Site-archief
Het houdste van
Ruud Osborne
.
Ik wil dit jaar positief en met een boodschap van liefde beginnen (het afgelopen jaar was een tranendal in vele opzichten),en hoe kan je dat beter doen dan met een liefdesgedicht. In dit geval van dichter Ruud Osborne. In zijn bundel ‘Ik zeg je de kleinste liefde’ uit 2007, poëzie voor jongeren van 14+ (maar ook uitstekend te lezen door volwassenen) staat het gedicht ‘Het houdste van’.
‘Ik zeg je de kleinste liefde is een verzameling gedichten rond de thema’s puberliefde, bestaande liefde en ouder worden. Met gekleurde illustraties in collagetechniek van Gudrun Makelberghe. Ruud Osborne is energetisch therapeut (AETM), counselor, kind- en jeugdscoach en dichter. Zijn werk verscheen in bundels en o.a. in Het Liegend Konijn, Tirade, De Nederlandse Kinderpoëzie in 1000 en enige gedichten (samengesteld door Gerrit Komrij) en in het prachtige boek ‘Heel de wereld wordt wakker’. Zijn laatste bundel ‘Lef’ stamt uit 2022 en bevat gedichten zonder leeftijd.
.
Het houdste van
.
in hun bedjes
van het zachtste van het mooiste
van het warmste van het liefste
liggen ze samen
het houdste van
het allerhoudste van dat ik ken
.
ze slapen de handjes open de mondjes dicht
de hartjes open
het openste dat ik ken
.
ze dromen de dag dicht de nacht dicht
de tijd dicht
het dichtste dat ik ken
.
ze zijn uit het kleinste uit het grutterigste
uit het kruimeligste tevoorschijn gekomen
uit het nietigste dat ik ken
.
ze zijn voor mij het altijd aanwezigste het altijd blijvendste
het altijd altijdste
het eeuwigste dat ik ken
.
ze zijn het allerhoudste voor mij.
.
2024!
Bernard Dewulf
.
Ik wens iedereen een heel mooi, gezond, gelukkig en poëtisch nieuwjaar toe. En om het jaar maar meteen goed te beginnen een gedicht van Bernard Dewulf (1960-2023), uit de bundel ‘Licht dat naar ons tast’ een gloednieuwe bundel verzamelde gedichten van deze ons te vroeg ontvallen dichter getiteld ‘Tafereel’.
.
Tafereel
.
Sneeuw etste een ansicht. Oud dorp,
nieuw jaar. In de bocht stond
een voorbeeld van een boom. Waaronder
.
op miljoenen rode sponsjes lagen:
een gedeukte neus en hoed,
confetti en een feestelijke schoen.
.
Verderop de voet die paste, glas
en chroom. de schittering
van puin. De rest was geen gezicht.
.
Wat nou digitaal?
Frederick Linck
.
Tweede kerstdag was ik in het Haags Historisch museum en daar is een tentoonstelling te zien van 150 foto’s van fotograaf Frederik Linck. Fotograaf Frederick Linck (1942-2020) laat met zijn foto’s uit de jaren ’70 het verval van de Haagse binnenstad zien, foto’s van een wereld die op het punt staat om te verdwijnen. Hij legt er de sloop van de verkrotte, oude stad vast. In zijn fotografie staan mensen centraal. Hij maakt melancholische en ontwapenende portretten van zijn buurtgenoten: van daklozen en caravanbewoners tot buurtjongens en middenstanders. Ook buiten de binnenstad vindt Linck zijn inspiratie in het ‘volkse’ Den Haag – op de Haagse Markt en de jaarlijkse kermis op het Malieveld maakt hij verschillende fotoseries.
Wat ik erg leuk vond om te zien was dat Frederik Linck een zelfde voorliefde heeft in zijn fotografie die ik ook heb als het om poëzie gaat. Juist de poëzie met rauwe randjes, de outcasts, de mensen die anders denken en doen vind ik vaak heel interessant. Uiteraard heeft de poëzie in de meest brede zin des woord mijn aandacht en waardering maar juist de randjes sla ik daar bij voorkeur niet over. Tel daarbij op dat ík, juist in de jaren 70 en begin ’80, kennis maakte met de stad en er met enige regelmaat kwam. Het verval, de verkrotting, de leegstand, de prostitutie en afbraak staan me nog steeds heel goed bij. Ik denk weleens dat mijn voorliefde voor deze zaken daar zijn oorsprong heeft
In een van de ruimtes was een doka (donkere kamer) nagemaakt met originele apparatuur van Linck. Daar vond ik ook een tekst die je met een beetje verbeelding poëzie kunt noemen.
.
Wat nou digitaal?
.
