Site-archief
Jong over oud
Willem Thies en Gerrit Komrij
.
Wanneer je er naar vraagt heeft vrijwel elke dichter een of meer favoriete dichters. Dat kan een dichter zijn die men waardeert of bewondert vanaf of voor het moment dat men zelf met dichten begon of het kunnen dichters zijn die men later heeft ontdekt. Ook ik heb favoriete dichters.
In mijn geval schreef ik al gedichten voor ik deze ontdekte. In de jaren ’80 van de vorige eeuw waren dat Johnny van Doorn en Jules Deelder en al vrij snel kwam Charles Bukowski daar bij. Nog iets later Remco Campert, E.E. Cummings, Herman de Coninck, Judith Herzberg en tegenwoordig een groot aantal dichters naast deze waaronder Esther Naomi Perquin, Menno Wigman en Lieke Marsman. Maar zoals gezegd er zijn er velen, bekende dichters en wat minder bekende dichters.
Toen ik op de website van dichter Willem Thies (1973) aan het lezen was (waar vreemd genoeg de agenda stopt in 2018 terwijl de nieuwste bundel van Thies ‘Mijn zoon hij zegt’ uit 2021 wel bij de publicaties staat) kwam ik het gedicht ‘De zekerheid van de zee’ tegen dat is opgedragen aan Gerrit Komrij, de reden dat ik moest denken aan welke dichter ik een gedicht zou opdragen (voor zover ik weet aan Johnny van Doorn en aan Jules Deelder begin jaren ’80 toen ik nog driftig aan het experimenteren was met vormen van poëzie) https://woutervanheiningen.wordpress.com/2009/12/03/twee-helden/
Willem Thies (1973) woont en werkt in Amsterdam. Hij studeerde geschiedenis te Groningen, was medeoprichter van het literaire punkrocktijdschrift Zeroxat, en redacteur van en schrijver voor cultureel jongerenmagazine Simpel. Thies publiceerde poëzie in onder meer Passionate, De Tweede Ronde, De Brakke Hond, Nymph, Krakatau, Hollands Maandblad, De Academische Boekengids en The Polranny Times. Zijn debuutbundel ‘Toendra’ werd bekroond met de C. Buddingh’ prijs in 2006.
.
De zekerheid van de zee voor Gerrit Komrij
.
De hitte achter mijn ogen. De regen achter de serreruiten. Flinterregen.
Het landschap een verwilderde tuin, de weg leeg en laag in het optorenend
groen. Het kind in bad. Zingend. De vrouw met de handdoek,
de vrouw die jouw dood met mij deelde, op het drooggevallen strand.
.
Het tussenland was breed en verlaten, ik was tot de donkere rotsen gelopen,
tot bij een poel afgesneden van het moederwater. Een krabbetje kroop
achter een steen en wachtte tot de zee hem zou ontzetten.
Ik keerde terug en hoorde het. Dood.
.
Maar je stem suste het tumult in mijn hoofd, de druk
op mijn borst, het koude vel. In schuine regels valt de zee.
De luchten stromen vol met stervensoud water.
.
Dood werk
Maarten van der Graaff
.
Maarten van der Graaff (1987) is dichter en romanschrijver. Hij studeerde Religie en kunst aan de Universiteit van Utrecht. Hij debuteerde in 2013 met de bundel ‘Vluchtautogedichten’. In 2014 krijgt hij voor deze bundel de C. Buddingh’-prijs. ‘Dood werk’, zijn tweede bundel, verscheen in het voorjaar van 2015. Deze bundel werd in 2017 bekroond met de J.C. Bloemprijs. Hij publiceerde poëzie en proza in verschillende tijdschriften en is veel op de podia te vinden. Hij is redacteur en medeoprichter (samen met mede dichter Frank Keizer) van het online literair tijdschrift ‘Samplekanon’ op https://samplekanon.com/ . Samen met Keizer schreef hij een essay over Nederlandse poëzie dat je hier (in twee delen in het Engels) kan lezen: http://www.babelsprech.org/niederlande-12/
Uit zijn bundel ‘Dood werk’ komt het gedicht ‘Lijst met rituelen’. In een recensie over deze bundel las ik: “Zijn toon is illusieloos en zelfverzekerd. Hij probeert enige samenhang aan te brengen in de hem omringende werkelijkheid en zijn leven.” In het gedicht ‘Lijst met rituelen komt dit goed tot zijn recht, oordeel zelf.
.
Lijst met rituelen
Voor CAConrad
.
Overgiet een grijze Kadett met cognac.
Ga in de grijze Kadett naar Umbrië.
Stap in Umbrië uit de Kadett.
Begraaf een gedicht van Pasolini
onder een kurkeik of een jeneverbes.
Er blijft iets ongezegd.
Vernietiging heeft ons gekozen,
vernietiging heeft zich geopend.
Overgiet de grijze Kadett met siroop.
Reis in de grijze Kadett naar een loofbos.
Voer daar de leer- of werkstraf uit
van een vreemde.
Begraaf een gedicht van Dickinson.
