Site-archief
Andere woorden
Hans Andreus
.
Als laatste bijdrage aan de week van de Vijftigers vandaag de dichter Hans Andreus. In de prachtige bundel ‘Nieuwe griffels schone leien’ uit 1954 heeft Paul Rodenko gedichten bijeengebracht ‘van Gorter tot Lucebert, van Gezelle tot Hugo Claus. Deze bloemlezing uit de poëzie der avantgarde werd door Rodenko ook voorzien van een inleiding. Deze bundel was destijds enorm populair getuige de aantallen waarin de eerste vier drukken verschenen, namelijk 37.500 stuks. Mijn exemplaar is uit 1957 (vierde druk) van 10.000 exemplaren. Hoeveel er in totaal van gedrukt en verkocht zijn durf ik niet te zeggen maar dit soort aantallen worden heden ten dage nog maar zelden gehaald.
Deze titel verscheen in de Ooievaars reeks en H. Berserik tekende de omslag illustratie. Uiteraard staan er een aantal gedichten van Hans Andreus in deze bundel (net als alle andere Vijftigers). Het gedicht ‘omdat je niet grieks bent…’ verscheen oorspronkelijk in zijn bundel ‘De taal der dieren’ uit 1953.
.
Omdat je niet grieks bent…
.
Omdat je niet grieks bent
kunnen je ogen delfisch orakelen
hoor ik bucolische muziek
een heel hoge mondharmonica in plaats van een fluit
maar meer dan dit
men moet zo zonder gestalte zijn
om lief te kunnen hebben
zo niemand en zo bewoond door leven
duizendpootleven en halfgodbestaan
dat men kan zeggen jij met een klank van glazen bekkens
bloemkoopmannen hebben droevige gezichten
zij hebben haren van kuilgras
en ogen van magere aarde
maar zij hebben hun bossen rozen als waaiers ontvouwd
en je naam van je heupen gelezen
ik heb een dag lang de dood op handen gedragen
ik heb een dag lang de kou van alaska betast
ik heb een nacht lang een jong dier zien doodgaan
ik heb een nacht lang je ogen gezien blinkend met een
blijdschap als water
ik weet allang niet meer wie je was
een vogelroep
of de komeet van halley
of
het eiland sicilië
maar ik leefde zo dood als kamers in spiegels
luister ik rinkel als bellen
de lichtrode weerschijn van onder je borsten
begrijp ik niet
de vertraagde val van je heupen door de ruimte
begrijp ik niet
je mond en je ogen zijn onherkenbaar
maar ik bespeel je en jij noemt mij
de bank van monto carlo
men wijst mij aan ik ben in de maan de kinderen roepen
mij maanman na
maar ik vaardig proclamaties uit
in een koninklijk meervoud
wij
zijn
de spiegels
der zon
.
Ik proef iets wat bedorven is
Hekeldichten
.
Bij uitgeverij Passage worden mooie en interessante dichtbundels uitgegeven. In 2016 werd bijvoorbeeld, als onderdeel van De doos van Passage, de bundel ‘Ik proef iets wat bedorven is’ gepubliceerd. In deze fijne bundel nemen Daniël Dee, Alexis de Roode en Benne van der Velde ons mee in de wereld die Hekelgedichten heet. In de inleiding wordt door de heren meteen al korte metten gemaakt met de gedachte dat hekeldichten om te lachen zijn, of dat ze in de categorie Light verse zouden vallen. In de inleiding wordt uiteengezet dat hekeldichten (ook) groot, ernstig en complex kunnen zijn. De namen van de hekeldichters doen ook al zoiets vermoeden; Gerrit Achterberg, P.A. de Génestet, Jan Hanlo, Ilja leonard Pfeijffer maar ook Driek van Wissen, Hans van Willigenburg en Delphine Lecompte.
De inleiders besluiten de inleiding met de zinnen: “Geen gevaarlijker stroming in de poëzie dan het hekeldicht. Met name voor de dichter wel te verstaan. Talloos zijn de dichters die omwille van een hekeldicht in de gevangenis of of het concentratiekamp kwamen. Tegenwoordig is die kans in Nederland niet zo groot. Maar wie een hekeldicht schrijft, zeker wanneer de inzet serieus is, geeft zich werkelijk bloot.” En zo is het maar net.
