Site-archief

Ten minste houdbaar tot

Jana Arns

.

Op de zeer leesbare website Neerlandistiek.nl las ik in een recensie van Marc van Oostendorp over de bundel ‘De spronglaag’ van Esther Jansma, dat recensenten zich tegenwoordig nogal vaak schuldig maken aan het uitleggen van een dichtbundel. Marc schrijft bijvoorbeeld: ” Voor zover een recensie bedoeld is om lezers te informeren of ze iets wel of niet moeten kopen, is het volkomen ongeschikt: detectives recenseer je toch ook niet door te vertellen wie het precies gedaan heeft? Zou het niet eerder moeten gaan over wat er nu zo mooi of zo goed is aan deze bundel? Brengt close reading – hoe zinnig die activiteit op zich ook is – ons daar ooit dichterbij?”

Hoewel ik denk dat enige uitleg in een recensie wel degelijk een functie kan hebben bij het begrijpen van een bundel voor de wat minder geoefende lezer, ben ik het wel eens met hem. Een recensie is toch vooral een mening op basis waarvan je een bundel denkt te gaan lezen of kopen (of lenen bij een bibliotheek). Ik begin dit stuk met deze verwijzing naar het artikel in Neerlandistiek omdat ik de bundel ‘Ten minste houdbaar tot’ van Jana Arns voor me heb liggen waarvan ik hoop dat de lezer, na lezing van dit stuk, zal denken; Ja, die bundel wil ik lezen of kopen (of lenen).

Jana Arns (1983) is dichter, muzikant, docent schrijven en een beetje fotograaf. In de bundel staan 5 zelfportretten. Na haar debuut ‘Status: het is ingewikkeld’ uit 2016, ‘Nergens in het bijzonder’ uit 2018, ‘Het is het huis dat niet goed alleen kan zijn’ uit 2019, ‘In welke vrouw ik leef’ uit 2021 is dit haar vijfde bundel.

De bundel bestaat uit een aantal hoofdstukken waarvan ik er een al kende. Suite Paternelle bevat een aantal gedichten die Jana schreef, verdichtte passages uit Suite Paternelle, een kameropera van Frank Nuyts. Vier van de 5 passages verschenen reeds in MUGzine #13. De andere gedichten uit de 6 hoofdstukken waren nieuw maar bij lezing van de gedichten moest ik regelmatig aan de woorden van Marc van Oostendorp denken. Het heeft geen zin om een uitleg te geven aan deze hoofdstukken, interessanter is het de taal van Jana Arns tot je te nemen. Want die taal is rijk, heel rijk.

Neem het gedicht ‘De nacht is een syncope’. De verwijzingen naar de nacht, het donker, hoe gedachten zich ontwikkelen tijdens de slaap of je juist uit de slaap houden, de elementen die de nacht omringen, in dit gedicht komen ze allemaal voorbij maar op een manier die niet alledaags is, of voorspelbaar maar speels, poëtisch, onverwacht. En in vrijwel elk gedicht neemt Jana Arns je mee in haar gedachtewereld, in haar hoofd vol fantasiebeelden, plakt ze moeiteloos fysieke zaken aan elkaar die op zijn minst creatief en soms absurd genoemd kunnen worden. Ze gebruikt in haar poëzie antropomorfisme; geeft dode zaken een leven en levende zaken zonder ziel een geestesleven, .

In haar Annie M.G. Schmidtlezing uit 2002 sprak Joke van Leeuwen over de term uitgesteld begrip. Ze zegt daarover: “Er is een soort denken waar nog niet altijd de goede woorden voor zijn, een soort begrijpen dat nog niet het soort is dat wij volwassenen meestal bedoelen als we vragen: begrijp je het wel?” Dat uitgestelde begrip lees ik terug in de gedichten van Jana Arns. En betekent dat dat haar poëzie onbegrijpelijk is? Nee, in tegendeel, maar door de rijkdom van de taal in haar poëzie is er sprake van een begrijpen zonder precies te weten. Zulke poëzie maakt nieuwsgierig naar meer en herlezen.

.

Coupe de Colruyt

.

We treffen elkaar in de wijnstreek van gang 1.

Twee onthouders met uitgeweken honger

en een blanco boodschappenlijst.

.

In het vriesvak talmen we quattro minuti.

