Site-archief

O tijd, ik ben ziek van je

Nguyên Chí Thiên

.

De afgelopen week merk ik bij mezelf dat ik veel met poëzie bezig ben die zich verhoudt tot thema’s als verzet, hoop, troost, onderdrukking en geweld. Geen fijne thema’s maar wel erg actueel. En er is heel veel poëzie geschreven over deze onderwerpen. Vrijwel alle dichtbundels of verzamelwerken die Amnesty International publiceert (vaak in samenwerking met andere partijen) zoals blijkt uit dit bericht maar ook uit dit bericht en dit om maar een paar van de vele voorbeelden te noemen die ik al op dit blog beschreef.

Toen ik het boek ‘Ons gevoel van vrijheid’ uit 1999 tegenkwam in mijn boekenkast wilde ik er dan ook meteen in gaan lezen. Dit keer geen dichtbundel, verzamelbundel of bloemlezing maar een boek met verhalen, gedichten en kunst voor Amnesty International, samengesteld door Daan Bronkhorst. Onderdrukten uit heel veel landen van over de hele wereld krijgen in dit boek een stem. Beklende namen als Breyten Breytenbach (Zuid-Afrika), Günter Grass (Duitsland), Wisława Szymborska (Polen), Mahmoud Darwish (Palestina), Václav Havel (Tsjechië) en Joseph Brodsky (Rusland) maar ook een aantal onbekendere namen  uit landen die wat minder in de aandacht staan zoals Ramiz Rovshen (Azerbeidjan), Taslima Nasrin (Bangladesh) en Latiefa az-Zajjaat (Egypte).

Uit al deze getuigenissen en verhalen koos ik voor een dichter die ik niet kende, Nguyên Chí Thiên (1939-2012) uit Noord Vietnam. Nguyên Chí Thiên was dichter, activist en dissident en verbleef vanaf 1958 dertig jaar, met korte onderbrekingen, in gevangenissen en werkkampen in Vietnam.  In 1979, nadat hij vanwege het streng bewaakte terrein was gedwarsboomd in zijn oorspronkelijke plan om de Franse ambassade binnen te gaan, stormde Thien de Britse ambassade in Hanoi binnen met zijn manuscript van vierhonderd gedichten en de begeleidende brief. opgesteld in het Frans zoals bedoeld voor de oorspronkelijke bestemming. Hierna werd hij onmiddellijk opnieuw gearresteerd.

Tijdens deze gevangenschap werden de gedichten van Thiên, die hun weg naar het Westen vonden, in het Engels vertaald door Huỳnh Sanh Thông van de Yale Universiteit . Het werk won in 1985 de International Poetry Award in Rotterdam . Ook werd hij in 1986 door Amnesty International als gewetensgevangene geadopteerd. Twaalf jaar na het afgeven van zijn gedichten bij de ambassade  kwam hij vrij en uiteindelijk mocht hij zich in 1995 aansluiten bij de grote overzeese Vietnamese gemeenschap in de Verenigde Staten.

Naast de International Poetry Award kreeg Nguyên Chí Thiên in 1989 de PEN/Barbara Goldsmith Freedom to Write Award. In 1960 schreef hij het gedicht ‘O tijd, ik ben ziek van je’ dat in ‘Ons gevoel van vrijheid’ is opgenomen.

.

O tijd, ik ben ziek van je

.

O tijd, ik ben ziek van je.

Elke minuut, elke seconde schroei je mijn ingewanden.

O dagen en maanden, waarom slepen jullie je voort?

Hoe moet ik deze beproeving dragen?

Ik hoop, blijf hopen dat een gewelddadige dageraad

vandaag ver terug zal dringen,

vandaag tot een voorbije nachtmerrie zal maken,

dat elk graf door een andere truc

een wieg wordt en dat het leven terugkeert.

O tijd, ik smeek je

de dagen en maanden te verkorten

zodat ze mijn ingewanden niet meer zullen snijden –

laat de minuten en seconden niet langer

mijn leven cremeren.

.

 

De bruid

Jan Prins

.
Op 2 november tijdens Allerzielen wordt al enige jaren het bijzondere poëzie-evenement Dichter bij de dood georganiseerd. Ik deed al mee als deelnemer en sinds een paar jaar organiseer ik namens poëziestichting Ongehoord! dit mooie evenement mee. Elk jaar adopteren een aantal dichters een van de bekende Nederlandse dichters, schrijvers of kunstenaars die begraven liggen op de begraafplaats Oud Eik en Duinen in Den Haag.