De bundel is in een aantal hoofdstukken opgedeeld met titels die beginnen met ‘Tegen’ gevolgd door landen, klein leed, de liefde, een bepaald slag mensen, de wetenschap, de poëzie, God, etc etc. Voor wie in een recalcitrante bui is of gewoon even tegen iets in het bijzonder of het leven in het algemeen is dit een heerlijke bundel om te lezen. Uit het hoofdstuk ‘Tegen de poëzie en de literaire wereld’ het gedicht ‘Hard werken’ van Joost Reichenbach
.
Hard werken
.
“dichten is hard werken”
.
zei de dichter tot zijn vrouw
“wacht dus maar niet
op mij vannacht”
.
en besteeg de trap
met een fles wijn
op weg naar de zolder
alwaar hij na drie lange teugen
deze regels optikte
zich daarna urenlang
heeft afgerukt bij
pornoplaatsjes van het internet.
.
“’t is weer mislukt”,
zei hij ’s ochtends,
.
“vanavond verder ploeteren.”
.
Erotiek en poëzie
Pierre Kemp
.
Pas geleden kocht ik wat kleine bundeltjes uit de jaren 50’en 60′ met onooglijke kaftjes. De inhoud vergoedt, zoals zo vaak echter veel. In het bundeltje met op de omslag slechts de letters BP (hetgeen staat voor Beeldende Poëzie zo lees ik op de titelpagina) uit 1960 gaat het over ‘De vrouw’.
Uit tal van dichtbundels bracht Adriaan Morriën een aantal gedichten samen die over de vrouw gaan. Hij leidde de bundel in en voorzag deze van bio- en bibliografische gegevens. In dit bundeltje staan naast de gedichten ook vele foto’s van vrouwen gemaakt door Herman J. Hahndiek.
Toen ik de bundel aan het lezen was bleef ik bij het gedicht ‘Verloofden’ van Pierre Kemp steken. Dit gedicht lijkt in eerste instantie een mooi klein liefdesgedicht maar toen ik het nog eens las bleek de subtiele erotiek die Kemp in dit gedicht stopte. Juist de subtiele verwijzingen naar het fysieke contact, de aarzeling van de vrouw, gevolgd door de laatste zinnen van dit gedicht maakt dat ik dit met veel overtuiging een plaats geef in mijn minirubriekje Erotiek op zondag.
.
Verloofden
.
Als hij mij een hand geeft,
kleedt hij mijn vingers uit,
Toch verlang ik zo naar dit
contact met mijn huid.
Als hij met een vinger de split
van mijn vingers beroert, word ik rood
en voel ik mijn schoot.
Wij glimlachen, het doet ons goed.
Is het wel, als het moet?
Maar ik geef toe
en doe, en doe, en doe.
.
De moeder de vrouw
Martinus Nijhoff
.
Gisteren werd bekend gemaakt dat Murat Isik, winnaar van de Libris Literatuurprijs 2018 met zijn roman ‘Wees onzichtbaar’, het Boekenweek essay 2019 zal schrijven. Het thema is ontleent aan de titel van een gedicht van Martinus Nijhoff ‘De moeder de vrouw’. Reden genoeg voor mij om het gedicht van Nijhoff (1894 – 1953) op te zoeken en met jullie te delen.
In de bundel ‘Het mooiste gedicht’ De favoriete gedichten van Nederland en Vlaanderen, met een inleiding van Jan Wolkers uit 2000 staat dit gedicht (naast nog een aantal gedichten van zijn hand) gepubliceerd. Vele zullen dit gedicht herkennen aan de beroemde openingsregel.
.
De moeder de vrouw
.
Ik ging naar Bommel om de brug te zien.
Ik zag de nieuwe brug. Twee overzijden
die elkaar vroeger schenen te vermijden,
worden weer buren. Een minuut of tien
dat ik daar lag, in ’t gras, mijn thee gedronken,
mijn hoofd vol van het landschap wijd en zijd –
laat mij daar midden uit de oneindigheid
een stem vernemen dat mijn oren klonken.
