Site-archief

De Regentes

Zelfportret met Woord

.

Hans Franse (1940) studeerde Nederlands en muziek. zwierf door Nederland, was leraar, letterkundige, consulent en schouwburgdirecteur. schreef 7 boeken en 7 gedichtenbundels. Hij woont en werkt afwisselend op Scheveningen en in Umbria, Italie. Hans schrijft al sinds jaar en dag recensies en columns voor Meander, het literaire E-magazine voor Nederlandstalige poëzie. In die hoedanigheid heb ik Hans en zijn vrouw Andrea Vonk, al een aantal maal ontmoet en gesproken. Ik ken Hans al langer want in 2016 werd hij tweede bij de Ongehoord! Gedichtenwedstrijd en in 2017 droeg hij voor op het podium van poëziestichting Ongehoord. In dat jaar ook schreef ik over zijn bundel ‘Umbrisch getijdenboek’.

En nu gaat er opnieuw een bundel van hand verschijnen en heeft hij mij gevraagd hem te interviewen tijdens de presentatie van ‘Zelfportret met Woord’ dat op 10 maart verschijnt bij uitgeverij U2pi. De presentatie is op zondag 10 maart vanaf 14.00 uur bij boekhandel van Stockum in de Haagse Passage in de binnenstad. De Voorzitter van de Eerste Kamer, prof. dr. J.A. Bruijn zal de eerste bundel in ontvangst nemen. Ook de stadsdichter van Roeselare, Steven van der Heijden, zal aanwezig zijn en een exemplaar aangeboden krijgen.
Hans kennende wordt dit een feest van verhalen. De toegang is gratis dus maak van je saaie zondag een poëtisch en literair hoogtepunt van de week en kom naar Den Haag.

Van Hans heb ik toestemming om een gedicht uit de bundel te plaatsen als kers op de taart. Ik koos voor het gedicht ‘Weimarstraat’. En wel om de volgende reden. In de jaren ’90 van de vorige eeuw woonde ik op de Regentesselaan in Den Haag en vlakbij, om de hoek op de Weimarstraat, was een oud zwembad. Zo een met één bad en daaromheen gallerijen waar de kleedhokjes waren. Daar ging ik vaak ’s morgens baantjes trekken. Inmiddels is de Regentes, zoals het zwembad heette geen zwembad meer maar is er een heel sfeervol theater in gevestigd waar je nog altijd de aflopende vloer van het zwembad kan zien.

.

Weimarstraat

waar mijn moeder leerde zwemmen in de jaren twintig

.

De kille regen van november

een grijze Haagse straat,

twee ingedeukte pothoeden,

een vaal geworden bontjas met een mof

van opossum of ongeboren lam,

een versleten vleugje hermelijn.

.

Ondanks de regen

staat de Regentes al jaren droog;

men speelt de schim van

een overleden Charleston

in wat eens bestond

als trotse bad- en zweminrichting.

.

Op het Regentesseplein staat de naald,

gedateerd gedenkteken,

wachtend op nieuwe allure

en veel beter weer.

.

 

Sonnet

Joseph Brodsky

.

Sonnetten, ik schreef er al vaker over, zelfs over een automatische sonnettengenerator.  Een sonnet is een gedicht van één strofe en veertien regels, geschreven in de jambische pentameter. Het sonnet, afgeleid van het Italiaanse woord ‘sonetto’ , dat ‘een beetje geluid of lied’ betekent, is ‘een populaire klassieke vorm die dichters al eeuwenlang aanspreekt’. Het meest voorkomende is het Engelse of Shakespeareaanse sonnet.

Vóór  de tijd van William Shakespeare kon het woord sonnet op elk kort lyrisch gedicht worden toegepast. In het Italië van de Renaissance en vervolgens in het Elizabethaanse Engeland werd het sonnet een vaste poëtische vorm, bestaande uit 14 regels, meestal  jambische  pentameter in het Engels. Er ontstonden verschillende soorten sonnetten in de verschillende talen van de dichters die ze schreven, met variaties in het rijmschema en het metrische patroon. Maar alle sonnetten hebben een tweedelige thematische structuur, met daarin een probleem en oplossing, vraag en antwoord, of voorstel en herinterpretatie binnen hun veertien regels en een volta , of wending, tussen de twee delen.