Op de avond van 2 november nemen de dichters plaats langs een, middels fakkels, afgezette route. De bezoekers van de begraafplaats kunnen bij de dichters langs lopen waar ze het gedicht, speciaal voor deze avond geschreven, ten gehore brengen. Ook ik doe dit jaar mee met een gedicht geschreven op een van de dichters die begraven liggen op Oud Eik en Duinen, Jan Prins (1876-1948) pseudoniem van C.L. Schepp. Prins werd geboren in Rotterdam en overleed in Naarden maar ligt dus begraven in Den Haag.

Prins was dichter en vertaler.  In 1903 debuteerde hij in het tijdschrift ‘De XXste eeuw’. Zijn eerste poëziebundel ‘Tochten’ verscheen acht jaar later, in 1911. Daarin staat zijn bekendste gedicht, ‘De bruid’. In dit gedicht wordt Nederland (Holland) allegorisch vergeleken met een bruid, waarbij de lentezon de bruidegom is. De laatste twee strofen zijn in de twintigste eeuw aan generaties Nederlanders op school bijgebracht: De bruigom is de lentezon / En Holland is de bruid.

.

De bruid
.
De lucht, over de jonge dag,
Was helderder dan ooit.
Iets ongewoon-verblijdends lag
In weide en veld gestrooid.
De torenklok zong, wat ze kon,
De vlaggen staken uit:
De bruigom was de lentezon
En Holland was de bruid.
.
Ze was des morgens opgestaan,
Een ranke, frisse meid.
Ze deed haar gazen sluier aan
van dunne dauwigheid.
Ze stak zich van de perenboom
De bloesem in het haar,
Die witter dan een winterdroom
Is, – wonder, wonderbaar.
.
Ze deed een gladde gordel om
Van zilverig allooi,
Van zuivre waterglans, – wat glom
Die ronde gordel mooi!
Toen hechtte ze als een donzen vacht
Aan haar satijnen kleed
De schuimrand die de zee haar bracht.
Toen was de bruid gereed.
.
Een ooievaar trad op de deel,
Gewichtig, met zijn stok.
De merel was in zwart fluweel,
De zwaluw kwam in rok.
Toen keken, daar ’t zó prachtig was
– En Holland is de bruid, –
De madeliefjes in het gras
Haar gouden oogjes uit.
.
De bruigom is een edel man,
De bruid is jong en sterk.
Daar komen schone kinders van
En blijdschap bij het werk.
De bruid, – waar zag men weker leest,
Een vriendelijker mond, –
De bruid, – die maakten zeewind meest
En ruimte zo gezond.
.
Nu komt ze met haar lief gezicht
De bruigom tegemoet.
Wat is de hemel wijd, – en licht,
Wat is het leven goed!
De wereld is een wonderbron
Van telkens nieuw geluid.
De bruigom is de lentezon
En Holland is de bruid.
.

Troost

Hoop

.

Vorige week schreef ik over een gedicht waarin de dichter zich verzet tegen de waanzin van haat en oorlog. Vandaag wil ik daar een gedicht van hoop aan toevoegen. Een gedicht over de hoop op een betere tijd dat ik al eens in de oorspronkelijke taal op dit blog deelde. Het betreft hier het gedicht “Hope” is the thing with feathers van Emily Dickinson (1830-1886). En hoewel dit gedicht uit 1861 stamt, is de boodschap nog steeds even krachtig en actueel.

Het gedicht nam ik uit de bundel ‘Zo heel je mij’ samengesteld door Isa Hoes uit 2020. Het origineel komt uit ‘Verzamelde gedichten’ vertaald en becommentarieerd door Peter Verstegen uit 2018.

.

‘Hoop’ is het ding met veren

.

‘Hoop’ is het ding met veren –

Dat in de ziel neerstrijkt –

Het lied zonder de woorden zingt –

En ’t zingen – nooit meer staakt –

.

En ’t zoetst –  klinkt – in de stijve Bries –

En zwaar moet zijn de storm –

Die ’t Vogeltje beschaamde dat

Zo velen heeft verwarmd –

.

Ik hoorde het in ’t kilste zand –

En op de vreemdste Zee –

Toch vroeg het – nooit – in ’t Bangste uur,

Een kruimeltje – van mij.

