Site-archief
Tussen messen slapen
Een recensie
.
Jana Arns (1983) publiceerde afgelopen november bij uitgeverij P haar nieuwste bundel ‘Tussen messen slapen’. Het is alweer haar zevende bundel en zij is voor mij geen onbekende. Eerder schreef ik al een recensie van haar bundel ‘Ten minste houdbaar‘ uit 2022 en schreef ik over haar bundel ‘Het is het huis dat niet goed alleen kan zijn‘ uit 2019. Ook verschenen gedichten van haar in het kleinste maar leukste poëzietijdschrift van de lage landen MUGzine.
Maar dan nu een nieuwe bundel met de intrigerende titel ‘Tussen messen slapen’. De bundel begint met een gedicht waaruit liefde spreekt, tegenover de pagina met de opdracht ‘Voor Joris’. Hierna volgt het hoofdstuk of vierluik getiteld ‘Een wolfskwint huilen’. En hoewel de strekking van de gedichten na een eerste lezing meteen duidelijk is heb ik toch maar even opgezocht wat een wolfskwint is. Een wolfskwint is in de muziek een valse interval, het kan in verschillende stemmingen ontstaan maar in de gelijkzwevende stemming komt de wolfskwint niet voor. Het lijkt alsof Jana in deze vier gedichten korte metten wil maken, een niet gelijkzwevende stemming schetst die ze van zich af lijkt te willen schrijven. Dat deze vier gedichten in eerste instantie op zichzelf lijkt te staan blijkt uit het volgende hoofdstuk.
In dit hoofdstuk met de weinig verhullende titel ‘De zelfmoord van de dichters’ zijn zeven gedichten opgenomen over dichters die zichzelf om het het leven hebben gebracht; Jotie T’Hooft, Sylvia Plath, Paul Celan, Yukio Mishima, John Berryman, Wim Brands en Jan Arends. Uit het gedicht over Jotie T’Hooft nam Jana de titel van de bundel ‘Daar trok hij de besteklade open, / stroopte zijn jeugd op, / bekende dat hij tussen de messen sliep’.
In het hoofdstuk dat daarop volgt met de titel Hashtag bracht Jana gedichten bijeen die naar aanleiding van een dag, week of moment van het jaar zijn geschreven zoals bijvoorbeeld #stillestrijd. Momenten in het jaar waarbij men stilstaat bij zaken die (opnieuw) niet tot vrolijkheid stemmen; dementie, armoede, zelfmoord, slachtoffer, pleegzorg. In ‘Een laatste ademwolk’ staan opnieuw weinig vrolijk makende gedichten over de herfst, dode vogels en vervuiling van de kust. Met één uitzondering het gedicht ‘Generatietuin’ geschreven voor vzw Ter Leenen.
In het hoofdstuk ‘Wildklem’ ook geen optimisme of jolijt, en had ik mijn hoop gevestigd op de epiloog voor nog een sprankje licht of lucht, helaas, ook in dit laatste gedicht brengt Jana de werkelijkheid terug tot haperende rollators, brood in vuilniszakjes en jam met bloedklonters. Je zou er te neer geslagen van kunnen worden.
En toch gebeurde dat niet. Jana Arns bezit de gave om in een eigen taal zelfs de meest schurende, verdrietige of naargeestige onderwerpen interessant, of nieuwsgierig makend te maken. Jana’s poëzie is vaak stellend , beschrijvend, haar taal is beeldend en knap gecomponeerd. En zelfs in een bundel die de donkere kant van het leven beschrijft valt er veel te genieten, of zoals de uitgever het stelt op de binnenflap; Deze bundel snijdt goud. En door te openen met een gedicht vol liefde, empathie en mededogen behoudt je de hoop en het vertrouwen dat het goed komt, zelfs als je tussen de messen slaapt. Een knappe en zeer lezenswaardige bundel kortom.
.
Voor Jan Arends
.
Hier staan wij
aan het begin van de taal
op het schap vijf hoog
.
rug aan rug gebonden
elkaar te behoeden
voor nog een sprong.
.
