Categorie archief: (bijna) vergeten dichters
Bèèè
W.F. Oostveen
.
In de nieuwsbrief van Laurens Jz Coster http://www.ljcoster.nl/ stond een alleraardigst gedicht over schapen van de dichter Willem Frederik Oostveen (1849-1890). Reden genoeg voor mij om deze, voor mij onbekende, dichter eens van dichterbij te bekijken en te leren kennen. W.F. Oostveen blijkt een schrijver en tekstdichter te zijn waar vrijwel heel Nederland het werk van kent (of toch één specifiek lied), hij schreef namelijk de tekst van het Sinterklaaslied ‘Sinterklaas is jarig’. Oostveen heeft diverse publicaties op zijn naam staan en was redacteur van het tijdschrift ‘Ons Genoegen’ een tijdschrift voor de jeugd dat wordt uitgegeven door uitgeverij Muusses in Leiden.
Oostveen overlijdt jong, op 41-jarige leeftijd, waarschijnlijk aan de gevolgen van de Russische griep. Deze Russische griep (ook wel Aziatische griep genoemd) was een pandemie (toen dus ook al) die in 1889 uitbrak en vanuit Rusland (met de komst van stoomboten en spoorwegen) binnen vier maanden verspreid werd over de hele wereld en zijn hoogtepunt bereikte in de Verenigde Staten (toen dus ook al), zeventig dagen na zijn hoogtepunt in Sint-Petersburg. Het aantal slachtoffers van deze Russische griep bedroeg naar schatting circa 1 miljoen.
Oostveen was een geliefd auteur van ‘Ons Genoegen’ want bij zijn overlijden vroeg zijn uitgever de jeugdige lezer om bij te dragen aan een gedenkteken op het graf. Hetgeen ook gebeurde. Zoals hierboven al geschreven nam de nieuwsbrief van Laurens Jz Coster een gedicht van zijn hand op getiteld ‘Mijn schaapje’.
Mijn schaapje
.
Ik ken een aardig schaapje,
’t Loopt ginder in de wei,
Het huppelt en het springt maar
Heel vergenoegd en blij.
.
Het dartelt in de weide
De ganschen langen dag
En eet en drinkt met luste,
Al wat het gaarne mag.
.
Was ik maar eens zoo’n schaapje,
Dan zat ik nu niet hier,
Dan ging ik nooit naar school toe
En had maar steeds plezier.
.
Wel jongen lief, wat zegt ge,
En meent ge dat? Och kom,
Dan bleeft ge net als ’t schaapje,
Uw heele leven dom.
.
Op reis
Dubbel-gedicht
.
Op reis, weet je nog? Dat deden we vorig jaar en dit jaar maar dan dichterbij huis. Reden genoeg om een dubbelgedicht te plaatsen over twee bundels dit keer die beide over ‘Op reis’ gaan. De eerste bundel is ‘De muze op reis’ uitgegeven in 1950 door de vereniging met de lange naam, of wel de Vereeniging ter Bevordering van de Belangen des Boekhandels, ter gelegenheid van de Boekenweek in dat jaar.
De tweede bundel is uit 1995 en getuige het losse blaadje voorin werd dit aangeboden door de NS aan haar reizigers. De titel van deze bundel is ‘Waarheen ik ga weet ik niet’ met als ondertitel Gedichten om mee op reis te nemen.
Uit de eerste bundel koos ik het gedicht ‘Coupé’ van Pierre Kemp (1886 – 1967) dat gaat over een reis per trein en uit de tweede bundel koos ik voor het gedicht ‘Een zakdoek in de oceaan’ van Harry Scholten (1936 – 1987) uit de gelijknamige bundel uit 1973.
.
Coupé
.
Van al die reizigers stond er ééne op
en tot haar moeder met de donkren bril,
stiet zij het uit haar oudren meisjeskop:
zie toch de zon eens! De andren werden stil.
