún band.
Ik kwam niet door hun minne-schikking treden,
het is mij om het Rood van haar kleed en
anders niets te doen,
ook niet om de entourage in goudig-groen.
Alleen díe kleur zien als een kleur van heden,
of Rembrandt naast mij er mee speelde
binnen de bronzen van de achtergrond
en welke kleuren hij er nog penseelde,
er toch die kleur voor alle tijden vond.
Ontstond zij met of zonder schilderstok,
het is zijn Rood, waarin hij zong Bruidjes rok;
het is mijn Rood, rondom haar rechterhand,
neen, geen juwelen, franjes of kant,
het is maar rood, het Rood, dat ik aanbid,
vooral als ik in de zon naast Rembrandt zit.
.
.

De poëzie van Hugo Claus

Je buik van Pimpelmees

.

In 2013 stelde de weduwe van Hugo Claus, Veerle Claus – de Wit, de bundel ‘Je buik van Pimpelmees’ samen. Het is een verzameld werk dat vooral veel poëzie van de laatste periode van zijn leven bevat. Claus’ verzamelde poëzie bevat niet bepaald idyllische liefdesgedichten. En ook hier is dit het geval. De moeilijke communicatie, het gevecht om werkelijk contact tussen mensen, dat zich ook lichamelijk vertaalt, is een basisthema in zijn werk.

“Claus legt ongewone metaforische verbanden. Hij doet ongeveer gelijkluidende woorden rijmen, zodat er een nieuw betekenisniveau ontstaat. Dat sluit aan bij de vervorming van de werkelijkheidservaring die hij beoogt, gevoed door zijn anarchistische levenshouding. Zijn liefdesgedichten zijn de uiting van zijn overtuiging dat wij overgeleverd zijn aan de taal en het toeval en in de liefde aan elkaars willekeur en temperament. Daarom wringt het vaak in zijn gedichten en ontstaat er een erotiserende spanning, niet alleen door de beelden die Claus oproept. Altijd is de liefde ambivalent bij Claus, hoe mooi ze ook kan zijn. En zeker niet zonder humor en speelsheid.” Dat blijkt ook uit het volgende gedicht uit deze bundel.

.

Naakter raakt nooit zover dat ik je naakt
niet verder raak met mijn blik.

Daar wentel je je bekken open
en je krinkelt, scheurt en slaat
met onvaste voet en hekseschoot,
mijn zomernaakt, mijn
wild, mijn bikkelnaakt.

Geef jij je over aan het voer der mensen?
Je eet als een pelikaan,
je braakt als een haai.

Geef jij je over? Steeds breek je in mij binnen,
met modder en mahoniehouten ringen die
krols in mijn kop komen zingen,
mijn brompony, mijn prikkelpop.

Geducht bordurend borend bereik je mij
als naakt je kamhaar splijt.
De wind met kuren in het koren
is ons reikhalzend minnen, en

naakter nooit zover, mijn kindse koningin
met je buik van pimpelmees
dan als ik je versplinter.

.

Met dank aan cobra.canvas.be Paul Demets