Site-archief
Smaak
Anton Korteweg
.
Anton Korteweg (1944) is dichter en neerlandicus en was directeur van het Letterkundig museum en Documentatiecentrum in Den Haag. Toen in 2009 het Nationaal Documentatiecentrum Maarten ’t Hart werd opgezet in de bibliotheek van Maassluis was hij één van de leden van het comité van aanbeveling.
Sinds zijn debuut in Tirade in 1968 heeft Anton Korteweg met regelmaat dichtbundels gepubliceerd. Zijn poëzie kenmerkt zich door de ironische beschrijving van kleine gebeurtenissen, die gevoelens van melancholie oproepen. In zijn enigszins afstandelijke stijl bedient hij zich van woordspelingen en archaïsmen en maakt hij gebruik van alledaagse woorden voor verheven onderwerpen. In 1986 ontving hij de A. Roland Holst-Penning.
.
Uit de bundel ‘Voortgangsverslag’ uit 2005 het gedicht ‘Smaak’.
.
Smaak
.
De liefste muziek blijft toch die
waarbij je afwassen kan,
ouderwets, zonder machine,
met teiltje en afwaskwast.
.
Lepels tegen een kopje,
geplop, gerinkel van glaswerk,
een botsend bord, vallende vorken
doen er geen afbreuk aan.
.
Ik kom dan al snel terecht
bij Carmen, Bolero, Liszt,
Traviata, Eroica,
maar Mahler gaat me te ver.
.
Dik bovenop, vettig, tering,
let niet op een haaltje extra,
luid, schmierend, duidelijk.
.
Lekkere, hoerige ordi’s
niet om aan te horen zo plat,
die doen het bij mij altijd wel.
.
Richard ‘Dicky’ Spender
Collected poems
.
Toen Richard Spender (1921 – 1943) op 21 jarige leeftijd bij een aanval op Duitse stellingen in Tunesië het leven liet, had hij reeds een bundel gepubliceerd en was hij een gewaardeerd dichter. De Daily Telegraph schreef over hem als de Rupert Brooke van de Tweede Wereldoorlog. Rupert Brooke was een getalenteerd dichter die in actieve dienst in de Eerste Wereldoorlog overleed.
Zijn gedichten werden gepubliceerd door Sidgwick & Jackson in 3 bundels; ‘Laughing Blood’ uit 1942, ‘Parachute Battalion; last poems from England and Tunisia’ uit 1943 en ‘The Collected Poems’ uit 1944. Mijn exemplaar van The Collected Poems is een derde druk uit 1945.
Daarnaast werden zijn gedichten gepubliceerd in bladen en magazines als Punch, Country Life, John O’ London’s Weekly, The Observer en the Times Literary Supplement.
Zes van de gedichten van Richard Spender zijn geschreven tijdens en na zijn training en dienst bij The Parachute Regiment. Een van deze gedichten is getiteld
.
Before the First Parachute Descent
De witte meeuw
Henri Bruning
.
Vandaag in de categorie (Bijna) vergeten dichters de dichter H. Bruning (1900 – 1983). Henri Bruning was dichter en essayist.
Henri Bruning debuteert in 1924 met de dichtbundel De Sirkel. Vanaf 1934 is hij actief in de katholiek-solidaristische beweging Verdinaso (Verbond van Dietsche Nationaal-Solidaristen). Deze organisatie was in 1931 in Vlaanderen opgericht. Dit Verdinaso was in Nederland vooral een katholieke beweging, waarvan een aantal leden uiteindelijk in de herfst van 1940 overging naar de NSB.
In de jaren dertig publiceert Bruning dichtbundels als Het verbond (1931) en Fuga (1937). Regelmatig schrijft hij in De Christofore en hij staat vóór de Tweede Wereldoorlog bekend als de schrijver van Subjectieve normen (1936) en Verworpen christendom (1938). Deze groot-opgezette en geïnspireerde opstellen over actuele religieuze en culturele problemen maken van Bruning een der meest bezielde en toonaangevende schrijvers onder de jongere katholieke auteurs.
Eind 1940 wordt Bruning lid van de NSB en eindredacteur van De Schouw, het blad van de Nederlandse Kultuurkamer. Hij is gedurende de oorlog actief als censor en wordt uiteindelijk in 1944 lid van de Germaanse SS in Nederland.
Na de oorlog wordt hij tot twee jaar en drie maanden internering veroordeeld en krijgt hij een schrijfverbod van tien jaar opgelegd. In 1954 neemt het literaire maandblad ‘Maatstaf’ een gedicht van Bruning op en geeft uitgever Bert Bakker zijn ‘Gezelle, de andere’ uit. Deze uitgave wekt bij veel letterkundigen en boekhandelaren weerstand en het wordt duidelijk dat hij zijn letterkundige positie van vóór 1940 niet terug zal krijgen. Bruning wordt tot het eind van zijn leven gemeden door gevestigde literaire kringen. Dat verhindert hem niet om in eigen beheer nog menige dichtbundel te publiceren.
