Site-archief
Poëzie in film
The Bookshop
.
Afgelopen week bekeek ik de film ‘The Bookshop’ uit 2017 van regisseur Isabel Coixet. De film is gebaseerd op de gelijknamige roman uit 1978 van Penelope Fitzgerald , waarin de hoofdpersoon, Florence Green (gespeeld door Emily Mortimer) tegen de stroom in probeert een boekwinkel te openen in de kustplaats Hardborough, Suffolk. Omdat deze film gaat over een boekenwinkel in de jaren vijftig van de vorige eeuw, mag je verwachten dat er ook poëzie in voorkomt. En mijn verwachtingen werden ingelost.
Regelmatig worden titels van gedichtenbundels getoond (niet zo prominent als ‘Lolita’ van Nabokov in de film maar toch) en er wordt geciteerd uit een paar gedichten waaronder een sonnet (XXXIV) van Charles Hamilton Sorley. Maar ook komt in een gesprek tussen de hoofdpersoon en de mysterieuze veellezende kluizenaar Edmond Brundish (gespeeld door een van mijn favoriete Engelse acteurs Bill Nighy) de zin langs ‘Never give a lady a restive horse’. Ik dacht dat dit een zin uit een gedicht zou zijn maar het blijkt de titel van een boek over Victoriaanse etiquette van Thomas Edie Hill (1832-1915) te zijn.
Omdat ik verder zocht kwam ik echter toch een gedicht tegen met diezelfde titel. Op de website deepundergroundpoetry staat een (erotisch) gedicht van Geoffe Cat met deze titel geïnspireerd op het boek van Hill dat uit een bundel komt uit 1968.
.
Never Give a “Lady” a Restive Horse – Sonnet Nineteen
.
A restive horse, no gift a “Lady” make,
For “Lady’s” stride should simple gestures grace,
Lest in her sport, her seat that posting take,
Decorum speaks, should “Lady” never brace.
.
Though such a rider she, she may protest,
In taming such a horse, her pleasures wrought,
That with its buck and lunge, her sure contest
To still such beast, she shows her measures tau(gh)t.
.
For in such work, from “Lady’s” measure may
In strike and strump, come most “un-Lady’s” gait,
In leap and loft, her seat and measure’s sway,
May “Lady-like”, unsullied state negate.
.
So never gift a “Lady” restive horse,
‘Though she, with seat and measure, may endorse.
.
Zomertijd
Frank van Pamelen
.
Eind 2020 kwam de laatste bundel van light verse dichter Frank van Pamelen (1965) uit. Van Pamelen die ik ken van een aantal fijne gedichten in MUGzine #8 is een bekend light verse dichter. In 2012 verscheen van hem de bundel ‘IKEA en andere verzen’. Hierna verschenen nog enkele jeugdboeken van zijn hand maar in 2020 dus zijn laatste bundel ‘Bravogeroep en enthousiast gefluit’
Toen ik de bundel aan het doorlezen was bleef mijn oog hangen bij het gedicht ‘Zomertijd’. Aan de ene kant omdat dit sonnet, zoals zo vaak bij van Pamelen, heel slim en intelligent in elkaar zit maar in dit geval ook zeker omdat hij in het gedicht verwijst naar het beroemde gedicht van Herman Gorter (1864-1927) de ‘Mei’ uit 1889. Uiteraard geeft van Pamelen hier zijn eigen bijzondere twist aan.
.
Zomertijd
.
Een nieuwe lente en een nieuw geluid
Zo dichtte ooit de dichter Herman Gorter
Een man wiens werk ik zeker niet supporter
Want altijd komt zijn onheilstijding uit
.
Dan zetten wij de klok een stuk vooruit
En maken wij de dag aanzienlijk korter
Want na zo’n drieëntwintig uren wordt er
Alweer een nieuwe datum aangeduid
.
Maar ik slaap elke keer weer nietsvermoedende
De voorgeschreven omzettijd voorbij
Want ik verafschuw onderbroken nachten
.
En dus zit ik haast ieder jaar weer woedend
En foeterend op Herman Gorters ‘Mei’
Een half jaar op de wintertijd te wachten
.
Jozzonet / sonnet
Joz Knoop
.
Afgelopen zondag mocht ik Poëzie en Picknick in het Park presenteren (en voordragen) in het park achter theater Koningshof in Maassluis in het kader van de Week van de Cultuur. Één van de deelnemende dichters was mijn dichtersvriend Joz Knoop (1957). Joz is de bedenker van het Jozzonet en daar op die prachtige zondagmiddag droeg hij een combinatie voor van het Jozzonet en het sonnet.