Tongen kleven aan een fantasie uit ijs.

Tussen droogwaren rijst de verbeelding.

.

Bij de granaatappels plukken we

een laatste maal bijeen,

schuiven rookgordijnen open, want

,

thuis krijgt het bed nieuwe heupen

en nu eelt van het matras wordt geschraapt,

verschijnen jongere lakens.

.

Zo delen wij reeds maanden de rekening.

Soms kus je me in de hals van je glas.

Ik schenk telkens bij.

.

Studio Haiku

Lotte Dodion

.

Vorig jaar had ik contact met de Vlaamse dichter Lotte Dodion (1987), ik wilde haar vragen voor een bijdrage in MUGzine. Ze antwoorde toen dat ze heel erg druk was met een nieuw project dat heeft geresulteerd in een boek getiteld ‘Studio Haiku’ een handleiding voor haiku avonturiers. In ‘Studio Haiku’ gidst dichter en haiku-reisgids Lotte Dodion je stap voor stap door de wonderlijke mogelijkheden van de haiku. De haiku is een korte en krachtige Japanse dichtvorm die aan een aantal voorwaarden moet voldoen:

Een haiku bestaat uit drie regels waarin regel 1 vijf klemtonen of lettergrepen heeft, regel 2 zeven klemtonen of lettergrepen en regel 3 vijf lettergrepen of klemtonen.

De regels met betrekking tot de verdeling van de lettergrepen over de verschillende regels van het gedicht slaan voornamelijk op zogenaamde Westerse Haiku gedichten. Traditioneel Japanse Haiku wil nog wel eens afwijken van deze regels. Zo schreef de meest bekende Japanse dichter aller tijden Matsuo Basho (1644-1494) eens een haiku waarvan de tweede regel maar liefst 9 lettergrepen had.

Daarnaast heeft de traditionele haiku nog een aantal kenmerken:

  • omgeving als onderwerp (kan natuur zijn, maar bijvoorbeeld ook een bepaalde ruimte of een specifiek gebouw)
  • probeer een twist in de haiku te verwerken
  • houd het zo zintuiglijk mogelijk
  • probeer geen emoties in de haiku te verwerken: probeer juist emoties bij de lezer op te wekken
  • vermijd stereotype Japanse zaken, zoals de kersenbloesem

Uit het boek ‘Studio Haiku’ van Lotte Dodion blijkt  dat de haiku en het schrijven van deze vorm van Japanse poëzie een heerlijk speelveld is om je gedachten, gevoelens, observaties én kwinkslagen te vangen.

Veel meer over de haiku kun je lezen op deze website over Japanse dichtkunst.

Uit het boek van Lotte hier een aantal voorbeelden.

.

In de ochtendkoelte
maakt het geluid van de bel
zich van de bel los.

Yosa Buson

.

Een meer is mijn hart.
Op de oever sluipt de schaduw
van een zwarte tijger.

Kaneko Tôta

.

In mijn fantasie
kijk je nog één keer om en
dan pas verdwijn je.

Lotte Dodion

.

Kinderkleuren

Sara Eelen

.

Als een van de jongste leden van Collectief Dichterbij viel Sara tweemaal in de prijzen bij de Turnhoutse voorronde TXT van de Kunstbende. Eelen (1994) is meer dan alleen dichter, zo fotografeert en filmt ze maar ze werkt ook met audio en, uiteraard, tekst. Voor dat ze debuteerde in 2020 met de dichtbundel ‘Het nodige breken’ bij uitgeverij Vrijdag werd werk van haar hand gepubliceerd in Het Liegend Konijn, Deus Ex Machina, Kluger Hans, Hard//Hoofd en Papieren Helden. Ook werd haar werk al bekroond bij Frappant TXT, de Babylon Interuniversitaire Literaire Prijs en de Poëzieprijs Stad Harelbeke.

Sara is een van de drijvende krachten achter de Klimaatdichters en Hart boven Hard, een burgerbeweging, opgericht in 2014 die als missie heeft:

Hart boven Hard wil een inclusieve en duurzame samenleving helpen creëren, waarin de waarde van mensen voorgaat op het pure streven naar winst. Hart boven Hard beweegt en verbindt burgers over maatschappelijke thema’s en sectoren heen om hun gedeelde bekommernissen creatief te uiten én de samenleving te winnen voor het realiseren van alternatieven. Op deze manier wordt de participatieve democratie beoefent die Hart voor Hard meer wil zien.