Vernietiging heeft ons gemaakt.
Kom klaar in een pretpark.
Teken een cirkel op de serre
van een politicus.
Ga naar het stadskantoor
en leg je onder een klok op de grond,
met je voeten naar Kaapstad.
Lees de gedichten van Snoek.
Verbrand drie dagen later
een zijden voorwerp.
Vernietiging gaat in ons op.
Omklem Pascal en het Kussenboek,
wandel een kerk in.
Denk aan het boerenleven.
Schrijf iets over de geur van religie,
het middenklassegeloof van je ouders.
Vernietiging is onze mondigheid.
Wacht tot je psycholoog op vakantie is.
Zet een tent op in haar tuin.
Ga in een vaalgeel gewaad in de tent zitten.
Neem een vel papier en noteer de titel
Civiele liederen.
Schrijf drie dagen lang civiele liederen.
Gebruik deze regels:
Er is geen eenheid in de riten van mijn massacultuur.
De geschiedenis laat mij blind achter.
Kom zonder gewaad de tent uit.
Ruik de ochtendlucht.
Ontmenselijk jezelf: trek vulgair
en fluitend de stad in.
.
Borsten
Yannick Dangre
.
Ik mag graag browsen. En dan in de betekenis die ik ooit leerde op de Bibliotheek- en Documentatie Academie; zonder specifiek doel rondstruinen in informatie. Dat doe ik in boeken, dichtbundels maar ook op internet. Al browsend kwam ik een dichter tegen waarvan ik al eens gehoord had maar waarover ik nog niet geschreven had. Daar gaat nu verandering in komen. Het betreft hier de Vlaamse dichter Yannick Dangre (1987).
Yannick Dangre is schrijver van romans en korte verhalen maar ook dichter. Zijn debuutbundel ‘Meisje dat ik nog moet’ (2011) werd genomineerd voor de C. Buddingh’-prijs en bekroond met de Herman de Coninckprijs. Poëzie verscheen in ‘Het Liegend Konijn’, ‘Met Andere Zinnen’ en ‘Deus Ex Machina’. In 2014 verscheen van hem de dichtbundel ‘Met terugwerkende kracht’ waaruit ik het onderstaande gedicht ‘Borsten’ nam en in 2017 verscheen ‘Nacht en navel’ dat opnieuw goede recensies kreeg.
.
Borsten
.
Hij kijkt verwonderd naar mijn borsten en ik lach
omdat er zoveel is wat hij nog niet snapt
(menstruatie, afgedragen vaders, buitenspel, buikvel
na de dracht), dus vertel ik hem
.
dat meisjes, ze zijn dan ongeveer twaalf, hun moeders beginnen
op te rapen. Steeds valt er een stukje van hen af
(in de plaats komt een rimpel, dat is een lijntje inzicht
in hun verdriet) en nemen dochters trots
hun vormen over.
.
Mijn zoon knikt plechtig, lijkt zelfs even te verstaan
dat ik weer op het schoolplein sta waar iedereen schreeuwde
dat zij de grootste had (niemand wist dat het later,
als je eerste man je inhaalde, ging om wie de hoogste had)
.
‘En jongens dan?’
‘Van jongens weet ik niets,’ zeg ik
en verder niets. Ik wil niet dat hij zich later verwijt
vaders te begrijpen.
.
Röntgenfotomodel
Vicky Francken
.
Ik schreef al een aantal keren over Vicky Francken (1989) maar dan in de context van iets anders (de Meander poëzieprijs, de verzamelbundel ‘Nieuwe dichters uit de jaren nul’, haar collage gedichten en naar aanleiding van het feit dat zij één van de dichters was die de C. Buddingh’ prijs had gewonnen). Maar nog niet over een dichtbundel, of moet ik zeggen de dichtbundel waarmee ze in 2017 debuteerde en waarmee ze de C. Buddingh’ prijs won.
Op de achterflap van deze bundel staat te lezen: “Een lichaam wordt tegen het licht gehouden. Om te onderzoeken wat eraan schort, om te bepalen waar het licht doorlaat. het lijf blijkt sterker dan gedacht, de huid een dunne wand die in volharding niet onderdoet voor zelfbeeld beton”. Op basis van deze zinnen verwacht je een bundel met fysieke poëzie te gaan lezen. En dat klopt. Alle vormen van lichaam en lichaamsdelen komen tevoorschijn in haar poëzie zonder dat dit overigens vervelend wordt of opgelegd lijkt. Soms heel duidelijk zoals in het gedicht zonder titel met de beginzin ‘ze heeft de dood onder haar rokken’ en soms heel subtiel zoals in het gedicht ‘Zonder panter’.
.
Zonder panter
.
je pak van kaken en snorharen afleggen
geen jongen meer krijgen niet begrijpen
waarom je zo moe bent
.
verdeeld zijn als kaarten over handen
wachten tot de troef wordt uitgespeeld
zien hoe je hart het tot ruit heeft geschopt
.
spelen op een zaag, verbaasd
nog altijd twee handen
.
er iemand een geven
zeggen: hou maar
.
vergeten smokkelwaar
Radna Fabias
.
