Site-archief

Wat we kunnen weten

D.H. Lawrence

.

Ik lees de roman ‘Wat we kunnen weten’ van Ian McEwan over een verloren gegaan gedicht van de (fictieve) dichter Francis Blundy. Het gedicht in kwestie heet ‘A Corona for Vivien’ en werd geschreven door de dichter Francis Blundy als verjaardagscadeau voor zijn vrouw. Tijdens een feestelijk diner met vrienden droeg Francis Blundy het voor, waarna het nooit meer werd teruggevonden. Althans, dat wordt ons voorgehouden. Het verhaal speelt zich af in het jaar 2119 nadat de wereld grotendeels is overspoeld door het stijgen van de zeespiegel.

In de loop der jaren groeide de legende en de reputatie van het gedicht, wat leidde tot veel speculatie over het lot ervan. Mocht het ooit gevonden worden, dan zou dat niet alleen een literair mysterie oplossen, maar ook de carrière van de academicus die het ontdekt heeft een flinke boost geven. Een verhaal in romanvorm kortom, die ook een liefhebber van poëzie kan bekoren. Tel daarbij op dat ik al langer een liefhebber ben van de romans van Ian McEwan en je begrijpt dat ik me goed vermaak met dit boek.

Het gedicht ‘A Corona for Vivien’ beslaat 210 regels en is geschreven in de vorm van een sonnettenkrans. Een  sonnettenkrans (Het Latijns voor krans is corona) is een reeks van precies vijftien sonnetten met strenge vormeisen. Van de veertien sonnetten is steeds de slotregel de beginregel van het eerstvolgende sonnet, en de slotregel van het veertiende sonnet is gelijk aan de beginregel van het eerste sonnet. Het vijftiende sonnet (het meestersonnet geheten en daarmee de krans van de sonnetten) moet zijn samengesteld uit de beginregels (of eindregels) van de eerste veertien sonnetten in de juiste volgorde.

Geen sinecure dus het schrijven van een sonnettenkrans. In de roman heeft Blundy gekozen voor het Petrarchaanse  sonnet, bestaande uit twee coupletten, waarvan het eerste deel (het octaaf) acht regels en het tweede (het sextet) zes regels telt. Het rijmschema wat werd aangehouden was het traditionele ABBAABBA CDECDE. Of het gedicht wordt teruggevonden (er was slechts één exemplaar op dierenhuid geschreven met inkt en alleen die avond met vrienden voorgedragen) is de vraag, daar gaat het boek over en ik heb het nog niet uit.

In ‘Wat we kunnen weten’ worden regelmatig dichters en gedichten aangehaald. Zoals het gedicht ‘Meeting Among the Mountains’ van de Engelse dichter D.H. Lawrence (1885-1930) uit de bundel  ‘Unrhyming Poems (1917-28)’. Hij schrijft: “Hij had haar met hartgrondige afkeer aangekeken, met dezelfde hatelijke blik als waarmee de man met de ossenkar de dichter aankijkt in het gedicht ‘Meeting Among the Mountains’ van D.H. Lawrence ‘De bruine ogen, zwart van haat en nijd’ (de 7e strofe). Voor de liefhebbers van fraai geschreven proza over poëzie is dit boek een absolute aanrader.

.

