Site-archief
Liedjes
Dubbel-gedicht
.
Vandaag als dubbel-gedicht twee gedichten die het lied of de chanson als onderwerp hebben. De een is triest lied en de ander een slaapliedje.
Het eerste gedicht is ‘Chanson triste’ van Pierre Kemp (1886 – 1967) dat oorspronkelijk verscheen in het tijdschrift ‘Roeping’ uit 1955. Dit katholieke literaire tijdschrift werd opgericht in 1922, door dr. H. W. E. Moller. Moller was een letterkundige die de R.K. Leergangen in Tilburg had opgericht, voorloper van de Katholieke Universiteit Brabant.
Het tweede gedicht ‘Slaapliedje’ is van Gerrit Kouwenaar (1923 – 2014) dat verscheen in ‘De Nieuwe Stem’ uit 1954, een tijdschrift met proza, non-fictie en poëzie, dat verscheen tussen 1946 en 1967. Beide gedichten werden opgenomen in ‘Erts’ een bloemlezing uit de poëzie van heden, samengesteld en ingeleid door Bert Voeten uit 1955.
.
Chanson triste
.
Daar ga ik weer met die trechter
kunnen mijn ogen geen bruiden meer zien.
.
Slaapliedje
.
Of wij nu links of rechts zijn
wij gaan slapen
omdat wij moe zijn
.
ook het koper der trompetten
alsof het goud was
van voor de ijstijd
.
de stemmen van hoog tot laag
worden van twijfel vochtig rose
.
de ogen voorspellen het einde
en slaan de nacht aan zichzelf
.
de wereld staat eenzaam buiten
wij hebben veel mensen vermoord
om de mens met de mens te bewijzen –
.
Voordracht
Richard Minne
.
Hoewel ik een paar boekenkasten vol poëzie heb en dus alle mogelijkheid om van poëzie te genieten, mis ik toch iets. En dat iets is het in levende lijve aanschouwen en aanhoren van dichters die hun werk voordragen. Er gaat niets boven zelf voordragen en al helemaal niet als je op een podium staat met andere dichters. Zo heb ik bijvoorbeeld dit jaar de podia van Ongehoord! In Rotterdam en de Haarlemse dichtlijn enorm gemist. Op 1 dag met zoveel dichters en op verschillende podia voordrachten. Dat is waarlijk genieten.
En omdat het momenteel niet mogelijk is om zelf voor te dragen op een podium of om naar andere dichters te luisteren, heb ik als pleister op de wonde een gedicht opgezocht dat over de edele kunst van het voordragen gaat. Het is het gedicht ‘De voordracht’ van de dichter Richard Minne (1891 -1965).
Minne was een Vlaams dichter en prozaschrijver. Hij debuteerde in 1927 met de bundel ‘In den zoeten inval’. Zijn gedichten verschenen in allerlei literaire tijdschriften. Met name in de jaren dertig en vijftig werd veel van zijn werk gepubliceerd in tijdschriften als ‘De Gids’, ‘Forum’ en Nieuw Vlaams tijdschrift’. Het gedicht ‘De voordracht komt uit ‘In den zoeten inval’ dat in 1955 werd heruitgegeven.
.
De voordracht
.
Wie durft er cynisch te beweren
dat schoonheid geen gemeengoed is?
Vol dames is de zaal en heren
voor des dichters belijdenis.
.
Daar troont hij op het spreekgestoelte,
met zijn Zondagse kleren aan
(Door ’t open raam speelt de onweerszwoelte).
Een volk dat leest kan niet vergaan.
De dichter spreekt in keurge termen:
‘koopt boeken!’ Maar in zijn gemoed
is het alsof de vlammen zwermen.
Koopt boeken? ’t Is ook brandbaar goed.
.
Hong Kong
Albert Hagenaars
.