Het Jozzonet is al niet makkelijk om te schrijven (het gedicht leest van onder naar boven en weer terug waarbij de middelste regel spiegelt) maar Joz wist er zelfs nog een vaste vorm (het sonnet) in te verwerken. Alle reden om Joz te vragen of ik dit gedicht mocht plaatsen alhier. Je begrijpt dat hij heeft toegestemd, ik kreeg de tekst van hem en daarom hier het gedicht ‘Aan een schone wasvrouwe’ dat hij schreef in de jaren ’90 van de vorige eeuw.
.
Aan een schone wasvrouwe
.
Dominant doet zij de was.
Na de les die ze hem las
deelt ze speels de lakens uit
bij gebrek aan tegengas
.
als ze op zijn vlekken stuit.
Hij die haar zoekt als zijn bruid
zal zijn leven lang haar velen.
Wie haar voelt van huid op huid
.
wil zijn lichaam met haar delen,
laat zich van zijn trots bestelen,
moet gehoorzamen uit hoon.
Elke man, die haar wil strelen
.
raakt zo was kwijt én zijn loon.
Man’lijk vuil zoekt vrouw’lijk schoon.
.
(omgekeerd)
,
Man’lijk vuil zoekt vrouw’lijk schoon
raakt zo was kwijt én zijn loon.
Elke man, die haar wil strelen
moet gehoorzamen uit hoon
.
laat zich van zijn trots bestelen,
wil zijn lichaam met haar delen.
Wie haar voelt van huid op huid
zal zijn leven lang haar velen.
.
Hij die haar zoekt als zijn bruid
als ze op zijn vlekken stuit.
Bij gebrek aan tegengas
deelt ze speels de lakens uit
.
na de les die ze hem las.
Dominant doet zij de was.
.
HTM
Gerrit Achterberg
.
De stichting Achterland in Zeist geeft al jarenlang fraai vormgegeven bundels uit waarvan ik er inmiddels een aantal in bezit heb (Brabant, Zuid Holland, Flevoland). Maar ze geven niet alleen bundels uit over provincies maar ook over steden. Zoals ‘Den Haag’ dichterlijke stede uit 2000. In deze bundel veel oude foto’s, gelardeerd met fragmenten proza en gedichten van Haagse dichters of van dichters die over Den Haag hebben gedicht.
Zoals bijvoorbeeld de dichter Gerrit Achterberg (1905-1962). Achterberg kwam niet uit Den Haag maar hij schreef het gedicht ‘HTM’ over de Haagse Tram Maatschappij. Het gedicht, een sonnet, werd genomen uit de bundel ‘Verzamelde gedichten’ uit 1985.
.
HTM
.
De stilte staat geschilderd in de straat
om drie uur in de nanacht. Op de fiets
nadert de eerste trambestuurder; iets
waarschuwt aanhoudend met een wit gelaat.
.
Hij ziet het niet. Ik weet niet of het baat
om hem tegen te houden. er is niets
dat zo hardnekkig is als deze fiets
waarmee een man weer naar zijn werk toe gaat.
.
Hij gaat zijn gang. Straks, na een klein verdriet,
zal ik, tussen ander ontwaken in,
bewuste tram de bocht om horen komen.
.
Onze bestuurder had niet kunnen dromen
van deze lange nachtelijke schim,
die langzaam afneemt en de ramp ontvliedt.
.
Michelangelo
Sonnetten
.
Ik ken de Italiaanse schilder Michelangelo (1475 – 1564) net als vrijwel iedereen hem kent als schilder van de Sixtijnse kapel, zijn David, De schepping van Adam en zijn Pietà. Maar dat Michelangelo di Lodovico Buonarroti Simoni ook actief was als dichter wist ik dan weer niet (en waarschijnlijk de meeste mensen niet). Tot ik het bundeltje ‘Sonnetten’ in handen kreeg uit 1947. Michelangelo vond zichzelf geen dichter hoewel hij meer dan 60 jaar lang gedichten schreef. Zijn poëzie werd echter pas na zijn dood officieel uitgegeven.
De tien sonnetten in de bundel zijn gekozen en vertaald door Nico van Suchtelen, en onder toezicht van S. H. de Roos gezet uit diens Erasmus Mediaeval. Tien sonnetten die wat archaïsch aandoen maar desalniettemin zeer de moeite waard zijn.