Meeting Among the Mountains

The little pansies by the road have turned
Away their purple faces and their gold,
And evening has taken all the bees from the thyme,
And all the scent is shed away by the cold.
Against the hard and pale blue evening sky
The mountain’s new-dropped summer snow is clear
Glistening in steadfast stillness: like transcendent
Clean pain sending on us a chill down here.
Christ on the Cross! — his beautiful young man’s body
Has fallen dead upon the nails, and hangs
White and loose at last, with all the pain
Drawn on his mouth, eyes broken at last by his pangs.
And slowly down the mountain road, belated,
A bullock wagon comes; so I am ashamed
To gaze any more at the Christ, whom the mountain snows
Whitely confront; I wait on the grass, am lamed.
The breath of the bullock stains the hard, chill air,
The band is across its brow, and it scarcely seems
To draw the load, so still and slow it moves,
While the driver on the shaft sits crouched in dreams.
Surely about his sunburnt face is something
That vexes me with wonder. He sits so still
Here among all this silence, crouching forward,
Dreaming and letting the bullock take its will.
I stand aside on the grass to let them go;
— And Christ, I have met his accusing eyes again,
The brown eyes black with misery and hate, that look
Full in my own, and the torment starts again.
One moment the hate leaps at me standing there,
One moment I see the stillness of agony,
Something frozen in the silence that dare not be
Loosed, one moment the darkness frightens me.
Then among the averted pansies, beneath the high
White peaks of snow, at the foot of the sunken Christ
I stand in a chill of anguish, trying to say
The joy I bought was not too highly priced.
But he has gone, motionless, hating me,
Living as the mountains do, because they are strong,
With a pale, dead Christ on the crucifix of his heart,
And breathing the frozen memory of his wrong.
Still in his nostrils the frozen breath of despair,
And heart like a cross that bears dead agony
Of naked love, clenched in his fists the shame,
And in his belly the smouldering hate of me.
And I, as I stand in the cold, averted flowers,
Feel the shame-wounds in his hands pierce through my own,
And breathe despair that turns my lungs to stone
And know the dead Christ weighing on my bone.
.

En wat ik haast vergeten zou

Bas Belleman

.

Journalist, essayist, dichter, vertaler en Shakespeare-kenner Bas Belleman (1978) studeerde cultuur- en wetenschapsstudies aan de Universiteit Maastricht. Naast recensies over proza in Trouw schreef hij over poëzie in Passionate Magazine, de Groene Amsterdammer en het poëzietijdschrift Awater. Ook was hij columnist van dagblad De Gelderlander, schreef hij essays en columns voor Filosofie Magazine en verzorgde hij de programmering van de Maastricht International Poetry Nights. Enkele jaren was Belleman jurylid van de AKO Literatuurprijs. In 2021 verscheen poëzie van Bas in MUGzine #7.

In 2003 debuteerde hij met de bundel ‘Nu nog volop ventilatoren’, deze bundel werd genomineerd voor de Cees Buddingh’-prijs voor beste debuutbundel,  gevolgd jij door ‘Hout’ in 2006 en ‘De drift van Sneeuwwitje’ in 2014. In 2020 verscheen de Nederlandse vertaling ‘Shakespeares Sonnetten’ met daarin de 154 sonnetten en ‘A Lover’s Complaint’. In 2021 won hij voor dit werk de Filter vertaalprijs.

Uit zijn debuutbundel ‘Nu nog volop ventilatoren’ onder redactie van Gerrit Komrij, koos ik het laatste gedicht uit de bundel getiteld ‘En wat ik haast vergeten zou’.

.

En wat ik haast vergeten zou

.

Nog even dit:

.

het woord ‘vervreemdend

.

(een tafel een pen een scheur

in de vitrage voor het raam en ergens

ter lande valt een bonte vogel dood;

zéér vervreemdende regels!)

.

sturen we met liefde naar

de Eeuwige Papierversnipperaar.

.

 

Hij moet bij mij zijn

Najaarseditie MUGzine

.

In oktober verschijnt de nieuwe MUGzine, editie 29 alweer en ik zal de komende weken elke keer een nieuwe naam noemen van een dichter die in deze editie met poëzie is vertegenwoordigd. In ieder geval kan ik de kunstenaar al prijsgeven. Dit is de IJslandse kunstenares Ragnhildur Jóhanns (1977). Zij heeft al vele tentoonstellingen gehad in IJsland maar ook in Litouwen en het Verenigd Koninkrijk.

De eerste dichter die ik kan vrijgeven is Sylvia Hubers (1965). In haar werk verkent zij het grensgebied tussen proza en poëzie. In 2003 debuteerde ze met de dichtbundel ‘Men zegt liefde’. Daarop volgden acht bundels poëzie, prozagedichten en zeer kort proza. Haar laatste bundel ‘Aanraken!’ kwam uit in 2022. Van 2009 tot 2013 was ze stadsdichter van Haarlem en ze maakt naast boeken en bundels ook poëzie ansichtkaarten.

