Site-archief
Versvoeten
Alain Teister
.
Elke keer weer verbaas ik me over het feit dat er dichters zijn waar ik nog nooit van gehoord heb en die toch een aardig oeuvre bij elkaar geschreven hebben . Blijkbaar is het met beoefenaren van alle kunsten hetzelfde, alleen de bekendste namen ‘overleven’. Wat overigens niet betekent dat het werk van dichters die vergeten of bijna vergeten zijn, niet de moeite waard is. Zo’n dichter waarvan waarschijnlijk maar weinig mensen de naam kennen is Alain Teister (pseudoniem van Jacob Martinus Boersma).
Teister (1932 – 1979) was schrijver, dichter en schilder. Hij debuteerde in 1964 met de bundel ‘De huisgod spreekt’ waarna hij nog twee poëziebundels publiceerde: ‘De ziekte van Chopin’ in 1971 en ‘Zenuwen, dame?’ in 1977. In 1988 verscheen nog zijn ‘Verzamelde gedichten’. Daarnaast werd zijn werk opgenomen in ‘Tirade’, ‘Maatstaf’ ‘De Tweede Ronde’ en ‘Hollands Maandblad’. Naast zijn dichterschap was hij vooral ook actief als kunstenaar en werk van hem werd aangekocht door het Centraal museum in Utrecht en de Rijksdienst voor de Beeldende Kunsten.
Uit de bundel ‘Verzamelde gedichten’ komt het gedicht ‘Versvoeten’.
.
Versvoeten
.
Elk dichtertje zingt
zoals het genekt is
door rotjeugd, rotwijf, rotinkt.
En hij is de eminentste
die tussen de brekebenen
zijn voeten het minst kapothinkt
en dat het bedroefdst formuleert.
Elk dichtertje zingt
vrij ongedeerd.
.
MUG 2
Een nieuwe editie
.
Nog maar een maand geleden verrasten Poetry Affairs, MUGbooks en BRRT.Graphic.Design Nederland met een nieuw poëtisch vlugschrift, een mini-magazine, een mug tussen de mastodonten, MUGzine #1 en nu is er een tweede editie.
De reacties waren enthousiast, positief en vol waardering voor dit nieuwe initiatief op de markt van poëzie magazines. MUGzine is het kleine broertje onder de magazines, letterlijk en figuurlijk. Slecht 10 bij 15 cm is dit handzame en met veel liefde en zorg gemaakte magazine.
En werd de eerste editie nog gevuld door bijdragen van de makers (https://poetryaffairs.nl/ en https://mugbookpublishing.wordpress.com/ ) voor de tweede editie hebben we dichters benaderd of ze mee wilde werken aan MUGzines. Dichter Daniël Dee, dichter Sabine Kars en dichter/kunstenaar Pieter Drift lieten ons enthousiast weten graag een bijdrage te willen leveren en zijn dan ook terug te zien en te lezen in dit nieuwe nummer.
Uiteraard is #2 gratis te downloaden via http://mugzines.nl/ en te verkrijgen op papier in een beperkte oplage van 100 stuks. Daarnaast denken we na over een cadeau versie en een vorm van abonnement maar daarover later meer.
Om alvast in de stemming te komen hier een gedicht van dichter en kunstenaar Pieter Drift, dat hij schreef voor de tentoonstelling ‘Arp: the Poetry of Forms’ georganiseerd door het Kröller-Müller-museum, en specifiek voor een multimediale poëzie-estafette. Alle gedichten zijn online te zien op https://krollermuller.nl/poezie-estafette
.
KNOOP VAN MEUDON
.
Tegenover ons een dame
schuin afgesneden
in een bosje bloemen
.
Als u’s hangen haar hoefijzers
boven de deuren van het treinstel
Een sfeertje meneertje
als de bodem van het boeket
.
De man naast haar hapt steels
een blaadje van de ruikers
Soms hinnikt hij
schraapt met zijn hoeven
.
Alles komt langs in de stiltecoupé
wij houden onze oren open
.
Op het perron in de hoek
van een zakdoek wacht een knoop
zodat we nooit zullen vergeten
waar we vandaan komen
.
Tienkamp
Theo Danes
.
Een van de leuke en bijzondere kanten van het schrijven over poëzie is toch wel dat poëzie zo uiteenlopend, verschillend en gevarieerd is. Van geëngageerde gedichten over het wereldleed, naar heel persoonlijke, verinnerlijkte gedichten tot speelse verzen en rijmen. Ik mag dan ook graag tussen alle ‘serieuze’ poëzie door ook graag bundel met light verse lezen. Niet dat light verse niet serieus is, integendeel, het is een serieuze vorm van poëzie maar in haar vorm en inhoud toch vaak wal lichter en luchtiger van toon.
