Site-archief

Wat we kunnen weten

D.H. Lawrence

.

Ik lees de roman ‘Wat we kunnen weten’ van Ian McEwan over een verloren gegaan gedicht van de (fictieve) dichter Francis Blundy. Het gedicht in kwestie heet ‘A Corona for Vivien’ en werd geschreven door de dichter Francis Blundy als verjaardagscadeau voor zijn vrouw. Tijdens een feestelijk diner met vrienden droeg Francis Blundy het voor, waarna het nooit meer werd teruggevonden. Althans, dat wordt ons voorgehouden. Het verhaal speelt zich af in het jaar 2119 nadat de wereld grotendeels is overspoeld door het stijgen van de zeespiegel.

In de loop der jaren groeide de legende en de reputatie van het gedicht, wat leidde tot veel speculatie over het lot ervan. Mocht het ooit gevonden worden, dan zou dat niet alleen een literair mysterie oplossen, maar ook de carrière van de academicus die het ontdekt heeft een flinke boost geven. Een verhaal in romanvorm kortom, die ook een liefhebber van poëzie kan bekoren. Tel daarbij op dat ik al langer een liefhebber ben van de romans van Ian McEwan en je begrijpt dat ik me goed vermaak met dit boek.

Het gedicht ‘A Corona for Vivien’ beslaat 210 regels en is geschreven in de vorm van een sonnettenkrans. Een  sonnettenkrans (Het Latijns voor krans is corona) is een reeks van precies vijftien sonnetten met strenge vormeisen. Van de veertien sonnetten is steeds de slotregel de beginregel van het eerstvolgende sonnet, en de slotregel van het veertiende sonnet is gelijk aan de beginregel van het eerste sonnet. Het vijftiende sonnet (het meestersonnet geheten en daarmee de krans van de sonnetten) moet zijn samengesteld uit de beginregels (of eindregels) van de eerste veertien sonnetten in de juiste volgorde.

Geen sinecure dus het schrijven van een sonnettenkrans. In de roman heeft Blundy gekozen voor het Petrarchaanse  sonnet, bestaande uit twee coupletten, waarvan het eerste deel (het octaaf) acht regels en het tweede (het sextet) zes regels telt. Het rijmschema wat werd aangehouden was het traditionele ABBAABBA CDECDE. Of het gedicht wordt teruggevonden (er was slechts één exemplaar op dierenhuid geschreven met inkt en alleen die avond met vrienden voorgedragen) is de vraag, daar gaat het boek over en ik heb het nog niet uit.

In ‘Wat we kunnen weten’ worden regelmatig dichters en gedichten aangehaald. Zoals het gedicht ‘Meeting Among the Mountains’ van de Engelse dichter D.H. Lawrence (1885-1930) uit de bundel  ‘Unrhyming Poems (1917-28)’. Hij schrijft: “Hij had haar met hartgrondige afkeer aangekeken, met dezelfde hatelijke blik als waarmee de man met de ossenkar de dichter aankijkt in het gedicht ‘Meeting Among the Mountains’ van D.H. Lawrence ‘De bruine ogen, zwart van haat en nijd’ (de 7e strofe). Voor de liefhebbers van fraai geschreven proza over poëzie is dit boek een absolute aanrader.

.

Meeting Among the Mountains

The little pansies by the road have turned
Away their purple faces and their gold,
And evening has taken all the bees from the thyme,
And all the scent is shed away by the cold.
Against the hard and pale blue evening sky
The mountain’s new-dropped summer snow is clear
Glistening in steadfast stillness: like transcendent
Clean pain sending on us a chill down here.
Christ on the Cross! — his beautiful young man’s body
Has fallen dead upon the nails, and hangs
White and loose at last, with all the pain
Drawn on his mouth, eyes broken at last by his pangs.
And slowly down the mountain road, belated,
A bullock wagon comes; so I am ashamed
To gaze any more at the Christ, whom the mountain snows
Whitely confront; I wait on the grass, am lamed.
The breath of the bullock stains the hard, chill air,
The band is across its brow, and it scarcely seems
To draw the load, so still and slow it moves,
While the driver on the shaft sits crouched in dreams.
Surely about his sunburnt face is something
That vexes me with wonder. He sits so still
Here among all this silence, crouching forward,
Dreaming and letting the bullock take its will.
I stand aside on the grass to let them go;
— And Christ, I have met his accusing eyes again,
The brown eyes black with misery and hate, that look
Full in my own, and the torment starts again.
One moment the hate leaps at me standing there,
One moment I see the stillness of agony,
Something frozen in the silence that dare not be
Loosed, one moment the darkness frightens me.
Then among the averted pansies, beneath the high
White peaks of snow, at the foot of the sunken Christ
I stand in a chill of anguish, trying to say
The joy I bought was not too highly priced.
But he has gone, motionless, hating me,
Living as the mountains do, because they are strong,
With a pale, dead Christ on the crucifix of his heart,
And breathing the frozen memory of his wrong.
Still in his nostrils the frozen breath of despair,
And heart like a cross that bears dead agony
Of naked love, clenched in his fists the shame,
And in his belly the smouldering hate of me.
And I, as I stand in the cold, averted flowers,
Feel the shame-wounds in his hands pierce through my own,
And breathe despair that turns my lungs to stone
And know the dead Christ weighing on my bone.
.