.

Wout Waanders

Poëzie in proefschriften

.

Via Linkedin zag ik een bericht van de Radboud universiteit van Nijmegen waarin gerept werd over een initiatief vanuit de universiteit waarin dichter en alumnus / artist in residence Wout Waanders (1989) gevraagd is om uit 100 proefschriften die in de afgelopen 100 jaar zijn verschenen (uit elk jaar dat de universiteit bestaat 1 proefschrift), poëtische zinnen of ideeën te halen en daar 10 nieuwe gedichten van te maken. Hij noteerde de meest opvallende en poëtische zinnen, en liet tegelijkertijd een promovendus in de AI-techniek de mooiste zin per proefschrift berekenen. Van deze zinnen, citaten en beelden maakte hij tien nieuwe gedichten die te lezen zijn op ramen en op panelen langs de route tussen Collegezalencomplex en het Spinozagebouw.

Dat dit niet alleen een heel groot werk is (lijkt me duidelijk, 100 proefschriften doorploegen op zoek naar mooie en bijzondere zinnen en citaten) maar ook een ontzettend leuk en mooi project is blijkt wel als ik lees welke onderwerpen die proefschriften zoal hebben: van toverstokken tot paddenstoelen en van radiomasten tot heilbotten. Wout Waanders zegt over de proefschriften dat  ‘De taal in de loop der jaren wel afstandelijker lijkt te worden’.

Maar er zijn voorwoorden waar Wout zijn vingers bij aflikt omdat ze pure poëzie zijn. Een voorbeeld is de dissertatie van antropoloog J.M. Schoorl uit 1979.

.

Ik ben allerminst een onbewogen waarnemer geweest.

Ik heb geprobeerd om de mensen die elkaar met bijlen en kapmessen te lijf gingen, te scheiden,

ik heb vele malen de dood geroken, ik heb nachtenlanhg gedanst,

ik heb me me erg eenzaam gevoeld, mijn beste informant werd door een wild zwijn gedood (…),

ik heb alle mogelijke twijfels gehad over de waarden in mijn eigen cultuur, inclusief de wetenschap

.

De keuze van de honderd proefschriften was min of meer toevallig, zo heeft Wout gelet op de spreiding van jaren en op spreiding van de vakgebieden. Hij voegt daar nog aan toe dat er uit de jaren 1923,1924 en 1944 geen promoties zijn voltooid.  Een paar mooie voorbeelden die hij verder tegen kwam zijn: ‘Wie de meest persoo nlijke diepten van alle mensen wil bereiken, moet de volkstaal spreken’ (uit een proefschrift uit 1930) en ‘Het gebeurt maar weinig dat het sprookjesachtige en het reële samenkomen’ (uit een proefschrift uit 1936).

Alle teksten worden onderworpen aan een chcek met kunstmatige intelligentie (AI) met behulp van Promovendus Mesian Tilmatine wordt gezocht naar de meest opmerkelijke en poëtische zinnen. Een terechte vraag die Wout heeft is of de AI selectie overeenkomt met de zijne. De gedichten zijn te zien op het Art & Science festival bij de Radboud universiteit van 19 t/m 21 oktober en daarna zijn de gedichten ook op papier verkrijgbaar. Ik ben benieuwd!

.

 

Stoeppoëzie

Saint Paul

.

Gedichten op de stoep zijn geen nieuw gegeven. Zo schreef ik al eerder over gedichten op de stoep in Toronto  en in Boston maar in Saint Paul geven ze er toch net weer een andere draai aan. In Saint Paul  (Minneapolis) in de Verenigde Staten is sinds 2008 sprake van verfraaing van de stoepen aldaar middels het aanbrengen van gedichten op stoepen. Dit kunstproject begon in 2008 met de voormalige Public Art Saint Paul City-kunstenaar Marcus Young onder de naam ‘Everyday Poems for City Sidewalks’. Tegenwoordig is dit project verder geëvolueerde in de richting van het aanbrengen van zogenaamde stempels in het beton (stoepen zijn daar van beton) en is er het inzenden en beoordelen van poëzie bij gekomen.