Weet je nog
op het Roelof Hartplein
waar men samenklonterde
onder de kruin van de boom
die je val niet roofde?
.
Je had lokaas gestrooid.
Een zwerver stond zijn nooddeken af,
jij je initialen.
.
Op dat landingsplatform
vertrok de laatste vlucht.
Je droeg een mager verenkleed
van lege pennen.
.
Iets dat op een route leek en een kaart van die andere wereld
Een recensie
.
Hoewel ik de bundel ‘Iets dat op een route leek en een kaart van die andere wereld’ van Alja Spaan (1957) al enige tijd in huis heb (ik mocht de presentatie doen van de bundel in Alkmaar) was ik er nog niet toe gekomen om de bundel aandachtig van voor naar achter te lezen. Door de feestdagen en drukte had ik wel enkele gedichten gelezen maar voor een recensie is het belangrijk alles en in chronologische volgorde te lezen. Dat doet een lezer tenslotte ook. Inmiddels heb ik de bundel gelezen (zelfs tweemaal) en waar de uitgever in de voorflap heeft afgedrukt dat het hier een complexe moeder-dochter-relatie betreft waarin veel melancholie en schoonheid schuilt, wil ik mijn recensie anders beginnen.
In het tweede gedicht in de bundel ‘aanspraak’ staat misschien wel het hele verhaal van deze, liefdevolle bundel, mag ik wel zeggen. Dit gedicht begint met de regel ‘Door erover te schrijven verandert het /perspectief’. Want dat is wat Alja in deze bundeling van geschreven herinneringen doet. Het perspectief van de chique, afstandelijke, beheerste moeder laten kantelen naar een liefdevolle, intelligente, warme en emotionele moeder. Naar een persoon die altijd al aanwezig was, maar door opvoeding en conventies, dat tot op hoge leeftijd in een ‘keurslijf’ had weten te verpakken. Een keurslijf dat aan allerlei kanten liet doorschemeren wat eronder zat, maar pas op hoge leeftijd zich volledig aan de dichter/dochter openbaarde.
Alja blikt terug op gelukkige momenten met haar moeder (bijvoorbeeld in het gedicht ‘intrek nemen’) waarin ook haar vader enige keren om de hoek komt kijken. In deze gedichten klinkt regelmatig bijna achteloos hoe haar moeder was, hoe haar moeder een mening had over hoe het hoort. Door regels als ‘We hoesten niet, we gapen niet, we zitten keurig rechtop'(uit ‘drie afleveringen’) of ‘Ik zou wit moeten dragen zoals mijn huid en daar / niet moeten blijven zitten’ of ‘De foto van de boerderij met de bomen zoals die nu niet meer gemaakt worden’. Of ‘De punt van mijn schoen is vies, mijn mama knijpt in mijn arm’. Ogenschijnlijk terloopse tussenzinnetjes maar hiermee schept Alja een tijdsbeeld, een opvoeding, liefdevol maar duidelijk volgens de regels.
En dan begint het loslaten en verbinden. Het loslaten van de herinneringen van de moeder, een proces dat iedereen met een ouder of grootouder die ging dementeren of erger zal herkennen. En tegelijkertijd het verbinden met die ‘nieuwe persoon’ die een andere kant laat zien. Een kant die minstens zo mooi en liefdevol is. Dat is precies wat Alja in deze bundel doet en laat zien.
Ik moest bij het lezen onwillekeurig aan mijn oma en vader denken. Hoe zij de alledaagse realiteit hadden verruild door een nieuwe realiteit, waarin ineens heel veel nieuw was. De vragen, vaak herhaald, de behoefte aan bevestiging, de voorzichtige angst en de behoefte aan fysiek contact; weten dat je nog bestaat. Al deze facetten komen terug in de gedichten van Alja en altijd op de zo herkenbare manier beschreven die ik ken uit haar dagelijkse gedichten en haar eerdere bundels. Altijd in vaste strofen van 2,3 of 4 regels met uitzondering van de laatste bijna prozagedichten of korte verhalen aan het einde van de bundel. Maar zelfs dan, zou je die in stukken van 3 of 4 regels knippen dat zijn ze nog onmiskenbaar Alja.