Homo Unrequitus

Brian Bilston

.

Homo Unrequitus (Latijn voor Onbeantwoorde Mens) is geen echte oeroude soort, maar een humoristische, fictieve voorouder bedacht door dichter Brian Bilston voor zijn gedicht ‘The Cavenman’s Lament’ (klaaglied van de holbewoner). Het boek verbeeldt op humoristische wijze ’s werelds oudste (fictieve) liefdesgedicht van 1,5 miljoen jaar geleden, over de onbeantwoorde liefde van een holbewoner. Bilston gebruikt dit concept om universele thema’s als liefde en afwijzing te onderzoeken, waardoor de pogingen van de holbewoner om indruk te maken op een vrouw herkenbaar worden, ondanks het enorme tijdsverschil.

Brian Bilston is het pseudoniem van de Britse dichter Paul Millicheap (1970). Als Brian Bilston begon hij korte en kernachtige, vaak humoristische gedichten op Twitter te publiceren, die vervolgens wijdverspreid raakten op sociale media. Hij verwierf tot wel 400.000 volgers en is beschreven als “de dichter des vaderlands van Twitter”.  De dichter Ian McMillan beschreef Bilston als ‘een laureaat voor onze gefragmenteerde tijd’, en hij is vergeleken met Don Marquis , Dorothy Parker en Ogden Nash. Omdat hij op publiciteitsfoto’s ter promotie van zijn spreekbeurten zijn gezicht achter een boek verbergt wordt hij ook wel de ‘Banksy’ van de poëziewereld’ genoemd.

.

The Cavemen’s Lament

.

me think about her when sun rise

me think about her when sun set

me tell her me in love with her

she tell me love not invent yet

.

me make cave all warm and cosy

me lie soft bearskin on cave floor

me play song of love on bone flute

she choose cave of Tim next door

.

me miss now when me throw spear

rest of hunt not want me along

me draw her picture on cave wall

she say me got perspective wrong

.

me cook her meal to show me love

roast diplodocus with fried beans

she say me anachronistic

me not know what this means

.

me think about her when sun rise

me think about her when sun set

me tell her me in love with her

she tell me love not invent yet

.

Homo Unrequitus

.

Monobiblos

Daniel Heinsius

.

Poëzie vertaald uit het Latijn is een niche binnen de niche die poëzie op zichzelf al is (binnen de literatuur) maar dat wil niet zeggen dat er niet te genieten valt van vertalingen van poëzie uit het Latijn (tenzij je tot dat kleine groepje mensen behoort die het Latijn machtig is en geen vertaling nodig hebt). Dat er genoeg te genieten is van vertaalde poëzie uit het Latijn laat Harm-Jan van Dam zien in de bundel ‘Monobiblos’ uitgegeven door uitgeverij P in juni van 2025.

Harm-Jan Van Dam (1948)  is emeritus hoofddocent Latijn aan de Vrije Universiteit van Amsterdam en gespecialiseerd in Latijnse poëzie, antieke en Neolatijnse  (uit de zestiende en zeventiende eeuw). Hij was tevens lid van de redactie van het tijdschrift Filter, tijdschrift over vertalen en is zelf dichter..
Harm-Jan van Dam vertaalde eerder onder meer Erasmus’ ‘De lof der zotheid’ en, naar het Latijn, het zeer geprezen ‘Jippus et Jannica’, een aantal verhaaltjes uit Annie M.G. Schmidts Jip en Janneke.

