Categorie archief: (bijna) vergeten dichters

Ansichtkaart

J. Meulenbelt

.

Vandaag als vakantiegedicht van de dichter J. Meulenbelt (1921 -2011), de oom van schrijfster Anja Meulenbelt, het gedicht ‘Op een ansicht geschreven’ uit een deel van Poëziereeks De Windroos ‘Plattegrond’ uit 1950.

.

Op een ansicht geschreven

.

Wij zijn hier met zijn allen autochthoon,

hetzij als inboorling hetzij als gast.

Het wisselende leven ligt hier vast

en zelfs ’t bijzond’re is hier doodgewoon.

.

Met niets doen breng ik alle dagen zoek,

want reeds bij aankomst breng ik alle dage zoek,

want reeds bij aankomst gaf mijn geest de geest.

Wij zijn vandaag maar niet in zee geweest,

maar kochten ansichtkaarten, op de hoek.

.

’t Gaat, zonder wensen, hier vanzelf naar wens:

Bij onze mesthoop, bloeiend van bederf,

en bij de kippen, stappend buiten ’t erf,

verdween de zware hang naar zin en grens.

.

Vakantie poëzie

Het baden in zee

.

Vanaf vandaag gaat voor mij de vakantieperiode in. Dat wil zeggen dat de komende weken ik elke dag een gedicht ga plaatsen zonder al teveel informatie. Gewoon een fijn gedicht voor elke dag. Waar mogelijk een gedicht dat enige relatie heeft met de vakantie maar zeker ook gedichten die bijzonder zijn of die ik interessant of mooi vind.

Vandaag het eerste gedicht van Pieter Leonard van de Kasteele (1781-1810) uit de bundel ‘Dichtwerken van Mr. P. L. van de Kasteele, Deel 1 uit 1844. Het gedicht werd geschreven door van de Kasteele in de zomer van 1790 op het strand van Texel. Hij gaf hiermee blijk van een frisse, realistische natuurwaarneming, die zich tegen het einde van de 18e eeuw zelden voordeed. (Bron: De Muze en de zeventien provinciën).

.

Het baden in zee

.

Op! Texelbewoner!

Geen avond ooit schoner;

’t loopt alles ons mee.

Op! Jeugdige knapen!

De zon wil gaan slapen;

komt! baadt u in zee!

.

Het westelijk luchtje

doorgeeft met een zuchtje

mijn flodderend haar.

Twee zeeën begroeten

mijn kletsende voeten;

ze omarmen elkaâr.

.

Zie ’t Noorderzon blinken!

De zon gaat er zinken,

zie ginds in het Oost

de Zuiderzee dartlen,

de Maan haar ontspartlen;

zij beeft en zij bloost.

.

Rondom zich die glansen

op zee te zien dansen,

hoe lacht dit ons aan!

Wat vreugd! Onbeladen

in zee zich te baden

met zon en met Maan!

.

Versvoeten

Alain Teister

.

Elke keer weer verbaas ik me over het feit dat er dichters zijn waar ik nog nooit van gehoord heb en die toch een aardig oeuvre bij elkaar geschreven hebben . Blijkbaar is het met beoefenaren van alle kunsten hetzelfde, alleen de bekendste namen ‘overleven’. Wat overigens niet betekent dat het werk van dichters die vergeten of bijna vergeten zijn, niet de moeite waard is. Zo’n dichter waarvan waarschijnlijk maar weinig mensen de naam kennen is Alain Teister (pseudoniem van Jacob Martinus Boersma).

Teister (1932 – 1979) was schrijver, dichter en schilder. Hij debuteerde in 1964 met de bundel ‘De huisgod spreekt’ waarna hij nog twee poëziebundels publiceerde: ‘De ziekte van Chopin’ in 1971 en ‘Zenuwen, dame?’ in 1977. In 1988 verscheen nog zijn ‘Verzamelde gedichten’. Daarnaast werd zijn werk opgenomen in ‘Tirade’, ‘Maatstaf’ ‘De Tweede Ronde’ en ‘Hollands Maandblad’. Naast zijn dichterschap was hij vooral ook actief als kunstenaar en werk van hem werd aangekocht door het Centraal museum in Utrecht en de Rijksdienst voor de Beeldende Kunsten.

Uit de bundel ‘Verzamelde gedichten’ komt het gedicht ‘Versvoeten’.