Alja beschrijft wat ze meemaakt met haar moeder, haar diepste gevoelens en beschouwingen van een (het) leven. De gedichten zijn afwisselend terugblikken op hoe het vroeger was, melancholisch maar op een mooie herkenbare manier geschreven, en op de momenten met haar moeder thuis en in het tehuis. Juist deze gedichten zijn zo herkenbaar en zullen veel lezers als troostrijk ervaren. Mij in ieder geval. Ik denk dat ik nog het meest heb genoten van haar beschrijvingen van hoe om te gaan met de dingen ‘die er niet zijn’. Het onverwachte, het geconfronteerd worden met zaken die er niet zijn of bestaan maar er wel degelijk zijn in het hoofd van haar moeder. De creativiteit en fantasie die je nodig hebt om zaken ‘recht te trekken’, haar bij je te houden en het comfort te bieden om rustig met elkaar verder te kunnen. In deze gedichten (‘oponthoud’ en ‘vrij gekomen plekken’) excelleert Alja als geen ander, of ik moet zeggen zoals ik haar ken. Haar vermogen om situaties zo te verwoorden dat het allemaal eenvoudig lijkt terwijl het juist zo moeilijk is.
Of zoals haar vader zegt in het gedicht ‘zij die vrij zijn’: ‘het is niet mogelijk besluit hij even later, elke dag iets nieuws te schrijven’. Dat is het echter wel, dat bewijst Alja elke dag opnieuw. In deze bundel waarin ze een klein monument opricht voor haar moeder, lees ik alle facetten van Alja haar dichterschap terug. Haar gevoel en liefde voor taal, haar creativiteit, haar inlevingsvermogen, haar liefde en scherpe blik, haar vermogen om de lezer van haar poëzie mee te nemen in een wereld die ze voor je schept en waarin het behaaglijk en welkom vertoeven is.
.
aanspraak
.
Door erover te schrijven verandert het
perspectief. Allereerst is het handschrift
ontoegankelijk voor derden.
.
Vervolgens selecteert de intuïtie slechts
dat wat uitvergroot relativeert, belachelijk
maakt of weinig interessant.
.
Daarna is dat wat tussen de regels staat
alleen beschikbaar voor het geoefend
en onvermoeid oog. Lezend
.
denk ik alleen maar dat het steeds niet
is wat ik bedoelde. Schrijvend weet ik
het zeker. Ik zag mijn
.
mama fietsen in de nacht met wapperende
jaspanden en op haar snelle rode fiets,
de banden gevaarlijk dun. Zij
.
lachte voluit. Iets in me wilde opspringen,
mijn fiets pakken en meegaan. Zij ging
aan mij voorbij, niets bewoog.
.
Kostbaar
Kenneth Swaenen
.
De Vlaming Kenneth Swaenen (1990) studeerde aan de universiteit van Gent Taal-en Letterkunde: Nederlands-Latijn. In die periode schreef hij ook zijn eerste gedichten. Momenteel woont en werkt hij in Antwerpen als docent en dichter. Via Creatief Schrijven volgde hij de opleiding poëzie aan de Schrijvers Academie. Op Gedichtendag 2021 won hij de tweede editie van de Zeef Poëzieprijs en als gevolg werd bij uitgeverij De Zeef zijn debuutbundel uitgegeven getiteld ‘Witte dwergen’. In 2025 volgde bij dezelfde uitgeverij de bundel ‘Blos’ en uit die bundel werd het gedicht ‘Kostbaar’ genomen.
Op de website van Meander schrijft Ellis van Atten over deze bundel: “Swaenen raakt universele thema’s aan zoals verlies, verbondenheid, weemoed, verlangen, maar het blijft wat te beschrijvend en te veel aan de oppervlakte naar mijn zin. Ik ben wel nieuwsgierig naar wat er gebeurt wanneer er meer stof van zijn schouderbladen afgeschud zou worden, en dan niet te voorzichtig. Iets meer de diepte in. De opbouw van de gedichten – vrije vorm, mooi enjambement, witregels op de juiste plek, lekker ritmisch zonder rijm – én mooie zinnen zijn een belofte voor meer poëzie”.