In ‘Monobiblos’ (wat ‘enkel of afzonderlijk boek’ betekent) vertaalde Van Dam liefdespoëzie van van de Vlaamse Daniel Heyns of zoals hij bekend was Daniel Heinsius (1580-1655) naar het hedendaags Nederlands. Daniel Heinsius geldt als de belangrijkste Latijnse dichter van de Lage Landen uit die tijd. Hij schreef ook gedichten in het Oudgrieks en Nederlands en hij was hoogleraar aan de Leidse universiteit. Hij is echter vooral beroemd geworden door zijn Latijnse liefdespoëzie. De gedichten die van Dam voor deze bundel vertaalde zette Heinsius destijds al apart van zijn andere poëzie onder de titel Monobiblos vanwege het aparte, vrijgevochten karakter dat hij eraan toekende. In de bundel zijn naast de vertaalde gedichten ook de gedichten in het Latijn opgenomen, zeer uitgebreide aantekeningen en een uitleiding door de vertaler.

Voor de lezer in de 21ste eeuw mag het allemaal desondanks wat zoet overkomen, er wordt vooral oneindig veel gezoend in de 13 elegieën (in dit geval wordt hier geen klaagzang bedoeld maar er wordt verwezen naar de metrische vorm én de inhoud; gedichten waarin de dichter zijn persoonlijke leven centraal stelt) maar probeer desondanks maar eens onbewogen te blijven onder de inhoud en de zeer bloemrijke taal van Heinsius. Uit de 13 elegieën koos ik voor elegie 4 waarin een licht erotische toon doorklinkt.

.

Elegie 4

.

In dit geheime woud stroomt voor de grot een beekje,

verkwikkend streelt zijn frisse water hier de grond,

zacht begeleidt een briesje de nabije nimfen

en laat bomen ruisen vol van zoel gezucht,

de takken trillen, appels blijven even hangen

en vallen dan toch zonder schudden in mijn schoot,

die. roodgespikkeld, lijken op jouw kleine tepels,

Rossa, wanneer ze trillen op je meisjesborst,

je hemdje eromheen een kleine welving geven

en voor het eerst een beetje wulps zijn als je danst.

.

Liefste, kom hier: kijk, de laurier laat zijn blad vallen

en spreidt beminnelijk ons bed hier op de grond,

dichtbij het kleine stroompje met zijn lichtgroen water,

de bron die uit het mos opborrelt waar hij woont

en met zijn bruisen de lauwlome slaap laat komen

vol fantasieën over levendig plezier,

totdat de slaap je hals loom maakt en daarna langzaam

je geest bedwelmd raakt en door zoete dromen dwaalt,

je ogen vochtig wegdraaien, je ademhaling

wegvliegt vanuit de verste diepten van je borst

tot in mijn hart en het merg van mijn verhitte botten

en ik bewust je ziel met volle teugen drink.

Dit nieuwe medicijn tegen verflauwde hartstocht

nemen wij in. Laat Amor het tevreden zien;

een reiziger mag schuw en zuchtend naar ons kijkend

spontaan de reis opschorten die hij had bedacht,

totdat de Avondster vanuit zijn gouden poorten

ons stervend in lauwlome liefkozing betrapt.

.

De Profundis

J. Slauerhoff

.

Ik ben in het bezit gekomen van de dichtbundel ‘Eldorado’ van J. Slauerhoff (1898-1936) uit 1928.  Ik had al een exemplaar van deze bundel maar dit betreft een eerste druk. En ondanks dat dit boek al bijna 100 jaar oud is, is het goed bewaard gebleven. De harde kaft heeft wel wat sporen van ouderdom en hier en daar is in potlood wat bij de gedichten geschreven maar het geschepte papier is nog in erg goede staat.

Dat Jan Jacob Slauerhoff scheeparts was is wel bekend. Dat hij twee bundels onder pseudoniem schreef van John Ravenswood is minder bekend. Zo verscheen Oost-Azië’ uit het zelfde jaar als ‘Eldorado’ onder dit pseudoniem maar ‘Eldorado’ dus niet. Slauerhoff publiceerde in 1928 een aantal gedichten onder de schuilnaam ‘John Ravenswood’. Slauerhoff schreef in het voorbericht van de bundel ‘Oost-Azië’, dat John Ravenswood, die woonde op het Koreaanse eiland Quelpart, zojuist was overleden. Hij was via omwegen in Korea terechtgekomen, had een aantal verzen geschreven. Hij wilde ze publiceren, maar persoonlijk anoniem blijven. Dus had hij Slauerhoff aanvankelijk benaderd om de verzen onder zijn naam te laten publiceren.

