Categorie archief: (bijna) vergeten dichters
Lees eens een gedicht
Bundel uit 1974
.
Ook in de jaren zeventig van de vorige eeuw werd er al aan promotie van de poëzie gedaan. Bij Querido verscheen in 1974 de bundel “lees eens een gedicht’, samengesteld door T. van Deel, met daarin 170 gedichten van alle, in die tijd, bekende Nederlandse dichters.
Kees Fens schreef destijds over deze bundel: “van Deel heeft uiteraard op kwaliteit gekozen, maar heeft met die keuze niet volstaan. Hij heeft de gedichten gegroepeerd rond gemakkelijk herkenbare thema’s..”
“Deze bloemlezing heeft dus een echte opbouw. Poëzie wordt alledaagser dan u denkt. Dat een bloemlezer dat kan bereiken, is een prestatie”.
De bloemlezing wil het plezier in het lezen van poëzie activeren. Of dat gelukt is weet ik niet (geen idee ook hoe ze dat willen gaan controleren) maar het heeft in ieder geval een mooie bundel opgeleverd met een dwarsdoorsnede van de Nederlandse dichters uit die tijd. Bekende namen maar ook minder bekende namen staan in deze bundel door elkaar.
Ik heb gekozen voor een gedicht van een wat minder bekende dichter namelijk van de dichter Alain Teister. Teister (1932 – 1979) was behalve dichter, schrijver en schilder. Hij was ook een van de drijvende krachten achter de oprichting van theater De Engelenbak.
.
Versvoeten
.
Elk dichtertje zingt
zoals het genekt is
door rotjeugd, rotwijf, rotinkt.
En hij is de eminentste
die tussen de brekebenen
zijn voeten het minst kapothinkt
en dat het bedroefdst formuleert.
Elk dichtertje zingt
vrij ongedeerd.
.
Ik word als jij
Jan Pieter Guépin
.
Er zijn veel dichters. Heel veel dichters. Als je bloemlezingen bekijkt dan staan er soms dichters in van eeuwen her. Dat betekent dat het arsenaal aan dichters voor iemand die over poëzie schrijft (zoals ik) enorm is. Dat is één van de redenen dat ik, een tijd geleden alweer, begonnen ben met de rubriek (bijna) vergeten dichters. Veel van de dichters die heden te dage niet meer gelezen worden zijn namelijk nog steeds zeer goed leesbaar.
Een goed voorbeeld van zo’n (bijna) vergeten dichter is wat mij betreft J.P. Guépin (1929 – 2006). Tijdens zijn studie klassieke letteren aan de universiteit van Amsterdam was hij redacteur van het studentenweekblad Propria Cures. Hij promoveerde op een onderwerp uit de Griekse godsdienstgeschiedenis: De tragische paradox.
Guépin was dan ook een groot pleitbezorger van de Neolatijnse poëzie, waarvan hij veel vertalingen maakte. De Neolatijnse poëzie zijn gedichten die zijn geschreven in het Latijn in de periode vanaf de renaissance.
In het gedicht’Ik word als jij’ komt deze voorliefde niet zozeer naar voren. Het gedicht komt uit de bundel ‘Gedichten’ uit 1984.
.
Ik word als jij
.
‘ik word als jij, we gaan elkaar vertrouwen,
kom bij me, kijk naar mij, ik naar jou,
mijn armen om je schouders, jij de jouwe,
ik voel hoe jij, jij hoe ik van je hou.’
.
‘Ik word als jij, als we in elkaar vergroeien,
ik proef mijn zoen, jouw zoen is nu mijn zoen,
mijn hand jouw buik, jouw buik mijn hand doet gloeien,
wat ik ook doe met jou zal jij weer doen.’
.
Nu woest maar kalm, dan opgewonden klaar,
gefluister, schreeuwen, en doodstil een poosje,
heel knus als lepeltjes in een klein doosje.
.
Zo gaan we op in elkaar,
wij met zijn tweeën weten hoe dat kan:
de man wordt telkens vrouw, de vrouw wordt man.
.
Kees Stip
Op een…
.
Kees Stip (1913 – 2001) was een Nederlands puntdichter en beroemd vanwege zijn dierengedichten. Vanaf 1951 schreef hij onder het pseudoniem Trijntje Fop honderden dierenversjes voor de Volkskrant.
Deze dierenversjes zijn bijzonder vormvast. Er wordt nooit met het metrum gesmokkeld: de versregels hebben zonder uitzondering vier heffingen. Het rijmschema is zonder uitzondering AABBCC (het zogenaamde gepaard rijm). Net als in een limerick wordt meestal ergens in het vers, vaak in de eerste regel, een plaatsnaam genoemd. De meeste van zijn dierenversjes bestaan uit zes regels; af en toe zijn het er acht en bij uitzondering een nog hoger even aantal. Er bestaat er ook een van twee regels. Af en toe bevatten de laatste regels een ouderwets geformuleerde pseudo-wijze les voor kinderen.
.
Op een kip
.
Een kip sprak peinzend tot een ei:
‘Wie was er eerder: ik of jij?
