Categorie archief: Dichtbundels
Ik droomde
Breyten Breytenbach
.
In november van vorig jaar schreef ik al over de bundel De zingende hand uit 2017 van de Zuid Afrikaanse dichter Breyten Breytenbach (1939). Nu zat ik afgelopen week weer eens te lezen in de bundel en ik bleef hangen bij het gedicht ‘ik droomde’. In dit gedicht beschrijft Breytenbach naar mijn mening het soms moeizame proces van dichten. Aan de ene kant het licht, de opwinding van een nieuw gedicht en aan de andere kant de duisternis, het vastzitten en het blind staren op het vel papier waar maar niets op komt.
En de laatste zin, ‘het verbeelde ding / waarover jij zingt met dichte mond’ is exemplarisch voor dat gevoel, het gedicht dient zich aan maar de woorden eraan geven wil maar niet lukken: zingen met dichte mond. Laurens van Krevelen vertaalde de gedichten in deze bundel maar de liefhebber heb ik het Afrikaanse origineel erbij gezet.
.
ik droomde
.
Ik droomde dat ik in mijn gedicht
in de deuropening zag staan
omstraald door licht
en met een briefje in de hand
.
ik vouwde de boodschap open
en zag daarin bijna onzichtbaar geschreven:
ik ben het gedicht waarvan jij droomt
het in het licht te brengen
.
maar ik ben ook de duisternis
waar jij je blind op staart
het leven leeft
slechts in de openingen van de tekst
,
en in verbeelding, het verbeelde ding
waarover jij zingt met dichte mond
.
ek het gedroom
.
ek het gedroom ek het my gedig
in die deuropening sien staan
met lig omstraal
en ’n papiertjie in haar hand
.
ek het die boodschap oopgevou
en daar byna onsigbaar geskryf sien staan
ek is die gedig waarvan jy droom
om na die lig te haal
.
maar ek is ook die donkerte
wat jy jou blind teen staar
die lewe leef
net in die openingen van die teks
.
en verbeelding, die verbeelde ding
waarvan jy toemond sing
.
Stortregen
De muze en de seizoenen
.
Op een dag als vandaag, wanneer de regen zonder pauze uit de hemel blijft vallen, zijn er altijd gedichten om de ‘pijn’ te verzachten. Ik ben een mens van de zomer en het voorjaar, het licht en de warmte en ik kan me heel moeilijk voorstellen dat er mensen zijn die de herfst en de winter als favoriet seizoen verkiezen. Het grijsgrauwe nat en de bijbehorende kilte en kou van deze seizoenen bevalt me maar niks.
In 1953, een gedenkwaardig jaar, gaf de Vereeniging ter bevordering van de belangen des boekhandels, ter gelegenheid van de Boekenweek, nog geen maand na de Watersnoodramp, de bundel ´De muze en de seizoenen´ een bloemlezing van verzen uit, waarin dichters de vier seizoenen bezingen verdeeld in vier afdelingen en bevattende twee en vijftig verzen, voor iedere week van het jaar één.
Het gedicht uit deze bundel dat nog het best bij de dag van vandaag past is het gedicht ´Herfstmiddag´, want zo voelt het vandaag, van Guillaume van der Graft (1920 – 2010) . Het gedicht verscheen in 1950 in de bundel ´Mythologisch´ bij uitgeverij Holland.
.
Herfstmiddag
.
Nu het stortregent
en ieder ding verdwijnt
in ’t overwegend
en onbelijnd
geweld van overvloed,
wordt mij bewuster
wat ik geloven moet:
men kan geruster
zijn als de ramp losbreekt
over het leven,
dan waar de lamp verbleekt
in angst en beven,
want in de overmacht
van ’t reppend oerbegin
zet God onverwacht
herscheppend in.
.
C.B. Vaandrager
Martin, waarom hebbe de giraffe…
.
In een tweedehandsboekenzaak vond ik, na daar lang gezocht naar te hebben, voor het eerst een bundel van de Rotterdamse dichter C.B. Vaandrager (1935 – 1992) met de bijzondere titel ‘Martin, waarom hebbe de giraffe…’. In deze derde dichtbundel van Vaandrager staan 49 gedichten over voorwerpen. Hij ‘behandelt’ daarbij allerhande objecten, variërend van een kurketrekker tot een stuiver en van een verkeersagent tot meeuwen en een bloemkool. De, vaak fonetisch getypte, gedichten zijn geïnspireerd en gekopieerd uit een onderzoeksrapport uit 1938 naar de woordenschat van Nederlandse kinderen.