“Hij verzocht mij dus de lading zijner verzen met de vlag van mijn naam te mogen dekken. Hij kon niet meer op andere Hollandsche namen komen” (staat op pagina 3 te lezen). Nu Ravenswood gestorven bleek, zag Slauerhoff geen beletsel meer ze onder diens eigen naam uit te geven. Iedereen doorzag destijds al direct het pseudoniem. Waarom Slauerhoff deze gedichten niet onder eigen naam liet publiceren is nooit geheel duidelijk geworden. Misschien omdat het zijn eerste varensgedichten waren, en als zodanig anders dan zijn “reguliere” oeuvre.

Hoe dan ook, de volgende bundel die Slauerhoff publiceerde zou onder zijn eigen naam zijn. In 1928 ging Slauerhoff varen voor de Koninklijke Hollandsche Lloyd en maakte een aantal reizen naar Latijns-Amerika. Zijn gezondheid ging er iets op vooruit (hij leed aan aanvallen van astma) en zijn literaire productie nam evenredig toe. Tot 1930 publiceerde hij zes gedichten- en twee verhalenbundels. Dit was mede te danken aan een van zijn vrienden, de schrijver en literatuurcriticus E. du Perron. Die hielp hem in 1929, toen Slauerhoff enige tijd verbleef in het Belgische landhuis van de Du Perrons, met het sorteren, corrigeren en bundelen van de grote hoeveelheid teksten.

In ‘Eldorado’ staan dus gedichten die zijn geschreven tijdens zijn reizen naar Latijns-Amerika. Het gedicht ‘De Profundis’ staat op pagina 55. De Profundis is Latijn voor ‘uit de diepte’ en dit is duidelijk terug te lezen in het gedicht. Je kunt je voorstellen dat tijdens de zeereizen Slauerhoff tot een dergelijk gedicht is gekomen. Ook Ida Gerhardt schreef een gedicht met deze titel. Lees dit gedicht hier en vergelijk.

.

De Profundis

.

Waar de zee zwart wordt van diepte en wrakken

Niet verder zinken – vaste sterren worden –

Over der onderwereld plantenhorden

Die plomp als rotsen kiemen, noch vertakken,

.

Wacht – onder wijd en angstig ledig zwijgen,

Als dood diep in een geest die zich niet kent,

En drukt een stilt’, nooit opgeheven dreigen

Der laatste rampen, steeds afgewend,

.

De drenkelingen, die zijn afgedaald.

Zij merken helsch herleefd dat zijn niet mogen

Vergaan, maar eeuwig met gesperde oogen

Een nacht inzien, die opklaart noch vervaalt.

.

Littorina Littirea

Wim van Til

.

Wim van Til (1955) is een dichter en voormalig leraar Nederlands. Hij richtte in het jaar 2000 het Poëzie centrum Nederland op. Het Poëzie centrum Nederland is een studie- en documentatiecentrum voor moderne Nederlandstalige poëzie en omvat ruim 20.000 bundels, vele bloemlezingen en vertaalde poëzie en een uitgebreid knipselarchief met recensies, besprekingen, interviews en geschreven portretten van dichters en secundaire literatuur. Het Poëziecentrum Nederland is sinds maart 2014 gevestigd in Nijmegen.

Van Wim hoorde ik dat het Poëzie centrum Nederland, dat nu nog gevestigd is in de bibliotheek van Nijmegen moet verhuizen omdat de bibliotheek ruimte gebrek heeft. Een duivels dilemma, aan de ene kant begrijp ik de wens van de bibliotheek (ik heb er zelf als directeur van een openbare bibliotheek mee te maken met ruimtegebrek) maar aan de andere kant gaat het me zeer aan het hart dat het Poëzie centrum Nederland straks misschien geen onderkomen meer heeft.

En dat gaat me minstens zo aan het hart. Het PcN organiseert jaarlijks ruim 150 activiteiten rondom dichters, poëzie en schrijven en stelt het zich open voor lezingen, boekpresentaties en cursussen en stelt zich ten doel het lezen en bestuderen van poëzie te bevorderen in de breedste zin van het woord. Ik hoop dan ook van ganser harte dat het PcN snel een mooie en betaalbare plek en onderdak vindt want een dergelijke collectie mag niet verloren gaan.