De wijsbegeerte mag misschien
op deze vraag geen antwoord zien,
maar ik heb, wat men ook mag zeggen,
nog nooit een ei een kip zien leggen.’
.
Op een koe
.
Een koe te Moskou sprak: ‘een koebel
kost amper anderhalve roebel.
en weet je wat ik heb ontdekt?
Een aardig klokkenspeleffect
bereikt men door met drie bellen
geweldig te gaan wiebelen.’
.
Met dank aan Wikipedia.
Ik misse u
Guido Gezelle
.
Vandaag heb ik zin in een klassiek gedicht, daarom het gedicht ‘Ik misse u’ van Guido Gezelle (1830 – 1899)
.
Ik misse u
.
Aan eenen afwezenden vriend
.
Ik misse u waar ik henenvaar
of waar ik henenkeer:
den morgenstond, de dagen rond
en de avonden nog meer!
.
Wanneer alleen ik tranen ween
’t zij droevig het zij blij,
ik misse u, o ik misse u zoo,
ik misse u neffens mij!
.
Zoo mist, voorwaar, zijn wederpaar
geen veugelken in ’t net;
zoo mist geen kind, hoe teer bemind,
zijn’ moeder noch zij het!
.
Nu zingt men wel en ’t orgelspel
en misse ik niet, o neen,
maar uwen zang mist de orgelklank
en misse ik al met een.
.
Ik misse u als er leugen valsch
wil monkelen zoo gij loecht,
wanneer gij zacht mij verzen bracht
of verzen mededroegt.
.
Ik misse u nog… waar hoeft u toch,
wáár hoeft u niet gezeid…
Ach! ‘k heb zoo dikwijls heimelijk
God binnen u geleid!
.
Dáár misse ik u, dáár misse ik u
zoo dikwijls, en ik ween:
geen hope meer op wederkeer,
geen hope meer, o neen!
.
Geen hope, neen, geen hoop, geen kleen,
die ’t leven overschiet’;
maar in den schoot der goede dood
en misse ik u toch niet?
.
Uit: Gedichten, 1985
Tuin van Eros
Jan Engelman
.
De dichter, kunst- en cultuurcriticus en essayist Jan Engelman (1900 – 1972) is voornamelijk bekend geworden vanwege zijn gedicht ‘Vera Janacopoulos’, dat volgens sommigen een typisch voorbeeld is van poésie pure waarbij de schone klank en de symboliek hiervan belangrijker zijn dan de betekenis.
Simon Vestdijk heeft in zijn studies over poëzie, ‘De glanzende kiemcel’ uit 1942, aannemelijk gemaakt dat gedichten als ‘Vera Janacopoulos’ niet alleen gebaseerd zijn op klanken, maar dat de betekenissen van de afzonderlijke woorden wel degelijk bijdragen aan de poëtische sfeer van het gedicht. Het gedicht werd na verschijnen in een tijdschrift meteen beroemd, en door sommigen wat belachelijk gevonden, of zelfs het “einde der poëzie” zoals door de hoogleraar Nederlands, Nico Donkersloot.
Engelman was zowel om zijn opvattingen en gedichten als vanwege zijn persoonlijke leven omstreden in het literaire leven van vóór de Tweede Wereldoorlog. Hij zou er een losse seksuele moraal op nahouden, hoewel hij zich hierover nooit expliciet heeft uitgelaten. Toch kreeg Engelman in zijn actieve jaren als dichter verschillende literaire prijzen zoals de Constantijn Huygensprijs voor zijn gehele oeuvre in 1954.
.
Uit zijn bundel ‘Tuin van Eros’ uit 1932 het gedicht ‘Vera Janacopoulos’ met de bekende openingszin “Ambrosia, wat vloeit mij aan?”.
.
Vera Janacopoulos
Cantilene
Ambrosia, wat vloeit mij aan?
uw schedelveld is koeler maan
en alle appels blozen
de klankgazelle die ik vond
hoe zoete zoele kindermond
van zeeschuim en van rozen
o muze in het morgenlicht
o minnares en slank gedicht
er is een god verscholen
violen vlagen op het mos
elysium, de vlinders los
en duizendjarig dolen
.
Met dank aan Wikipedia en gedichten.nl
Melopee
Paul van Ostaijen
.
Toen ik het gedicht ‘Melopee’ van de Antwerpse dichter en schrijver Paul van Ostaijen (1896 – 1928) las vond ik het meteen een bijzonder gedicht door zijn opbouw en zijn ritme. Toen ik opzocht wat Melopee betekende (Het ritmische gezang dat een declamatie begeleidt) begreep ik het gedicht al beter.
‘Melopee’ verscheen in de bundel ‘Nagelaten Gedichten’ uit 1928, die postuum uitgebracht werd. Het gedicht werd opgedragen aan de expressionistisch dichter Gaston Burssens (1896 – 1965). Burssens evolueerde, net als Paul van Ostaijen, in zijn werk in de jaren ’20 van een humanitair expressionise (een kunstvorm waarin de mens centraal staat, een uitdrukking van gevoelens en emoties met felle kleuren) naar een meer organisch expressionisme waar de vorm de inhoud volgt.