Een bundel die ik graag herlees is ‘Atletische verzen’ van Ivo de Wijs en Theo Danes. In deze bundel uit 2006 louter luchtige en grappige gedichten in light verse over atletiek. Zo ook het gedicht ‘Tienkamp’ van Theo Danes. Onwillekeurig moest ik bij het lezen van dit gedicht denken aan mijn oud bibliotheekcollega en Volkskrant columnist Ionica Smeets en haar columns met als titel ‘Ionica zag een getal’. Voor degene die deze column kennen zal dit niet als een verrassing komen.
.
Tienkamp
.
Ben je tienkamper, dan zoek je
Als een wiskundefanaat
In het meerkamppuntenboekje
Waar je met je punten staat:
.
‘Virtueel heb ik de beker
Ver ging beter dan gepland
Maar na Kogel zal ik zeker
Zakken in het klassement
.
Ha! De supertijd bij Horden
Bracht mij 80 punten meer
Polsstok moet 5 meter worden
Door het puntverlies bij Speer
.
46+ bij Discus
Was niet ingecalculeerd
Bij de Sprint liep ik wat mis, dus
Is dat flink gecompenseerd’
.
Tienkampers zijn nooit verwonderd
Als de uitslag wordt vermeld
Ze zijn na de 1500
Afgemat en uitgeteld
.
Nog
Dubbel-gedicht
.
Er zijn vele onderwerpen waar dichters over schrijven, en daardoor is het mogelijk dat je gedichten van verschillende dichters tegenkomt in dichtbundels, met dezelfde titel. Over dieren, de liefde, de dood en het dichterschap bijvoorbeeld is het niet moeilijk twee gedichten te vinden met een zelfde titel of inhoud. Met een titel als ‘Nog’ is dat een heel ander verhaal. Het woordje ‘nog’ is een weinig zeggend bijwoord en als titel van een gedicht niet voor de hand liggend.
En toch zijn er twee dichters die het als titel voor een gedicht hebben gekozen. Allereerst de dichter Armando (1929-2018). In de bundel ‘Stemmen’ uit 2013 staan veel gedichten met korte woorden als titel; ‘Hij’, ‘Het, ‘Ooit’, ‘Weer’ en dus ook het gedicht ‘Nog’.
Het andere gedicht met de titel ‘Nog’ staat in de dichtbundel ‘Bladgrond’ van Roland Jooris uit 2016. Roland Joris (1936) is een Vlaamse dichter die in 1956 debuteerde met de bundel ‘Gitaar’ in een Post-Experimentele stijl. ‘Bladgrond’ is zijn 16e bundel. Voor zijn werk kreeg Jooris verschillende (Vlaamse) prijzen maar ook de Jan Campert-prijs in 1979 voor verzameld werk in ‘Gedichten 1958-1978’.
.
Nog
.
Het is er nog,
het feest van dwaze elfen,
de klopjacht op het evenbeeld,
een zitplaats voor de haat.
.
Het is er nog,
de hardgekookte hongersnood,
een zijweg aan de overkant,
de hang naar het verraad.
.
Het is er nu nog steeds,
het werd een metgezel.
.
.
Nog
.
Nabij
toch weer elders
.
Hij raapt op
wat niet gevonden
kan worden
.
Hij hoort iets
wat opspringt uit beduimeld
geblader, uit gefluister
een toets die zich afvraagt
waarom
.
Hij tast naar
een gestommel van
onmondig beramen, hij brengt
het ter sprake
.
Het doorwoelt zich
.
Ajuinvingers
Stefan Hertmans
.,
Liefdespoëzie schrijven is een vak apart. En niet eenvoudig. In een liefdesgedicht de clichés vermijden, de platgetreden paden ontwijken, de pathetiek bezweren en juist door niet te zeggen wat je wil zeggen in letterlijke bewoordingen maar in goed gekozen woorden waaruit de lezer kan opmaken wat je bedoeld; daar kunnen goede liefdesgedichten uit voortkomen.
Een dichter die heeft bewezen prachtig over de liefde te kunnen dichten is de Vlaamse dichter Stefan Hertmans.
Hertmans (1951) is schrijver, essayist en dichter. Zijn werk werd in vele talen vertaald en voor zijn werk kreeg hij veel prijzen en werd hij verschillende keren genomineerd voor belangrijke poëzieprijzen. In 2019 kreeg hij de Constantijn Huygens-prijs. Daarnaast verscheen werk van hem in alle belangrijke magazines in binnen en buitenland.