Natuurlijk plaats ik hier alvast een voorproefje van de poëzie van Sylvia. Uit haar debuutbundel ‘Men zegt liefde’ het gedicht ‘Hij moet bij mij zijn’.

.

Hij moet bij mij zijn

.

Hij moet bij mij zijn
hij moet mij lezen
zijn hand op me leggen
me terugtrekken
uit het land van de doden.

Hij moet bij me zijn
hij moet zich over me uitspreiden
hij moet glimlachen
wanneer ik niet meer wil
hij moet applaudiseren.

Hij moet bij mij zijn
steeds als ik de deur open doe
moet ik zijn neus zien
die groot is uitgevallen

– veel te grote neus
voor zo’n kleine kerel –

toch moet hij bij mij zijn

.

 

Een groot schrijver

Kees Ouwens

.

Ondanks dat ik op dit blog richting de 6000 berichten ga, kom ik er toch nog regelmatig achter dat ik over bepaalde dichters nog nooit iets geschreven heb. Dat kan allerlei oorzaken hebben maar in het geval van dichter en schrijver Kees Ouwens weet ik eerlijk gezegd niet waarom dit niet zo is. Misschien omdat hij als hermetisch dichter te boek staat (maar dit heeft mij er nooit van weerhouden daarover te schrijven) of dat ik zijn naam misschien niet vaak tegenkom. Hoe dan ook, vandaag gaat dat veranderen.

Kees Ouwens (1944-2004) debuteerde in 1968 met de dichtbundel ‘Arcadia’ en er zouden tot na zijn dood 10 poëziebundels van hem verschijnen. Ouwens schreef ook proza maar verwierf vooral een plaats in de Nederlandse literatuur als experimenteel dichter. Op zijn Wikipediapagina lees ik: “Zijn fascinatie met het taalspel verleidde hem er soms toe de begrijpelijkheid of het grammaticaal voor de hand liggende te veronachtzamen met het doel de exactheid van uitdrukking in de zorgvuldig opgebouwde talige realiteit. Hierdoor wordt hij weleens als ‘hermetisch’ dichter bestempeld, terwijl anderen zijn oeuvre juist daardoor, samen met dat van andere grote naoorlogse dichters als Jacques Hamelink en Hans Faverey, als verrijkend voor het Nederlandstalige dichtersidioom ervaren.”

Ondanks, of misschien wel dankzij zijn zoektocht kreeg hij bij leven verschillende literaire prijzen toegekend zoals de Lucy B. en C.W. van der Hoogtprijs (1976), de Jan Campert-prijs (1985), de Herman Gorterprijs (1998), de VSB Poëzieprijs (2001) en de Constantijn Huygens-prijs (2002), voorwaar een indrukwekkende reeks prijzen.

Uit de bundel ‘Alle gedichten tot dusver’ uit 2002 nam ik het gedicht ‘Een groot schrijver’ waarin de dichter zichzelf kritisch bekijkt en de lezer achterblijft met de vraag ‘ziet de dichter zichzelf hier nu als groot schrijver of juist niet?’ En waarin de dichter speelt met verwijzingen naar de christelijke religie (stille nacht, schrift, de sterren). Op het eerste oog een kort en bondig gedicht waar heel veel uit te halen valt. Het gedicht verscheen oorspronkelijk in zijn bundel ‘Intieme handelingen’ uit 1973.

.

Een groot schrijver

.

Ik legde mijn pen neer en begaf mij

naar buiten.

Daar keek ik omhoog en zag de sterren.

Het was een stille nacht.

Ik ben een groot schrijver,

dacht ik.

.

Toen begaf ik mij weer naar binnen,

om die regel op te schrijven

en er schoot mij een traan te

binnen, die op mijn schrift viel.

Ik huilde om de waarheid.

.

Toasten op de liefde

James Bertolino  

.

Op zoek naar onbekende liefdesgedichten, de mooiste en bekendste zijn er meer dan genoeg, kwam ik op een website over huwelijksgedichten. Nu zijn er vele manieren om met een gedicht een huwelijk op te fleuren maar de meeste zijn op zijn zachtst gezegd nogal ‘plat’ of clichématig. Maar ik kwam ook een gedicht tegen van de Amerikaanse dichter James Bertolino (1942).

