Site-archief
Stof
Marc Reugebrink
.
In 2021 overleed dichter Remco Ekkers (1941-2021) en naar aanleiding van zijn overlijden schreef ik toen een stuk op dit blog. Omdat het een belangrijke dichter was en in het bijzonder omdat ik zijn visie op poëzie deel (zie dit bericht). Deze maand was ik in Barneveld en daar kocht ik de bundel ‘Om honing gaat het niet’ uit 2023 van de in Vlaanderen woonachtige schrijver, essayist en dichter Marc Reugebrink (1960).
In deze bundel wordt uit alle macht gepoogd om te ontkomen aan het verlies, dat desalniettemin onvermijdelijk en alomtegenwoordig is. Dat lees ik op de achterkant van de bundel. In de bundel staan dan ook een aantal in memoriams. Voor Georges Henry, Ernalien Reugebrink, Koenraad Goudeseune en ook voor Remco Ekkers. Het gedicht ‘Stof’ i.m. Remco Ekkers wil ik hier met jullie delen in de rubriek Dichters over dichters.
.
Stof
.
We moeten door de stof, zei je,
maar zweeg over wat volgen zou.
.
Soms moet men een dode iets anders
laten doen dan een dode nog maar kan.
.
Je bijvoorbeeld tegenkomen in het park
en praten over regenwolken en daarna.
.
Of zwemmen in een meer in plaats van in de zee.
.
Terugroepen heeft geen zin, zeg ik,
stof is stof, ook na de regen.
.
En op de oever van het meer
spoelt als vanouds niets aan.
.
Maar ik zie je staan, toch, heel
even, alsof je wegkijkt over zee.
.
Dag 3
Adriaan Morriën
.
Vandaag een voorjaarsvakantiegedicht van dichter, essayist, vertaler en criticus Adriaan Morriën (1912 – 2002) getiteld ‘Opa’. Ik nam het gedicht uit het bundeltje ‘twintigste Nacht van de Poëzie’ uit 2000.
.
Opa
.
Als je al oud bent
wees het dan ook maar goed!
.
Je wist allang dat het afloopt;
nog niet in de wieg, of de box,
maar wel vroeg: toen je tante stierf
en je opa, die toch veel ouder was,
nog leefde, met een wandelstok.
Hij ging later dood.
.
’t Was niet zo erg, zei je moeder:
hij is toch heel oud geworden.
.
Novem
Anne Provoost
.
De poëzieclubkeuze van poëzietijdschrift Awater is deze winter de bundel ‘Decem’ van de Vlaamse dichter, romancier, essayist en korte verhalen schrijver Anne Provoost (1964). Provoost is lid van de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde en van PEN International. Zij won met haar werk de Gouden Uil, de LIBRIS Woutertje Pieterseprijs, twee keer een Zilveren Griffel en twee keer de Gouden Zoen. Haar roman ‘Vallen’ werd verfilmd. Voor ‘In de zon kijken’ kreeg ze driejaarlijkse Cultuurprijs van de Vlaamse Gemeenschap, dat is de voormalige Staatsprijs voor Literatuur.
In tegenstelling tot veel romanciers die beginnen als dichter debuteerde Provoost als schrijver van een jeugdboek met de titel ‘Mijn tante is een grindewal’ (1990), In 2022 debuteerde ze als dichter met de bundel ‘Krop’. In oktober 2024 verscheen haar dichtbundel ‘Decem’, ongelegenheidsgedichten voor asielverstrekkers, die dus als poëzieclubkeuze verstuurd is aan alle abonnees van Awater die een abonnement hebben inclusief de keuzebundel.. Haar werk is in twintig talen vertaald.
In ‘Decem’ krijgt de lezer het verhaal van een fictieve jongeman die per boot zijn thuisland ontvlucht, op de Middellandse Zee zijn vrouw en ongeboren kind verliest en zich daarna moet verdedigen tegenover een asielverstrekker. Anne Provoost begon aan de bundel na de verkiezingen in Nederland, waar de verruwing van de taal in het asieldebat haar raakte. “Als ik luisterde naar wat er gezegd werd, dan borrelden die gedichten op. Taal heeft belang. Men had het over een ‘tsunami, een toestroom, een overrompeling’ en ik dacht: het gaat hier wel nog altijd over mensen.” Uit de bundel koos ik het gedicht ‘novem’.
