Site-archief
Apenlier
Rob Schouten
.
In het krantenknipsel dat ik in de bundel ‘Apenlier’ van Rob Schouten (1954) schrijver, dichter, literatuurcriticus en columnist vind en zo te zien uit een Volkskrant komt (en naar ik vermoed uit 2004 stamt, het jaar dat ‘Apenlier’ werd gepubliceerd) wordt gesteld dat de dichter “troost put uit slordigheid”. Piet Gerbrandy, die de recensie schreef, stelt ook dat hier “een man aan het woord is met een christelijke achtergrond die op levensbeschouwelijke en vooral op erotisch terrein permanent de weg kwijt is, overigens niet tot zijn eigen genoegen”. Gerbrandy eindigt de recensie met “de troost van de slordigheid, daarom gaat het in dit oeuvre”.
Lezend in de bundel kan ik zijn analyse beamen. In het gedicht ‘Lam’ komen een aantal van de genoemde elementen terug. Daarom uit deze bundel dit gedicht.
.
Lam
.
Natuur. Mij best. Parende robben. Mos.
De muizenval. Sla. Een ijskast ontdooien.
Telefoonrekening. Het parlement.
Belachelijk modieuze jurken.
.
Als u maar weet dat ik er ook aan doe,
hoe dronken ook. Wie ligt daar op zijn kant?
Een auto winnen om langs berg en dal…
Bloemlezingen, toeristen, komma’s, punten.
.
Te veel om… nou ja, geweldig veel
en allemaal om het verstand te boeien
dat momenteel helaas geen zitting houdt
maar morgen weer voor alles openstaat.
.
Dubbel-gedicht
Oud Eik en Duinen
.
Jaren geleden schreef ik een gedicht over de prachtige oude begraafplaats Oud Eik en Duinen. Dit gedicht werd onder andere gepubliceerd in mijn bundel ‘Je hebt me gemaakt met je kus’, De Oud Hagenaar, in Poëzie op Pootjes 3 en op de website van Monuta (hetbedrijf dat Oud Eik en Duinen beheerd) https://www.monuta.nl/vestiging/begraafplaats-oudeikenduinen/actueel/wouter-heiningen/ . Afgelopen weekend las ik in een editie van Maatstaf tot mijn verbazing een gedicht met dezelfde titel. In de Maatstaf nummer 1 van de veertiende jaargang (1966) staat het gedicht ‘Oud Eik en Duinen’ van dichter F.L. Bastet.
Frédéric Louis Bastet (1926 – 2008) was een Nederlandse literator, biograaf van Couperus, archeoloog, schrijver, essayist en dichter. In 1960 debuteerde hij met de poëziebundel ‘Gedichten’ en gedurende zijn leven schreef en publiceerde hij regelmatig dichtbundels. Tussen het eerste gedicht (van mij) en het tweede gedicht (van F.L. Bastet) zit ongeveer 50 jaar.
.
Oud Eik en Duinen
.
De kraaien zijn geen kraaien
meer, maar kauwen
hun zwarte werk verlicht
.
hier trekt je laatste adem
een kou doortrokken wintervacht aan
en zingt de lucht in stilte
.
de prikklok slaat nu nog eenmaal
gaten in de tijd, toch, wie er moet zijn
is aanwezig
.
hij die stof verlangt
wordt niet teleurgesteld, de grond
wordt dik belegd met ons gepeins
.
Oud Eik en Duinen
.
.
Het sterrenbeeld
Anthonie Donker
.
In 1946 publiceerde uitgeverij Van Loghum Slaterus de bundel ‘Het Sterrenbeeld’ van dichter Anthonie Donker. De verzen die in deze bundel stonden waren allemaal geschreven in de jaren 1940 – 1942. Anthonie Donker is het pseudoniem van Nicolaas Anthonie (Nico) Donkersloot (1902 – 1965). Donkersloot was hoogleraar Nederlands, letterkundige, schrijver, essayist, literair vertaler en dichter.