In 2016 verscheen van hem bij uitgeverij de Bezige Bij de bundel ‘Een beeld van jou’ gedichten over de liefde. De gedichten uit deze bundel werden opgenomen uit ‘Muziek voor de overtocht. Verzamelde gedichten 1975-2005’ uit 2006 en ‘De val van vrije dagen’ uit 2010.
Of er een subtiel verschil is tussen liefdesgedichten en gedichten over de liefde weet ik niet maar ik maar alle aspecten van de liefde komen aan bod in deze bundel. Ik koos voor het gedicht ‘Ajuinvingers’ alleen al om de titel waarbij je meteen een beeld of een herinnering hebt en om de schoonheid van het woord ‘Ajuin’.
.
Ajuinvingers
.
Je sneed ze alsof ze leefden,
eerst dwars en dan de ringen,
maar het deed pijn daar
waar de schil je huid kon raken.
.
We moeten nu niet praten
had je nog gezegd.
Je ogen prikken maar het
stelpt de woorden niet.
.
Zelf rook ik de rode snippers,
hun sap nog in de vingers
die ik op je handen had gelegd.
.
Zo bezocht me ooit een engel,
terwijl jij koortsig sliep,
.
en op het vuur een pan
die jaren blonk van avondlicht.
.
Verlicht ons, Muze,
versnipper onze levens.
.
Omhels me, jij,
je vingers ruiken
en ze beven.
.
Gedichten uit de Goelag
Varlam Sjalamov
.
De Russische schrijver en dichter Varlam Tichonovitsj Sjalamov (1907 – 1982) werd geboren als zoon van een Russisch-orthodox priester en een lerares. Hij studeerde rechten in Moskou, was overtuigd tegenstander van het Stalin regime en sympathiseerde in die tijd met de linkse oppositie geleid door Leo Trotski. In 1929 werd hij in een illegale drukkerij gearresteerd en voor drie jaar verbannen naar de Goelag. Na zijn terugkomst naar Moskou werkte hij van 1934 tot 1937 als journalist.
In 1937 werd hij in het kader van de grote zuivering opnieuw gearresteerd vanwege trotskisme en Sjalamov bracht na een nieuwe veroordeling zeventien jaar door in de kampen des doods van Kolyma in Siberië. In 1953 werd hem toegestaan terug te keren naar Europees Rusland. In 1956 werd hij onder Chroesjtsjov gerehabiliteerd. Vanaf 1957 verschenen van zijn eerste gedichten. Sjalamov is al eerder gedichten beginnen schrijven. Hij memoriseert zijn eigen dichtregels telkens wanneer hij van het werk naar het kamp terugkeert. Als hij op het einde van zijn gevangenschap als verpleger tewerkgesteld wordt schrijft hij op wat hij maar vindt: papieren zakken, kaftpapier etc. Die aantekeningen werkt hij later uit. Naast zijn gedichten schrijft hij vooral korte verhalen, maar al snel kwamen zijn herinneringen aan de Goelag niet meer door de censuur (ze circuleerden in de jaren zestig alleen in Samizdat-uitgaven). Hoewel Sjalamov vooral bekend is door zijn laconieke en compacte kampverhalen is zijn poëzie ook zeker de moeite waard.
Hieronder het gedicht ‘De camee’ waarin een duidelijke verwijzing naar zijn tijd in de kampen en hoe hij die heeft doorstaan, in een vertaling van Marja Wiebes en Margriet Berg uit ‘Spiegel van de Russische poëzie van de twaalfde eeuw tot heden’ uit 2000.
.
De camee
.
In ’t hellend vlak van berg en tijd
Sneed ik jouw beeld voor de eeuwigheid.
.
Betrouwbaarder dan een penseel
Zijn immers beitel en houweel.
.
In ’t land van mannen en van ijs,
Van vroege rimpels en vroeg grijs,
.
Heb ik dit vrouwelijk gelaat
Geschapen als een wanhoopsdaad.
.
Ik heb de rots met jouw portret,
Toen in een ring van sneeuw gezet,
.
En wolken om de ring gedaan
Om niet van weemoed te vergaan.
.
Vikingen en Friese leraressen
Ruben van Gogh
.