Bertolino is de auteur van 30 boeken en chapbooks met poëzie en proza. Hij debuteerde in 1968 met twee chapbooks, ‘Day of Change’ en ‘Drool’. Een chapbook is een klein dun boekje, vaak een verzameling gedichten of korte teksten en bevatten meestal een beperkt aantal pagina’s (vaak tussen de 16 en 40). Ze zijn daardoor ideaal voor het bundelen van een kleine collectie gedichten of een enkele kort verhaal. In zijn latere carrière als dichter zou hij naast een aantal bundels vooral nog vele chapbooks publiceren. Bertolino werd al vroeg in zijn carrière veelvuldig gepubliceerd en in de loop der jaren is zijn werk verschenen in meer dan 100 tijdschriften en meer dan 40 bloemlezingen.

Als redacteur was hij medeoprichter van het literaire tijdschrift Abraxas en de Cincinnati Poetry Review , en was hij lid van de redactieraad van Ithaca House. In 1972 richtte hij Stone Marrow Press op, dat zijn eigen werk en dat van andere dichters publiceerde.

Op de website over huwelijkspoëzie vond ik het gedicht ‘A Wedding Toast’ dat verscheen in zijn bundel ‘Ravenous Bliss’ uit 2014. Dit gedicht overstijgt het cliché van het romantische huwelijksgedicht en kan ook als gewoon liefdesgedicht gelezen worden.

.

A Wedding Toast

.

May your love be firm,
and may your dream of life together
be a river between two shores—
by day bathed in sunlight, and by night
illuminated from within. May the heron
carry news of you to the heavens, and the salmon bring
the sea’s blue grace. May your twin thoughts
spiral upward like leafy vines,
like fiddle strings in the wind,
and be as noble as the Douglas fir.
May you never find yourselves back to back
without love pulling you around
into each other’s arms.
.

Waarom is oude/moderne poëzie zo lastig te lezen?

Oude versus moderne poëzie

.

Filosoof Charles Taylor schrijft in een artikel in The New York Review: “In de loop van de tijd moest de moderne poëzie steeds subtieler en verrassender worden om de verwachtingen van de lezer te overtreffen en hem of haar open te stellen voor de ervaring van transcendentie.”. Op de weblog van ene Arne staat de schrijver stil bij de verschillen tussen ‘oude’ en ‘moderne’ poëzie maar hij schrijft vooral over de vorm. Dat is één aspect maar er is natuurlijk veel meer dan vorm. Denk aan inhoud, thema, rijm, voordracht, post modernistische elementen, taalgebruik, gebruik van andere talen, lengte en ga zo nog maar even door. Ik schreef er afgelopen week al over.

Oude poëzie is moeilijk te lezen omdat ze in ouderwetse taal geschreven is. Het werk van de Tachtigers is prachtig, maar het is niet altijd eenvoudig te lezen, tenminste in eerste instantie, totdat je er een heleboel van gelezen hebt, je er meer begrip voor en van krijgt en er warm voor loopt.

Nieuwe poëzie is moeilijk te lezen omdat poëzie zogenaamd lastig en obscuur is. Ik heb me altijd afgevraagd waarom dat zo was. Zelfs Remco Campert, bijvoorbeeld, die misschien wel de meest leesbare en toegankelijke beroemde literaire dichter van de vorige eeuw is (ik sluit hierbij de liedschrijvers uit), schrijft op die beknopte manier. Ik las ergens op een site over literatuur iemand die schreef dat Dickens maar door bleef gaan omdat hij per woord betaald werd. Het lijkt er vaak op dat moderne dichters betaald worden naar een omgekeerde verhouding tot het aantal woorden dat ze gebruiken (zeker als je de vele Instagramdichters bekijkt die natuurlijk beperkt worden door het medium waarop zij hun poëzie publiceren) maar het tegenovergestelde is ook waar; veel dichtbundels van nu staan vol behoorlijk lange prozaïsche gedichten. Gedichten waarbij het onderscheid tussen vrij korte verhalen en gedichten nauwelijks meer te maken is.