.

Versvoeten

.

Elk dichtertje zingt

zoals het genekt is

door rotjeugd, rotwijf, rotinkt.

En hij is de eminentste

die tussen de brekebenen

zijn voeten het minst kapothinkt

en dat het bedroefdst formuleert.

Elk dichtertje zingt

vrij ongedeerd.

.

Gedichten uit de Goelag

Varlam Sjalamov

.

De Russische schrijver en dichter Varlam Tichonovitsj Sjalamov  (1907 – 1982) werd geboren als zoon van een Russisch-orthodox priester en een lerares. Hij studeerde rechten in Moskou, was overtuigd tegenstander van het Stalin regime en sympathiseerde in die tijd met de linkse oppositie  geleid door Leo Trotski. In 1929 werd hij in een illegale drukkerij gearresteerd en voor drie jaar verbannen naar de Goelag. Na zijn terugkomst naar Moskou werkte hij van 1934 tot 1937 als journalist.

In 1937 werd hij in het kader van de grote zuivering opnieuw gearresteerd vanwege trotskisme en Sjalamov bracht na een nieuwe veroordeling zeventien jaar door in de kampen des doods van Kolyma in Siberië. In 1953 werd hem toegestaan terug te keren naar Europees Rusland. In 1956 werd hij onder Chroesjtsjov gerehabiliteerd. Vanaf 1957 verschenen van zijn eerste gedichten. Sjalamov is al eerder gedichten beginnen schrijven. Hij memoriseert zijn eigen dichtregels telkens wanneer hij van het werk naar het kamp terugkeert. Als hij op het einde van zijn gevangenschap als verpleger tewerkgesteld wordt schrijft hij op wat hij maar vindt: papieren zakken, kaftpapier etc.  Die aantekeningen werkt hij later uit. Naast zijn gedichten schrijft hij vooral korte verhalen, maar al snel kwamen zijn herinneringen aan de Goelag niet meer door de censuur (ze circuleerden in de jaren zestig alleen in Samizdat-uitgaven). Hoewel Sjalamov vooral bekend is door zijn laconieke en compacte kampverhalen is zijn poëzie ook zeker de moeite waard.

Hieronder het gedicht ‘De camee’  waarin een duidelijke verwijzing naar zijn  tijd in de kampen en hoe hij die heeft doorstaan, in een vertaling van Marja Wiebes en Margriet Berg uit ‘Spiegel van de Russische poëzie van de twaalfde eeuw tot heden’ uit 2000.

.

De camee

.

In ’t hellend vlak van berg en tijd

Sneed ik jouw beeld voor de eeuwigheid.

.

Betrouwbaarder dan een penseel

Zijn immers beitel en houweel.

.

In ’t land van mannen en van ijs,

Van vroege rimpels en vroeg grijs,

.

Heb ik dit vrouwelijk gelaat

Geschapen als een wanhoopsdaad.

.

Ik heb de rots met jouw portret,

Toen in een ring van sneeuw gezet,

.

En wolken om de ring gedaan

Om niet van weemoed te vergaan.

.

De poëtische bijl

Wim Huyskens

.

‘ik ben tegen een flaptekst, die precies zegt wat er in dit boek te koop is. De aardigheid gaat er dan goeddeels af en dit boek heeft nu juist de pretentie iets aardigs te zijn”. Dit lees ik op de achterflap van de bundel ‘de poëtische bijl’ van dichter Wim Huyskens, uitgegeven door de Bezige Bij in 1969. Wim Huyskens (1940) publiceerde in Raster, Podium en Avenue Literair en debuteerde met de bundel ‘Schuine lyriek’ in 1969 al snel gevolgd door ‘de poëtische bijl’. Na deze twee bundels zou Huyskens nog publiceren in De Gids in begin jaren ’70 maar daarna is niets meer van hem vernomen op poëziegebied.

In De poëtische bijl tracht Huyskens de taal van alle bijbetekenis en symboliek te ontdoen. Zo schrijft hij in het gedicht ‘Dichter’:  “de schijnbeweging van de taal/ te slim af te zijn en de dingen/ ondubbelzinnig te doen zijn wat ze zijn:/ stoel, tafelblad, kamer, huis”. Ook in het gedicht ‘Omkeerbaar’ lees je dit terug.

.

Omkeerbaar

.