Van deze geëngageerde dichter hier het gedicht ‘Kinderkleuren’.

.

Kinderkleuren

.

Het roze potlood is altijd als eerste op in de kleurdoos
want de vader en de moeder moeten steeds opnieuw getekend
hun wangen extra dik aangezet, een laagje fond de teint.

.

Mengen leert het kind pas later.
Net als het feit dat mensen niet roze zijn
en moeders en vaders niet altijd in dezelfde afbeelding passen.

.

Niemand wil het kind nu al leren
dat het meer rode en blauwe plekken moet arceren
of beter nog de vader doorzichtig laat.

.

Het is al goed dat het zichzelf niet langer
tussen de ouders in tekent
de handen als stekelige bollen op elkaar

.

dat het in de bladspiegel plaats laat voor verdriet
daar kunnen we later nog wat mee.

.

Liefdesgedicht

Herman de Coninck

.

Hoe beter het nieuwe jaar te beginnen (na een nieuwjaarsgedicht op 1 januari en het gedicht Doggybag op 2 januari) dan met een liefdesgedicht. Want als het nieuwe jaar iets kan gebruiken dan is het wel wat meer liefde. En van welke dichter kun je dan het beste een gedicht plaatsen? Van één van mijn favoriete dichters uit Vlaanderen (en daarbuiten) Herman de Coninck (1944-1997). Uit ‘De hectaren van het geheugen’ uit 1985 komt dit gedicht zonder titel.

.

Als ze genadeloos traag, geeuwend, héhé,

een peperduur slipje van niks op de vloer laat landen

(sex hoort net als luxe met mysterieuze x) waarna ze haar voor zijn handen veel

te vele twee

.

borsten laat zien, kijkt hij beneden aan haar bleke

benen öp naar wat, geen meter hoog, hij ’t hoogste acht:

lippen die slechts lippen zijn en die niet spreken,

en iemand die boven zijn smeken staat en niet laat merken dat ze lacht.

.

Want vrouwen hebben machtige geslachten, hoge wonden,

venusbergen, spelonken, vouwen

waarin verloren nachten nooit meer worden teruggevonden,

.

en daar spelen ze mee

zoals de Mona Lisa met toeristen en de maan met de zee,

adembenemend, en met iets van een licht verachten.

.

Schuldbekentenis

Jotie T’Hooft

.

Vandaag heb ik de bundel ‘Verzamelde gedichten’ van Jotie T’Hooft uit 1981 uit mijn kast genomen. Johan Geerard Adriaan T’Hooft (1956-1977) was een Vlaams dichter en schrijver.  De belangrijkste thema’s in zijn te korte leven waren: druggebruik, dood en zelfmoord, erotiek en seks, kortom die dingen die voor hem een vluchtweg betekenden voor de vervreemding en de desoriëntatie die zijn leven beheersten. In die zin kan men hem ook beschouwen als een neoromantisch dichter. Hij werd ook wel de ‘Rimbaud van de Vlaamse poëzie’ genoemd.

T’Hooft was enig kind  Al heel snel bleek hij een gevoelig jongetje en hij raakte gefascineerd door taal en de dood. Aanvankelijk een voorbeeldige jongen met uitstekende schoolrapporten, deden er zich op de middelbare school ernstige aanpassingsproblemen voor:  door zijn zwakke resultaten, opstandige karakter en zijn onhandelbaar gedrag, werd hij van verschillende scholen gestuurd. Zijn vader was bibliothecaris, en mede daardoor  begon hij al vroeg met het lezen van auteurs als Franz Kafka en Hermann Hesse.  Poëzie en muziek (David Bowie, Nico, Frank Zappa, Lou Reed) en drugs markeerden zijn vluchtwegen, op zijn veertiende was hij al verslaafd.