Terug naar Taylor. Dichters proberen altijd de ervaring van transcendentie vast te leggen, en één manier om dat te bereiken is door iets nieuws en onverwachts te doen. Zo is het ook met muziek. Net als bij muziek werkt innovatie soms bij poëzie. Le Sacre du Printemps van Igor Stravinsky geldt als één van de meest revolutionaire werken van de 20ste eeuw. Het klinkt vernieuwend en, vergeleken met oudere muziek, moeilijk te volgen, maar het klinkt op zichzelf al goed. Sommige andere moderne muziek klinkt echter gewoon… modern. Ik denk dat er tegenwoordig (eigenlijk al zo’n honderd jaar) veel druk op componisten ligt om ofwel poppy te klinken, ofwel innovatief, “poëtisch” in de zin van veel informatie overbrengen met weinig melodieën.

Maar goed, terug naar de literatuur. Sommige proza ​​is zo innovatief en experimenteel dat het moeilijk te volgen is. Poëzie is een ander verhaal. Dat komt waarschijnlijk doordat poëzie streeft naar die ongrijpbare ‘ervaring van transcendentie’ het boven jezelf uitstijgen of het overstijgen van de dagelijkse realiteit. Wanneer dichters dat nastreven en dit doen in de traditie van het hier en nu, en dus gebruik makend van alle mogelijkheden die de dichter ter beschikking staan om moderne poëzie te schrijven, dan kun je spreken van moderne poëzie. En is dat moeilijker of makkelijker te lezen dan oude poëzie? Ik denk dat dat vooral te maken heeft met je eigen kader. Lees of heb je veel oude poëzie gelezen dan is moderne poëzie misschien niet altijd (makkelijk) te volgen. Ben je opgegroeid met moderne poëzie dan is het doorvoelen en begrijpen van oude poëzie waarschijnlijk minder makkelijk. In beide gevallen is interesse in poëzie in algemene zin een goed uitgangspunt tot begrip én daarna genieten van wat dichters uit alle tijden te bieden hebben.

Om dit betoog te beëindigen wil ik hier twee voorbeelden van oude en moderne poëzie delen. Mag jezelf bepalen wat je het meest aanspreekt en waarom. Het eerste gedicht is van de dichter J. Slauerhoff (1898-1936) getiteld ‘Voorwereldlijk landschap’ uit de bundel ‘Verzamelde gedichten’ (1973) en werd voor het eerst gepubliceerd in 1923. Het tweede gedicht is van Maxime Garcia Diaz (1993) zonder titel uit haar bundel ‘Het is warm in de hivemind‘ uit 2021, dus 74 jaar later gepubliceerd.

.

Voorwereldlijk landschap

Door ’t slikmeer breken smalle steenkoollagen
Als zwart ijs, bovenop met asch beslagen.
Het glanst op versche breuken en verbrokkelt snel.
Verre springbronnen sissen hoog en fel,
Het dieptegas welt op, dampbellen bersten.
Een mastodont, verdwaald van ’t grondig land,
Plonst door een zware laan moerascypressen,
Zakt af in ’t dras, opstekend slurf en tanden:
Twee spitse blaren bij een kronkelende plant.
Zaagtandige bekken gapen uit het drab.
Over schubstammen beent een monsterkrab.
Boomvarens groeien sterk op lage randen.
De zon staat groot en vaag, een ronde damp, te branden.
.
*
ive trough this w/ me

meisje
w/ the most cake

het aangekoekte kwaad tussen onze tenen
in de kromming van onze oorschelpen

de reiniging dient zich aan
we hebben een aard en we traceren
haar contouren
live through this w/ me, meisje

eetstoornisgrapjes schotelpupillen
het moment dat je geest boven het bed
zweeft, naar beneden kijkt & geil wordt
van zijn lelijkheid, jouw
jonge bloeiende cinema
het etteren van de zweren
op je hersenen, de wratten op je tong
smijt je lichaam tegen een muur en ontdek
hoe je botten breken, op welke plekken,
en vooral: wanneer

(…)