Het was een vrouw. Het schip dat zij bevoer
kwam langzaam stroomaf door de brug gevaren.
Zij was alleen aan dek, zij stond bij ’t roer,
en wat zij zong hoorde ik dat psalmen waren.
O, dacht ik, o, dat daar mijn moeder voer.
Prijs God, zong zij, Zijn hand zal u bewaren.
.
Over Simon Vestdijk
A. Roland Holst
.
Van een goede vriendin kreeg ik een alleraardigst boekje uit 1953 van de wereldbibliotheek-vereniging met de titel: Kleine literatuurgeschiedenis in verzen over Nederlandse schrijvers bijeengebracht door Theo Vesseur. Een mooie jaren vijftig omslag en gedichten van dichters over andere dichters. Wat ook leuk aan deze bundel is, is dat in het ene gedicht een dichter dicht over een andere dichter (bijvoorbeeld Paul van Ostaijen over Guido Gezelle en even later Halbo C. Kool over Paul van Ostaijen).
In de inleiding schrijft Vesseur: elk vers in deze verzameling zegt ons minstens evenveel over elk karakter van de auteur zèlf als over de bezongene. In het geval A. Roland Holst in zijn gedicht over Simon Vestdijk blijkt dat in ieder geval.
.
Simon Vestdijk
.
Wat mag het raadsel van uw arbeid wezen?
Muur van den Geest, waar die van de Chinezen
te kort bij schiet. – O, Tegenpool van Bloem!
O, gij die sneller schrijft dan God kan lezen!
.
(bijna) vergeten dichters
S.W. Schortinghuis
.
Een enkele keer kom ik in een kringloopwinkel of op een rommelmarkt een dichtbundel tegen waar ik, puur en alleen om de kaft, al blij van word. De bundel ‘Gedichten’ van S.W. Schortinghuis is zo’n bundel. Een ouderwets, bijna schoolschriftachtige omslag, in een soort bruin nep-leer maar gewoon van papier.
En als je dan de bundel opent begint deze met een inleiding in de vorm van een gedicht. Uit dit gedicht kun je opmaken dat de dichter Schortinghuis (1840 – 1931) vijfentachtig jaar was toen deze bundel verscheen in Winschoten in 1925.
Sijze Wilto Schortinghuis, zoals zijn volledige naam luidt, was ambtenaar, politicus, bankier, dichter en ook burgemeester van Finsterwolde (1871). Hij publiceerde in lokale kranten gelegenheidsverzen, die dus in deze bundel staan.
Omdat het zo’n charmant gedicht is hier de inleiding van de bundel.
.
INLEIDING
.
In de plaatselijke bladen
Schreef ik in den laatsten tijd
Zeer eenvoudige gedichten,
Waaraan d’ aandacht werd gewijd.
‘k Mocht dit menigwerf ervaren,
Mondeling en ook per brief;
En, — ik wil het graag bekennen,
Die waardeering was mij lief.
Toen ‘k onlangs in Februari
’t Vijf-en-tachtigst jaar besloot,
En van velerhande zijde
Warme sympathie genoot,
Maakte men, zooals reeds vaker,
Zijne wenschen openbaar
Om die verzen uit te geven
In één bundel bij elkâar.
Menig had, — zoo werd gesproken, —
Uit mijn woorden troost vergaard,
En het uitzicht op de toekomst
Werd bij ’t voortgaan opgeklaard. —
Ik, die in mijn lange leven
Menig leed te dragen had,
Voel mij dankbaar, dat ik and’ren
Troost mocht brengen op hun pad.
Allen, die dit zullen lezen,
Breng ik mijnen blijden groet!
‘k Wensch hen, op de reis door ’t leven,
Levenslust en levensmoed,
’t Staat maar vast, dat elk, die handelt
Naar zijn’ duren, heil’gen plicht,
In zijn’ blijde en droeve dagen
Wandelt in vertroostend licht.
.


