Met een naam die naar de hofstad verwijst en een gedicht dat de titel draagt van een stad waar de afgelopen jaren veel aan de hand was kom je vanzelf in mijn vakantiegedichten. Albert Hagenaars (1955) schrijver en dichter heeft als belangrijkste thema’s in zijn boeken reizen, interculturele relaties, vervreemding en identiteit. In zijn bundel ‘Drijfjacht’ De ongebundelde gedichten 1979 – 2004 uit het jaar 2005 bevat het gedicht ‘Hong Kong’ waarin het thema interculturele relaties als uitgangspunt dient voor het gedicht.
.
Hong Kong
.
voor Lai Lai Hui
.
Over het gladde water van de haven kringelt
de wierook uit de tempels die de stad haar naam gaf
en mij de roes in de vrouw die jij elke nacht werd.
.
In de tempel van Man Mo met haar begroeide
daken en versleten tegels gingen ze ooit door
de knieën: de soldaat en de koopman en de arts
.
maar nooit de dichter. Wij wachtten, jij en ik
en je moeder die volgens haar wetten over ons
heerste, wachtten tot het ene stokje uit de koker
.
zou vallen waarmee de priester onze toekomst
moest duiden maar ik wist het al; toen jij je benen
om de mijne klemde en trok. Er vielen er vier.
.
Cadeautje
Forough Farrokhzad
.
De Iraanse kunstenaar, documentairemaakster en dichter Forough Farrokhzad (1935 – 1967) was nog erg jong (15) toen ze naar de kunstacademie ging en al even jong toen ze trouwde (16) waarna ze ook alweer heel jong alleenstaand moeder werd (19). Farrokhzad ontwikkelde zich tot een rebelse dichter die de taal van de Iraanse poëzie vernieuwde en (mede daardoor) veel betekende voor de emancipatie van vrouwen. Ze overleed opnieuw erg jong als gevolg van een auto ongeluk. Na de Islamitische revolutie werd haar werk lange tijd verboden door het regime.
Ze debuteert met de dichtbundel ‘De gevangene’ (‘Asir’) (1955) waarin ze haar leven tot dan toe bespiegelt. Hierna volgen nog drie bundels in 1957 en 1958 en in 1964. Na haar dood wordt in 1968 postuum nog de bundel ‘Laten we geloven in het begin van het koude seizoen’ gepubliceerd.
Het gedicht ‘Cadeautje werd nooit gepubliceerd maar door dichter Amir Afrassiabi vertaald naar het Nederlands.
.
Cadeautje
.
ik spreek over de bodem van de nacht
ik spreek over de bodem van de duisternis
en de bodem van de nacht
.
als je bij mij thuis komt, vriend
breng mij een lichtje
en een raampje waardoor ik
naar de gelukkige drukte van de straat kan kijken
.
Glas
Voorbij de laatste stad
.
Van sommige dichtbundels heb ik meerdere exemplaren. Dat komt aan de ene kant doordat ze heruitgegeven worden met een totaal andere kaft of omdat ik ze cadeau krijg. De bundel ‘Voorbij de laatste stad’ van Gerrit Achterberg (1905 -1962) heb ik drie maal in mijn kast staan. Zowel een eerste druk uit 1955 als twee derde drukken uit 1962. Hoewel allebei als Ooievaar pocket uitgegeven prefereer ik de eerste druk met de geel/blauw/zwarte omslag. De achterflap van de derde druk is dan wel weer aardig, daar is een foto van Paul Rodenko (samensteller en inleider van deze bloemlezing) met Gerrit Achterberg afgedrukt. Twee heren in pak, met stropdas, de een een pijp in de hand (Rodenko) en de ander een sigaret (Achterberg).
De bundel ‘Voorbij de laatste stad’ staat vol prachtige, soms intellectuele en soms moeilijk te doorgronden poëzie (Achterberg werd tot een exponent van de Experimentele Poëzie gerekend die rond 1950 op kwam in Nederland) maar is altijd heel leesbaar. Zoals in het gedicht ‘Glas’
.
Glas
.
Ik ben van zoveel glas,
dat elke harde stem
een steen is en een barst.
Ik moet u spiegelen
zo breekbaar ver,
dat gij gaat wiegelen
voor ik u her-
over als ster,
en weer versmelt tot schuim en dras,
om in dit zingen op te gaan,
een zeepbel, groot; langzaam.