Anthonie Donker debuteerde als dichter in ‘De Vrije Bladen’ in de jaren twintig van de vorige eeuw. In 1929 won hij voor zijn dichtbundel ‘Kruistochten’ de Domprijs voor poëzie van de jury die bestond uit J.C. Bloem, Hendrik Marsman en Marnix Gijsen. In datzelfde jaar won hij de Lucy B. en C.W. van der Hoogtprijs van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde voor zijn dichtbundel ‘Grenzen’.
In de oorlog schreef hij onder het pseudoniem Maarten de Rijk. Tijdens de oorlogsjaren was hij betrokken bij verzetsactiviteiten en werd door de Duitse bezetter ontslagen als hoogleraar en gearresteerd. Hij werd opgesloten in het Oranjehotel (de gevangenis van Scheveningen) en zou na de oorlog een tekst schrijven voor de plaquette (naast de deur in de buitenmuur aan de Van Alkemadelaan) die daar in 1949 onthuld werd ter nagedachtenis aan de geëxecuteerden op de Waalsdorpervlakte.
Op https://www.dbnl.org/tekst/_str007194701_01/_str007194701_01_0062.php staat over deze bundel onder andere te lezen: Deze verzenbundel bevat vijf-en-dertig stukken, bijna alle sonnetten, in drie groepen onderverdeeld: een onverpoosd beuken, met een zachte hardnekkigheid, tegen de wanden van dit vergankelijk leven; een moeizaam vangen, in té omzich-tig bewerkte verzen, van vôôr-klanken der eeuwigheid; een nooit voltooide onthechting voor wie, vol van heimwee, het bestaan wil bereiken tussen hemel en aarde, het ‘sterrenbeeld’.
Ik koos uit ‘Het sterrenbeeld’ het gedicht ‘Het portret’.
.
Het portret
.
Ten einde raad, zal ik haar eindlijk schildren?
Herschep de ruimte, hand, met uw gebaar
Tot schets en dan tot beeltenis van haar,
Laat niet de drift der vingers weer verwilderd,
Ten einde raad zal ik haar eindlijk schildren.
.
Gewent zij zich reeds in haar eigen trekken?
O worstling om het dierbare portret
In streek na streek als booten uitgezet
Verlangend om die kustlijn te ontdekken,
Zij vindt haar weg reeds in haar eigen trekken.
.
Hoe de muziek der oogen te vertalen?
Diep genoeg ziende in dien sterrennacht,
Ontwarend waar zij altijd nog op wacht
Zie ik de engel op het voorhoofd dalen
En zal van de oogen de muziek vertalen.
.
Maar hoe zou ik de pijn der lippen stillen?
Al ’t ondervondene en het rustloos spel.
Van snelle schaduwen, daarvan zal wel
Het teeken aan den mondhoek blijven trillen,
O pijn der lippen die ik niet kan stillen.
.
Eerst de hond
Dubbel-gedicht
.
Als er een thema is waarover veel gedichten zijn gemaakt (naast de dood en de liefde) dan is het wel het dier. En van alle dieren zijn er denk ik het meeste gedichten over katten, gevolgd door gedichten over honden. Voor het dubbelgedicht koos ik voor de laatste vooral omdat de twee gedichten die ik koos zo totaal verschillend zijn.
Het eerste gedicht is van Kees Stip (1913 – 2001). Onder het pseudoniem Trijntje Fop publiceerde hij vele nonsensversjes. In de bundel ‘De peperbek en andere beesten’ dat werd gepubliceerd onder zijn officiële naam C. Stip uit 1967 staan allerlei gedichten over dieren waaronder het gedicht ‘op een tekkel’.
Het tweede gedicht is van de Poolse dichter, toneelschrijver en essayist Zbigniew Herbert (1924 – 1998). Het gedicht ‘Eerst de hond’ komt uit de bundel ‘Verzamelde gedichten’ uit 1999 en werd vertaald door Gerard Rasch. In Polen wordt Herbert beschouwd als een klassiek dichter, hoewel hij maar weinig steunt op metrum en rijm. Hij is klassiek in zijn waarnemingen, zowel van de broosheid van mensen als van de trouw der dingen. Zijn poëzie wordt gekenmerkt door beheersing, beknoptheid, eerlijkheid en soberheid, soms ook door een speels-filosofische toon.
.
op een tekkel
.