Uiteindelijk zou zijn drugsverslaving hem teveel worden. Nadat zijn vrouw en grote geliefde Ingrid Weverbergh hem verliet na ernstig door hem mishandeld te zijn (door zijn drugsverslaving veranderde het goedaardige karakter van T’Hooft) diende hij zichzelf een overdosis cocaïne toe waarna hij overleed. Na tweemaal eerder een poging tot zelfmoord te hebben ondernomen was deze poging geslaagd. Hij liet 12 afscheidsgedichten voor Ingrid achter met toestemming deze te laten publiceren. Een van die gedichten, de eerste uit dit deel van de ´Verzamelde gedichten´ is getiteld ´Schuldbekentenis´.

.

Schuldbekentenis

.

Ja, ik geef het toe, ik beken het openlijk:
mijn lichaam was altijd een toren zonder uitkijk.
Ik heb hem steen voor steen in folianten gepend
ik heb mij geplooid naar de tijd en de trend.
.
De stenen die ik uit de wand verwijderd heb
zijn de woorden waar ik dit gedicht mee schep:
ik kijk naar de wereld waarin gij woont
en al zie ik onscherp en ben ik vreselijk stoned
.
er is iets dat mij niet ontgaan kan
mijn toren is gebouwd in mijn eigen toren.
Ik weerhield mijn lijf niet in de groei tot man
maar ik zaag geduldig aan de pijlers die mij schoren.
.
Het lijkt niet erg duidelijk misschien
mijn keel snoert dicht en mijn tong heb ik gebroken
toen ik spreken leerde. Ik heb niemand ontzien.
Ik ben wereld, in mij is onstuitbaar de doodsbloem
.
ontloken.

.

Kerstmis

Charles Ducal

.

In de verzamelbundel ‘Tussen zon en maan’ Onweerstaanbare poëzie van vroeg in de ochtend tot diep in de nacht, samengesteld door Herman Kakebeeke uit 2002 las ik het gedicht getiteld ‘Avondgebed’ van Charles Ducal (1952). En omdat ik nog op zoek was naar een passend gedicht voor de eerste kerstdag wist ik dit dit hem was. Het gedicht ‘Avondgebed’ gaat over hoe de godsdienst als jonge jongen aan hem als kind werd meegegeven.

En aangezien Kerstmis nu eenmaal een van origine religieus feest is, wat we er tegenwoordig dan ook van gemaakt hebben met veel en luxe eten, kerstbomen, kerstmannen en allerlei andere commerciële uitingen, vandaag op deze eerste kerstdag dit gedicht van Ducal dat oorspronkelijk in de bundel ‘De hertog en ik’ uit 1989 verscheen.

.

Avondgebed

.

Wind en regen sloten de vensters.

Wij zaten geknield bij de haard

in de godsdienst die wij zouden erven.

De vrouw die ons had gebaard

.

zei formules om ons te verkleinen.

Haar stem zeurde taai in de nek.

Wij zaten, stom, pas ingewijden.

De man die ons had verwekt

.

hief de hand. Wij boden het hoofd.

Hij prentte zijn duim in de hersens.

Wind en regen bestookten de droom.

Onder bed sliepen wolven en heksen.

.

Zonder mensen geen muziek

Alfred Schaffer

.

Ik weet dat ik nog wel eens kritisch ben op de CPNB, de club die het Nederlandse boek propagandeert. Mijn kritiek richt zich dan vooral op het feit dat de Poëzieweek, die ene week per jaar dat poëzie en dichters in de spotlight staan, niet meer wordt ondersteund door het CPNB. Misschien vraag je je af waarom dat erg of jammer is. Met een landelijk opererende club als het CPNB achter je weet je dat er in alle bibliotheken, boekhandels, op de social media en in de pers aandacht wordt gegenereerd voor poëzie. Zonder het CPNB (en dan vooral de middelen die het CPNB heeft om dit te doen) verword de Poëzieweek en de Landelijke Gedichtendag tot een evenement in de marge. En dat is toch al een vertrouwde plek voor poëzie dus die extra aandacht wordt node gemist. En niets dan lof voor het miniconsortium van organisaties die toch de Poëzieweek op de kaart willen blijven zetten maar het verschil tussen een poëzieweek met de CPNB en zonder de CPNB is pijnlijk groot.

In België is dat anders, daar is het Poëziecentrum als grote landelijke partij betrokken bij alle initiatieven en acties alsmede met de communicatie rondom de Poëzieweek. Als je de website van de Poëzieweek opent en bij de activiteiten kijkt staat pas op pagina 5! de eerste activiteit in Nederland (er staan 12 activiteiten op 1 pagina). Dat zegt genoeg lijkt me. Als het zo doorgaat zal de Poëzieweek in Nederland een kwijnend bestaan tegemoet zien.