Sidewalk Poetry 2023  zoals het project nu heet, accepteert poëzie-inzendingen in Dakota, Hmong, Somalisch, Spaans en Engels.  Hiermee wordt recht gedaan aan de opmerkelijke culturen en groepen die in de stad aanwezig zijn. Het wordt als een begin gezien, er kunnen er in de komende jaren nog andere talen aan worden toegevoegd. Voor de Sidewalk Poëziewedstrijd 2023 werden schrijvers gevraagd om na te denken over  ‘Network of Mutuality’ of de ‘verbondenheid van alle gemeenschappen’  uit  de brief van Dr. Martin Luther King Jr. uit de gevangenis van Birmingham , en de Dakota-filosofie van Mitákuye Owásiŋ ,  wat ‘al mijn relaties’ of ‘al mijn familieleden’ betekent. ” Wat betekenen deze uitingen van onderlinge verbondenheid voor jou?

Ook de curatoren van deze Sidewalk Poetry wedstrijd zijn van zeer divers pluimage: Kevin Yang (Hmong-Amerikaans), Marian Hassan (Somalisch-Amerikaans), Fong Lee (Hmong-Amerikaans), Thressa Johnson, Aesha Mohamed (Somalisch-Amerikaans), Tanagidan To Win (Inheems Amerikaans) en Michael Kleber-Diggs. Er werden meer dan 200 inzendingen gedaan en uit dit aantal zijn, na een lang beoordelingsproces door juryleden en curatoren, 15 gedichten gekozen, die in de zomer en herfst  van 2023 tot trottoirstempels moesten worden verwerkt en op de trottoirs van Saint Paul werden geplaatst.

Een van de gedichten die werden gekozen is van , de ook hier bekende dichter Anne Sexton (1928-1974). Blijkbaar werd niet alleen actueel werk van levende dichters toegestaan.

.

Of je haar hoort

als de stille ritmische golven

kabbelend op de eroderende kust

of als de dreunende schok van takken

bezwijken onder vers gevallen sneeuw,

slik de storm

generaties terugreiken.

Zij is daar.

Jouw waarheid.

Wacht tot je luistert, volg.

.

Nieuwe poëzie

Jasmijn Lobik

.

Er is nieuwe poëzie onderweg in de vorm van het nieuwe minipoëzietijdschrift (digitaal en fysiek) MUGzine #19. In dit nieuwe numnmer dat tweede helft van oktober verschijnt een keur aan nationale en internationale bijdragen. Dichters Jan Lauwereyns (Vlaams dichter, woonachtig en werkzaam in Japan), Hava Güveli, Micha Hamel en Jasmijn Lobik verzorgden de poëzie in dit nummer en de Italiaanse collagekunstenaar Valentina Cozzi tekende voor het artwork.

Jasmijn Lobik (1997) is content manager en journalist en woont in Rotterdam. Ze studeerde Kunst- en Cultuurwetenschappen in Nijmegen en schrijft verhalen en gedichten. In 2023 was zij de winnaar van de AMAI Gedichtenwedstrijd ‘Beste gedicht volgens de vakjury’ (de jury waar ik deel van uitmaakte). En later dit jaar won zij de 1e prijs bij de gedichtenwedstrijd van het Poëzie- en Kunstfestival op het Noordereiland in Rotterdam.

Natuurlijk is de nieuwe MUGzine gratis te lezen en downloaden via mugzines.nl, is er een nieuwe @L.uule en kun je natuurlijk elke editie op papier ontvangen. Word dan donateur en ontvang alle edities van het jaar via de post. Om alvast in de stemming te komen een gedicht van Jasmijn Lobik uit 2019 getiteld ‘Dankbaarheidsdagboek’.

.

Dankbaarheidsdagboek

.

Bloedzwart, zuurgroen, nachtgeel

Ik vebrand mijn dankbaarheidsdagboek

Te dankbaar, te aardig ben ik

Mijn woorden willen moord en brand

.

Tien minuten mediteren

Ik verscheur elke zelfhulpbijbel

Te goed, te beleefd ben ik

Mijn lippen willen seks en schelden

.

Apart, interessant zeg ik

de mond van een buikspreekpop

Vouw me op, pas me in

Schreeuwen doe ik straks wel

.

Mijn gedchten

Ze doen, ze zijn, ze worden mij

.

Een ijsje

Merel Morre

.