Uit dit kleine maar fijne bundeltje koos ik het liefdessonnet dat hij schreef in 1504-1505.
.
Dankbaar en blijde eens wijl ’t mij was gegund
Uw wilde euvelmoed te wederstaan,
Baad ik mijn borst thans vaak in traan op traan,
Nu ‘k, liefde, weet hoe fel ge treffen kunt!
.
Nimmer had uwer schichten scherpe punt
De boezem mij doorboord, maar ach, voortaan
Kunt ge door Háár blik wreken en verslaan
Dit hart waarop zo lang ge ’t had gemunt.
.
Aan hoeveel strikken, hoeveel netten laat
Ontkomen ’t vogelken ’t boosaardig lot,
Om het ten lest nog droever te doen sterven!
.
Zo spaarde Liefde, o Vrouwen, mij haar smaad:
Maar ziet, te wreder doodt zij mij ten slot,
Nu ‘k, minnend zelf, haar wedermin moet derven.
.
Anagramsonnet
Drs. P.
.
Ik las de bundel ‘Weelde en feestgedruis’ de beste gedichten van Drs. P. uit 1986. Drs. P. (1919-2015) is een van de taalvaardigste dichters die ons taalgebied heeft gekend en toen ik het gedicht ‘Poly-interpretabel’ las werd ik opnieuw verrast door zijn virtuose dichtersstem. In dit anagramsonnet speelt de Drs. weer listig met woorden. Een anagram is of zijn woord(en) ontstaan door herschikking van één of meer andere woorden, met name gebruikt bij namen. Ik bleef bij dit gedicht hangen door de smakzoen uit de eerste regel, een smakzoen, door alle afstand die we tegenwoordig houden al bijna iets van ‘vroeger’.
.
Poly-interpretabel
.
In smakzoen hangen rode etenswaren
En zware honden (koest man!) en sigaren
Na Mao’s knarsen zweeg een hedonist
we zoeken dorstig manna, hè, en snaren.
.
Een ranke non had zwanenroes gemist
Haar Weense kannen zoemen … ’n Drogist
Zwemt in Arosa, Dongen, Sneek en Haren
Hoera, ze kennen Wrongman, een sadist
.
Shoarma, snoer, Nanking, een zedenwet-
Zo werken grind en thee om ananassen
Ga! Wens een nazihemd en tsarenkroon
(Weer hazendrek, gans, tennis, anemoon)!
Haemorroïden wenken: zang en tassen?
Een heidens werk, zo’n anagramsonnet
.
Twee-pigrammen
Florence Tonk
.
Vorig jaar brachten uitgeverij Wereldbibliotheek en Nieuw Amsterdam een bundel uit met poëzie over het thema van de Boekenweek in een specifieke dichtvorm. Het thema dat jaar was rebellie en de dichtvorm het sonnet. Ook dit jaar koos men een thema; tweestrijd en als vorm koos men het epigram. Bovendien bevat de bundel dit jaar ook gedichten van andere dichters dan die van Nieuw Amsterdam en Wereldbibliotheek.
Het epigram heeft de volgende vaste regels: acht regels; vrije versvorm; hetzelfde slotwoord in de regels 1,3,5 en 7; metrum naar believen; de slotregel bevat de pointe. Een ander woord voor epigram is puntdicht. Het is een kort gedicht, vaak geestig. Slechts enkele gedichten uit de bundel voldoen aan deze regel. Ook de humoristische laatste zin met een rake pointe komt niet vaak voor. Wel zien we dat de gedichten acht regels tellen en dat de herhaling van het slotwoord veel is toegepast.
Omdat het thema Tweestrijd is heeft men voor de titel Twee-pigrammen gekozen, epigrammen over tweestrijd. Dichter Florence Tonk (1970) heeft zich voorbeeldig aan de regels van het epigram gehouden met haar gedicht ‘Puntdicht’ dat subtiel knipoogt naar het gedicht ‘Sotto voce’ van Vasalis.
.
Puntdicht
.
Een punt breekt af, de punt doet pijn
in zinnen aan mijn zusjes
een punt die stopt, veroorzaakt pijn
staat voor venijn en stelligheid, gelijk
is niet vrijblijvend, dat doet pijn
het stokken, afgesloten zijn
mijn tere zusjes lijden pijn
geen punt, het mag niet van mijn brein.
.
Bouwval
Jacques Perk
.