.
Poëzie hardop
Hans & Monique Hagen
.
Vorig jaar bracht het schrijvende en dichtende echtpaar Hans (1955) en Monique Hagen (1956) de leuke bundel ‘Poëzie hardop uit bij uitgeverij Querido. In deze bundel staan 35 columns met 95 gedichten van 65 dichters. Het leuke aan deze bundel is dat volwassenen en kinderen samen poëzie kunnen ontdekken.
Hun poëziecolumns verschenen eerder in het Parool en wat mij altijd weer opvalt is met hoeveel enthousiasme en humor Hans en Monique hun boeken en bundels schrijven. Je voelt bij het lezen dat ook zij er veel plezier in hebben en compassie voelen bij, in dit geval, in het bij elkaar zoeken van gedichten, dichters en het verhaal dat erbij wordt verteld.
Een mooi voorbeeld vind ik het verhaal, of de column, over een gedicht van Leo Vroman getiteld ‘Al het nodige’. Leo Vroman was een vluchteling in de Tweede Wereldoorlog, hij kwam terecht in een Jappenkamp maar overleefde de oorlog. Hij werd uiteindelijk 98 jaar oud en in het gedicht ‘Al het nodige’ verteld hij zijn vrouw Tineke dat ze niet bang hoeft te zijn als hij er niet meer is.
.
Al het nodige
,
Zie je langs een lege straat
een beweging in het gras
waar geen uitleg voor bestaat
neem dan aan dat ik het was:
.
hoor je midden in de nacht
iets wapperen dat niet wapperen kan,
schrik eerst en vertel mij dan
wat ik zo tot wapperen bracht:
.
mijn hese woorden in de wind,
mijn handen op je lieve hoofd
dat in wonderen gelooft,
geloof maar wat je nodig vindt.
.
Naar men zegt
Ellen Warmond
.
Het is de eerste kerstdag en daarom wilde ik een toepasselijk gedicht plaatsen. Omdat ik niet in de val wilde trappen van een ‘traditioneel’ gedicht over Kerstmis maar eerder een gedicht zocht dat de geest van Kerstmis zou weergeven, ben ik bij het gedicht ‘Naar men zegt’ van Ellen Warmond uitgekomen. Het gedicht komt uit de bundel ‘Erts’ een bloemlezing uit de poëzie van heden uit 1955.
.
Naar men zegt
.
Naar men zegt is dit
het leven der wijzen:
.
niet meer bewegen stilstaan als een berg
zeer ouderwets liefdesbrieven lezen
een kerkboek copiëren zonder lachen
bij willekeurige voorbijgangers
naar hun gezondheid informeren
.
1 boek bezitten met het alfabet
letter voor letter op een ander blad geschreven
daar lang in lezen
dan tevreden als een varen
het lichaam samenvouwen
en gaan slapen.
.
Broer
Dubbel-gedicht
.
Over families zijn vele gedichten geschreven. Over vaders, moeders, zoons, dochters maar vreemd genoeg ben ik niet veel gedichten tegen gekomen over broers. Toch heb ik er twee kunnen vinden die nogal verschillend zijn en daarom zo interessant.
Het eerste is van de dichter en schilder Hendrik de Vries (1896 – 1989). Hendrik de Vries was een vroege surrealist. Het onderbewuste speelt een cruciale rol in zijn poëzie. Hij kreeg tijdens zijn leven o.a. de Lucy B. en C.W. van der Hoogtprijs, de Constantijn Huygens-prijs en de P.C. Hooft-prijs. Uit ‘Hoor! Zo is nooit gezongen! Hoor! uit 1986 komt het gedicht ‘Broer’.
Het tweede gedicht is van Bob Fosko (1955) pseudoniem van Geert Timmers, muzikant, tekstschrijver, acteur, recensent, producer, presentator, stem en programmamaker en bij mij vooral bekend als zanger van de Raggende Manne. Van hem is het gedicht ‘Ik wil je broer niet zijn’ uit de bundel ‘Nacht vd Poëzie’, een uitgave n.a.v. de 30ste nacht van de Poëzie uit 2011.