Maar ik die dagelijks de zon vereer
als schepper van lief en leed, ik hield mij neer,
benijdde haar ’t moment. Ook ik ben vaak spontaan
voor zulk: de zon! uit de zittenden opgestaan.
Toen was ik jong en later even oud als zij.
Thans is de zon niet meer die god voor mij.
.
Een zakdoek in de oceaan
.
tijdens het stillezen
een snikhete zomerdag 1948
stapte hij opeens de bank uit
liep naar voren naar de wereldkaart
doopte zijn zakdoek in de oceaan
depte daarmee aandachtig het voorhoofd
liep bedaard terug naar zijn plaats
en las toen zichtbaar verfrist verder
.
Dit
Munin Nederlander
.
Enige tijd geleden kreeg ik van mijn vrouw en dochter de bijzondere (dikke) poëziebundel ‘Dit’ cadeau van Munin Nederlander. Nu ging er bij mij geen belletje rinkelen en ik had dan ook geen idee wie deze Munin Nederlander was. Wat doe ik in zo’n geval, dan ga ik zoeken en graven en na enig speurwerk bleek Munin Nederlander het pseudoniem te zijn van Hugo Wormgoor (1941). Onder het pseudoniem Munin Nederlander bracht Wormgoor een groot aantal publicaties op zijn naam, waarin hij verborgen sleutels zoekt in oude esoterische teksten en legenden.
Hugo Wormgoor blijkt tekenleraar, amateur wiskundige ( hij bewees met hulp van bevriende mathematici, dat er ook een 37-hexagram bestaat blijkt uit een artikel in de Volkskrant) schrijver en spiritueel mens te zijn. En dus dichter onder de naam Munin Nederlander. In 1982 publiceerde uitgeverij Hilarion in Nijmegen de poëziebundel ‘Dit’ van hem met illustraties van zijn hand en Komposities voor piano en zangstem van Frans Smit en Jan Evert de Groot. Een lijvig werk van ruim 800 pagina’s.
Uit het voorwoord blijkt dat de gedichten zijn geschreven tussen 1976 en 1982 en ze zijn geordend in deelbundels (20 maar liefst). De bundel is in een oplage van 500 stuks gedrukt en ik blijk nummer 396 te hebben.
In mijn zoektocht naar de man achter de naam bleek al dat hij zich bezig hield met het niet alledaagse. Zo schreef hij voor ‘Bruisvat’ het artikel ‘Verhalen uit een ver verleden – Tolkien’s ‘In de Ban van de Ring’ waarin hij zijn visie geeft op het werk van Tolkien vanuit een antroposofische hoek. Ook andere publicaties blijken veelal vanuit de antroposofie geschreven te zijn. En ook in ‘Dit’ lees je zijn achtergrond terug.
Toch staan er ook gedichten in deze bundel die los van het gedachtengoed van Rudolf Steiner, zeker de moeite waard zijn van het lezen zoals het gedicht ‘Kinderstraat’ dat voor veel mensen herkenbaar zal zijn.
.
Kinderstraat
.
Dit is de kinderstraat
van dertig jaar geleden,
waaruit wij – hoe ook weer?-
verdwenen.
.
Ofschoon niet veel veranderde
op deze plaats
doet toch de aanblik zeer.
tijdens het wandelen
er doorheen
mousseert eertijds.
.
Ik ben verdwaald.
De weg is kwijt.
.
Dit is nog wel de straat
die zich in beelden
heeft bewaard,
maar op een nacht vervaagde
en herbouwd werd met
te hedendaagse stenen.
.
Afbeelding: De Muzen
De menselijke natuur
Gerrit Bakker
.
Niets is zo fijn als voor je boekenkast te gaan staan en tussen de vele bundels op de boekenplanken een bundel te kiezen die je al lange tijd niet meer hebt ingezien. Helemaal als het een bundel van bijna 50 jaar geleden betreft. In de bloemlezing ‘ Lees eens een gedicht’ uit 1974 heeft samensteller Ton van Deel een keuze gemaakt uit het poëzie-fonds van uitgeverij Querido.