In de bundel ‘Nieuwste dichtkunst’ uit 1934 staat een gedicht van Henri Bruning ‘De witte meeuw’. Toen nog niet onder de invloedsfeer van het Nationaal-Socialistisch denken.
.
De witte meeuw
.
Een meeuw zijn – en de ruimte toebehoren,
een meeuw die het dof dreunen van de zee niet hoort
maar steiler klievend, stormen, zon en regen
gelijkelijk, en niet, en onvervaard
behoort.
.
maar méér – o mateloos azuur – een meeuw die snel en wit
over de duinen schiet
gelijk een vuren licht; in kalme pracht
boven de branding zweeft
en zwenkend, steiler, rustelozer, kleiner
naar de heldere pracht
der verten streeft
Uit: Het verbond, Het Sinjaal, 1931
.
Dichter in het verzet
Louis de Bourbon
.
Louis Jean Henri Charles Adelberth de Bourbon (1908 – 1975) was een bijzonder mens, dichter en prozaschrijver. Hij was een achterkleinzoon van de in 1845 te Delft overleden Franse troonpretendent Karl Wilhelm Naundorff, wiens nazaten – ten onrechte, zou later blijken – gerechtigd waren de naam Bourbon te voeren. In 1998 werd middels DNA onderzoek aangetoond dat Naundorff niet verwant was met de familie de Bourbon en dus geen nazaat van Lodewijk XVI.
Louis de Bourbon studeerde in Nijmegen (rechten) en publiceerde vanaf 1932 werk in onder andere in ‘Het Venster’ en later in ‘De Gemeenschap’ waarvan hij ook redacteur werd. Van 1938 tot 1941 was hij burgemeester van Escharen. In 1941 werd hij benoemd tot burgemeester van Oss. Vanwege toenemende onvrede over de maatregelen van de Duitse bezetter nam Bourbon ontslag in 1943. Hij dook onder en ging in het verzet. De Duitse bezetter veroordeelde hem bij verstek ter dood. Daags na de bevrijding van Oss (19 september 1944) werd Bourbon als waarnemend burgemeester van Oss aangewezen. In 1946 trad hij terug en wijdde zich vooral aan de letteren. In de Nederlandse Poëzie Encyclopedie staat in een stukje over jonge katholieke dichters (de jong-katholieke poëten) uit de jaren dertig van de vorige eeuw:
“Een onthutsend groot aantal van hen (van de jong-katholieke poëten) belandde in nationaal-socialistisch vaarwater. Daarom was ik des te opgeluchter toen ik vandaag Louis de Bourbon in het lopende NPE-onderzoek behandelde. Niet alleen een goed dichter, maar ook nog eens een oprecht en dapper mens.”
In totaal publiceerde hij 8 dichtbundels. Uit de bundel ‘In Ballingschap’ uit 1939 het gedicht ‘Sonnet in de Lente’.
.
Sonnet in de Lente
.
Aan Gudrun
Toeristiese aangelegenheid
Gust Gils
.
De Vlaamse dichter Gust Gils (1924 – 2002) uit Antwerpen was een van de oprichters van het bekende avant-gardistische tijdschrift ‘Gard Sivik’. Ook was hij redacteur van het Nederlands literaire tijdschrift ‘Podium’ dat heeft bestaan van 1944 tot 1969.
Het poëtisch oeuvre van Gils wordt gekenmerkt door een sterke muzikale invloed (zie de titels van enkele dichtbundels die het woord “partituur” bevatten). De dichter beweerde zelf dat zijn poëzie een “auditief” karakter had. Gils hoorde zijn gedichten en vond dat die ook vooral hardop gelezen moeten worden. Belangrijk daarbij is niet zozeer de welluidendheid van het vers, als wel het ritme. Later zou Gils de schemerzone tussen poëzie en muziek verder verkennen in zogenaamde “verbosonische” experimenten.
Gust Gils kreeg voor zijn werk onder andere de Lucy B. en C.W. van der Hoogtprijs en de Oeuvreprijs van de Vlaamse Gemeenschap.
Van zijn hand een mooi licht absurdistisch gedicht.
.
.
Toeristiese aangelegenheid
onmogelijke belichting.
kriskras.
vierkante middeleeuwse overblijfsels
(volgens beschrijving) van een stad,
onder de voet. dalen. meters diep in keihard
verdikt verleden.
achttien zijn wij
– het lampje meegeteld nabij het hangmat
waarlangs de gids met sleutels en ketens
als laatste nu naar beneden klautert.
Uit: ‘Een plaats onder de maan’ uit 1965.
.
Met dank aan Wikipedia en gedichten.nl
Altijd
Bert Voeten
.