Een gedicht zou moeten zijn

een pak in je hand,

net gehaald, je weet

wat erin zit en toch,

amper thuis, jas nog aan,

wordt het nieuwsgierig verpakt:

op tafel, uit het papier,

in de rechthoekige doos van de kamer,

zwevend onder je hand,

kijk eens wat ik heb gekocht,

een onmogelijk gedicht, net

een kostuum.

.

Van Duinkerken en Kemp

Dichters over dichters

.

Vandaag in de rubriek ‘Dichters over dichters’ de dichter Anton van Duinkerken (1903 – 1968) die het gedicht schreef ‘Voor Pierre Kemp’ de Limburgse dichter die leefde van 1886 tot 1967. Willem Asselbergs (zoals de echte naam van Anton van Duinkerken luidde) was dichter, essayist, hoogleraar, redenaar en literatuurhistoricus. In 1933 kreeg hij de C.W. van der Hoogtprijs, in 1960 de Constantijn Huygensprijs en in 1966 de P.C. Hooft-prijs.

In de bundel ‘Verzamelde gedichten’ uit 1957 is het gedicht opgenomen ‘Voor Pierre Kemp’. Kemp, net als van Duinkerken afkomstig uit het zuiden van Nederland, was net als van Duinkerken een van de woordvoerders van het katholieke levensbesef (zoals zo mooi omschreven staat achterop de bundel van van Duinkerken). Het gedicht komt uit het hoofdstuk ‘In spiegel en raadsel’ uit de bundel. Uit het gedicht blijkt een grote mate van bewondering van van Duinkerken voor de dichter Kemp.

.

Voor Pierre Kemp

.

In de trein zitten, buiten kijken,

Seinwachtershuisjes zien staan,

Van binnen op klaprozen lijken,

Wie heeft dit bekwamer gedaan?

Nadoen kan ik u niet.

Ik mis die saffraangeel klanken.

Voordoen is echt niet nodig.

Dit weten maakt ieder lied

Van mij voor u overbodig

Behalve dan om u te danken.

.

Schilderij uit de schrijversgalerij van het Literatuurmuseum in Den Haag van Theo Swagemakers ( 1898 – 1994)

Vrijheid

5 mei

.

Het is vandaag bevrijdingsdag en ik had al een blogpost geschreven tot ik me bedacht dat 75 jaar na de bevrijding van Nederland het passend is om een gedicht te plaatsen over vrijheid of vrij zijn. zijn eerste gedachte was om een gedicht van een dichter uit de oorlog die over de bevrijding schreef te plaatsen maar ik gooi het vandaag over een iets andere, wat algemenere boeg als het om vrijheid gaat.

Tenslotte hebben wij in Nederland de luxe van al 75 jaar in vrijheid te kunnen leven terwijl er zoveel landen en volkeren zijn op de wereld die dat niet kunnen. Daarom koos ik voor een gedicht van de Chinese dichter Wu Mei (Wu Mei betekent volgens mij ‘Moedig mooi’ of mooi en moedig en dat slaat zeker op deze dichter uit China. Zij was getuige van het bloedbad op het Plein van de Hemelse Vrede op 4 juni 1989.

In de bundel ‘Vrij’ gedichten over vrijheid, vrede en vriendschap, uitgegeven door Amnesty International in de Rainbow Essentials uit 2008 is het gedicht ‘Vrijheid’ van haar opgenomen in vertaling van Daan Bronkhorst. Op bevrijdingsdag leek me dit een passend gedicht.

.

Vrijheid

.

Vrijheid kent geen enkel misdrijf,

zoekt geen ruzie, slaat geen wond,

pleegt geen echtbreuk, zet geen val,

is nooit schuldig aan bedrog.

.

Vrijheid heeft geen schuld, geen schande,

maakt geen aanspraak op excuus,

kent noch schaamte noch berouw,

doet zich nooit als ander voor.

.

Vrijheid is je stille adem,

is je almaar fluisterend bloed,

is je voet die bodem zoekt

waar de grond is weggeslagen.

.

Shall I shoot him, sir?

Maxim de Winter

.