Wim van Til is echter naast een van de dertig vrijwilligers die het PcN draaiende houdt, ook dichter. In 1981 debuteerde hij bij uitgeverij Opwenteling met de bundel ‘Dichtmaken open’ waarna nog 9 bundels zouden volgen. In 2000 verscheen de bundel ‘Sleutelhouder’ Gedichten 1979-1999. In deze bundel staat het gedicht ‘Littorina Littirea’ voor Rogi Wieg. De Latijnse titel doet vermoeden dat er iets heel spannends achter schuil gaat maar het is ‘slechts’ de Latijnse naam voor de Alikruik, een in zee levende kieuwslak.

.

Littorina Littirea

Voor Rogi Wieg

.

Van onze wandelingen onthoud ik vooral

je stem, die knarste onder onze voeten.

Uitgeleefd, verlaten. Die droge tik,

het definitief verschuilen, bijna naakt – je

beste vermomming, zo open.

De ogen naar binnen gekeerd,

dat ogenschijnlijk opgaan in de massa.

.

Geen zee, geen aarde. Slechts een kust

lijn van een wisselend einde.

.

Zoals poëzie fictie is, is verleden

tijd: wat niet gebeurt, waarvoor niet gekozen wordt.

De slag op het voorhoofd, geweest en nooit plaats gevonden.

.

Wie aanlegt, raakt zijn vrijheid kwijt.

Schutter wordt jachtwild, visser

wordt vangst. een blik om de schouder

maakt van de mens een gedicht.

.

Zeigarnik-effect

Anna Enquist

.

Ik kocht de bundel ‘Hier was vuur’ gedichten over moeders en kinderen uit 2002 van Anna Enquist (1945). In deze bloemlezing, want dat is het, zijn gedichten die Enquist schreef over moeders en kinderen, over de innige band die zij hebben maar ook over het loslaten, het losmaken en over de verwijdering die dan optreed. Een hele fijne bundel kortom. Maar de reden dat ik vandaag aan deze bundel aandacht besteed is een titel van een gedicht uit deze bundel.

Dichters kunnen soms titels boven een gedicht plaatsen waarvan je niet meteen de betekenis of relevantie voor het gedicht weet omdat zo’n titel je niets zegt of omdat je niets van de gebeurtenis of betekenis van zo’n woord of zin weet. Zelf heb ik voor een gedicht in mijn debuutbundel ‘Zichtbaar alleen‘ uit 2007 de term ‘Ab ovo‘ ooit gebruikt voor een gedicht. Dit betekent ‘vanaf het ei’ of vanaf het eerste begin. Met zo’n titel is meteen duidelijk wat er bedoeld wordt, als je de Latijnse term kent uiteraard. In deze bundel staan op pagina 18 en 19 twee titels die me bij lezing in eerste instantie niet bekend voor kwamen. Dat is de titel ‘Nunc Dimittis’ omdat ik geen Latijn spreek en op pagina 18 de titel ‘Zeigarnik-effect’.

Nunc Dimittis, Latijn voor ‘nu laat heengaan’ ofwel de Lofzang van Simeon, is een hymne die Simeon heeft uitgesproken toen hij Jezus en zijn ouders in de tempel ontmoette. De tekst staat in het evangelie van Lucas. De titel ‘Zeigarnik-effect’ is dat onafgemaakte (onderbroken) taken beter onthouden worden dan voltooide taken. Ik herken dit zeker. Het werd genoemd naar de Russische psychologe Bluma Zeigarnik (1900-1988), die de eerste geheugenexperimenten deed om deze veronderstelling te toetsen. Haar promotor, de bekende Gestaltpsycholoog Kurt Lewin, was op dit idee gekomen toen hij op een terras zittend in Berlijn constateerde dat de obers goed onthielden wat er geconsumeerd was aan tafeltjes die nog niet hadden afgerekend, en vrijwel niets meer wisten van wat er gebruikt was aan tafeltjes waarmee zij al wel hadden afgerekend.

In het gedicht ‘Zeigarnik-effect’ komt het verdriet om het overlijden van haar dochter Margit, op jonge leeftijd duidelijk naar voren. Een leven dat niet was voltooid en daardoor altijd levendig in de herinnering zal blijven.

.

Zeigarnik-effect

.