In deze roerige en onverwacht gewelddadige tijden lees ik in de bundel ‘Dons op mijn tanden’ van Merel Morre uit 2015. Ik kreeg de bundel die door mijn broer werd opgepikt in een kringloopwinkel. De poëzie van Morre (1977) is te vergelijken met bijvoorbeeld die van Tim Hofman; weinig hoogdravend, redelijk eenvoudig en makkelijk te lezen. Niet meteen een bundel die ik zelf zou aanschaffen.

Morre is dichter en tekstschrijver volgens haar website. Kenmerkend aan haar gedichten is dat ze kernachtig zijn. Ze schrapt woorden die er niet toe doen, gebruikt graag taaltwists en kan niet zonder dubbele betekenissen. Elementen die ook in de poëzie van Hofman terug is te vinden en die aanslaat bij veel jongeren. Van 2013 tot 2015 was ze stadsdichter van Eindhoven. Daarnaast heeft ze met compagnon Lidy Lathouwers een tekstbureau. Inmiddels heeft ze 6 dichtbundels op haar naam staan.

Maar terug naar waarom ik aandacht aan Morre en de bundel ‘Dons op mijn tanden’ geef. Dat komt door een gedicht dat ik las in deze bundel getiteld ‘Een ijsje’. Dit gedicht is momenteel actueler dan ooit.

.

Een ijsje

.

oorlog neemt geen vakantie

conflicten recreëren niet

de hang naar macht

stopt niet met een ijsje

de zon schijnt nooit overal

.

maar waar leer je begrijpen

uit welk boek

in welke les

dat mensen kunnen juichen

als een bom

hun buren treft

.

mag de haat iets zachter

of helemaal uit

alsjeblieft

.

 

Kom met een gesis van vleugels

Leda

.

Aan de vormgeving van dichtbundels wordt over het algemeen vrij veel aandacht besteed. Omdat de vorm en omvang van een dichtbundel meestal gering is, is een opvallende vormgeving, kwaliteit en aantrekkelijkheid belangrijk om op te vallen. Ik zie met enige regelmaat nog dichtbundels, meestal in eigen beheer uitgegeven of bij een ‘uitgeverij’ die het niet zo nauw neemt met de vormgeving of de druk/papiersoort/inhoud, waar ik niet heel blij van word. En het is echt niet zoveel moeite om voor niet al teveel geld iets moois te maken.

Aan de andere kant van het spectrum zijn er bundels die niet alleen met heel veel zorg voor de vormgeving en de kwaliteit (ja ook in eigen beheer uitgegeven bundels zitten hierbij) zijn uitgegeven maar nog iets extra’s brengen. Door omvang, papierkeuze, illustraties en door hun kunstzinnige vormgeving. Zo’n bundel is ‘Kom met een gesis van vleugels’ uit 1987, uitgegeven door Athabasca met tekeningen van Charlotte Mutsaers.

In deze bundel zijn 10 gedichten opgenomen over het thema Leda en de zwaan. De bundel werd samengesteld door Jan Gielkens en Pauline Tonkens en typografisch verzorgd door Herman Dommisse. Deze bundel op A4 formaat verscheen in een oplage van 1500 stuks en 200 werden er Romeins genummerd en gesigneerd door Mutsaers. En er werd een gesigneerde zeefdruk in kleuren aan toegevoegd. Helaas heb ik een exemplaar van de 1500 maar desalniettemin is het een prachtig boek dat werd gedrukt op 200 gram Velasques papier (voor de kenners).

In de bundel staan dus 10 gedichten, allemaal voorzien van illustraties en in het geval van buitenlandse dichters ook voorzien van de tekst in de oorspronkelijke taal. De dichters zijn niet te eerste de beste: W.B. Yeats, Getrud Kolmar, Christine D’haen, H. Marsman, Aleksandr Puskin, D.H. Lawrence, Rainer Maria Rilke, Antoine-Vincent Arlnault, Paul Eluard en Marin Sorescu.

Nog even om het geheugen op te frissen of de kennis bij te spijkeren: Leda is bekend door het verhaal van ‘Leda en de zwaan’. De Griekse oppergod Zeus was verliefd op haar, maar kon haar niet overtuigen met hem geslachtsgemeenschap te hebben, hiertoe veranderde hij zichzelf in een zwaan en overweldigde Leda. Beschaamd om wat er gebeurd was, had Leda gemeenschap met haar man die avond en na negen maanden kreeg zij kinderen, die volgens zekere overleveringen uit een ei kwamen.