In de kringloopwinkel kocht ik drie deeltje van de Aurea literaire kartons. Hoewel ik lang gezocht heb is er over deze reeks weinig bekend. Ze werden uitgegeven door A.W. Sijthoff in Leiden en mijn exemplaren zijn van 1966 en 1967. In de literaire kartons kwamen niet alleen poëzie bundels uit maar ook novellen, een korte roman en een essaybundel. Het merendeel was echter poëzie (6 van de 11 titels). Ik bezit ‘De transparante zee’ van Maxim de Winter, ‘Als de wind ophoudt’ van F.W. van Heerikhuizen en ‘Uit een volslagen duisternis’ van Arnold de Vos. De redactie is in alle gevallen gedaan door Bert Jansma, Jan-Willem Overeem, Jan van der Vegt en Ger van Wijck.

Alle bundels hebben een zelfde uiterlijk. sober met bovenaan de titel en auteur en onderaan een gouden cirkel. De bundeltjes hebben tussen de 45 en 47 pagina’s en zijn op de achterflap voorzien van enige informatie over de dichter. Zo is op de achterflap van ‘de transparante zee’ van Maxim de Winter te lezen:

“De gedichten van Maxim de Winter geven op een bijzondere wijze een ervaring van de werkelijkheid weer. Deze is voor hem uiterst veelomvattend en daardoor ook chaotisch. Dit weerspiegelt zich in zijn verzen. Zijn vaak gedurfde beelden heeft hij uit alle hoeken van het bestaan gehaald. hij heeft er de realiteit voor doorkruist in ruimte en tijd.”

Over de dichter is vermeld dat hij in 1945 is geboren (volgens de Nederlandse Poëzie Encyclopedie overleden in ca. 2012) en gedichten van zijn hand verschenen in ‘Vandaag’, ‘De Nieuwe Stem’, ‘Raam’ en ‘Contour’. Daarnaast was deze Groninger dichter ook vertaler en auteur van de bundel ‘Jezus leeft en woont op Venus’ over de Scientology-kerk en andere sekten uit 1974.

Uit het bundeltje ‘De transparante zee’ koos ik het gedicht ‘Shall I shoot him, sir?’.

.

Shall I shoot him, sir?

.

openliggend zwerf ik

stenen, beroep de modder

van een vlag

.

vitaal berust ik, ademloos graas

ik een legger van beton,

mijn longen komen korter,

mijn hart komt kleiner in mijn borst.

.

roeiend verdoemde zwanen, steel

ik kransen voor mijn banaliteit,

begrijp

een demonische slak,

een woord van kalksteen mijn

aanwezigheid

.

zwaarmoedig rijd ik, padden onder

mijn voeten,

zwarte rotsen van koud licht, breed

kanaal,

een ijsbreker baant de doortocht

voor mijn hemellichaam.

.

 

Herinnering aan Willem Elsschot

Peter van Steen

.

In de rubriek ‘Dichters over dichters’ dit keer een gedicht van Peter van Steen over de schrijver en dichter Willem Elsschot (1882 – 1960). Het gedicht ‘Herinnering aan Willem Elsschot’ staat in ‘De spiegel van de Nederlandse poëzie, dichters van de twintigste eeuw’ uit 1983 samengesteld door Hans Warren.

Over Peter van Steen (1904 – 1971) is niet zoveel bekend, gelukkig vond ik via de geweldig rijke website https://www.dbnl.org een artikel over deze Amsterdamse dichter uit het Jaarboek van de Maatschappij Nederlandse Letterkunde uit 1975. Peter Mourits (de echte naam van Peter van Steen) begon als schrijver van romans maar in oorlogstijd ontdekte hij de poëzie. In de tweede wereldoorlog publiceerde hij anoniem en in eigen beheer drie boekjes; ‘Bezet gebied’ en ‘Nieuwe lente’ in 1944 en ‘Vijf dagen’ in 1944-1945 (eerste en tweede druk).

Peter van Steen was een onvoorwaardelijk bewonderaar van de romans van Willem Elsschot waar hij en zijn vrouw Riek af en toe gingen logeren. Willem Elsschot schreef een inleidend woord voor Peter van Steens novellenboek ‘Alarm in de spiegel’ (1951), waarin hij hem ‘de verpersoonlijking van de opstandigheid’ noemde, ‘niet alleen tegen de tyrannie, maar tegen alles wat laag is, gluiperig, laf of halfslachtig.’ Het is dan ook niet verwonderlijk dat Peter van Steen een gedicht aan zijn favoriete schrijver/dichter schreef dat eerst in het ‘Nieuw Vlaams tijdschrift’ in 1965 en later in zijn bundel ‘Aan het raam en erbuiten’ uit 1971 verscheen.