Het lijken wel lemma’s uit een encyclopedie of woordenboek maar dan in (Rotterdamse) spreektaal. Deze bundel uit 1973 werd uitgegeven in de Sonde-reeks door de Rotterdamse Kunststichting waarin ook Jules Deelder, Rien Vroegindeweij en Wim de Vries poëzie publiceerden. De titel van deze bundel verwijst naar Martin Mooij en de speelgoedgiraf van dochter Isis Vaandrager.
Ik wil hier twee voorbeelden van deze wat absurdistische poëzie met jullie delen ‘ 41 Naaimachine’ en ’23 Plafond’.
.
41 Naaimachine
.
Naaivliegmachine.
Moeje goed mee naaie, heb manke Wim ook.
Koffiemole, mole, naaimole, wringer:
naasliggende bekende gezien.
Naaidinges.
Zamole (Zaagmolestraat? Snijbonemole?)
Nie te weinig:
handmachine om te stikke.
.
23 Plafond
.
Muur, 15x, kalkmuur, bovemuur,
muur in hoogte.
Zolder, dak, waartoe verleid door
plafondplaats kamer.
Zelfs: 10x lucht is zo te verklaren.
Weer andere: kalk, 10x.
Weer ander (te veel): roukamer met
plafond.
.
Geboren worden
Anton Korteweg
.
Afgelopen week kreeg ik het bericht dat een collega van me was bevallen van een zoon. Ik moest toen meteen denken aan een gedicht dat ik in de bundel ‘Enfin’ van Anton Korteweg uit 2021 had gelezen daags daarvoor. In de Poëzieweek kreeg je de bundel van Ramsey Nasr gratis bij aankoop van poëzie. Nu stond de bundel van Anton Korteweg al even op mijn verlanglijstje, helemaal nadat ik hem had horen voordragen in september 2021 op de Leidse Poëzienacht dat werd georganiseerd door Fields of Wonder.
Anton Korteweg is dichter en neerlandicus die van 1979 tot 2009 hoofdconservator (directeur) was van het Nederlands Letterkundig Museum en Documentatiecentrum in Den Haag. Sinds zijn debuut in het literair tijdschrift Tirade in 1968 heeft Anton Korteweg met regelmaat dichtbundels gepubliceerd. Zijn poëzie kenmerkt zich door de ironische beschrijving van kleine gebeurtenissen, die gevoelens van melancholie oproepen. Zijn enigszins afstandelijke stijl bedient zich van woordspelingen en archaïsmen en een alledaagse woordkeuze voor verheven onderwerpen. Voor zijn poëzie werd Korteweg in 1986 de A. Roland Holst-Penning toegekend.
Het gedicht waaraan ik moest denken is getiteld ‘Geboren worden: over hoe je er ook naar kunt kijken’ en is grappig maar helemaal waar.
.
Geboren worden: over hoe je er ook naar kunt kijken
.
Negen maanden later
moet je er toch echt uit,
hoe goed je het ook naar je zin hebt.
.
Je hebt er dan al bij al
veel langer gewoond dan je vader.
Die bleef altijd maar even.
.
Ze is wel jouw huis, maar het moet;
haar nood wordt gewoon te hoog.
.
Je wordt een uit de klei
je ondergang tegemoet
gedwongen regenworm.
.
Je vader maakt een beginnetje,
je moeder schenkt je de dood.
.
Gevangenisdeuren kunnen alleen van buitenaf geopend worden
Gil-won Lee
.
Van Job Degenaar, president van het PEN Emergency Fund kreeg ik de poëziebundel ‘The Prison Doors Can Only be Opened from the Outside’ van Gil-won Lee. Daarover zo meer. PEN (afkorting van Poets, Essayists, Novelists / Playwrights, Editors en Non Fiction Writers), is een wereldwijde organisatie van en voor schrijvers, die de vrije verspreiding van literatuur en de vrijheid van expressie hoog in het vaandel heeft. Er zijn meer dan 140 Pen-centra in ruim 100 landen. Het hoofdkantoor is gevestigd in Londen.