Jenny schrijft
you should limit the number of times
you act gaainst your own nature. it is interesting
to test your capabilities for a while,
but too much will cause damage.

achter de horizon wacht het uitsterven
voor nu lijkt rotten op bloeien, ruikt
bijna hetzelfde
voor nu heb ik geen honger meer
ik heb de hele middag in een bushokje
gezeten (neorexisch koninkrijk)
met euroshopper & amnesia haze
en een amerikaanse tiener
opgekruld in een hoekje als een
suburban spook, zielige zieke ideeën
& een meisje (girl of the geist)
that promised to live through this
with me

Muggenzuchten

Mooie zinnen

.

Mooie zinnen horen bij de literatuur. En natuurlijk bij poëzie. Veel mensen kunnen, daarnaar gevraagd, wel een zin reproduceren uit een gedicht of een roman die is blijven hangen, die iets met de lezer doet, een emotie teweegbrengt of een soort jaloezie; waarom bedenk ik niet van dit soort mooie zinnen?

In het leukste en kleinste poëziemagazine van Nederland en Vlaanderen MUGzine proberen we de lezer te verwennen met mooie, bijzondere, grappige, vervreemdende of emotionerende gedichten (en illustraties). Toch hebben we gemeend terug te keren naar ons oorspronkelijke uitgangspunt dat een tekst of stuk uit een verhaal of roman, die door het taalgebruik poëtisch is, ook een plek te geven.

Die plek is de rubriek Muggenzuchten geworden. Na Muggenbeten (met prikkelende en schurende uitspraken over poëzie), nu dus een rubriek met voorbeelden van prachtige en poëtische zinnen. We willen kijken hoe dit bevalt en we hebben al ideeën voor meer bijzondere rubrieken. Maar daarover later meer. In 2022 vroeg de CPNB naar aanleiding van de Boekenweek aan de bezoekers van het Boekenbal, wat zij de mooiste Nederlandse zin vonden. Dat werd toen een zin van Arthur Japin uit ‘Een schitterend gebrek‘.

Wij hebben de redactie gevraagd ( en zelf meegedacht) naar mooie zinnen. Die zijn opgenomen in Muggenzuchten in MUGzine #27 die de komende week verschijnt. Maar er is meer te vertellen over deze nieuwe editie. Het is een dik voorjaarsnummer geworden (maar liefst 24 pagina’s, zo dik was de MUGzine nog niet eerder) met vier prachtige dichters; de Vlaamse Veerle De Caestecker en Esohe Weyden, de Nederlandse Madelief Lammers en Marilou Klapwijk, illustraties van de zeer getalenteerde kunstenaar/illustrator Elzeline Kooy, natuurlijk een nieuwe @l.uule en een poëtisch voor woord van Marianne en als extra een gedicht van Marianne en van mij.

Kortom een MUGzine om te koesteren. Wil je nu zelf een jaar lang elke MUGzine op papier ontvangen? Word dan donateur. Dat kan al vanaf € 22,50, en door een mail te sturen naar mugazines@yahoo.com

Als voorproefje een gedicht van Esohe Weyden (niet in de MUGzine) dat zij schreef als campusdichter van de universiteit van Antwerpen, getiteld ‘De witte bladzijde’.

.

De witte bladzijde

.

Ik hoop dat je schrijfsels niet verdrinken.

Laat ze op serene wijze drijven

op een eindeloze

sinusgolf.

.

Laat

sommige woorden

even kopje-onder gaan,

de drukkende diepte verkennen

tot ze haastig moeten happen naar adem

om de lucht weer te kunnen

omarmen.

.

Ik wens je

duizenden geboortes toe

van verse zinnen die ervan dromen

om teksten te worden. Luister naar hoe ze

schreeuwen van verrukking bij

elke regel die dan toch

herschreven

wordt.

.

Voed je moed,

borstel de laatste

restjes twijfel van je borst.

.

 

 

Nergens anders

Lidy van Marissing

.