Nu wil ik hier niet met zuur en azijn dit bericht eindigen. De CPNB geeft wel aandacht aan poëzie. Niet meer aan de week maar met af en toe een gedicht bij een activiteit door het jaar heen. Zo sturen ze hun partners en stakeholders sinds drie jaar elke december een nieuwjaarsgedicht toe speciaal geschreven voor de gelegenheid. Dit jaar is dit gedicht geschreven door Albert Schaffer (1973) en getiteld ‘zonder mensen geen muziek’. En omdat dit gedicht meer lezers verdient dan alleen degene die bevoorrecht zijn het van de CPNB te mogen ontvangen, deel ik het graag hier met jullie.

.

zonder mensen geen muziek

.

waarom de laatste dag gelijk is aan de eerste

als je zogenaamd verdwaald bent

in een bos, of nachtblind en besluiteloos

tot stilstand komt op een immense kruising

in een supergrote stad waar alles 24/7 open is.

er past veel stilte in een hoofd maar is dit nu

de wereld die verdween, of die zich niet heeft aangediend?

vroeger was je een prinses en wilde je dat alles

goed zou komen, nu was nu dus tekende je

elfjes, schapen, dinosaurussen, honden

en eenhoorns, beren, uilen, alles wat kon praten.

misschien dat je nog eens een lichaam ziet vanbinnen

en een hart vasthoudt, misschien wordt je onthaald

als held door mens en dier omdat je

rijkdom bracht en brandhout, uren lopen verderop.

misschien raak je je eigen nabestaande, ontploft

de ruimte en ontstaan er nieuwe sterren en planeten.

gewoon een liedje zingen, veel te moeilijk

met je dunne, hoge stem maar

toch, wat doet de geest kalmeren

komend jaar. denk daar maar over na

en neem de tijd, gek genoeg heb je geen haast.

.

 

Beste meneer Bloem,

Selectie uit 20 jaar Mr. J.C. Bloemprijs

.

In 2001 werd voor de 1e keer de Mr. J.C. Bloemprijs beschikbaar gesteld door de gemeente Steenwijkerland waar dichter J.C. Bloem (1887-1966) de laatste jaren van zijn leven woonde. Sindsdien wordt de prijs elke twee jaar uitgereikt aan een dichter uit het Nederlandse taalgebied. Het geld is bedoeld (als aanmoedigingsprijs) voor een tweede bundel (Inleiding pagina 6). Dit laatste klopt niet helemaal, je zou denken dat het hier dus een prijs voor debutanten betreft maar een snelle check levert meteen al op dat niet klopt. Neem bijvoorbeeld Hagar Peeters die in 2005 de prijs kreeg voor ‘Koffers zeelucht’. Peeters debuteerde in 1999 met de bundel ‘Genoeg gedicht over de liefde vandaag’. Een ander voorbeeld is Maria Barnas, winnaar van de prijs in 2009 met ‘Er staat een stad op’ uit 2007, terwijl zij als dichter debuteerde in 2003 met ‘Twee zonnen’.

Wanneer een dichter is genomineerd wordt deze gevraagd een gedicht te schrijven op de persoon Bloem, zijn werk of een regel of titel uit zijn oeuvre. Niet alle dichters gaven hieraan gehoor. Van de gedichten die wel geschreven werden daaruit is een overzicht gemaakt (van dichters uit Nederland en Vlaanderen). Deze zijn in de bundel bijeengebracht samen met twee lezingen van Willem Thies over Bloem die rijk zijn aan zijwegen die je na lezing verder wil bewandelen maar de hoofdweg die hij kiest (het hart in het werk van Bloem en de betekenis, een analyse, van het gedicht ‘November’) is duidelijk analytisch en zeer verteerbaar.

De dichters die in de bundel zijn vertegenwoordigd worden geïntroduceerd middels een korte biografie, citaten, een overzicht van hun werk en iets over het gedicht dat is opgenomen. In de inleiding wordt de dichters die genomineerd zijn geweest voor de Mr. J. C. Bloemprijs en geen gedicht hebben aangeleverd gevraagd dit alsnog te doen. Alle genomineerden staan vermeld achterin de bundel. Men hoopt dat men zo een tweede (vermeerderde druk) van deze bundel kan uitgeven waarin meer genomineerde dichters staan.