Een tekkel volgde trouw te Dordt
een man met een reclamebord
waarop stond: PIETERS’PILLEN ZIJN
GEWELDIG TEGEN ZENUWPIJN.
het beest sprak enigszins verlegen:
‘Daar ben ik ook geweldig tegen.’
.
Eerst de hond
.
De hond zal dus als eerste gaan
daarna het varken of de ezel
in wart gras treden ze een paadje uit
en daarover schiet de eerste mens
die met ijzeren hand de druppel angst
verstikt die op zijn glazen voorhoofd zweet
.
als eerste dus de hond een brave hond
die nooit van ons is weggelopen
van een bot aardse lantaarns droomt
in zijn wervelende hok in slaap valt
zijn arme bloed raakt aan de kook verdampt
.
daarna gaan wij met een andere hond
die ons aan de lijn zal voeren
met onze witte astronautenstok
stoten wij onhandig sterren aan
niets zien we en niets horen we
we beuken op de donkere ether
en op alle golven klinkt gejank
.
al wat je mee op reis kunt nemen
door het koudvuur van de zwarte wereld –
de naam van mens de geur van appel
een noot van klank een kwart van kleur
.
heb je nodig voor de terugreis
voor het vinden van de snelste weg
wanneer de blinde hond je leidt
naar de aarde blaft als naar de maan
.
wij water
A. Gerits
.
In de serie Haagse Cahiers, een letterkundige reeks onder redactie van Johan van Nieuwenhuizen, verscheen in 1966 deel 9 van dichter A. Gerits. Anton H.J. Gerits (1930) was antiquaar en schrijver maar hij gaf ook veertien dichtbundels uit. In 1993 werd hem de Literaire Prijs van de Provincie Gelderland toegekend voor de cyclus ‘Tot dolen en dromen ontwaakt’, een eerbetoon aan Ida Gerhardt. Hij was lid van het Amsterdamse Dichterscollectief 2006, dat voortkwam uit Literaire Uitgeverij De Beuk.
In ‘wij water’ dat aan zijn vrouw is opgedragen en dat in een oplage van 100 stuks op een handpers is gedrukt, staan 18 gedichten. In de bundel op pagina 19 zitten twee identieke kleine briefjes, een erratum, waarom te lezen staat dat de 8e regel van het (titel) gedicht ‘wij water’ moet zijn ‘er blijft ons niets te wachten’ in plaats van ‘er blijft ons niet te wachten’. Zelfs in een, met veel aandacht en oog voor kwaliteit gedrukte bundel kan een foutje sluipen.
De meeste gedichten in dit Cahier zijn in de ‘wij’ of de ‘ons’ vorm geschreven. Ik koos, speciaal omdat het vandaag zondag is, voor het gedicht ‘Zondag’.
.
Zondag
.
De straten zijn van boven dicht.
In smalle gangen gaan wij rond
als muizen, klein, en bang voor licht.
Wij speuren nauwelijks de grond.
.
Wij lopen in de lege val
onszelf in kerken opgezet
en nemen wat ons redden zal
met valse schaamte mee naar bed.
.
Wij slapen naar de nieuwe dag,
de straten baden in het licht,
maar wie van ons dit wonder zag,
deed ’s morgens vroeg de ogen dicht.
.
Op reis
Dubbel-gedicht Menno Wigman en Hans Bouma
.
Vandaag in het Dubbel-gedicht twee dichters die nogal van elkaar verschillen (en daarom is het zo aardig om de twee met elkaar te verbinden middels een thematisch gedicht); Menno Wigman (1966 – 2018) en Hans Bouma (1941). Menno Wigman, de dichter, vertaler en bloemlezer bij wie de dood in zijn gedichten een prominente rol speelde en Hans Bouma, Nederlandse protestants-christelijke schrijver, dichter, spreker en dierenactivist.
Van Menno Wigman koos ik het gedicht ‘Herostratos’ uit zijn bundel ‘Slordig met geluk’ uit 2016 en van Hans Bouma koos ik het gedicht ‘Jericho’ uit zijn bundel ‘Op reis – om weer thuis te komen’ poëtisch dagboek uit 1998.