.
Kostbaar
Karaat
Er gewicht aan geven
opdat het niet door stormwind
of weerwolven wordt weggeblazen
het eens niet op luiheid steken
alsof het eerste biggetje ook niet liever
een huis met stenen had gebouwd
Kleur
er niet blind voor zijn
hoe raamwerk bepaalt in welk licht
we elkaar het allerliefste zien
wit verkwikt, maar waar je warmte mist
wrijven we over wonderlampen
we halen een kaarsvlam voor de geest
Klaarte
er schaarste aan binden
want diep en onder druk
wordt karakter gevormd
wie dan breuken in zich draagt
behoeft geen schoonheidsslaap
zuiverheid zit in hun wens:
Kwaliteit
waarom wij ons samenzijn
niet dezelfde vorm geven
slijpen tot briljant
onze breekbaarheid vergroten
zo tot fonkelen komen
in een huis van diamant.
.
Rondeel – e – rondeel
Jaap Bakker
.
Al verschillende versvormen heb ik op dit blog beschreven. het zijn er dan ook heel veel. Vandaag voeg ik er weer een aan toe het rondeel – e – rondeel, bedacht door Jaap Bakker en gebaseerd op het grondtal van de natuurlijke logaritme. In dit geval is het aantal regels 2+7+1+8+2 en is het rijmschema AB bbabaab A abaababb BA. Geen eenvoudige vorm dus een echte uitdaging voor de vaste vormdichter. Voeg daar aan toe dat in de rondeel – e – rondeel A liefst mannelijk en B liefst vrouwelijk moet zijn en dat het metrum uit 4 of 5 jamben moet bestaan. Ga er maar aanstaan zeg ik.
Hieronder een voorbeeld van Jaap Bakker (1967), Bakker is een bekende in de wereld van de vaste vormdichters, een recensie van zijn bundel ‘Een zieke is een oude trui’ uit 2023 op de website van Meander vind je hier. Tenminste dat dacht ik. Er blijken twee Jaap Bakkers actief. De ene van de rondeel -e-rondeel (en het gedicht hieronder) en de andere, lightverse dichter van de bundel ‘Een zieke is eennoude trui’.
Wat ik met u vol ernst nu ga bespreken:
Een klooster midden in het Vlaamse land.
In’t dorpje Malle ligt het aan de rand
En eromheen is bos, naar alle kant.
We leefden er naar toe al vele weken;
Ik telde dagen, nee, dat is geen schand’.
We zijn voor de Trappisten weer bezweken.
– Hoewel hun stiltes vaak op stugheid leken -,
Maar met hun psalters hebben wij een band.
Wat ik met u vol vreugde wil bespreken
Is iets waarom ik af en toe kan smeken:
Zo’n mooie bruine Dubbel met schuimrand,
Die fles, wat heb ik daar vaak naar gekeken,
Het glas tenslotte (dat je nóóit mag breken),
Van al die dingen heb ik nu verstand.
“O, monnik, blijf hier energie in steken,
En draag het uit, voor mijn part in de krant:
“Westmalle is de top in Vlaanderland!””
Zo’n klooster, midden in het Vlaamse land:
Wat zou ik verder nog moeten bespreken?
.
Onderkoorts
Een recensie
.
De Vlaamse dichter Kris De Lameillieure (1962) publiceerde bij uitgeverij P zijn debuutbundel ‘Onderkoorts’. De bundel, zoals altijd bij P netjes uitgegeven, werd ‘geboren’ onder docentschap van een andere Vlaamse dichter Jana Arns, geen onbekende voor wie dit blog al wat langer leest. Voor dit debuut werden al verschillende van zijn gedichten gepubliceerd in onder andere Het Gezeefde Gedicht, Het Liegend Konijn en De Schaal van Digther. Andere werden in wedstrijden genomineerd (Rob de Vos-prijs 2023, Boontje 2024) of bekroond als winnend gedicht (Sint-Gillis-Waas 2023, Ronse en Sint-Truiden 2024).