Als razernij, verdriet zijn uitgewoed

neem ik het grootgeworden kind, het oude

lichaam, de verloren vriend en stop ze

in de rugzak van het leven, die ik draag.

.

Maar dat wat onvoltooid werd weggerukt?

.

–  Een man, alleen, loopt langs de nachtrivier;

hij zet zijn kraag op en begint te missen

–  Het kind dat mij verlaat voor ik het ken,

sculptuur van bloed, nog zonder huid.

.

Die pijn houdt door de jaren heen schokkend

en rauw zijn versheid: wind die niet wil

gaan liggen, schip dat maar niet vergaat.

.

Kusgedichten

Janus Secundus

.

De Basia (kusgedichten) werden rond 1534 – 1535 in Spanje geschreven door de Vlaming Janus Secundus, klerk en clericus. Amper 23 was hij toen, en ziek. Ook van liefdesverdriet. Om zijn liefje uit Mechelen te vergeten, zocht hij toevlucht bij een mooie Spaanse jongedame Neaera. Deze korte idylle leverde hem de nodige inspiratie voor zijn ‘Basia’, adembenemende liefdespoëzie. De relatie bleek echter al snel verstikkend voor de jonge man, die bovendien aan astma leed. Een jaar later overleed hij, maar zijn kusgedichten zouden hem onsterfelijk maken.

In 2001 maakte Kris Buyse maakte een jambische vertaling van bijeen gelezen fragmenten uit de negentien Basia die verscheen bij uitgeverij P in Leuven. Hij zorgde ook voor een uitleiding bij deze tweetalige uitgave. Kris Buyse (1967) is classicus en leraar Latijn aan het St.-Pietersinstituut te Gent. Hij is mentor aan de Universiteit Gent, lector aan de Oost-Vlaamse Volkshogeschool en adviseur bij enkele (barok)orkesten. Met zijn leerlingen vertaalt hij Latijnse poëzie naar het Nederlands of vice versa en onlangs richtten zij een eigen uitgeverij BlauwDruk op waar nog bewust gewerkt wordt met loden letters, oude persen en handgeschept papier.

Uit deze bundel koos ik Het kusgedicht ‘Kus XI’.

.

Kus XI

.

Ze zeggen soms dat wij te innig zoenen

wat rimpelige oudjes zelf nooit leerden.

Zou ik, mijn armen vol verlangens om je hals,

mijn licht, bezwijkend onder jouw gekus,

vol angst gaan zoeken wat men van me zegt

– zelf wéét ik amper wie of waar ik ben?

Zij hoorde het, Neaera, beeldig als ze is en lachte lief,

ze liet haar blanke hand toen langs m’n hals heen gaan,

nu hier dan daar en gaf ’n kusje fijn, wellustiger dan ooit.

.

Niet zonder geritsel

Piet Gerbrandy

.

Piet Gerbrandy (1958) is dichter, classicus, docent, essayist en poëziecriticus. Hij maakt vertalingen uit het Grieks en Latijn en schrijft essays, gedichten en poëzie-recensies. In 1993 begon hij met het schrijven van essays voor het weekblad De Groene Amsterdammer; in 1996 werd hij poëzie-recensent bij de Volkskrant. Hij ontving voor zijn werk verschillende literaire prijzen waaronder de Jan Campert-prijs en de Herman Gorterprijs.

In 1996 debuteerde hij als dichter met de bundel ‘Weloverwogen en onopgemerkt’ waarna vele dichtbundels volgde. Ik schreef al eerder over Gerbrandy en hoewel zijn poëzie niet altijd de makkelijkste is is het wel zeer de moeite waard. In 2022 verscheen van hem de bundel ‘Niet zonder geritsel’ met tekeningen van Anne van Herreweghen. In deze bundel “kijkt de dichter met een mengeling van melancholie en ironie terug op de evolutie en geschiedenis, om vast te stellen dat de idylle waarin mens en natuur samenvallen alleen nog in de verbeelding bewaarheid worden”. De gedichten in deze bijzonder mooi uitgegeven bundel zijn allemaal zonder titel en hebben allemaal een zelfde opbouw van steeds drie regels, dan vier keer twee regels en weer drie regels.

.

Terwijl een wandelaar verveeld naar zwaar metalen herrie luistert heffen de zuilen

van het woud hun ritseldak in de hoop formules van gene zijde door te kunnen

geven aan de schimmels vogels en mensen

.