Het PEN Emergency Fund is een in Nederland gevestigd, wereldwijd opererend noodfonds, in 1971 opgericht door de schrijver A. den Doolaard. Het ondersteunt ernstig vervolgde schrijvers en journalisten, al dan niet in ballingschap, met een eenmalige toelage waarmee zij zich (en in bijzondere gevallen hun familie) in een noodsituatie kunnen handhaven, bijvoorbeeld wanneer ze acuut het land moeten ontvluchten of na mishandeling dringend medicatie nodig hebben.
Gil-won Lee is dichter. En hij publiceerde verschillende gedichtenbundels, ook ontving hij de “Presidentiële Koreaanse Cultuur- en Kunstprijs”, “de Cheon Sang-byeong Poetryprijs” en “de Yun Dong-ju Literatuurprijs. Op basis van de vele gesprekken die Lee voerde met Noord Koreanen die dat land konden ontvluchten naar zuid Korea, schreef hij de gedichten in de bundel ( in het Koreaans en het Engels) ‘The Prison Doors Can Only be Opened from the Outside’. Hij schreef deze bundel in eerste instantie voor zijn landgenoten (Zuid Koreanen) die maar heel weinig weten van de omstandigheden in hun buurland.
De bundel is opgedeeld in 5 hoofdstukken met titels als: The Prison Doors Can Only be Opened from the Outside, A Daily Journal of a Concentration Camp, Bear, Poison en The Trauma of the Korean War. Met name het hoofdstuk over het leven in een concentratiekamp is heel confronterend en indringend, zoals dit stuk uit het openingsgedicht ‘The Angel of Death’ laat zien:
.
Three years in a forced labor camp.
They say it will fix my rotten spirit
My head is used to whipe the floors
But the hardest thing to endure is
Hunger.
.
De gedichten over de gruwelijkheden in de kampen (martelingen, verkrachtingen) zijn hartverscheurende ooggetuigenverslagen. Misschien niet altijd even poëtisch maar door hun inhoud blijven ze je bij. In het hoofdstuk ‘Bear’ staan gedichten waarin Zuid Korea kritisch wordt beschreven, het consumentisme, de onwetendheid, het wegkijken. In het hoofdstuk ‘Poison’ gedichten over de Noord Koreanen die vluchten uit Noord Korea naar China en Zuid Korea, de ontberingen en het onbegrip en de problemen waarmee ze worden geconfronteerd als ze eenmaal in Zuid Korea zijn aanbeland. In het laatste hoofdstuk gedichten over de Koreaanse oorlog, de trauma’s van die oorlog en wat het nog steeds doet met de twee landen.
Al met al geen bundel om even voor je plezier te lezen maar wel een bundel die je aan het denken zet, die Noord Koreanen een stem geeft en hopelijk (in ieder geval bij Zuid Koreanen) een verandering in denken over gevluchte Noord Koreanen teweeg brengt. Uit het hoofdstuk ‘Poison’ het gedicht ‘Butterfly’.
.
Butterfly
.
The dew caught in the web of a spider
Blinded by sunlight
A butterfly
Tries to sit on that jewel-like dew
Tries to sit, but gets caught in the web
The more it struggles, the more the web tightens
It becomes a butterfly that can no longer fly
A butterfly hat can only longer fly
Within a forest that nobody sees
On a spring morning
.
Oh, the humanity
Oh, the humanity
.
I love you like I love myself
Marieke Lucas Rijneveld
.
Hoewel de nieuwe bundel van Marieke Lucas Rijneveld echt geen extra ondersteuning of publiciteit behoeft, daar zorgt de bundel zelf wel voor en anders Marieke Lucas of haar uitgeverij wel, wil ik toch hier over ‘Komijnsplitsers’ een stukje schrijven. De reden is de volgende; ik ken Marieke Lucas (1991) al sinds hij zijn eerste optreden verzorgde op een podium bij Ongehoord! op 20 jarige leeftijd in 2012. Een jaar voordat hij doorbrak met ‘Kalfsvlies’ stond ik samen met hem op het Taalpodium in Zeist en op de dag voordat zijn roman ‘De avond is ongemak’ uit zou komen, trad hij bij mijn bibliotheek op in Maassluis.