.

Herinnering aan Willem Elsschot

.

Zo vaak moet ik nog aan hem denken,

hij schreef niet meer

maar ’t was zo veilig dat hij er nog was;

nu kijk ik naar zijn dodenmasker.

Zó veel bleef ongezegd

van Bach en Mozart , Multatuli,

van communisme en het christendom;

hij zou ze samen laten gaan

maar in de duinen zong hij luid

met tranen in de ogen:

‘Und alle deine Tränen

und alle deine Tränen

und alle deine Tränen

mamita mia

werden wir rächen’

en hij schuwde het geweld,

sprak tandenknarsend van tederheid.

Maar uitdagend zong hij verder:

‘Und alle deine Knechtschaft

und alle deine Knechtschaft

und alle deine Knechtschaft

mamita mia

werden wir brechen.’

Maar het slijpen in de straten van Antwerpen is voorbij;

geen schuimend bier,

geen onverzettelijkheid,

geen snelle blik naar mooie vrouwen,

fini, afgelopen, uit.

‘De aarde is niet uit haar baan gedreven.’

.

 

Drogist

En dichter

.

Schreef ik deze week al over het gedicht van Fritzi Harmsen van Beek met de titel ‘Allerzielen 2 november 1974’, vandaag alweer een aan Allerzielen gerelateerd gedicht. De afgelopen twee jaar mocht ik meedoen aan ‘Dichter bij de dood’, een initiatief van Marjon en Liesbeth en de begraafplaats Oud Eik en Duinen in Den Haag, op 2 november (Allerzielen). Op die dag is de begraafplaats niet alleen ’s avonds open voor publiek maar er werd door de organisatie een activiteit met dichters en muzikanten georganiseerd rond de vele bekende Nederlandse dichters, schrijvers, musici en kunstenaars die daar begraven liggen. Bekende namen als Louis Couperus, Pieter Cornelis Boutens, Menno ter Braak, Ferdinand Bordewijk, Aad Nuis en Jan Prins. Maar ook iets minder bekende name.  Zo heb ik twee jaar geleden de dichter Dop Bles in het zonnetje gezet en vorig jaar de dichter George Boswell. En mocht je nu gaan denken dat dat helemaal geen bekende Nederlanders zijn, in hun tijd waren ze dat wel degelijk. Zie hiervoor https://woutervanheiningen.wordpress.com/2019/10/26/tranen/ en https://woutervanheiningen.wordpress.com/2018/10/16/voordracht-tijdens-allerzielen/ .

Dit jaar koos ik voor de negentiende-eeuwse drogist en dichter (wat een fijne combinatie) Samuel Johannes van den Bergh (1814 – 1868) . Sam Jan van den Bergh was iemand die leefde voor zijn vak, niet alleen dat van drogist maar zeker ook dat van dichter. Hij schreef in de traditie van Tollens en richtte samen met enkele andere ondernemers in Den Haag het genootschap ‘Oefening kweekt kennis’ op. Naast eigen dichtwerk was van den Bergh ook actief als vertaler uit het Duits, Frans en Engels.

In 1851 verscheen van S.J. van den Bergh samen met J.J.L. ten Kate en illustrator Jacob van Lennep de bundel met jeugdpoëzie ‘Het nachtegaaltje’ en daaruit komt het gedicht ‘De zwaluw’.

.

De zwaluw

.
Zwaluw met uw bonte veêren,
O wat leven heb je niet!
Zeker ken je geen verdriet;
Als je langs de vaart gaat scheren,
Door je wiekjes voortgetild,
Doe je wat je ’t liefste wilt:
Niemand die u ’t minst doet vreezen,
Niemand die u dwingen mag;
O het moet regt prettig wezen
Vrij te zijn zoo dag aan dag!
.
.
Laat mijn vlugt u niet bedriegen,
Meestal, knaap, misleidt de schijn;
Wat ge u inbeeldt is niet mijn;
Fladdrend vang ik mugjes, vliegen,
En insekten telken reis;
Voor mijn jongen is het spijs.
Als ge mij zoo rond ziet zweven,
Werk ik aan mijn dagtaak blij:
Arbeid is de wet van ’t leven;
God schiep daarvan niemand vrij.
.
.
                                                                                                                          Gravure uit het Gemeentearchief Den Haag