Zoals ik al schreef, de gedichten zijn van beroemde dichters en stuk voor stuk de moeite waard. Ik koos voor het gedicht van de Franse dichter Antoine-Vincent Arnault (1766-1834) met het gedicht ‘Sur Leda’ of zoal;s het in de Nederlandse vertaling van J. van Dijk heet ‘Over Leda’.

.

Over Leda

..

Waarom gelooft u niet dat Leda,

die eens de duivel zelf verleidde,

met een zilvervleugelige minnaar vrijde

op een ochtend, heel tevreden?

.

Helaas bestaat ze nog, die zeldzame

manier van lieven om elkander te behagen.

’t Verschil is dat het heden ten dage

Uilskuikens zijn in plaats van zwanen.

.

Delphine Lecompte

De Nacht van de Poëzie

.

Afgelopen zaterdag was de 40ste editie van de Nacht van de Poëzie in Tivoli Vredenburg  in Utrecht. Een keur van dichters droeg voor en ik was vooral erg getroffen door de oudste deelnemer Judith Herzberg (1934). Op hoge leeftijd een zaal zo stil krijgen met haar bijzondere poëzie is voorwaar geen kleinigheid. Een aantal dichters die langs kwam was er ook bij in de eerste editie in 1980 (Jean Pierre Rawie, Bart Chabot, Hans Dorresteijn en opnieuw Judith Herzberg) maar er waren ook genoeg jonge dichters te beluisteren. Zoals Dominique de Groen, Hannah van Binsbergen, Babeth Fonchie, Jens Meijen en Joost Oomen (allemaal geboren in de jaren ’90).

Toch was een van de hoogtepunten de bijdrage van Gerda Lenten Havertong (1946). Zelf geen dichter maar voor deze jubileumeditie gevraagd een keuze te maken uit de lange geschiedenis van de Nacht gedichten. Ze koos voor twee Surinaamse dichters (Michaël Slory en Dobru) en Hans Andreus. Bij het gedicht van Hans Andreus was ze zichtbaar geëmotioneerd, het was het gedicht dat haar man haar, op zijn sterfbed, had gegeven.

Natuurlijk traden er naast dichters ook musici en dansers op waarbij het dansoptreden van Oxygen me nog lang zal bijblijven, in één woord geweldig. In de gangen van Vredenburg Tivoli waren verschillende uitgeverijen van poëzie (boeken, bundels, tijdschriften) aanwezig waaronder die van Awater. En er waren tweedehands bundels te koop. Een van die bundels is met mij mee naar huis gegaan. ‘De 100 beste gedichten van 2018’ voor de VSB Poëzieprijs samengesteld door Maaike Meijer, ontbrak nog in mijn verzameling van deze bloemlezingen (er ontbreken nog een paar jaren maar die kom ik vast en zeker nog eens ergens tegen).

Uit het fraaie aanbod van gedichten en dichters koos ik voor het bijzondere gedicht ‘De priester die jezus van mij weggriste’ van de Vlaamse dichter Delphine Lecompte (1978). Het gedicht staat in haar bundel ‘Western’ uit 2017. Ik koos het gedicht omdat het zo anders is, zo ontwapenend, zo heerlijk Vlaams (pandoering) en zo bloemrijk in haar taal. Voor degene die niet zo bekend zijn met de katholieke eredienst geeft Pieter M. van Sterkenburg  op OoteOote wat informatie die kan helpen bij het begrip van dit gedicht.

.

De priester die Jezus van mij weggriste

.

Ik hield de hostie te lang in mijn palm
De priester dacht dat ik Jezus’ vlees wilde wegmoffelen
In mijn vestzakje, om het na de mis te dumpen in een heidense waterput
En misschien nog een wens te doen ook, de wens zou seksueel
Of materialistisch zijn, de priester had het bij het verkeerde eind.

.

Ik was een ontzettend vroom kind
Ik bad dagelijks tot God, en ik telefoneerde ’s nachts
Via Fisher Price naar zijn volmaakte zoon
Jezus nam steeds op en zei: ‘Ach de katholieke misdienst …
Mooie liturgie dat wel, maar de hostie mijn vlees, eet die gerust op wanneer jij het wil.’

.