.
Jericho
.
Tienduizend jaar geschiedenis
deden we met gemak
in drie uur af –
.
waarbij we ook nog
een half uur
voor de lunch uittrokken.
.
Herostratos
.
Er tikken pissebedden in mijn hoofd.
Ze naaien mijn gedachten op.
Ik denk al dagen aan een daad, zo groot
zo hevig en dramatisch dat mijn naam
in alle kranten komt te staan.
.
Napoleon, las ik, was kleurenblind
en bloed was voor hem groen als gras.
En Nero, die bijziend was, hield het spel
in zijn arena bij door een smaragd.
.
Nu even stilstaan. Moet je horen: ik
ga straks de straat op, ik besta het, schiet
me leeg en verf de feeststad groen.
.
Nog voor het eind van het festijn
zal ik de grootste zoekterm zijn.
.
Jules Deelder (1944-2019)
Overleden
.
Kort na het groots vieren van zijn 75ste verjaardag op 24 november in zijn geboortestad Rotterdam is op 19 december 2019 dichter/schrijver/muzikant en all time favoriet dichter Jules Deelder overleden. Begin jaren ’80 ontdekte ik de poëzie van Jules Deelder en sindsdien ben ik een groot fan gebleven. Zijn bijzondere kijk op poëzie, zijn ongeëvenaarde voordrachtskunst, zijn creativiteit en voorkomen, Deelder was een fenomeen en is dat tot aan zijn overlijden gebleven.
Om zijn rijkheid aan ideeën en invallen te illustreren hier drie gedichten van zijn hand. Het gedicht ‘Dat je teweegbrengt’ (omdat dat zo van toepassing is op zijn persoon), ‘Nationaal gedicht’ (waarin zijn preoccupatie met de Duitsers en de oorlog maar weer eens mooi aan het licht kwam) uit ‘Lijf- en andere gedichten’ en ‘Ogenschijnlijk’ (een gedicht met humor en diepgang zoals zo vaak in de poëzie van Jules Deelder) uit ‘Moderne gedichten’ uit 1979.
Vijfentwintig jaar na zijn eerste optreden tijdens de beroemde poëzie avond in Carré in 1966 wijdde Bzzlletin een nummer geheel en al aan de dichter en mens Jules Deelder. Via https://www.dbnl.org/tekst/_bzz001199201_01/_bzz001199201_01.pdf is dit nummer voor iedereen te lezen. Voor wie geïnteresseerd is in de dichter en de mens Deelder een aanrader.
.
Dat je teweegbrengt
.
Dat je teweegbrengt
is van meer belang dan
wat je teweegbrengt
.
Nationaal gedicht
.
Oooooooo!
Hoe vergeefs
des doelmans hand
zich strekte
naar de bal
die één minuut
voor tijd
de Duitse doel-
lijn kruiste
Zij die vielen
rezen juichend
uit hun graf
.
Ogenschijnlijk
.
Ogenschijnlijk heeft het ene
niets te maken met het ander.
.
Ogenschijnlijk schuilt er
voordeel in een vaste baan.
.
Ogenschijnlijk zal er nog
een heleboel verand’ren.
.
Ogenschijnlijk staan de sterren
hier niet zover vandaan.
.
Foto: De Doelen
.
…, want nooit wordt alles gezegd
Alphons Levens
.
Als het gaat om poëzie van de Antillen of Suriname heb ik op dit blog berichten gewijd aan R. Dobru, Michaël Slory en Alette Beaujon. Ik ben altijd op zoek naar werk van dichters uit Suriname of de Antillen maar vreemd genoeg vind ik maar zelden iets. Nu heb ik echter een bundel gedichten gevonden van de Surinaamse dichter Alphons Levens.
Alphons Levens (1949) werd op Curaçao geboren maar verhuisde op zijn 5e met zijn ouders naar Suriname. Van 1969 tot 1977 woonde Levens in Nederland waar hij o.a. psychologie studeerde. Weer terug in Suriname werkte hij als onderwijzer, correspondent van de Hilversumse VARA-radio en als redacteur van het weekblad ‘Pipel’ dat na de decembermoorden in 1982 door het militaire regime werd gesloten.