Er zijn dus verschillen. De oorspronkelijke vorm van het sonnet was het Italiaanse of Petrarcha-sonnet, waarin 14 regels zijn gerangschikt in een octet (acht regels) dat rijmt op ABBA ABBA en een sextet (zes regels) die CDECDE of CDCDCD rijmen.

Het Engelse of Shakespeareaanse sonnet kwam later en is, zoals opgemerkt, gemaakt van drie kwatrijnen die ABAB CDCD EFEF rijmen en een afsluitend rijmend heroïsch couplet, GG.

Het Spensereaanse sonnet is een door Edmund Spenser ontwikkelde variant waarin de kwatrijnen met elkaar verbonden zijn door hun rijmschema: ABAB BCBC CDCD EE.

Als je deze regels legt op gedichten die als Sonnet worden gepresenteerd dan kun je verrast worden. In de bundel van Joseph Brodsky (1940-1996) ‘De herfstkreet van de havik’ een keuze uit de gedichten 1961-1986 uit 1997, staat het gedicht ‘Sonnet’. Het gedicht is uit 1967 en is vertaald door Peter Zeeman. Het origineel is natuurlijk in het Russisch geschreven waardoor de rijmwoorden waarschijnlijk in het Nederlands verloren zijn gegaan. Toch zijn de regels nog wel terug te vinden in dit gedicht.

.

Sonnet

.

Wat jammer, dat wat jouw bestaan voor mij

geworden is, niet mijn bestaan voor jou werd.

…En voor de honderdtiende keer werp ik,

op een onooglijk stuk terrein dat braak ligt,

mijn met een wapenschild gekroonde munt

de dradenkosmos in – een wanhoopspoging

’t moment van de verbinding luister bij

te zetten… Maar helaas, wie niet in staat is

om heel de wereld te vervangen door

zichzelf, die rest gewoonlijk niet veel anders

dan een gekerfde telefoonschijf rond

te draaien, als een tafel tijdens een seance,

totdat een spook als echo antwoord geeft aan

de laatste zoemerkreten in de nacht.

.

1967

.

Dag zes

Vakantiegedicht

.

Op deze zesde dag van de vakantiegedichten een gedicht over een stukje Nederland dat je zomaar tegen zou kunnen komen dit jaar. Het gedicht is van Vasalis (1909-1998) uit de bundel ‘Parken en woestijnen’ uit 1940 getiteld ‘Afsluitdijk’.

.

Afsluitdijk

.

De bus rijdt als een kamer door de nacht
de weg is recht, de dijk is eindeloos
links ligt de zee, getemd maar rusteloos,
wij kijken uit, een kleine maan schijnt zacht.

.
Vóór mij de jonge pas-geschoren nekken
van twee matrozen, die bedwongen gapen
en later, na een kort en lenig rekken,
onschuldig op elkanders schouder slapen.

.
Dan zie ik plots, als waar ’t een droom, in ’t glas
ijl en doorzichtig aan de onze vastgeklonken
soms duidelijk als wij, dan weer in zee verdronken
de geest van deze bus; het gras
snijdt dwars door de matrozen heen.
Daar zie ik ook mezelf. Alleen
mijn hoofd deint boven het watervlak,
beweegt de mond als sprak
het, een verbaasde zeemeermin.
Er is geen einde en geen begin
aan deze tocht, geen toekomst, geen verleden,
alleen dit wonderlijk gespleten lange heden.

.

Dadaïst

Jan Cremer

.