Als ik kijk naar dichters die wel zijn genomineerd maar die geen bijdrage in de vorm van een gedicht hebben geleverd dan zijn dit niet de minste: Ilja Leonard Pfeijffer en Rodaan al Galidi (2003), Mark Boog (2005), Micha Hamel en Erik Jan Harmens (2007), Peter Swanborn (2011), Maud Vanhauwaert (2015) Maarten van der Graaff (2017), Daniel Vis en Charlotte Van den Broeck (2019) en Marieke Lucas Rijneveld (2021), en dit is nog maar een greep. Me dunkt dat je met gedichten van deze dichters een aardige (extra) bundel kunt vullen.

Desalniettemin staan er nog genoeg dichters van naam in deze bundel met een gedicht die deze bundel bijzonder de moeite waard maken. Zoals het gedicht van Sylvie Marie (1984) ‘Het leven zou zoveel leuker zijn’. Sylvie Marie werd in 2013 genomineerd met de bundel ‘Toen je me ten huwelijk vroeg’.

.

Het leven zou zoveel leuker zijn

.

zonder aanmodderen, deze lamme sofa,

staren, sterren, altijd dat raam.

.

ik zocht het op ; er zijn geen wedstrijden,

noch is er een wereldrecord janken

en toch trekken we jassen aan

als zwachtels, slenteren we ons suf.

 

waarom kiezen we niet eens

voor de donder, vegen we met regen

nooit gewoon de vloer aan,

wie weet wat er dan komt aangewaaid?

.

ja, waarom hebben de tegels

waarop we onze schoenen slijten geen

namen als martha, albert, julia, roger ?

heel eenvoudig hinkelspel had dan gezegd

wie van wie moet houden.

.

 

Fluisteringen in het duister

MUGzine #15 is uit!

.

Aan het eind van 2022, het derde jaar dat MUGzine verschijnt, komen we met een behoorlijk internationale editie. Een dichter woonachtig in Duitsland, een Vlaams dichter, twee Nederlandse dichters en een Poolse kunstenaar woonachtig in Schotland. En nummer 15 is, zoals altijd het decembernummer, weer een luxe editie.

Wie hebben bijgedragen aan #15? Dat zijn de dichters Simon Mulder, Lennard van Rij, Michiel Ris en Geert Viaene en kunstenaar Nika Novich (@nika.novich.art). Nummer 15 is daarmee weer een feest van poëzie geworden. Op mugzines.nl is ie zoals altijd weer gratis te lezen en te downloaden maar voor de ware liefhebber van gedrukte poëzie is er natuurlijk ook de papieren versie. Wil je MUGzine op papier ontvangen mail dan naar mugazines@yahoo.com

Voor een paar euro sturen we je elk gewenst nummer toe. Of doe jezelf een plezier, ontzorg jezelf en wordt donateur, dan sturen we je een jaar lang elk nieuw nummer automatisch via de post toe. In #15 een ander voorwoord dan je van ons gewend bent, en natuurlijk een Luule.

Om in de stemming te komen hier een gedicht van Lennard van Rij (1980) getiteld ‘Lorca’ over dichter Federico Garcia Lorca (1898-1936).

.

Lorca

.

‘And you, Garcia Lorca, what were you doing down by the watermelons?’

– Allen Ginsberg

.
Bij de olijfboom, had de man gezegd.
Maar zelfs na eenenvijftig dagen graven in Granada:
geen Federico, alleen de groene wind in de olijven
en dit spook door Europa, zijn stigmata trekken
rode sporen door Andalusië.

De doden leven hier, hun ribben steken door het vel
van uitgedroogde teefjeshonden, hun woorden voeden als
doordachte as de dorre, omgewoelde aarde – wouden
die eens hun lichamen waren, wiegen wijs en vredig:
de wereld leert.

Maar wat te denken, Federico, van het woud van stads metaal
dat ons vanavond aanstaart, strijdbare wolkenkrabbers
mysterieloze lichtmachinerieën, deze supermarkt
vol lijken, gram van zwellende druiven en geplukte olijven?