.
novem
de aanvaarding
De getroffene probeert aan de pijn te
ontsnappen door erin mee te gaan
*
ik hoorde god grommen
ik hield me muisstil
mijn zenuwen ratelden seismisch
maar dat nieuws zal vandaag niet ver reizen
praten was voor het uiterste geval
op een andere datum op een andere plaats
want ik had een accent als een stotter
dus ik wachtte tot het woei
en het woei uit de tijd inderdaad
en er klonk hoog gekraai
in het klokkengeluid van alle godsdiensten samen
en ze raakte me aan
zoals de kapper je nek scheert
ze was niet veranderd
ze was zoals toen luisterklaar
ze vroeg naar ons thuisland van vrienden die langskomen
ze had blauwwitte tanden
ze leerde me mijn eeuwige geheugenkind kennen
eerst droeg ze het op haar arm
daarna moest het lopen
ik dacht aan haar dus dacht ik ook aan hem
Koo was zijn naam
de humeurige aap
geen man maar een trein
die hoopte medailles en lof te krijgen voor zijn begerige belangstelling
voor meteorologische voorspellingen
hij bad volgens het boek
hij brandde een lamp op het water
en hield de tocht uit zijn mond als hij praatte
het is de woorden niet waard
mijn vingers gingen over de aren
waarom deed ik zoiets reddeloos als bidden voor een vrouw die me
laadde en stilstaan in waanzin
in tijden met niemand nog thuis zoals het miljoen reizigers met slechts één koffer
geen kat met een rat in de maag als verloning
voor alles waren we gewaarschuwd
voor de druk op de heup, voor de gal in de strijd
want wie wil er nog kijken naar aandacht die pijn doet als hij de
aandacht kan eisen met fluiten en krijsen
dus ik vatte het plan op om nooit meer de wateren waarin ik wilde
vissen te storen
maar ik voelde dus dat iemand me net niet had geraakt
tenzij met haar haren
totaal onverhoeds
het kon ook een man zijn
bijvoorbeeld mijn vader
.
Museum van het boek
Tom Lanoye
.
Op zoek naar een foto in mijn bestanden kwam ik een foto tegen waar ik even bij bleef hangen. Dat is altijd een goed teken, dus liet ik mijn zoektocht even voor wat het was en concentreerde ik me op de foto die mijn aandacht had getrokken. Het betreft hier een foto die ik nam in het Literatuurmuseum in Den Haag van een vitrine over Tom Lanoye (1958) Vlaams dichter, romancier, essayist en toneelschrijver.
In de vitrine lagen enige bibliofiel uitgegeven werken van Lanoye. Zoals de uitgave ‘Hanestaart’, gedichten, in 1988 uitgegeven in een beperkte oplage en geïllustreerd door Jimi Dams. Een oplage van 20 exemplaren van verguld halfleer met platten van versierd papier, genummerd en gesigneerd door de auteur.
De bladzijde waarop deze uitgave openlag was niet genummerd maar het gedicht was goed te lezen. Het betreft hier het gedicht ‘Clip’.
.
Clip
.
Leg een hertejong, ik zal het broeden
tot zijn schedel barst zoals
de lippen van een digitale vrouw.
.
Kus de jakhals in mijn plaats, ik zal hem
zegenen met satellieten tot zijn drift
kan karnen in een langverwacht vaccin.
.
Geef desnoods de schaamluis door, ik zal haar
strelen als tranquilizers op een sterfbed, haar
troosten als een vetplant met een flatneurose.
.
Maar vraag niet dat ik vrede neem met de
melt-down van verveling, dat ik de leeuwemuil
zou spalken met het hout van ersatz en geduld.
.
Verlang niet dat ik rusten zou voor ik nation-wide
gescreend heb: het scala van mijn tanden, de roep
van mijn ravage, het karma van mijn koorts.
.
Levens-vreugde in den dood
De Tachtigers
.
Ik heb al veel geschreven over verschillende stromingen in de poëzie. De Vijftigers, de Zestigers, Nieuwe Realisten, de Maximalen, maar ik kwam erachter dat ik nog nooit een blog gewijd heb aan de Tachtigers. Ik heb wel aan verschillende vertegenwoordigers van de Tachtigers individueel aandacht besteed maar aan de stroming als zodanig nog niet. Een omissie kortom. Daar gaat nu verandering in komen.