Ik lees in de serie ‘Vlaamse pockets, Poëtisch erfdeel der Nederlanden’ het deel over Jacques Perk uit 1962. Dit deel is verzameld en ingeleid door Garmt Stuiveling (1907-1985), een naam die ik wel vaker tegenkom, hij was literatuurhistoricus en criticus. In dit geval dus een bundel over predikant-literator, dichter Jacques Fabrice Herman Perk (1859-1881). Deze combinatie van functies (predikant-dichter) kwam in de negentiende eeuw vaker voor, andere bekende predikant-dichters zijn Busken Huet, Beets en Allard Pierson.
Ik schreef al vaker over Jacques Perk , zijn (veel te) korte leven en werk bijvoorbeeld op https://woutervanheiningen.wordpress.com/2019/05/05/vrij-2/ maar de reden dat ik vandaag een vers van hem plaats is omdat ik, al lezend bij het gedicht ‘Bouwval’ bleef hangen. Het deed me denken aan het gedicht ‘Leegstand’ dat ik schreef https://woutervanheiningen.wordpress.com/2018/09/03/nieuw-gedicht-49/, heel anders van vorm en toon maar thematisch herkenbaar.
Reden genoeg (elke reden is er een om een gedicht te plaatsen hier nietwaar) om dit sonnet, dat oorspronkelijk verscheen in ‘Verzamelde Gedichten’ uit 1957, hier met jullie te delen.
.
De bouwval
.
’t Is alles nu met duisternis omtogen,
En ’t starren-dak zendt stilte op ’t glanzend puin:
De kracht, de trots weleer van rots en kruin,
Het maanlicht glipt door holle vensterbogen;
.
Geen sprankje mos wordt door een zucht bewogen,
Geen leven slaakt geluid in ’t kil arduin;
Slechts in den onkruidruigen bouwvaltuin
Schiet klaterend, een springbron naar den hogen:
.
En ’t lage dal blikt op met vreze en beven
Naar ’t slot, waar zang en zwaardgekletter klonk,
Toen willekeur bevel vermocht te geven.
.
En ’t ziet in schemerschijn der nachtzon zweven
Het schimmenheir, dat in den dood verzonk,
Doch in den doodsen burg der nacht bleef leven.
.
Aan de fontein
J. Slauerhoff
.
In 1930 verscheen voor het eerst de bundel ‘Saturnus’ van Slauerhoff. Dit is de vermeerderde herdruk van ‘Clair-obscur’ een bundel uit 1927. Tenminste dit staat voorin het exemplaar dat ik heb uit 1984. Achterin diezelfde bundel wordt van 1929 gesproken en op Wikipedia staat 1926. Ik vaar in deze op de gegevens van dbnl.org https://www.dbnl.org/titels/titel.php?id=slau001clai01
De gedichten die zijn toegevoegd (en waarmee ‘Clair-Obscur’ dus is vermeerderd) stmmen uit diezelfde periode namelijk 1924-1926. In de bundel ‘Saturnus’staan gedichten van Slauerhoff (1898 – 1936) waaruit een grote belangstelling van de dichter voor het verleden doorklinkt alsmede voor Franse invloeden (Baudelaire, Villon, Verlaine). Naast deze gedichten staan er ‘landelijke gedichten’ in de bundel waaronder het drieluik gedicht ‘Landelijke liefde’ dat in 1927 de poëzieprijs van de stad Amsterdam kreeg. Een poëzieprijs die slechts twee keer (1925 en 1927) aan in totaal 7 dichters met een gedicht is toegekend. Naast Slauerhoff waren dat in 1927 A. Roland Holst, Hendrik Marsman en Jan Greshoff.
Uit de gedichten in deze bundel koos ik het sonnet ‘Aan de fontein’ een gedicht zoals ze heden ten dage niet meer gemaakt worden.
.
Aan de fontein
.
Zij spant haar boezem, achteroverhellend.
Een dubble straal ontspringt de borstkoralen
En valt, uiteengespreide bogen welvend,
Doeltreffend in de ontvangende bokalen.
.
Over wier randen witte kransen wellen.
Er onder zit een nymph bij het ovale
Bassin de droppen – één moment opalen! –
Aandachtig door haar holle hand te tellen.
.
Over haar beeld, in donker water deinend,
Tintlen goudvisschen, roode gloed rondschijnend,
Als diepgezonken vonken van de zon.
.
Stil onder ’t looverruischen, droppelklaatren,
’t Hoofd hoog als overzag ze verre waatren.
Zit de godin bij haar beperkte bron.
.