Wanneer ik het wil, ik wilde de hostie opeten aan het strand
Mijn blik gericht op de dappere ezels van de knoestige ezeldrijver
Mijn rug blind voor de lunaparken en gocarts en wafelkramen
Maar de priester griste Jezus’ vlees uit mijn hand
En hij propte de hostie diep in mijn mond, ik stikte haast.

.

Woedend nam ik mij voor nooit meer te bidden
De telefoon van Fisher Price wierp ik ’s avonds in het haardvuur
Het gesmolten plastic maakte mijn grootvader razend
Hij gaf mij een pandoering om u of kindermishandeling tegen te zeggen
De volgende dag nam zijn spijt de vorm aan van een pluchen berggeit.

.

Ik noemde de geit Batseba
Ik wist niet dat zij in de bijbel voorkwam
Ik vond het gewoon een geschikte naam, stoerder dan Lolita
En sensueler dan Mata Hari
Ondertussen is alles weer koek en ei tussen Jezus, God, en mij.

.

Judith Herzberg

Gerda Lenten Havertong

Poëzie op grafstenen

O en voorgoed voorbij

.

In mijn boekenkast kwam ik het prachtige boek ‘O en voorgoed voorbij’ langs graven van Nederlandse schrijvers weer eens tegen. Samengesteld door Onno Blom en Werry Crone uit 2012. Wat me opviel is dat verschillende schrijvers en dichters op hun grafsteen (delen van) een gedicht hebben laten aanbrengen (of hun nabestaanden). In dit boek staan chronologisch in de tijd de graven van beroemde schrijvers en dichters beschreven. Van Betje Wolff (1738-1804) en Aagje Deken (1741-1804) tot Harry Mulish (1927 – 2010).

Het boek is mede mogelijk gemaakt door het Fonds Perzik van Onsterfelijkheid, genoemd naar de roman van Jan Wolkers, dat in 2008 is ingesteld tot behoud, herstel en instandhouding van graven en grafmonumenten van Nederlandse schrijvers.

Maar terug naar de grafstenen. Op de grafsteen van Simon Vestdijk (1898-1971) staan bijvoorbeeld twee regels uit ‘Mnemosyne in de bergen’ in lood aangebracht:

.

’t Antwoord op elk raadsel in de tijd,

D’eendre oplossing: vergank’lijkheid.

.

Op de grafsteen van Gerrit Achterberg (1905-1962) staan de regels:

.

Van dood in dood gegaan, totdat hij stierf.

De namen afgelegd, die hij verwierf.

Behoudens deze steen, waarop geschreven:

de dichter van het vers, dat niet bedierf.

.

Op de grafsteen van Albert Verwey (1865-1937) is een heel gedicht aangebracht:

.

Wanneer ik stierf en zij die mij beminden
Rondom mijn baar staan en de een d’andre vraagt:
Wat had ge lief in hem: zijn menslijkheid,

Zijn dichterlijke gaaf, zijn trouw aan vrinden,
De zachtheid van een kracht die draagt en schraagt,
Of de onafhanklijkheid van zijn beleid, –

Dan hoop ik dat een zeggen zal: wij weten
Dat hij als mens, dichter en vriend, als kracht
En leider ’t zijne deed, maar nu de spil

Van ’t denken stilstaat en in zelfvergeten
Zijn mond zich sloot, zien wij zijn sterkste macht:
Een op de onsterflijkheid gerichte wil.

.

Het mooiste verhaal vind ik nog wel dat over het graf van Gerard Reve (1923-2006). Ik kwam het tegen toen ik zocht naar het gedicht Credo dat op zijn graf stond. In Machelen werd in april 2011 aan de Leie (tegenover het cultureel centrum) een muur onthuld met daarop het gedicht ‘Credo’ van Gerard Reve. Enkele weken later bleek er een fout in de tekst te zitten: in de regel ‘er rest mij niets dan duisternis en Dood’ stond het woord ‘anders’ achter ‘niets’. Joop Schafthuizen, de partner van Gerard Reve, stelde voor het verkeerde woord door te strepen; dat deed Reve in zijn manuscripten ook. Uiteindelijk werd besloten de steen door een nieuwe te vervangen met daarop de juiste tekst.

.

Credo

.

Niets te verwachten, niets te hopen:
er rest mij niets dan duisternis en Dood.
Ik zie het, maar ik wankel niet: wie Gij ook zijt,
U heb ik lief, met heel mijn hart, met al mijn Bloed.

.