Het gedicht ‘Melopee’ is een typisch voorbeeld van het organisch expressionisme.
.
Melopee
Onder de maan schuift de lange rivier
Over de lange rivier schuift moede de maan
Onder de maan op de lange rivier schuift de kano naar zee
Langs het hoogriet
langs de laagwei
schuift de kano naar zee
Schuift met de schuivende maan de kano naar zee
Zo zijn ze gezellen naar zee de kano de maan en de man
Waarom schuiven de maan en de man getweeën gedwee naar de zee
.
Paul van Ostaijen
Gaston Burssens
Good-night
Percy Bysshe Shelley
.
Good-night
.
Good-night? ah! no; the hour is ill
Which severs those it should unite;
Let us remain together still,
Then it will be good night.
How can I call the lone night good,
Though thy sweet wishes wing its flight?
Be it not said, thought, understood —
Then it will be — good night.
To hearts which near each other move
From evening close to morning light,
The night is good; because, my love,
They never say good-night.
.
A close season for cats
Margreet Jorna
.
In het kader van (bijna) vergeten dichters een dichter de eigenlijk vrijwel onbekend is gebleven. Vooral omdat het enige bundeltje dat er van haar te vinden is in Engeland is verschenen. Margreet Jorna, geboren in 1946, werkte in 1985 toen het bundeltje ‘a close season for cats’ verscheen voor de NOS. Ze woonde in Berkshire en was zomers meestal in Norfolk Broads te vinden. Ze studeerde Engels en rechten.
In 1985 verscheen bij Merlin books ltd. in Braunton en Devon het bundeltje ‘A close season for cats’ met daarin 33 Engelstalige gedichten. Het boekje is gek genoeg nog steeds te koop via Amazon.com maar is ‘currently unavailable’.
Uit dit kleine bundeltje het gedicht ‘A matter of fact’ (for Rob B.)
.
A matter of fact
(for Rob B.)
.
As she leans back in her easy chair
looking as sweet as an English long vowel
correctly pronounced
nobody could possibly dream
that not so very long ago
she was referred to as a calculating cat
and that she finds a change
rather refreshing.
.
Van de zee
Willem Kloos
.
Willem Kloos (1859 – 1938) was dichter en een van de belangrijkste vertegenwoordigers van de Tachtigers. De Tachtigers vormden een vernieuwende beweging binnen de Nederlandse literatuur die van ca. 1880 tot 1894 bestond. In het werk van deze auteurs kwamen het impressionisme en naturalisme sterk naar voren. De Tachtigers zijn vooral van belang vanwege de vernieuwing die zij aanbrachten in de poëzie (dichtkunst). De beweging moet worden beschouwd als een late voortzetting van en tevens een sterke kritiek op het werk uit de Romantiek, de periode die er direct aan vooraf was gegaan.
In 1880 debuteerde Kloos in het tijdschrift ‘Nederland’met het gedicht ‘Rhodopis’. De gedichten die Kloos schreef in de jaren 80 van de 19e eeuw zijn in grote mate beïnvloed door de dichter Shelley. In 1885 richt hij samen met onder andere Frederik van Eeden en Albert Verwey het literaire tijdschrift ‘De Nieuwe Gids’ op. In dit tijdschrift publiceerde Kloos een reeks literaire kronieken, die samen een beeld geven van zijn poëtica. Hij legt hierbij de nadruk op het op persoonlijke wijze weergeven van emoties door de dichter.
Een veel geciteerde uitspraak van Kloos is dat kunst ‘de aller-individueelste expressie van de aller-individueelste emotie’ moet zijn. Vorm en inhoud zijn onscheidbaar; het gaat om l’art pour l’art (kunst om de kunst).
De dichter Kloos is nog steeds bij veel mensen bekend door de eerste regel van zijn ‘Sonnet V’ die luidt: “Ik ben een God in ’t diepst van mijn gedachten”.
Uit de bloemlezing met als titel die eerste regel uit 1980 het gedicht ‘Van de zee’ (jullie kennen mijn voorliefde voor de zee).
.
Van de zee
(aan Frederik van Eeden)
.
De Zee, de Zee klotst voort in eindeloze deining,
De Zee, waarin mijn Ziel zich-zelf weerspiegeld
ziet;
De Zee is als mijn Ziel in wezen en verschijning,
Zij is een levend Schoon en kent zich-zelve niet.
.
Zij wist van zich-zelven af in eeuwige verreining,
En wendt zich altijd òm en keert weer waar zij
vliedt,
Zij drukt zich-zelven in duizenderlei lijning
En zingt een eeuwig-blij en eeuwig-klagend lied.
.
O, Zee was Ik als Gij in àl uw onbewustheid,
Dan zou ik eerst gehéél en gróóts gelukkig zijn;
.
Dan had ik eerst geen lust naar menselijke
belustheid
Op menselijke vreugd en menselijke pijn;
.
Dan wàs mijn Ziel een Zee, en hare zelfgerustheid,
Zou, wijl Zij groter is dan Gij, nóg groter zijn.
.




