Mijn donkere kamer met lichtwerende deuren
afgesloten van de buitenwereld:
ik alleen met mijn rode licht.
Ik allen in mijzelf hard pratend
met een negatief en een vergroter.
Ik alleen met het vergroten van mijn fantasie
in een bak ontwikkelaar.
Ik alleen bedenk van alles.
Ik alleen bepaal mijn beeld in donker.
Ik alleen bepaal mijn lieve eenzaamheid.
Ik alleen zie mijzelf
dat allemaal niet doen achter
een lullig digitaal beeldschermpje.
.
Vandaag vrij, altijd vrij
Anton de Kom
.
De belangrijkste stem in de antikoloniale beweging van de 20ste eeuw is toch wel Anton de Kom (grootvader van dichter Antoine de Kom, 1956). In de jaren ’30 van de vorige eeuw vestigde Anton de Kom (1898-1945) een adviesbureau op het erf van het huis van zijn ouders, waar hij arbeiders adviseerde over hun rechten. Hij werd al door de koloniale machthebbers gevolgd en dit was de reden dat hij werd opgepakt en verbannen uit Suriname op beschuldiging van een revolutiepoging. Hij ging in Nederland wonen en tijdens de tweede wereldoorlog was hij actief in het Nederlandse verzet. Op 24 april 1945, vlak voor de bevrijding overleed hij in een Duits concentratiekamp.
In 1969 ontdekte de Stichting tot behoud en stimulatie van Surinaamse Kunst, Kultuur en Wetenschap De Koms gedichten, en gaf ze uit in een kleine oplage in Paramaribo. Dit jaar werd de bundel ‘Vandaag vrij, altijd vrij’ de gedichten uitgegeven met een voorwoord van Babs Gons. Ten opzichte van de bundel die in Paramaribo werd uitgegeven is deze uitgave aangevuld met enkele gedichten uit zijn ongepubliceerde werk.
In deze bundel staan gedichten die hij schreef tijdens de tweede wereldoorlog waar hij ook het slavernijverleden in verwerkte. Maar ook gedichten met natuurbeschrijvingen en gedichten waar zijn liefde voor Suriname uit spreekt. Ik koos uit dit mooi uitgegeven bundeltje het gedicht ‘Maar ik’ waarbij aangetekend dat Hevea rubberbomen zijn.
.
Maar ik
.
Gij bakra (blanke) bezit een huis
Een paleis gelijk
Gebeeldhouwde deur
Schoon als blozende wangen
Van marmer zijn de gangen
Bloeiende haag
En een zeiljacht aan de kaag
maar ik, maar ik
.
Onmetelijk zijn de rietvelden
Duizenden akkers
met mais beplant
Hevea, koffie en katoen
renderende rumbranderijen
Berooide pachters op je land
Stallen van stamboekvee
Maar ik, ik heb noch huis noch stee
.
Miljoenen in rubbers
Machines draaien
door jouw olie
.
Twee keer het Park
Dubbel-gedicht
.
Vandaag een dubbel-gedicht over het (Vondel)park.
Het eerste gedicht is getiteld ‘In het park’ en is van K. Schippers (1936 – 2021). Het komt uit de bundel ‘Amsterdam’ de stad in gedichten uit 2001. Het tweede gedicht (een sonnet) is getiteld ‘Een stadsmuseum’ en is van Max Dendermonde (1919-2004) en is genomen uit de bundel ‘Ik geef jou een gedicht of wat’ 101 lichte sonnetten om langzaam te lezen uit 1987.
.
In het park
.
Niet de agent met de fiets
hij staat bij het blauwe theehuis
niet de man bij de vijver
wat hij ziet weet ik niet
ook niet de vrouw met de kinderwagen
die in deze richting loopt
maar de oude man op de bank
en ik op de andere bank
wij kijken beide
hoe mijn tapijt van broodkruimels
een tapijt van mussen wordt
.
Een stadsmuseum
.
Handhaaft arcadia hier zijn klassieke rechten?
Vroeg in de morgen, nu vogels hun dictatuur
voor korte tijd over de gladde vijvers leggen,
is alles nog archaïsch, tijdloos van duur.
.
De atmosfeer is hier een eeuw gelijk gebleven,
anders dan in de stad, waar alles stroomt en woelt:
elke decade opnieuw een modern soort leven.
Geen houvast meer in stijl, denken, bestaansgevoel.
.
Met innovaties en het onvoorziene doende,
vormen wij een niet te doorgronden maatschappij:
wat vandaag is, is morgen niet, het gaat voorbij.
.
In dit burgergroene Vondelpark daarentegen
is de beleving godlof als vanouds gebleven:
democratisch stadsmuseum van de seizoenen.
.
De geschiedenis van moeders en zonen
Babs Gons
.