In 1971 had hij zijn debuut gemaakt bij de Vereniging Ons Suriname in Amsterdam met de dichtbundel ‘Bezinning en strijd’. Bekendheid verwierf hij met zijn sinds 1991 frequent verschijnende gedichten in het dagblad ‘De Ware Tijd’ en de ‘Weekkrant Suriname’ in Nederland. Hij publiceerde ze in de dichtbundels ‘Bezinning en strijd’ (1971), ‘Mogelijk’ (1996), ‘…, want nooit wordt alles gezegd’ (1998) en ‘Wee het volk dat niet meer denkt!’ (2002).
Zijn gedichten hebben een minimum aan poëtische eigenschappen maar zitten vol engagement en hebben een socialistische en anti-militairistische inslag. Levens denken, dichten en schrijven zijn sinds 1970 bijzonder beïnvloed door zijn directe en indirecte ervaringen bij de ontwikkelingen in Suriname en de rest van de wereld, en dan met name de derde wereld.
In de bundel ‘…, want nooit wordt alles gezegd’ staan 100 gedichten die door hun titels alleen al duidelijk maken waar het bij Levens om draait. Titels als ‘Het roer moet om!’, ‘Niet opgeven’, ‘Desinformatie’, ‘Emancipatie’ en ‘Censuur’ laten meteen zien dat hier een sociaal geëngageerde dichter aan het woord is. In het gedicht ‘Mobutu Sese Seko’ uit 1997 blijkt dat Levens geen onderscheid maakt tussen onrecht door kolonialisten of onrecht van het eigen volk.
.
Mobuto Seso Seko
.
Als op die dag de veel oudere
Nelson Mandela hem niet had opgetrokken,
was hij echt niet van die stoel kunnen komen.
.
Toch bleef hij vergaren en beschermen
miljarden gestolen rijkdommen
die zijn berooide volk toebehoorden
.
De laatste dagen van zijn leven
probeerde hij nog te leven,
maar dat was geen echt leven
.
Ik begrijp niet dat in deze tijd
van moderne telecommunicatie
er op aard’ nog zoveel Mobuto’s zijn
.
En er zelfs nieuwe bij komen.
.
1 + 1 = 1
C. Buddingh’
.
Humor in poëzie wordt niet door elke poëzieliefhebber gewaardeerd. Het zou afdoen aan het poëtische palet van een gedicht. Ik ben daarin geen hardliner, ik vind humor in poëzie vaak juist heel verfrissend. En met humor bedoel ik dan een breed spectrum aan taalgrappen of taalvondsten, gewiekste ven grappige vondsten, wendingen in een gedicht die onverwacht en daardoor vaak juist grappig zijn of absurde tekstvondsten en uitweidingen. Zolang het niet te opgelegd en banaal is en ik er om kan lachen (van glimlachen tot schaterlachen) vind ik dat humor een prima aanvulling op het poëtische of inhoudelijke deel van een gedicht kan zijn.
Nu ik er zo over nadenk is de subtiele vorm van humor in poëzie denk ik de meest aantrekkelijke. Humor die niet opgelegd is maar waar je soms even over doet om te laten bezinken, waarna een lach of glimlach volgt. Een van de dichters die volgens mij dit laatste uitstekend wist te brengen met zijn poëzie was Kees Buddingh’ (1918 – 1985). De poëzie van Buddingh’ wordt vaak tot de light verse gerekend. Dichter/schrijver Remco Campert schreef ooit: “Sinds Buddingh verwachten veel mensen van poëzie een avondje lachen”.
In de bundel ‘gedichten 1938 | 1970’ staan vele gedichten die een lach op je gezicht of een glimlach rond je mond toveren. Een mooi voorbeeld van een gedicht waarin subtiel een grappig element is gestopt is het gedicht ‘1 + 1 = 1’.
.
1 + 1 = 1
.
Ik heb nooit hard gelopen
om dichters te ontmoeten
maar mij wel vaak buiten adem gefietst
om op tijd bij een voetbalwedstrijd te zijn
.
het moet, in de poëzie,
niet van één kant komen
.


