Dan de bundel. In 34 gedichten (volwassen verzen zo vermeld de binnenflap) geeft De Lameillieure in 4 hoofdstukken een inkijk in zijn dichterschap. Elk hoofdstuk wordt vooraf gegaan door een gedicht van Miriam Van hee (opnieuw een Vlaamse dichter) uit een van haar bundels.
Een eerste conclusie is dan ook snel getrokken; De Lameillieure omringt zich met niet de minste, en dat legt de lat al gelijk hoog. De opbouw van zijn gedichten is veelal dezelfde: strofen van twee regels en af en toe drie regels of een losse tussenregel. Maar wat verder meteen opvalt is hoe secuur De Lameillieure is in zijn beschrijvingen. Secuur en poëtisch. Het eerste hoofdstuk behandelt het afscheid en de dood. Op een liefdevolle manier, zonder sentiment.
De woorden die De Lameillieure gebruikt zijn zorgvuldig gekozen, dat is steeds het gevoel dat ik krijg wanneer ik de gedichten lees. Woorden met betekenis. Ik noteerde: gebreken, sterven, geslagen, onbewogen, wankel, verwart, voorbijschuift, vervreemd, scheuren in de plooien, de grond is ijl, kleuren verweerd, verwelken, verzinken, vermoeid en gerimpelde kilte. Hier wordt een palet geschilderd door de dichter dat aan de ene kant niets verbergt maar dat onder de oppervlakte de lezer meeneemt in de emoties die de afstand en het afscheid kleur geven.
De combinatie van onalledaagse verbindingen van woorden en hun betekenissen is een terugkerende factor in de poëzie van De Lameillieure. Een voorbeeld is het gedicht ‘Schaduwboksen’
.
Schaduwboksen
.
Herfst hangt uitgeteld in bomen en over muren
kruipt klimop verder dan voorheen terug.
.
Onze woorden met meeldauw bedekt, het blad
kleurloos en verkreukt, rijp voor het containerpark.
.
Wat rest aan oogst is doorgeschoten, het hart
verbloeid, nog goed voor zaad en overwintering.
.
Iemand in de spiegel houdt schijn op, werkt zich in
nepzweet. Een stoot in het ijle, geen weerstand meer.
.
Bij twee gedichten op de site van Meander zegt De Lameillieure: “Mijn bedoeling en hoop was (en is) telkens dat het gedicht het persoonlijke overstijgt en de lezer even kan laten stilstaan. Poëzie is daarbij voor mij niet ‘levensnoodzakelijk’ maar een heel fijn ‘geschenk’. Ze mag mij tot verwondering leiden, tot verbazing en stilte, tot dankbaarheid en dikwijls tot diepe troost. Ik reken ze – in mijn gezonde egoïsme – tot een grote kostbaarheid.”
Uit deze uitspraak en uit de gedichten in de bundel blijkt voor mij dat De Lameillieure zijn lezers en vooral ook zichzelf serieus neemt. In gedichten die qua poëtische elementen misschien hier en daar iets te wensen (of mogelijk te vragen) overlaat, ze zijn vrij in vorm maar vooral in expressie, wordt je als lezer steeds opnieuw uitgedaagd een gedicht te herlezen. Wat er staat bij een eerste lezing is niet noodzakelijk wat er een tweede of derde keer staat. De gelaagdheid en het spel met de taal maken de gedichten in deze bundel volwassen poëzie.
Op het eerste hoofdstuk na lijken de inleidende gedichten van Miriam Van hee in de volgende hoofdstukken wat willekeurig gekozen. Ik weet dat uitgeverijen en dichters graag thematische delen van een dichtbundel willen benoemen, ook als deze er op het eerste gezicht niet zijn. Ik vind dat geen probleem ware het niet dat ik dan toch naar de verbindende factoren op zoek ga. Als die er niet steeds blijken te zijn kan dat een teleurstellende conclusie opleveren. In ‘Onderkoorts’ is dat geenzins het geval. De gedichten zijn als unieke gedichten heel leesbaar en te genieten, ook zonder een leidraad of thema.