Kees Fens schreef destijds in een recensie in de Volkskrant over deze bloemlezing: “Hij (Ton van Deel) heeft de gedichten gegroepeerd rond makkelijk herkenbare thema’s, de bloemlezing heeft dus een echte opbouw.Maar de gevolgde opzet heeft bovendien dit resultaat: de verzen – ook van moeilijkere dichters- gaan ineens functioneren binnen het dagelijks leven. Poëzie wordt alledaagsere dan u denkt. Dat een bloemlezing dat kan bereiken is een prestatie.”
Alle reden dus om dit boek weer eens te herlezen en tot de conclusie te komen dat Fens gelijk had en dat er in de bundel dichters staan die in de vergetelheid dreigen te raken of dat al zijn.
Een van die dichters is Gerrit Bakker. Bakker (1939-2011) debuteerde in 1963 met de bundel ‘Een koe slaapt ‘s avonds buiten’. Zijn laatste bundel publiceerde hij is 1975 ( ‘Ommekeer’ ) en zijn werk werd in verschillende bloemlezingen opgenomen waaronder in ‘De Nederlandse Poezie van de 19de en 20ste Eeuw in 1000 en enige Gedichten’ van Gerrit Komrij. Uit de bundel ‘De menselijke natuur’ uit 1966 komt het volgende gedicht.
.
De jager mikt met een oog dicht.
Hij ziet het platte land.
Met opgestoken oren
ontspringt het konijn de dans.
Eenoog die zich op de vlakte houdt
hij deert het konijn geen haartje.
De jager scherpt zijn schuttersgave verder
op de stelen van de bloemen in het veld.
Met beide ogen open
maakt hij voor zijn vrouw een krans.
.
Geliefde gedichten
D.R. Camphuysen
.
Er zijn heel veel dichters geweest die in hun tijd bekend waren of geliefd maar die nu vrijwel niemand meer kent. Dat zijn (bijna) vergeten dichters. In de bundel ‘Geliefde gedichten’ die iedereen kent maar niet kan vinden uit 1972, gekozen door Wim Zaal, staan vele voorbeelden. Een van die voorbeelden is de dichter Dirk Rafaelsz. Camphuyzen. De dichter, predikant en kunstenaar Camphuysen (1586 – 1627) was eerst onderwijzer, toen predikant en na zijn verdrijving van de kansel omdat hij niet rechtzinnig was, vlashandelaar werd. In 1618 schreef hij het gedicht ‘Daar moet veel strijds gestreden zijn’.
.
Daar moet veel strijds gestreden zijn,
Veel kruis en leeds geleden zijn,
Daar moeten heil’ge zeden zijn,
Een nauwen weg betreden zijn,
En veel gebed gebeden zijn,
Zo lang wij hier beneden zijn;
Zo zal ’t hierna in vreden zijn.
.
Dan Dada doe uw werk!
Gaston Burssens
.
Als je het over de Avant-gardistische poëzie uit de lage landen hebt dan denk je waarschijnlijk als eerste meteen aan Paul van Ostaijen, één van de bekendste Dada dichters uit die tijd. En misschien heb je nog wel wat namen paraat uit deze stroming. Het Avant-gardisme was een generatie jonge kunstenaars die met nieuwe vormen experimenteerden in de schilderkunst, architectuur, muziek, literatuur, poëzie, film, theater en moderne dans.
Onder het Avant-gardisme vallen (vooral in de beeldende kunst) vele onderstromingen als het Kubisme, CoBrA, Futurisme, PopArt, modernisme etc. Aan het begin van de 20e eeuw schreven binnen het Nederlandse taalgebied onder meer Theo van Doesburg, Hendrik Marsman en E. du Perron in navolging van het avant-gardisme en over deze stroming als zodanig. Van Doesburg noemde het avant-gardisme ‘de nieuwe beweging’. Pas na 1950 werden de bijbehorende ideeën en principes echter ook hier op grote schaal toegepast. Belangrijk werd de autonomistische poëtica, een vorm van poëzie waarin de nadruk niet langer lag op de intenties van de auteur of de omstandigheden waarin het gedicht tot stand is gekomen, maar op de vorm van het gedicht zelf, dat geacht werd zichzelf te ontwikkelen.