Soms hebben dichtbundel heel intrigerende titels, en dit geldt ook voor sommige gedichten. In het geval van de bundel ‘De man van taal’ moest ik meteen denken aan Archie, de man van staal, een striptekening-serie uit mijn jeugd die later nog werd omgewerkt tot een televisieserie. Een gedicht uit deze bundel heeft een minstens zo’n bijzondere titel ‘Vikingen verkrachten Friese leraressen’.
Dichter (of Lyrisch chroniqueur zoals hij zichzelf afficheert) schrijver van zangteksten en fotograaf Ruben van Gogh (1967) publiceerde zijn eerste gedichten op internet en in tijdschriften. Al vrij snel trad hij ook op en maakte hij naam als performer met een licht Gronings accent. Zijn gedichten zijn toegankelijk door het eenvoudige taalgebruik, de begrijpelijke zinnen en het vaak gebruikte eindrijm. Als Van Gogh niet rijmt, gebruikt hij veelal korte en krachtige regels.
Van Gogh was te zien en te horen op Lowlands, Winternachten, Dichter aan huis, Poetry International en op podia in het buitenland. De bundel ‘Man van taal’ uit 1996 was zijn debuut (na ‘Wondere wereld’ die hij in eigen beheer uitgaf in 1992) en daar staat dus onderstaand gedicht in dat aan de ene kant heel speels en cartoonesk is en aan de andere kant donker en onaangenaam.
.
Vikingen verkrachten Friese leraressen
.
Na duizend jaar van ongeduldig wachten
in een halfversleten Vikingsloep
besloot een langvergeten Vikinggroep
weer eens Friese leraressen te verkrachten
/\.
Ze voeren uit, hun hoofden stonden woest.
Voorbij de dijk drongen ze Friesland binnen,
en toen de vrouwen. Ze raakten buiten zinnen
en waren pas na zeven keren koest.
.
De jongens, de mannen en ouden van dagen
van Friesland konden, net als toen,
verduveld weinig doen
en waren daarna zichtbaar aangeslagen.
.
Spike Milligan
Spike Milligan
.
In de krant van zaterdag las ik een stukje van Patrick van IJzendoorn, een in Londen wonend journalist, over de fietstocht die hij maakte door het zuid-oosten van de stad. Naast een bezoek aan het huis van Peter Kropotkin (een van de grondleggers van het anarchisme, van wie ik ooit het boek ‘Memoires van een revolutionair’ las) fiets hij ook langs het arbeidershuisje van Terence Alan ‘Spike’ Milligan in Catford.
Spike Milligan (1918 – 2002) was een Brits/Iers komiek, schrijver, radiomaker en acteur. Milligan, vooral bekend en beroemd als komiek, waagde zich aan veel aspecten van de kunsten, de poëzie was een klein deel daarvan. Vooral als schrijver van light verse geniet hij ook nu nog grote bekendheid: zijn “On the Ning Nang Nong” is in 1998 zelfs uitgeroepen tot beste Engelstalige kinderversje en is met name in Australië mateloos populair. In 2014 besteedde ik al eens een blog aan dit vers https://woutervanheiningen.wordpress.com/2014/05/06/spike-milligan/
In het artikel citeert van IJzerdoorn echter een stuk uit een serieus gedicht van Milligan, namelijk de laatste drie regels. Nieuwsgierig naar de rest ging ik op zoek en het blijken de slotregels uit het gedicht ‘Catford 1933’ te zijn.
In 1932 moest het gezin met zoon Spike vanuit Brits-Indië (India) door de grote en wereldwijde recessie terugkeren naar het Verenigd Koninkrijk. Van een leven in weelde met personeel kwamen ze terecht in een klein arbeiderswoninkje in de ‘arme’ wijk Catford. Daar schreef Spike het volgende gedicht over.
.
Catford 1933
.
The light creaks and escalates to rusty dawn
The iron stove ignites the freezing room.
Last night’s dinner cast off popples in the embers.
My mother lives in a steaming sink. Boiled haddock condenses on my plate
Its body cries for the sea
My father is shouldering his braces like a rifle,
and brushes the crumbling surface of his suit.
The Daily Herald lies jaundiced on the table.
‘Jimmy Maxton speaks in Hyde Park’,
My father places his unemployment cards in his wallet – there’s plenty of room for them.
In greaseproof paper, my mother wraps my banana sandwiches
It’s 5.40. Ten minutes to catch that last workman train.
Who’s the last workman? Is it me? I might be famous.
My father and I walk out are eaten alive by yellow freezing fog.
Somewhere, the Prince of Wales and Mrs Simpson are having morning tea in bed.
God Save the King.
But God help the rest of us.
.


