Maar er is nog een reden. Voor mijn verjaardag kreeg ik ‘Komijnsplitsers’. De bundel was nog maar net uit en ik heb een derde druk. Ik heb de bundel nog niet gelezen maar bladerend door de bundel kwam ik het gedicht ‘I love you like I love myself’ tegen. De titel begon ik meteen te neuriën, ik ken het nummer van Herman Brood heel goed met die titel. Toen ik het gedicht las bleek de titel inderdaad genomen te zijn uit dit nummer van Brood.
Hoewel ik de gedichten (op een enkel gedicht dat al eerder werd gepubliceerd na) nog niet heb gelezen, blijkt ook deze bundel weer een typische ‘Rijneveld’. En omdat ik in mijn jonge jaren Herman Brood wel tientallen malen heb zien optreden wilde ik jullie dit gedicht maar meteen voorschotelen. Daarom en omdat dit gedicht me meteen greep. In dit gedicht zit voor mij alles waar Marieke Lucas de afgelopen jaren doorheen is gegaan. ‘een jongetje uit me geknipt’ het mogen worden wat je wil, de Schepper (met hoofdletter!) die dus nog steeds een belangrijke rol speelt in het leven van Marieke Lucas, het scheefgeknipt zijn, de schaamtelijm en het gelukkig zijn en dat niemand het volume bepaalt behalve zij. Een gedicht dat nu al een klassieker is voor mij.
.
I love you like I love myself
.
Lang geleden dat de zondag spinnend naast mij lag,
dat ik geen verdrietplaatjes draaide, het levenslied een keer
niet uit mijn borstkas knalde, gewoon een trage wals met
.
de stilte. Ik heb de schaar in mijn haar gezet en waterpas een
jongetje uit me geknipt, daarna was mijn lampenzwarte
dakhaasliefje aan de beurt, hem gezegd dat hij alles
.
mag worden, zelfs een zilverreiger of een aalscholver,
behalve dan het plagerige donker, een diefachtige,
om na het knippen met hem in mijn armen door de kamers
te zwieren – Hazes slaan we over, van Hazes krijgen we jeuk-
.
en hem af en toe met heel zijn kattengewicht in mijn hals
te leggen, zachtjes toe te fluisteren dat hij mijn Schepper is,
zonder hem ben ik onaf, zonder hem sta ik constant in de
.
steigers. Ik weet dat we allebei haveloos van schoot naar
schoot gaan, dat we constant op zoek zijn naar de hand die
ons kriebelt, die ons van alle toorn en wreveligheid ontvlooit
– Brood draaien we hard, Brood helpt ons uit het lood-
.
maar nu zwieren we door dit moederloze oord, neuriën
de songtekst foutloos mee, en ik durf zelfs te beweren dat we hier,
hoe scheefgeknipt we onszelf ook zien, hoe stijfjes ook onze
.
danspasjes door een teveel aan schaamtelijm tussen onze
gewrichten, toch durf ik hier te beweren dat we gelukkig, o zo
gelukkig en niemand, behalve wij, controle over het volume.
.
Trojaanse gedachten
Guislain
.
Enige jaren geleden was ik voor het eerst in Gent in Museum Dr. Guislain. Dit museum is gewijd aan de psychiatrie in België en is gehuisvest op het terrein van de oudste psychiatrische inrichting in België die nog steeds als zodanig in gebruik is. Het museum is een cultureel ijkpunt met betrekking tot de geschiedenis van en actuele discussies over psychiatrie en geestelijke gezondheid, zorg, en kunst en waanzin.
Wat me vooral heel erg goed is bijgebleven van mijn bezoek is de tentoonstelling van de geschiedenis van de psychiatrie in het museum. De zeer indringende foto’s van patiënten van 100 jaar geleden, de zalen met bedden en de machines voor schriktherapie (elektroshocktherapie). Ik moest hieraan terugdenken toen ik in de bundel ‘Trojaanse gedachten’ van de in Warschau geboren dichter Alicja Gescinska (1981) het gedicht ‘Guislain’ las dat overduidelijk over deze instelling en zijn historie is geschreven.
Ik kreeg de bundel cadeau bij de laatste editie van het poëzietijdschrift Awater (ik heb een abonnement waarbij je steeds de clubkeuze cadeau krijgt). Grappig genoeg had ik pas daarvoor de recensie op Meander van Wim Platvoet gelezen die niet onverdeeld positief was. Zet dat af tegen het ‘clubkeuze’ maken en eens te meer blijkt dat over smaak wel degelijk te twisten is.