In de bundel ‘de 44 beste gedichten van de Herman de Coninckprijs 2025’ staan een aantal gedichten van dichters die ik (nog) niet ken. Een van hen is Lidy van Marissing (1942). Deze dichter, journalist, scenarioschrijver en prozaïst volgde de sociale academie in Amsterdam en werd in 1964 medewerker op de kunstredactie van de Volkskrant, waarvoor zij kunstenaars interviewde. Als dichter debuteerde ze in het literaire tijdschrift Ontmoeting dat tussen 1946 en 1964 werd uitgegeven.

In 1965 kreeg een bundel van haar (die nooit gepubliceerd is) een eervolle vermelding voor de Reina Prinsen Geerligsprijs. Voor het tijdschrift Raster was zij mederedacteur van de boeken die in de Rasterreeks verschenen in de jaren 1972-1975. Voor ze in 1991 als dichter haar eerste poëziebundel publiceerde ‘De plons van een vlok’ publiceerde ze al verschillende prozawerken, toneelwerken en interviews. Na die eerste dichtbundel heeft ze vooral poëzie gepubliceerd. Haar dichtbundel ‘Zoek de lege gebieden’ werd in 2008 genomineerd voor de VSB Poëzieprijs. In 2024 werd de driejaarlijkse Sybren Poletprijs voor experimentele literatuur aan haar toegekend. Haar laatste bundel verscheen in 2024 ‘De verwerping van het stilzitten’ waaruit het gedicht ‘Nergens anders’ is genomen dat in ‘de 44 beste gedichten van de Herman de Coninckprijs 2025’ staat.

.

Nergens anders

.

door steeds meer webben

ingesponnen, behangen, met tijd grijs

bestrooid, met hete lucht gevuld en

opgeblazen, verstrikt in onzichtbare draden ben je

zowel adem als stof

.

gedachte in gedachte (droom

in droom), gat in leegte, golf in

zee, wolk in wolk om te blijven

waar je nooit geweest, wie je nooit

was, gevoelde gedachte (gedacht gevoel)

.

‘het denken voltrekt zich in

de taal en nergens anders, zei

hij snedig, waarop zij

zei: was hier maar iemand

die zachtjes ging zingen’

.

 

De barones spreekt

Ramona Maramis

.

Vandaag ‘blind gepakt’ uit mijn boekenkast de bundel ‘Dichter aan huis’ uit 2003. In Den Haag was enige jaren de stichting ‘Dichter aan huis’ actief. Men organiseerde voordrachten in de stad bij mensen thuis in hun woonkamer. Klein en intiem maar heel erg leuk. Van deze voordrachten zijn ook bundeltjes gemaakt. Op LinkedIn vond ik de volgende informatie die volgens mij inmiddels achterhaald is.

Vanaf 1991 vond in de oneven jaren het poëziefestival plaats en in de even jaren de proza-variant. Vanaf dit jaar zullen beide festivals worden samengevoegd en zal het programma ruimte bieden aan poëzie in al haar facetten, van hermetische poëzie tot light verse, en proza in alle disciplines zoals fictie, non-fictie, thrillers, reisverhalen, geschiedenis, biogra-fieën etc. Daarnaast vormen columnisten over uiteenlopende onderwerpen zoals wetenschap, politiek, religie, filosofie, mens en maatschappij etc. een belangrijk onderdeel van het programma. Ook programmering van theaterperformers in de intieme omgeving van de huiskamer wordt niet geschuwd.

Ik heb een aantal bundels van Dichter aan huis maar deze is dus uit 2003. Opnieuw open ik de bundel op een willekeurige plek (pagina 63) en daar staat het gedicht ‘De barones’ van Ramona Maramis (1968) dat oorspronkelijk verscheen in haar debuutbundel ‘Duckstad aan de Amstel’ uit 2001. Ik kende deze dichter niet dus ben ik op zoek gegaan. Haar gedichten verschenen in onder meer de bloemlezing ’10 jaar Winternachten’, Ons Erfdeel en ‘Den Haag. De stad in gedichten’. Ze is lid van het CDA en mentor van de CDA Talent Academie en ze was jarenlang huisdichter van de CDV (Christen Democratische Verkenningen).

.

De barones spreekt

.

Waarom begrijpt niemand de kunst van het verleiden

van kristal?