Wat is er over, nu hun stof is ingeblikt
en blik geworden, van die eindeloze geesten, onvatbaar
voor het eindig universum? Waar is hun rijk van
wassend graan, wie bakt nog hun bedachtzaam brood?

En als straks alle wouden mensen zijn geweest, de mensen wouden
hoe wreed zal de natuur dan zijn? Tot waar reiken de wapens?
Zien anarchistische bananen dan reikhalzend uit naar winkeljongens?
Storten meloenen zich voorover, vuren wouden naalden naar elkaar?

En zal de dichter weer verdwijnen?

.

MUGzine is een initiatief van Wouter van Heiningen (MUGbooks) en Marie-Anne Hermans (Poetry Affairs) in samenwerking met Bart van Heiningen (Brrt.graphic.design).

 

Daar begint de poëzie

Charlotte Van den Broeck

.

Pas geleden kocht ik in een tweedehandsboekenwinkel een drietal bundels uitgegeven naar aanleiding van de Turing gedichtenwedstrijd. Het betreft hier de edities 2013, 2014 en 2016. In deze bundels zijn de beste 100 gedichten opgenomen van elke editie. In 2013 deden er meer dan drieduizend dichters mee met in totaal bijna tienduizend gedichten. Wanneer je dan tot de beste 100 gedichten geraakt, dan kun je ervan uitgaan dat er kwaliteit wordt geleverd.

En dat klopt. Lezend in de 2013 bundel viel me op dat er dichters meededen die jaren later bekende, gepubliceerde en ‘gearriveerde’ dichters zijn. Een kleine greep uit de deelnemers uit 2013 leverde de volgende namen op: Wout Waanders, Lize Spit, Ingmar Heytze, Luuk Gruwez en Charlotte Van den Broeck. Voorwaar niet de eerste de beste. Ook in de andere edities staan zeer bekende namen maar daar zal ik later aandacht aan besteden.

In 2013 deed zoals geschreven Charlotte Van den Broeck (1991) mee. Van den Broeck  behaalde een Master Engelse en Duitse Letterkunde aan de Universiteit Gent en een Master Drama (Woordkunst) aan het Koninklijk Conservatorium, Antwerpen voor ze in 2015 debuteerde met de dichtbundel ‘Kameleon’ (dus twee jaar nadat ze meedeed aan de Turing gedichtenwedstrijd). Deze bundel werd bekroond met de Herman De Coninck Debuutprijs. In 2017 verscheen ‘Nachtroer’, waarvoor ze de driejaarlijkse Paul Snoekprijs voor de beste Nederlandstalige bundel kreeg. Haar poëzie werd vertaald naar het Duits, Frans, Engels, Spaans, Afrikaans en Servisch.

In 2020 schrijft ze het Poëzieweek essay ‘Cosmos, Texaco’ en in 2021 komt haar derde dichtbundel uit getiteld ‘Aarduitwrijvingen’. In ‘Daar begint de poëzie’ de 100 beste gedichten uit de Turing Gedichtenwedstrijd is haar gedicht ‘Jubileum’ opgenomen.

.

Jubileum

.

Wij twee herhalen niet meer,

Ik geloof niet in een convergerend heelal.

Kilometers onder de korst wist men het allang:

er bestaat een punt waarop de aarde roodverbrand zijn rondheid bewijst.

Zo zullen ook wij op een dag samenvallen op eenzelfde as:

amper man, bijna vrouw met een uniseks regenjas.

.

Wij twee kennen geen evenbeeld

uit aarde en klei zouden ze jou niet zijn.

Geen jaren in geen baard, niet het grijs op je boterhammen.

Die foto op de koelkast met je blik

die mijn rok aan mijn enkels denkt.

Ik heb een huid die enkel nog jouw vingers kent.

.

Die keer toen we de haas aanreden, in zijn ingewanden

de oorzaak van verdriet probeerden lezen.

We vreesden dat het nooit zou drogen.

Als je iets niet uitspreekt, is het niet noodzakelijk gebeurd.

‘Ons’ is een bezittelijk voornaamwoord, dat we evengoed kunnen zwijgen.

Een huis gebouwd uit taal met oneindig veel andere namen.

Het is moeilijk wonen in drie letters.

Er is zo weinig plaats.

.

foto: Kioni Papadopoulos