De Tachtigers vormden een vernieuwende beweging binnen de Nederlandse kunst en met name binnen de Nederlandse literatuur die van ca. 1880 tot 1894 bestond. In het werk van de auteurs die tot deze beweging worden gerekend kwamen het impressionisme en naturalisme sterk naar voren. De Tachtigers zijn gevormd uit een groep jonge studenten en kunstenaars, geboren tussen 1855 en 1865, voornamelijk afkomstig uit Amsterdam en omgeving, die elkaar vonden in de afkeer van de victoriaanse wereld die Alphons Diepenbrock later zou beschrijven als ‘de afschuwelijke vulgariteit van de bureaucratenwereld der ‘letterkundigen’.
Ze zijn vooral van belang vanwege de vernieuwing die zij aanbrachten in de poëzie en de sterke onderlinge band die de meesten van hen aanvankelijk met elkaar hadden: zij kenden elkaar van hun studies of van sociëteiten, correspondeerden intensief met elkaar leenden elkaar geld en investeerden in hun in 1885 vol elan opgericht nieuw literair tijdschrift De Nieuwe Gids, dat vooral in de begintijd over het algemeen met de beweging werd vereenzelvigd en zich sterk afzette tegen de reeds bestaande, meer behoudende De Gids, dat verscheen sinds 1837.
Naast De Nieuwe Gids werd ook het weekblad De Amsterdammer een belangrijk medium van de beweging. Hoewel het vooral een literaire beweging betrof, waren er ook kunstschilders en componisten die zich met de beweging associeerden, zoals de eerder genoemde componist en schrijver Alphons Diepenbrock (1862-1921).
Belangrijkste dichters uit de beweging van de Tachtigers zijn Willem Kloos, Herman Gorter, Hélène Swarth, Albert Verwey, Hein Boeken, Franc van der Goes en Jacques Perk en in hun voetspoor ook een dichter als Augusta Peaux.
Nico Donkersloot (1902 – 1965, pseudoniem Anthonie Donker) hoogleraar Nederlands, letterkundige, essayist, schrijver, literair vertaler en dichter, publiceerde in 1935 ‘De gestalten van tachtig, bloemlezing uit de poëzie der tachtigers’. Uit deze bloemlezing koos ik het gedicht ‘Levensvreugde in den dood’ van Willem Kloos (1859-1938). Het gedicht werd genomen uit de bundel ‘Verzen III’ uit 1913.
.
Levens-vreugde in den dood
.
Kleren
F.L. Bastet
.
De enige keer dat ik aandacht besteedde aan dichter F.L. Bastet op dit blog, was toen ik een dubbelgedicht plaatste over begraafplaats Oud Eik en Duinen in Den Haag. Dat doet dichter, archeoloog, literator, biograaf, schrijver en essayist Frédéric Louis Bastet (1926-2008) geen eer aan en vandaar vandaag opnieuw aandacht voor deze P.C. Hooft-prijs winnaar (in 2005 voor zijn essayistische oeuvre).
Bastet studeerde klassieke talen en archeologie aan de Rijksuniversiteit Leiden. In 1958 promoveerde hij er tot doctor in de Letteren. Van 1966 tot 1976 was hij hoogleraar klassieke archeologie aan de universiteit Leiden. Na zijn professoraat werd Bastet conservator van de klassieke afdeling van het Rijksmuseum van Oudheden.
Naast zijn wetenschappelijk werk schreef Frédéric Bastet biografieën, biografische romans, fictie, essay- en dichtbundels. In 1959 debuteerde Bastet met de roman ‘De aardbeving’ en een jaar later, in 1960, als dichter, met de bundel ‘Gedichten’. Als dichter publiceerde hij vooral in de jaren ’60 en ’80 bundels. Zijn laatste poëzie werd in 2005 gepubliceerd onder de titel ‘Twee gedichten’.
In 1980 verscheen ‘Catacomben’ Een keuze uit de gedichten. Uit deze bundel nam ik het fraaie gedicht ‘Kleren’.
.
Kleren
.
Ik hield van je kleren,
ordeloos over de stoel.
Als wij verzadigd waren
trok je ze langzaam aan:
.
medeplichtigen.
.
Ze moesten je immers behoeden
tegen de kou van de wereld,
tegen de vreemde handen
van wie niet weten konden
met hoeveel liefde
– zo was het toch wel –
met hoeveel liefde ik ’s nachts
in het stroombed en de eeuwige vlakte
je warmte had toegedekt.
.
Dichters bij elkaar
Singel 262
.