Van de dichter Bert Voeten (1918 – 1992) het gedicht ‘Altijd’ uit de bundel ‘Gedichten 1938 – 1992 uitgegeven door de Bezige Bij. Bert Voeten was dichter en vertaler en was getrouwd met Marga Minco. Voeten werkte ook onder de pseudoniemen B. van Beenen, Hans van den Bosch en Leo H. van der Mark. Hij publiceerde zijn poëzie vooral tussen 1944 en 1966. Daarna werd het stil tot in 1988 de bundel ‘Het een wel, het ander niet’ verscheen. Daarna duurde het tot 2001 tot een overzicht van zijn werk verscheen bij de Bezige Bij. Hij ontvang voor zijn werk de Lucy B. en C. W. van der Hoogtprijs, de Jan Campertprijs en de Martinus Nijhoffprijs.
.
Altijd
.
Soms kan men wakker worden
en zeggen: zie, we zijn warm
en onbekleed, onze handen
zijn huisdieren, zij wandelen
over een schouder, een borst,
zij schuilen in okselnesten,
in tedere huidplooien, zij
stenograferen liefde en spreken bijna.
.
Soms zijn de mensen een handbreed
van het geluk af, dromend
in een junivertrek. De zon laat
goudkevers over hun handen
lopen; de middag legt zijn
oor aan hun borst en luistert
naar het gepraat van hun hart, naar
de muziekdoos van hun gedachten.
.
En altijd komt de nacht met
handenvol donker. Slaaploos
keert men terug naar wat men
even vergat, terug naar
wat men altijd verwacht: een
hand die vuist wordt, een vuist
die neer kan komen, eensklaps
midden in ons bestaan.
.
Herman de Coninck
Nog meer liefde
.
In het kader van de liefdespoëzie vandaag een gedicht van Herman de Coninck. Herman de Coninck (1944 – 1997) was een Vlaams dichter, essayist, journalist en tijdschriftenuitgever. Hij staat bekend als ‘De man die zijn volk poëzie leerde lezen’. Hij wordt ook gezien als de vader van het nieuw realisme omdat hij gewone taal en het gewone leven laat doorklinken in zijn poëzie.
.
*
.
middenin de vlakte van juli
kwam ik je tegen, ik woon hier, zei je.
ik keek naar de bloemen. ja dat zie ik, zei ik.
.
je was lenig; en je woorden waren zo
doorschijnend, ik kon je er helemaal
door zien.
en daar lag ik al in het gras
en wat hield ik in mijn hand?
een oortje, waarin ik het lange woord
‘Lieveling’ uitgoot, zonder morsen.
.
Uit: Onbegonnen werk, 1984
The white cliffs
Alice Duer Miller(1874-1942)
.
In de categorie films gebaseerd op poëzie vandaag de film The White Cliffs of Dover uit 1944. Het lange gedicht in 52 verzen werd in 1940 gepubliceerd en verkocht al snel meer dan een miljoen exemplaren. Ook Winston Churchill staat bekend al lezer van dit gedicht.
Het verhaal is dat van een jong Amerikaans meisje Susan, dat vlak voor het begin van de Eerste Wereldoorlog naar Londen komt als toerist. Daar ontmoet ze een jonge Engelsman sir John Ashwood, uit de upper class en trouwt met hem. Ze krijgen een zoon en al snel gaat John naar het front op het vaste land van Europa. Vlak voor het einde van de Eerste Wereldoorlog komt John om en Susan blijft alleen op het landgoed achter met hun zoon. Ondanks dat haar vaderland Amerika trekt en de armoedige staat van het landgoed besluit ze in Engeland te blijven en het leven van een lady te leiden. Het gedicht eindigt wanneer de Tweede Wereldoorlog op het punt van uitbreken staat en Suzan zich afvraagt of ze na haar man nu ook haar zoon zal verliezen in een Wereldoorlog.
Alice Duer Miller heeft de verfilming niet meer mee kunnen maken, zij stierf in 1942.
In de film uit 1944, spelen Irene Dunn (Suzan) , Alan Marshall (John) en Roddy McDowall (John II) de hoofdrollen. De regie was in handen van Clarence Brown.
.
Het eerste en het laatste vers:
.
I
I have loved England, dearly and deeply,
Since that first morning, shining and pure,
The white cliffs of Dover I saw rising steeply
Out of the sea that once made her secure.
I had no thought then of husband or lover,
I was a traveller, the guest of a week;
Yet when they pointed ‘the white cliffs of Dover’,
Startled I found there were tears on my cheek.
I have loved England, and still as a stranger,
Here is my home and I still am alone.
Now in her hour of trial and danger,
Only the English are really her own.
.
LII
And were they not English, our forefathers, never more
English than when they shook the dust of her sod
From their feet for ever, angrily seeking a shore
Where in his own way a man might worship his God.
Never more English than when they dared to be
Rebels against her-that stern intractable sense
Of that which no man can stomach and still be free,
Writing: ‘When in the course of human events. . .’
Writing it out so all the world could see
Whence come the powers of all just governments.
The tree of Liberty grew and changed and spread,
But the seed was English.
I am American bred,
I have seen much to hate here— much to forgive,
But in a world where England is finished and dead,
I do not wish to live.
.
Wil je het hele gedicht lezen dan kan dat op: http://www.poemhunter.com/poem/the-white-cliffs/
.




