Schrijver en beeldend kunstenaar Jan Cremer (1940) worden vele functies toebedacht op de website van de RKD (Rijksdienst voor Kunsthistorische Documentatie) maar de functie van dichter staat er niet bij. Nou is Jan Cremer bekend van veel dingen maar niet (of nauwelijks van zijn poëzie). En toch zou je kunnen stellen dat alles met poëzie is begonnen. In 1956, op 16 jarige leeftijd schreef hij bijvoorbeeld al gedichten die zijn opgenomen in de bundel ‘Verloren gedichten’ uit 2004. Dat dit bundeltje met gedichten uit de periode 1956 tot 1992 redelijk obscuur is blijkt ook uit het feit dat bij de Digitale Bibliotheek voor Nederlandse Letteren dit bundeltje nergens te vinden is bij de informatie over Cremer.

Jan Cremer debuteerde met vier hoofdletterloze gedichten in 1956 in het literair tijdschrift KLAT dat werd uitgegeven in Deventer. Een openingsbod op een veiling van dit tijdschrift in 2013 was al € 450,- maar dit had waarschijnlijk meer te maken met de naam Jan Cremer dan met de inhoud of het poëtisch gehalte van de gedichten.

Uit dit bijzondere bundeltje wil ik graag het gedicht ‘Dadaïst’ uit 1956 delen (in 1957 schreef hij een ‘vervolggedicht’ met de titel ‘Dadaïst II) waarin al veel van de latere bravoure van Cremer in doorschemert.

.

Dadaïst

.

Zijn haren geklonken uit prikkeldraad

verbrande voeten liepen op as

in rokerige nevel ving hij de mensen

en vormde ze in hun slaap tot

DADA DADA DADA

.

In de ban van zijn grijze ogen

verloor de kermende maagd haar eer

rollende hete keien zochten houvast

maar kreunend sprak hij zacht

DADA DADA DA…

.

Hij zocht zijn mes uit hondevel

en sneed zijn oren af en hoezee

uit duistere grotten klonk het hoorngeschal

in pijn schreef hij zijn naam met bloed

DADA DA…

.

Nog stikkend in zijn laatste kus

verstootte hij de vrouw die met

holle lach en verschroeide haren

over gloeiende aarde kroop en riep

DADA…

.

De liefde wandelt vreemde wegen

Hans Dorrestijn

.

Bij sommige dichters hoor ik in mijn hoofd hun stem wanneer ik een gedicht lees dat uit hun pen kwam. Een van de meest bekende, en herkenbare waarschijnlijk, is Hans Dorrestijn (1940). In 1997 kwam de bundel ‘De liefde wandelt vreemde wegen’ uit, nieuwe liedjes en gedichten voor volwassenen. De liedjes en gedichten komen uit twee andere bundels ‘Positief genieten met Hans Dorrestijn’ uit 1994 en ‘Mag ik uw handtekening?, of: Hoe word ik een beroemd cabaretier’ uit 1996. Wanneer ik het gedicht ‘Rijm’ hieronder lees hoor ik in mijn hoofd de onmiskenbare en licht misantropische stem van Hans die het aan mij voorleest.

.

Rijm

.

Niet voor niets rijmt ster op ver

Want de sterren staan hier ver vandaan

Niet voor niets rijmt baan op maan

Daar zij van oudsher dezelfde weg moet gaan

.

Niet voor niets rijmt zacht op nacht

En niet voor niets rijmt meid op vrijt

En meteen daarna op eenzaamheid

Want je hebt ‘r en je bent ‘r kwijt *

.

Niet voor niets rijmt God op lot

Dat is logiosch want

God houdt alles in zijn hand

Van ’t begin tot aan het slot

.

Niet voor niets rijmt zicht op licht

En niet voor niets rijmt clown op down

en daarom rijmt ook zonneschijn

Op vrolijk zijn en Dorrestijn.

.

* Regel van Jean Pierre Rawie

.

De Tocht

Virginia Hamilton Adair

.

Virginia Hamilton Adair (1913 – 2004 ) was een Amerikaanse dichter die pas op hoge leeftijd beroemd werd met de publicatie in 1996 van ‘Ants on the Melon’ . Door haar vader als jong kind in aanraking gekomen met poëzie, begon ze op zesjarige leeftijd regelmatig haar eigen gedichten te schrijven. Meer dan zeventig werden gepubliceerd in tijdschriften en grote tijdschriften, zoals de Atlantic en de New Yorker. In totaal zou ze meer dan duizend gedichten schrijven. Hoewel ze in de jaren 1930 en 1940 werk publiceerde in Saturday Review , The Atlantic en The New Republic , publiceerde Adair bijna 50 jaar niet meer.