In 1967 gaf Em. Querido Uitgeverij N.V. de bundel ‘Dichters bij elkaar’ uit, een jaarboek van Singel 262 die geheel aan poëzie gewijd was. De dichters van Querido werd gevraagd een ongepubliceerd gedicht aan te leveren en een aantal heeft ook een essay over hun dichterschap geschreven. De titel Singel 262 is gelinkt aan het adres van Querido. De jaarboekjes verschenen van 1951 t/m 1990 en een aantal keer waren dichters en gedichten onderwerp van zo’n jaarboekje. De eerste keer in 1952 en in 1967 voor de vierde maal.
Bij de keuze van de essays heeft men destijds gestreefd naar een verscheidenheid van generaties zodat de ontwikkeling van de poëzie in Nederland via een aantal opvattingen tot uiting kwam. Een bundeling van dichters, gedichten en hun opvattingen over het dichterschap. Dit alles heeft een interessante en levendige bundeling van gedichten en inzichten opgeleverd.
Uit de vele dichters die vertegenwoordigd zijn in dit jaarboekje koos ik voor de dichter Anthonie Donker (1902-1965). Donker of Nico Donkersloot zoals zijn volledige naam luidde, was hoogleraar Nederlands, letterkundige, schrijver, essayist, dichter en literair vertaler. Anthonie Donker gebruikte ook de pseudoniemen Aart van der Alm, Siem de Maat en Maarten de Rijk.
Hij debuteerde in 1926 met de bundel ‘Acheron’ en bleef tot aan zijn dood essays, dichtbundels, biografieën en vertalingen produceren. Als vertaler werd Donkersloot bekend door zijn vertaalde werk van onder meer Coleridge, Goethe en Feuchtwanger. Tijdens de oorlogsjaren was hij betrokken bij verzetsactiviteiten en werd door de Duitse bezetter ontslagen als hoogleraar en gearresteerd. Hij werd opgesloten in de gevangenis van Scheveningen (Oranjehotel) en zou na de oorlog een tekst schrijven voor de plaquette (naast de deur in de buitenmuur aan de Van Alkemadelaan) die daar in 1949 onthuld werd ter nagedachtenis aan de geëxecuteerden op de Waalsdorpervlakte.
.
Een Breughel
.
De blindeninrichting gaat uit. Vijf uur
Een Breughel wordt de Amsterdamse tram.
Zij staan iets te rechtop, onzeker stram,
met het gezicht aldoor als naar de muur.
.
Hun blik is lichtloos, van een wit glazuur.
Alsof hij plots een andere route nam
rijdt door hun nacht de Amsterdamse tram,
door vreemde sferen zonder verf of vuur.
.
Hun vingers die volleerd zijn in het voelen,
baggernetten knopen en matten stoelen,
vinden de weg in het donker op den duur.
.
Zij staan, als knotwilgen in de natuur.
Zij weten niet wat wij ermee bedoelen
dat de duisternis invalt op dit uur.
.
Willekeurig gepakt
Marjoleine de Vos
.
Vandaag sta ik voor mijn boekenkast met dichtbundels (één van mijn boekenkasten met dichtbundels, het zijn er inmiddels vier) en zonder te kijken pak ik een willekeurige dichtbundel eruit. Dit keer is dat de bundel ‘Het waait’ uit 2008 van dichter, journalist, kinderboekenschrijver en essayist Marjoleine de Vos (1957).
Ik sloeg de bundel open en het gedicht ‘Zo zou het zijn’ openbaarde zich. Daarom, vandaag, geheel willekeurig dit gedicht.
.
Zo zou het zijn
.
Heel lang al wist je steeds dat ergens iemand
wachten zou. Bij een halte halverwege, liefst
iets eerder. Je zou haar plotseling zien
gedag zeggen misschien maar al meteen
geen onderscheid meer tussen jou en haar, zij was
die jij steeds worden wou, naar haar leidde je weg.
.
Je was nu wie bedoeld was als vanouds:
in evenwicht, geleerd, verdiept
je bakte ook je eigen brood, sprak Grieks
je bloemen bloeide eindeloos en nooit
hoefde meer iemand ooit eens ergens.
.
Zo zou het zijn, maar in het echt vooral
wat stof dat daalt, je kromp in eigen oog
snapt niet wat je begrijpen wou. Tot halverwege
ja, daar staat een grijze vrouw, ze kijkt naar jou
en jij ziet haar. Maar je loopt door en mompelt: toch
bloeit straks de winterhazelaar.
.

