Uit kelken van wee dampt een walm die bijen

bedwelmt wespen lome inkeer beveelt

.

in cellen van was en papier om kwade

angels tot boden te vormen. Verheelt

.

in geur niet een geest zich met lenige dijen

en bleke blozende wangen die raadt

.

geen doving te aanvaarden die niet leidt

tot ontgesping van stuifmeels verlangen?

.

Op warme augustusavonden komen uit bosranden soms ijle wezens tevoorschijn

die in golvend gras nauw hoorbaar doch onzichtbaar dansen tot hun zweet een

ebben en vloeden oproept.

.

In medias res

Dubbel-gedicht

.

De Latijnse term ‘in medias res’ betekent zoveel als dat een verhaal niet bij het begin begint, maar ergens in het midden of mogelijk zelfs al rond het einde. Men arriveert bijvoorbeeld in een situatie die al enige tijd bezig is. In een film, boek of een gedicht kan het een stijlfiguur zijn (de film begint ‘in medias res’) waarbij de kijker of lezer bewust informatie wordt onthouden. Vervolgens worden de verhaallijnen en conflicten tussen personages veelal door middel van flashbacks uiteengezet.

Het gebruik van een dergelijk ‘stijlmiddel’ kan uitdagend zijn en soms ook verwarrend (waar gaat het eigenkijk over?). Deze uitdrukking werd door de Romeinse dichter Horatius voor het eerst geïntroduceerd in zijn ‘Ars poetica’. In de klassieke letterkunde en in epische poëzie zoals Paradise Lost van John Milton, is ‘in medias res’ de stijlfiguur bij uitstek.

Ik leerde de term kennen ergens begin van deze eeuw. In 2009 schreef ik er, voor ‘Alkmaar Anders’ een gedicht over. De opdracht of het thema van Alkmaar Anders was destijds de Toekomst. In mijn ‘in medias res’ gedicht gaat het over de smeltende ijskappen en de dood van een pinguïn.

In ‘Het Liegend Konijn’ 2019/1 kwam ik een gedicht van Dorothee Cappelle (1980) uit het Vlaamse Ieper tegen met de titel ‘in medias res’. Het leek me aardig om deze twee gedichten in een dubbel-gedicht samen te brengen. Voor zover ik heb kunnen nagaan heeft Dorothee Cappelle geen poëziebundel uitgebracht. Wel schreef ze artikelen voor het tijdschrift ‘Ons Erfdeel’.

.

Hoe het de pinguïn verging
(In medias res)
.
Doorboort door
het ijzervlijmscherp ivoor,
glijdend door het inktzwarte pak
.
nooit meer Napoleon
nooit meer het dwingend aanroepen
nooit meer de handel en wandel
mars of geen mars
.
want verrassing overwint snelheid
.
een laatste glimp
van het vuur dat warmt
maar niet smelt
.
voordat het licht dooft.

.

In medias res

.

dat we ergens moeten beginnen

hier of daar, gisteren misschien

.

dat schrijven zich niet zomaar

laat kisten ook al luisteren we

.

naar verhalen over vaders

in vijvers en raven en slagers

.

dat hij het noorden kwijtraakt

als zijn pen een misdaad pleegt

.

en zwijgt als hij eindelijk aan zijn

boek toekomt. Dat schrijven lijden

.

is of talmen of zoeken

hij weet het ook niet allemaal

.

maar spannend is het zeker

dat wel

.

Drie choreografieën

Willy Roggeman

.

In een uitgiftepunt van boeken, die mensen over hebben en niet bij het oud papier willen gooien (zo’n kastje aan de muur met de zeer misleidende titel Minibieb, maar dit terzijde), vond ik een vuistdikke verzamelbundel van de Vlaamse dichter Willy Roggeman met de titel ‘De gedichten’ 1953 – 2002. Eerst was ik nog even in verwarring, omdat ik dacht dat het hier een andere Vlaamse dichter betrof die ik wel ken, maar meteen wist ik, nee dit is een naam van een mij onbekende dichter.

Willy Roggeman (1934) is een bijzondere man en dichter. Hij was actief als leraar aan het secundair rijksonderwijs en aan het hoger niet-universitair rijksonderwijs, aan het Hoger Rijskinstituut voor Technisch Onderwijs en aan het Hoger Rijksinstituut voor Handel en Administratie met Normaalleergangen, allemaal in Vlaanderen. Daarnaast was hij schrijver, dichter en jazzmuzikant.