Men aait de kelk zachtjes warm

en drinkt zich langzaam dood

.

Waarom verstaat niemand de verfijnde kunst van linnen?

Men discussieert over de geometrie der lijnen in stof

om er daarna in te stikken

.

En, maakt niemand zich de kennis eigen van de jacht op

everzwijnen?

Natura non facit saltus

Men gooit met hompen vlees en pijlen

naar de meest gehate persoon in het gezelschap

.

Ik haat je

ik haat je

en ik tel tot drie

.

 

Liefde is business

Arnon Grunberg

.

In de afgelopen jaren ben ik een aantal keer verrast door, in mijn ogen, romanschrijvers, die ook dichterlijke aspiraties hebben en dichtbundels hebben uitgegeven. Denk daarbij aan Rita Mae Brown, Michel Houellebecq, Hella Haasse, Abdelkader Benali en Maarten ’t Hart (winnaar van de P.C. Hooftprijs 2024). Aan die lijst die nog steeds groeit kan wat mij betreft nog een naam worden toegevoegd namelijk die van Arnon Grunberg (1971).

Helemaal nieuw voor mij is deze schrijver als dichter niet want in 2018 deelde ik al eens een gedicht van hem dat in het literaire tijdschrift Hard Gras was geplaatst. Toen was ik nog in de veronderstelling dat dit een eenmalige iets was, niet wetende dat Grunberg in 1999 al een dichtbundel publiceerde getiteld ‘Liefde is business’.

De recensies waren destijds verschillend van toon maar er was een gedeelde opmerking: de poëzie van Grunberg is al zijn proza maar dan in stukjes gehakt en achter elkaar gezet. Zo schrijft Thomas van den Bergh: “De vraag blijft: is dit poëzie? Natuurlijk kan poëzie vele, zo niet alle vormen aannemen. Maar als het verhalend proza en de gedichten van één en dezelfde auteur alleen typografisch van elkaar verschillen, dan mogen er op z’n minst vraagtekens gezet worden bij de noodzaak van deze ‘poëzie’ en de drijfveren van de schrijver.”

Maarten Doorman is iets positiever maar vooral waar het gaat om de stijl van schrijven van Grunberg: “De gedichten lijken een soort bijproduct van Grunbergs romans en verhalen. Zoals de lever gal afscheidt, zo scheidt het proza van Grunberg kennelijk gedichten af. Maar ik houd van zijn stijl dus ik lijd er niet onder.”.

De gedichten in ‘Liefde is business’ gaan over de verhouding van de ‘ik’ met ‘Hoer C.’. Hoer C. komt vanuit Nederland naar New York, raakt aan lager wal, woont vervolgens in, of beter: huist, zichzelf verkopend, bij een tax-free shop op JFK Airport om uiteindelijk uit zicht te verdwijnen. Hieronder het gedicht ‘mooi’, ik zou zeggen oordeel zelf.

.

mooi

.

als je heel erg dronken bent

komt er geen einde

aan het neuken

.

het gaat de hele tijd mis

zodat je weer van voren af aan

kunt beginnen

.

en als je dan eindelijk klaar bent

hoor je jezelf

merkwaardige zinnen mompelen

zoals

ik zou je wel willen adopteren

.

terwijl hoer C.

twee

hooguit drie jaar jonger is

.

en ’s ochtends vroeg

staand voor de wc

ontdek je een verschrompeld condoom

en je herinnert je

hoe je genoemd bent

door hoer C.

.

sukkel

macho

oud wijf

maar ook

lief zacht teder

verschrikkelijk lief

en één keer

een minuut of twee

na het neuken

mooi

.

ik moest heel hard lachen

kon het niet helpen

.

hoer C.

was weer erg hygiënisch geweest

die nacht

ze had haar tanden gepoetst

het wenkbrauwpotlood

van haar wenkbrauwen geschrobd

en

dit verklaart een hoop

haar lenzen uitgedaan

terwijl ze vertelde

hoe ze als kind

regelmatig

over het grind werd gesleurd

maar dat ze veel begreep

.

en dat het leven

voor haar vader

tenslotte

óók

geen lolletje was geweest

.