De Lameillieure levert met dit debuut een volwassen poëziebundel af, een bundel waarin veel te genieten valt voor de ware poëzieliefhebber. En voor mij geeft dit maar eens weer dat uitgeverij P een goede neus heeft voor dichters van deze tijd. Dichters die poëzie afleveren die een kop en een staart hebben, die niet gedreven worden door allerlei moderne ideeën over poëzie (prozagedichten, vormvereisten) maar gedichten afleveren waarbij je wat langer op kan kauwen en waar bij herlezing steeds nieuwe inzichten verschijnen.
Als voorbeeld het gedicht ‘Gouden uur’ dat is opgenomen in het hoofdstuk dat voorafgegaan wordt door het gedicht ‘Vakantie’ van Van hee.
.
Gouden uur
.
Voor elkaar zijn we klinisch, halen alles uit de kast.
We vegen het huis met een schop, knopen misverstanden
met sisaltouw tot bundels. Het snijdt de bloedtoevoer af
in ons bestand. De spankracht breekt.
.
In de kamer waait stof op bij elke zucht, blijft kleven
op het netvlies. we zeggen dat het wind is, wrijven de ogen
dieper in het rood, krassen op de lens. Kinderen zijn veilig
achter ons de kreukelzones.
.
Op mijn ribben draag ik je naam in blackwork. De inkt
puur en onverdund, de tekening in wervelingen.
Nog elke dag kruis ik jou, plooi mijn vingers in een kom
met barsten, was mij in zwerfkleuren.
.
Lijm
Kurt De Boodt
.
Zo nu en dan ontdek ik een dichter die ik nog niet ken. Zo zat ik in de vuistdikke verzamelbundel ‘Nieuw Groot Verzenboek’ 600 gedichten over leven, liefde en dood, samengesteld door Jozef Deleu uit 2015 (achttiende uitgebreide en herziene druk) te lezen toen ik het gedicht ‘Lijm’ las van de Vlaamse dichter, kunstcriticus en tekstschrijver Kurt De Boodt (1969).
De Boodt studeerde Germaanse Filologie aan de KU Leuven. Naast dichter en kunstcriticus was hij adviseur en tekstschrijver in de beleidscel van het Paleis voor Schone Kunsten in Brussel. Tot 1999 was hij hoofdredacteur van het maandblad Kunst & Cultuur. Hij publiceerde de bundels ‘Mal dood lam’ (2024), ‘Wake’ (2019), ‘Ghostwriter’ (2015), ‘Minnezang’ (2011), ‘Waarop de klok ontwaakt!’ (2008), ‘Anselmus’ (2004), ‘Moules belges’ (2002) en ‘En alles staat stil’ (2000).
Levity Peters schreef in zijn recensie van ‘Ghostwriter’ de bundel waaruit ‘Lijm’ werd genomen: “Het enige dat ik proef in deze poëzie is zijn boosheid op anderen, op de domheid van anderen, het machtsstreven van anderen, de onrechtvaardigheid van anderen, de meedogenloosheid, de harteloosheid, hun eeuwige tekort. Ik ga ervan uit dat de haat om het onrecht uit betrokkenheid voortkomt. Ik hoop dat Kurt de Boodt in een volgende bundel wat meer van zijn liefde voor de wereld toont. Er is geen betere.” Hij schrijft dit nadat hij geconstateerd heeft dat er sprake is van een vermoeiende eendimensionaliteit “Niemand lijkt hier een binnenkant te hebben. De dichter zet iedereen als pionnen op zijn speelbord om zo zijn boodschap over te brengen. Als een echte ghostwriter.”
Toch lees ik in het gedicht ‘Lijm’ wel degelijk ook een andere kant van De Boodt. Het gedicht is opgedragen aan Vosje de kater en een In Memoriam voor José Vermeersch (1922-1997) een Vlaamse beeldhouwer en kunstschilder. Oordeel zelf.
.