Roggeman werkte van 1953 tot 1976 aan een reeks boeken, die hij vanaf 1969 als een samenhangend, gesloten oeuvre opvatte, zijn ‘Opus finitum’. Van de 30 boeken waaruit deze reeks bestaat, zijn er 19 gepubliceerd. Van 1977 tot 2002 schreef hij zijn tweede opus onder de naam ‘Usque ad Finem’. De toon was reflectief en de schrijfdwang waaronder de werken in ‘Opus finitum’ geschreven werden, viel weg. Veel van dit werk werd nooit gepubliceerd. Van 2003 tot 2009 schreef hij zijn derde opus onder de naam ‘Post Opera Supplementa’. Hiermee sloot de auteur zijn literaire carrière af, al schreef hij in 2009-2010 nog 10 delen ‘Annex Documenta’ en 10 delen ‘Protocollen’.

Roggeman was redacteur van de tijdschriften ‘Tijd en Mens’ (1954-55), ‘Gard Sivik’ (1959-63) en ‘Komma’ (1964-68). Hij was ook criticus voor het dagblad ‘Vooruit’ (1955-1965). Zijn werk werd vele malen bekroond en Roggeman kreeg verschillende literaire prijzen voor zijn gedichten, essays en proza.

Wat mij meteen opviel toen ik in de bundel ‘De gedichten 1953-2002’ ging lezen, was dat zijn poëzie niet de toegankelijkste poëzie is die ik ken. In deze bundel zijn de drie genoemde opussen opgenomen die hij schreef tussen 1953 en het verschijnen van de bundel in 2004. Op de binnenflap van de bundel staat te lezen: In 1954 maakte Willy Roggeman zijn tijdschriftdebuut met een gedichtencyclus waarin Louis Paul Boon de opvolger van Paul van Ostaijen ontwaarde. Als centraal thema behandelen zijn werken allen het probleem van de artisticiteit. Roggeman ziet in de autonome kunst de enige mogelijkheid om aan de vulgaire, vormloze realiteit te ontsnappen. Het ‘Opus finitum’ bijvoorbeeld is moeilijk toegankelijk, omdat Roggeman geen concessies wil doen aan de lezer en zich vaak uitdrukt in een duister kunst-theoretische jargon. Dezelfde ervaring had ik bij het grootste deel van zijn werk in deze bundel.

In een recensie van de NBD staat over dit werk geschreven: “Die onwrikbare standvastigheid ( in zijn poëzie) hangt samen met het radicale modernisme dat de dichter voorstaat. Voor hem is literatuur een soort van laboratorium, waar alle onvermoede lagen van de taal worden aangeboord. Zijn verzen zijn dan ook pareltjes van zinsbouw, complexe beelden en samenstellingen, een veelheid aan betekenissen en betekenisraadsels, dat strak wordt samengebonden door een hechte formele structuur.” En: “Al die inspiratiebronnen worden in zijn werk, haast alchemistisch, versmolten tot een eigen taalcreatie. Het resultaat is een monumentale, maar tegelijk haast ondoorgrondelijke poëzie, waarbij ook de bedreven lezer algauw aan het duizelen gaat.”

En toch valt er veel te genieten als je de drang om meteen te begrijpen los laat en de taal die Roggeman gebruikt als op zich staande vorm van kunst tot je neemt. Verder zijn vele verwijzingen naar de meetkunde, wiskunde, de kunst en kunstwerken, muziek (klassiek en jazz) en het veelvuldig gebruik van Latijn en de Griekse mythologie (zijn inspiratiebronnen) in zijn werk opvallend. Zoals geschreven geen makkelijke poëzie maar ik heb uit het hoofdstuk ‘The Minimalist Encyclopedia’ het gedicht ‘Drie choreografieën’ gekozen dat volgens mij laat zien hoe Roggeman de taal benadert en toch goed leesbaar is.

.

Drie choreografieën

.

Dubbelgangers op het schaakbord

verschillen slechts in de kleur

van de angst. Zij groeten elkaar

in de wurggreep van het zwijgen.

.

Glaskralen rondom de enkels

maken de dans nog niet. Voeten

van aarde, vingers van lucht bepalen

van beweging eenheid en breuk

.

Koordvlechten ontslaat de heilige

niet van de spreidstand op het midden.

De beelden nemen hun beloop, adem

staat stil in de val van de teerling.

.