Omdat ik het gedicht ‘Guislain’ herkenbaar vond, het me deed terugdenken aan mijn bezoek aan het museum, wil ik het hier met jullie delen en ik kan een bezoek aan het museum zeer aanbevelen.
.
Guislain
.
Op het bed ligt een vrouw die aan vroeger denken doet.
De slaap woekert tegen de opgang van gedachten, eindelijk.
De kraan wordt even stil gedraaid, ook ik durf weer te ademen.
Nog hier en daar een woord dat valt, alles in haar nieuwe taal.
Verdwaalde intervallen van begrip is waar ik het mee moet doen.
De rest vervluchtigt, zinkt weg tussen de plooien van het matras.
Een verpleegster komt langs, stelt gerust, mij meer dan haar:
Geduldig zijn, neuroleptica vragen tijd, witte pillen van hoop.
Even later zijn we weer alleen, wat woorden strompelen uit haar.
Morgen zal het beter gaan, morgen spreekt ze weer mensentaal.
Een wankele zekerheid, in haar kamer zonder deurslot,
Even hermetisch open als de gangen in haar hoofd.
Haar helderheid loopt voortaan aan de leiband.
.
Billy Collins
Van Ingmar Heytze naar Billy Collins
.
Afgelopen vrijdagavond keek ik van 20.00 tot 20.30 naar een voordracht van Ingmar Heytze op de website van de Bibliotheek Den Haag in het kader van de Poëzieweek 2022. Tijdens zijn voordracht vertelde Ingmar over een dichter die hij erg bewonderd namelijk de Amerikaanse dichter Billy Collins. Ingmar was op het bestaan van deze dichter gewezen door Kees van Kooten (die Billy Collins ook bewonderd) die werk van deze dichter heeft vertaald in de bundel ‘Zo Wordt U Gelukkig’ en de poëzie van Billy Collins.
Zoals je van mij gewend ben ga ik vervolgens op zoek naar deze bundel en naar informatie over Billy Collins. Collins (1941) was Distinguished Professor aan het Lehman College van de City University of New York ( gepensioneerd, 2016). Hij was Poet Laureate (zeg maar dichter des vaderlands) van de Verenigde Staten van 2001 tot 2003 en New York State Poet van 2004 tot 2006.
Billy Collins kreeg voor zijn werk vele prijzen waaronder verschillende van het poëzietijdschrift ‘Poetry’. Een van zijn meest veelgeprezen werken, ‘Fishing on the Susquehanna in July’ is toegevoegd aan de bewaarde werken van het literairVrer register van de Verenigde Staten als zijnde een cultureel belangrijk gedicht. Het gedicht is opgenomen als onderdeel van de landelijke examens voor voortgezet onderwijs in de Verenigde Staten.
Collins publiceerde acht dichtbundels, waarvan meer dan 250.000 exemplaren werden verkocht. Kees van Kooten vertaalde gedichten van Collins om het humoristische karakter. Hieronder het gedicht ‘Vergeetachtigheid’ . ‘Forgetfulness’ zoals de titel in het Engels is, werd voor het eerst gepubliceerd in het tijdschrift Poetry in januari 1990 en staat ook in het boek ‘Questions About Angels’ uit 1999. Een uitgebreide analyse van dit gedicht vind je hier.
.
Vergeetachtigheid
.
De naam van de schrijver ontschiet je als eerste
gehoorzaam gevolgd door de titel, de inhoud,
Het is alsof, beetje voor beetje, alle gekoesterde herinneringen
hebben besloten te gaan wonen op het zuidelijk halfrond van je brein,
Al lang geleden kuste je de namen van de negen Muzen vaarwel
en zag je de vierkantsvergelijking haar biezen pakken
is er iets anders dat je ontglipt, een beschermde bloemsoort wellicht,
Wat je ook wanhopig tracht terug te halen,
het ligt niet langer op het puntje van je tong
Het ging kopje-onder in een zwarte, mythische rivier
want jij bent op weg naar diezelfde vergetelheid, waar je zult horen
Begrijpelijk dat je midden in de nacht je bed verlaat
En geen wonder dat de maan in het raam lijkt weggedreven
uit een liefdesgedicht dat je uit je hoofd kon opzeggen.
.
.