Lijm
I.M. José Vermeersch en Vosje de kater
.
We kunnen het altijd met minder doen.
.
Zie: het keramische hondje dat de kater nu
van de kast stoot, valt nu op de keukenvloer
in gruzelementen uit elkaar. Onlijmbaar.
.
De maker is al jaren zaliger. Zijn honden
mannen en vrouwen uit gebakken klei
beven op aarde, in huiskamers en musea, na.
.
Hondje overleefde verhuis en ochtendhumeuren.
Het stond hoog buiten bereik van poetsvrouwen
en dochters die te groot werden voor kattenkwaad.
.
Tot de kater zich de kast op joeg en ongelukkig bewoog.
In mijn hoofd snijden scherven geheugensporen open.
Kater kijkt schuldig maar bekomt zienderogen van de schrik.
.
De waarde van kunst hoort emotioneel te zijn.
De waarde van kunst zit in het hoofd van de kijker.
Een onlijmbaar hondje is goed voor de vuilniszak.
.
Terwijl ik dit tik, likt andere kater mijn baard.
O wat genieten poezen toch van het ogenblik.
Genoeg gelikt, rotkater, ik zie mijn beeldscherm niet.
.
We leven niet in musea die kunstwaarden bewaken.
Zo. Hondje staat weer op de kast, gelijmd en wel
van herinneringen aan voor altijd bij elkaar blijven.
.
We kunnen het altijd met minder doen
maar zonder elkaar, dat niet.
.
Els de Groen (1949-2025)
Wereldverbeteraars
.
Gisteren bereikte mij het verdrietige bericht dat Els de Groen (1949-2025) is overleden. Nog begin dit jaar had ik contact met haar via de mail dat ze ernstig ziek was maar dat ze in behandeling was. Ze had mij eerder benaderd met de vraag wat ik voor haar kon betekenen in het uitgeven van een dichtbundel via Mugbooks, mijn facilitaire poëzie uitgeverij. Ondanks haar ziekte klonk ze nog steeds optimistisch. Het bericht van haar overlijden viel mede daarom nogal rauw op mijn dak.
Ik leerde Els kennen tijdens een optreden bij poëziestichting Ongehoord! in december 2016. Ik was al onder de indruk van haar verleden als Europarlementariër voor Groen Links en als schrijver van jeugdboeken en poëzie. Ik schreef een recensie over haar dichtbundel ‘Wakker vallen‘ uit 2018, waarin ze blijk gaf van een grote mate van engagement. Ondanks het feit dat er van haar boeken (vertaald in 13 talen) maar liefst 1.750.000 exemplaren verkocht zijn was ze altijd heel benaderbaar en reageerde ze zelfs heel enthousiast toen we haar vroegen om gedichten aan te leveren voor MUGzine #16 die als richting had ‘gedenk te overstromen’ en waar naast Els ook andere klimaatdichters als Alex Gentjens, Sara Eeelen en David Troch bijdroegen.
Het klimaat en de klimaatveranderingen gingen haar aan het hart. In een interview met Els door Cora de Vos op de Meandersite zegt ze onder andere hierover: “Er gebeurt zoveel om ons heen waar we geen notie van hebben, omdat we ons boven het ecosysteem geplaatst hebben waarvan we onderdeel zijn en dat we in onze onnozelheid naar de barbiesjes helpen.”
Op de rouwkaart van Els is het gedicht ‘Wereldverbeteraars’ uit haar bundel ‘Wakker vallen’ geplaatst dat ik hier graag wil delen. Het is een prachtig voorbeeld van hoe Els tegen de wereldverbeteraars (en dus zichzelf) aankeek. Met het overlijden van Els de Groen wordt de wereld een klein stukje minder mooi.
.
Wereldverbeteraars
.
Bespot ze niet
de dromers
demonstranten
spandoekdragers
Ze hebben je hoon niet nodig
.
Uitlachen doen ze zichzelf wel
in hun momenten van twijfel
die het diepst zijn
wanneer hun geweten spreekt
en het jouwe zwijgt
.