In 2014 gaf uitgeverij Vantilt de bundel ‘Dan Dada doe uw werk!’ uit met een overzicht van de Avantgardistische poëzie uit de lage landen.Hubert van den Berg en Geert Buelens stelde de bundel samen die een mooi overzicht biedt van dichters en gedichten uit deze stroming maar ook van manifesten en theoretische beschouwingen.
Een mij onbekende dichter Gaston Burssens is ook vertegenwoordig is deze bundel. Gaston Karel Mathilde Burssens (1896 -1965) was een Belgisch expressionistisch dichter. Net als bij Paul van Ostaijen evolueerde Burssens’ werk in de jaren twintig van humanitair expressionisme tot een meer organisch expressionisme. Muzikaliteit stond vanaf toen centraal in zijn poëtica. Burssens gaf Van Ostaijens onuitgegeven gedichten uit na diens dood. Burssens kreeg tweemaal de Driejaarlijkse Prijs voor Poëzie (1950-1952 en 1956-1958).
In 1918 debuteerde Burssens met de bundel ‘Verzen’ en in 1926 verscheen zijn 5e bundel ‘Enzovoorts’ waaruit het gedicht ‘Allegretto’ komt dat ook is opgenomen in ‘Dan Dada doe uw werk!’.
.
Allegretto
.
het motordonken op de sneeuw
is niet als ’t bijegonzen rond de lelie
wijl de sneeuw is lelieblank
en de motor ronkt sonoor
.
en het schellen van de slede
en het knallen van de zweep
en de matte motorklank
o de sneeuw is lelieblank
.
o ’t bijegonzen op de sneeuw
en ’t motorronken rond de lelie
.
Voordracht
Richard Minne
.
Hoewel ik een paar boekenkasten vol poëzie heb en dus alle mogelijkheid om van poëzie te genieten, mis ik toch iets. En dat iets is het in levende lijve aanschouwen en aanhoren van dichters die hun werk voordragen. Er gaat niets boven zelf voordragen en al helemaal niet als je op een podium staat met andere dichters. Zo heb ik bijvoorbeeld dit jaar de podia van Ongehoord! In Rotterdam en de Haarlemse dichtlijn enorm gemist. Op 1 dag met zoveel dichters en op verschillende podia voordrachten. Dat is waarlijk genieten.
En omdat het momenteel niet mogelijk is om zelf voor te dragen op een podium of om naar andere dichters te luisteren, heb ik als pleister op de wonde een gedicht opgezocht dat over de edele kunst van het voordragen gaat. Het is het gedicht ‘De voordracht’ van de dichter Richard Minne (1891 -1965).
Minne was een Vlaams dichter en prozaschrijver. Hij debuteerde in 1927 met de bundel ‘In den zoeten inval’. Zijn gedichten verschenen in allerlei literaire tijdschriften. Met name in de jaren dertig en vijftig werd veel van zijn werk gepubliceerd in tijdschriften als ‘De Gids’, ‘Forum’ en Nieuw Vlaams tijdschrift’. Het gedicht ‘De voordracht komt uit ‘In den zoeten inval’ dat in 1955 werd heruitgegeven.
.
De voordracht
.
Wie durft er cynisch te beweren
dat schoonheid geen gemeengoed is?
Vol dames is de zaal en heren
voor des dichters belijdenis.
.
Daar troont hij op het spreekgestoelte,
met zijn Zondagse kleren aan
(Door ’t open raam speelt de onweerszwoelte).
Een volk dat leest kan niet vergaan.
De dichter spreekt in keurge termen:
‘koopt boeken!’ Maar in zijn gemoed
is het alsof de vlammen zwermen.
Koopt boeken? ’t Is ook brandbaar goed.
.