Dichter Radna Fabias (1983) debuteerde in 2018 als dichter met haar bundel ‘Habitus’ bij De Arbeiderspers. Fabias studeerde aan de koksschool en dramaschrijven aan de Hogeschool voor de Kunsten in Utrecht. Voordat ze debuteerde als dichter, werkte ze onder andere voor educatieve uitgeverijen.
Haar debuut werd lovend ontvangen en werd bekroond met de C. Buddingh-prijs 2018, en in 2019 met de Grote Poëzieprijs, de Awater Poëzieprijs en de Herman de Coninckprijs. Ook ontving Fabias op basis van ‘Habitus’ een startersbeurs van het Letterenfonds voor het schrijven van haar tweede bundel.
Omdat deze tweede bundel nog even op zich laat wachten hier nog een gedicht uit haar zo succesvolle debuutbundel getiteld ‘vergeten smokkelwaar’.
.
vergeten smokkelwaar
.
bijvoorbeeld een klein hard steentje in de borstkas dat steeds
een laag groeit en met dat groeien het wint
van het lichaam dat eromheen zit
.
de groeiende steen straalt straf uit
naar de ledematen
naar het lichaam het lichaam
beschermt de almaar groeiende
asteen door eromheen te verharden
.
de steen sit door de verharding heen
tot het lichaam – vergroeid- versteent
.
Bijgeluiden
Henk Ester
.
Ik ken inmiddels toch behoorlijk wat Rotterdamse dichters, persoonlijk of van hun werk, maar de naam Henk Ester (1952) kende ik nog niet. Tot ik zijn (eerste) bundel in handen kreeg getiteld ‘Bijgeluiden’. Op de achterflap lees ik dat Ester dichter en redacteur is (dat laatste bij de Automatiseringsgids), dat hij geografie studeerde en filosofie. Verder lees ik dat hij graag op de Maasvlakte en door de duinen zwerft (wat ik heel goed begrijp).
Inmiddels heeft Ester nog twee bundels uitgegeven; ‘E-groot is rood’ in 2016 en ‘Het vermoeden van Witten’ in 2018. In zijn debuutbundel ‘Bijgeluiden’ uit 2013 (waar hij de C. Buddingh’ prijs voor ontving) is van het voorgaande regelmatig iets terug te vinden. Zo ook in het gedicht ‘Tijd’ dat in de bundel valt onder het hoofdstukje Bijgeluiden VII (serie van 5 gedichten, dit is nummer 3).
.
Tijd
.
Als er geen getuigen zijn
.
als de straten leeg zijn tot ver voorbij de hoek
als niemand meer een tegel licht
om zijn gelijk te halen
en geen schilder meer de ruimte kleurt
als het ‘zoete zeegefluister’ zwijgt
en niemand leest
als geen componist meer pleit voor ‘klanken zonder meer’
als werkelijk niemand meer op rotsen slaat
en logica verkruimelt in graniet
.
wie schrijven dan de uren?
.
en hoelang duurt dat dan?
.
ik bedoel
die uren aan zee
als er geen getuigen zijn.
Liefde in tijd van brand
Mark Boog
.
Bij uitgeverij Cossee verscheen in 2019 de bundel ‘ Liefde in tijden van brand’ van Mark Boog (1970). Mark Boog is dichter en romanschrijver. In 2001 verscheen van zijn hand ‘Alsof er iets gebeurt’ waar hij de C. Buddingh’-prijs voor ontving. In 2002 werd zijn bundel ‘Zo helder zagen we het zelden’ genomineerd voor de J.C. Bloemprijs en voor de bundel ‘De encyclopedie van de grote woorden’ ontving hij de VSB Poëzieprijs in 2005.
’Liefde in tijden van brand’ is een bundel met liefdesgedichten. Op de achterflap van de bundel staat: “Het is een kunst om liefdesgedichten te schrijvende daarbij clichés te mijden als de duivel wijwater”. Als een liefhebber en beoefenaar van dit genre kan ik dit helemaal beamen.
Mark Boog geeft als geen ander het genre een nieuw aangezicht. De titelloze gedichten zijn verrassend en soms moet je ze een paar keer lezen voor je de essentie leest, voor je het hoe en het waarom van het liefdesgedicht tot je kan nemen.
Een bepaald gedicht had meteen mijn aandacht door de eerste zin van het gedicht dat mij meteen deed denken aan mijn laatste e-bundel XX-XY https://woutervanheiningen.wordpress.com/2016/10/15/gratis-poezie/
.
x = ik, y= jij, het is waar
want het staat er, er staan
waarheidstekens in, die
staan er niet zomaar.
Wij berekenen ons. Rond
beklagenswaardig variabel ons
zwermt de waarheid, talrijk, één,
exact. O, assenstelsel! O,
ons naar ondenkbare limieten
onophoudelijk neigen,
ons zijn, ons willen zijn.
.