.
Broer
.
Mijn broer, gij leedt
Een einde, waar geen mens van weet.
Vaak ligt gij naast mij, vaag, en ik
Begrijp het slecht, en tast en schrik.
.
De weg met iepen liet gij langs,
De vogels riepen laat. Iets bangs
Vervolgde ons beiden. Toch woudt gij
Alleen gaan door de woestenij.
.
Wij sliepen deze nacht weer saam.
Uw hart sloeg naast mij. ‘k Sprak uw naam
En vroeg, waarheen gij ging.
Het antwoord was:
.
“Te vreselijk om zich in te verdiepen
Zie: ’t gras
Ligt weder dicht met iepen
Omkringd.”
.
Ik wil je broer niet zijn
.
midden in de nacht hoor ik de bel
slaperig maar nieuwsgierig doe ik
open.
daar sta je weer met je plastic zak
je zegt: ‘ik wilde naar mijn broer toe
lopen’,
maar ik ben je broer niet, stomme
trut!
wel lekker hier komen slapen
en ondertussen effe lekker….
ja….
.
ik wil je broer niet zijn
zie je dat dan niet
ik wil je broer niet zijn!
zie je dat dan niet?
.
ik ben geen familie van je
dat zou je wel willen he…
moet je kijken wat je doet…
zie je niet dat mijn handen trillen…
kom maar binnen hoor
ik maak wel chocola
maar dan moet ik weer naar bed
ik ga niet uren liggen lullen
zo is het maar net
.
ik wil je broer niet zijn
.
foto: Jean-Pierre Jans
Maffe zus
Nico Scheepmaker
.
In 1973 vertelde Nico Scheepmaker aan Guus Luijters: ‘Het moet allemaal een spel blijven, vind ik. Sommige gedichten zijn een spel met een serieus onderwerp, andere met een frivool onderwerp, maar het is allemaal spel. Het gaat erom de mensen een beetje leesgenot te verschaffen’. Hij deed dit in het Parool en deze passage is het begin van de bundel ‘De gedichten’ Bezorgd door Ivo de Wijs uit 1991.
De reden dat ik dit citaat overneem is omdat ik het zo eens ben met Nico. Alle literatuur is er (ook) om de mensen een beetje leesgenot te verschaffen. Voor poëzie geldt dit net zo. Natuurlijk zijn er vast nog vele andere redenen te bedenken waarom iets geschreven is maar door het simpele feit dat het geschreven is, is het altijd om gelezen te worden. En lezen zonder leesgenot is geen lezen.
Nico Scheepmaker (1930-1990) was columnist, (sport)journalist en dichter. In de jaren 50 kreeg hij succes als dichter. Hij debuteerde als dichter met de bundel ‘Poëtisch fietsen’ (1955) en in 1958 kreeg hij de Anne Frank-prijs voor jeugdige schrijvers. Scheepmaker schreef verschillende dichtbundels waaronder ‘Vinger in de hoed’ uit 1976, een dialoog in sonnetvorm tussen Scheepmaker en Jan Kal.
Uit deze laatste bundel komt het gedicht ‘Maffe zus’.
.
Maffe zus
.
Het gaat in een gedicht niet om het rijm!
En ook sonnetten zijn nog steeds gedichten
al vallen zij als onvolwassen nichten
bij ’t eerste ’t beste halfrijm in zwijm.
.
Je hebt als sonnettist natuurlijk plichten,
maar een gedicht dat met een kwastje lijm
aaneengehaakt wordt, mist het groot geheim
op ongeëvenaarde vergezichten.
.
Neem nu alleen maar deze twee kwatrijnen:
‘rijm’ en ‘gedichtenazijn toch niet ontheemd
in een gedicht dat zonder tierlantijnen
zijn licht over de dichtkunst wil doen schijnen.
.
Maar ’t blijft natuurlijk wel een beetje vreemd
dat elk zijn maffe zus op sleeptouw neemt.
.