In het Volkskrantmagazine van afgelopen zaterdag staat een boeiend interview met de Dichter des Vaderlands Babs Gons (1971). In alle opzichten interessant maar er was een passage, een uitspraak van Babs, die me meteen trof. Omdat ik me er zo in herken, in waar ik elke dag over schrijf. Ze zegt: “Ik betreur de eenkennige poëzie meetlat die soms wordt gehanteerd. Waarom moet iedereen altijd maar vergeleken worden met Rutger Kopland of Gerrit Kouwenaar? Fantastische dichters, maar er zijn nog zoveel meer dichttradities en dichters met andere achtergronden, stijlen, uit andere tijden, werelden.”
Ik had dit gezegd kunnen hebben, sterker nog, wie goed zoekt zal een uitspraak als deze in min of meer dezelfde vorm tegen kunnen komen op dit blog. Een uitspraak mij uit het hart gegrepen dus. Verderop in het interview zegt ze: “Spoken word wortelt in de jazz, gospels, de Harlem Renaissance, de Beat Poets, de Amerikaanse burgerbeweging. Poëzie en verzet gaan hand in hand. Ken je de Jamaicaanse dub poetry? Linton Kwesi Johnson? Hij maakte in de jaren tachtig messcherpe gedichten over politieke misstanden, fascisme, rassenrellen in Engeland – radicale poëzie.”
Ik herken zoveel van waar ik al jaren over schrijf. En toch weet Babs me ook weer te verrassen. Neem de zin die ze aanhaalt en waarover ze zegt: “Je hoeft soms maar één zin te hebben, om een heel universum te scheppen. Neem de zin van de Amerikaanse dichter Lisa Furmanski: All sons sleep next to their mother, then alone, then with others. Het is een simpele zin, maar de woorden, op deze manier gerangschikt, vertellen een heel leven.”
Alle reden dus om het gedicht waaruit Babs deze zin nam, op te zoeken en hier te plaatsen. Het gedicht ‘The History of Mothers and Sons’ verscheen in 2008 in het tijdschrift Poetry. Lisa Furmanski is een arts en woont in Norwich, Vermont (VS). Haar werk is onder andere verschenen in de Antioch Review , Beloit Poetry Review, Poetry Daily en Poetry International. Eind 2023 verscheen haar eerste bundel (scrapbook) getiteld ‘Tunnel’.
.
The History of Mothers and Sons
.
Nieuw gedicht
Niet dansen
.
De vraag werd weer eens gesteld. Ik heb geen antwoord. Daarom dit gedicht.
.
Waarom ik niet dans
.
Wanneer ik niet dans, wanneer
muziek klinkt en om mij heen
lichamen mij verleiden om me
bij hen te voegen, dan klinkt in
mij een stem. Dans! maar steeds
als ik probeer te bewegen, me er
toe probeer te zetten, neemt iets
in mijn hoofd het over. Zet mijn
lichaam op slot. Zie ik mezelf op
de dansvloer, uitbundig, soepel,
ritmisch en opzwepend de menigte
betoveren. Zie ik, maar doe ik niets,
voel ik, maar beweeg ik niet, dans
ik, maar in werkelijkheid sta ik stil.
.
Twee gezichten
Riekus Waskowsky
.
Over de Rotterdamse dichter Riekus Waskowsky (1932-1977) schreef ik al eerder. Pas geleden las ik in ‘Verzamelde gedichten’ uit 1985 en wat me opviel was dat Waskowsky zowel een serieuze dichter was getuige bijvoorbeeld het gedicht ‘Archeoloog’ uit 1966, maar ook een kant had die helemaal niet serieus was. Die laatste vrolijke kant van zijn dichterschap doet denken aan gedichten van Jules Deelder. Een voorbeeld van deze vrolijke kant is bijvoorbeeld het gedicht ‘Lourdes’ uit deze ‘Verzamelde gedichten’.
Om deze twee kanten van Waskowsky nog eens te benadrukken wil ik hier nog twee gedichten van hem plaatsen. Allereerst het gedicht ‘Park’ wat een serieus gedicht is, gevolgd door een gedicht zonder titel uit 1976 dat vrolijk maakt.
.
Park
.
Stadspark in de middag…
‘Ik ben nog maagd’
zegt de achterkant van een eik.
.
De spreeuwen op het grintpad
schrikken en vliegen weg.
De huisvrouw op de bank,
zij volle chinese godin
haar boezem bloost over en over,
zucht,
en staat op en gaat verder.
.
Koester dan traag de rode zon
een licht ontgoochelend gebeuren.
.
*
Een vrouw mag dan
pakweg duizend gezichten hebben
haar borsten
zijn op een hand te tellen
.