Er waren verschillende redenen waarom ze in die vijftig jaar niets meer publiceerde. Zo trouwde ze met de prominente historicus Douglass Adair en kreeg drie kinderen met hem, ze had een academische carrière en ze was verzuurd door de spelletjes die de uitgeverswereld met haar speelde bij het publiceren van haar werk.

Na de zelfmoord van haar man in 1968, haar pensionering van het lesgeven en het verlies van haar gezichtsvermogen door glaucoom kwam er een ommekeer. in de jaren negentig van de vorige eeuw.  Adairs vriend en collega-dichter Robert Mezey stuurde een deel van haar werk door naar Alice Quinn , de poëzieredacteur van The New Yorker The New Yorker publiceerde het werk in 1995 en publiceerde vervolgens de bundel  ‘Ants on the Melon’. Adairs werk verscheen daarna regelmatig in The New Yorker en The New York Review of Books. Ondanks haar blindheid bleef Virginia Hamilton Adair daarna gedichten schrijven zoals bijvoorbeeld ‘Ga recht vooruit’ is niets / zonder zicht. / Alles is recht vooruit, wat niet / achter je ligt.

In 1998 verscheen bij De Prom in een vertaling van Louise van Santen de bundel ‘Gedichten’ met werk van Adair. Uit deze bundel nam ik het gedicht ‘The Trek’ en in de Nederlandse vertaling ‘De Tocht’.

.

De Tocht

.

Wij allen zijn leiders

zonder enig gevolg

.

alleen de ego’s vanbinnen

de schimmige wandelkaars

.

die over dode sporen gaan

hun ogen niet geloven

.

bij koude vuren blijven staan

of roepen boven het ravijn

.

hallo   echo   hallo

.

ik bracht de metgezel van mij

tot aan de rand, tot deze zelfkant

.

hallo   hallo

.

The Trek

.

We are all leaders

whom nobody follows

.

only the selves inside

the shadowy marchres

.

crossing the dead trailks

surprising a pair of eyes

.

stopping by cold fires

or calling across the canyon

.

hello   echo   hello

.

I have brought my companion

to this edge, this falling off

.

hello   hello

.

 

Delft, zwarte inkt

Nieuwe uitgave van MUGbooks

.

Het fonds van mijn kleine facilitaire poëzieuitgeverij MUGbooks wordt opnieuw uitgebreid met een titel; ‘Delft – zwarte inkt’ van acht Delftse dichters. Enige tijd geleden werd ik benaderd door Karel Kramer (1940), die ik ken van zijn bundel ‘Liefdesgedichten’ en  ‘Het virginale luchtkasteel’ die beiden uitkwamen bij onze gezamenlijke uitgeverij De Brouwerij. Inmiddels is Karel de tachtig gepasseerd maar hij schrijft nog steeds. Karel Kramer studeerde piano, Nederlands en Turks, doceerde aan de universiteit van Ankara en gaf regelmatig uitvoeringen van klassieke muziek in combinatie met poëzie en beeldende kunst.

Samen met 5 andere Delftse dichters (Jose Spruyt, Rolf Clason, Faye Oosterhoff, Wim Aarts en Cor Langendijk) maakte hij de bundel ‘Delft – zwarte inkt’. In de negentiger jaren van de 20ste eeuw was de Delftse dichtgroep Zwarte inkt op zijn hoogtepunt. Men sprak er een onderwerp af en maakte daar een gedicht over en besprak die op regelmatige bijeenkomsten, zoals er vele dichtgroepen in Nederland actief zijn. Toen Karel in de twintiger jaren van deze eeuw een bundel voorbereidde van gedichten over Delft, besloot hij de acht leden van deze dichtgroep te vragen daaraan mee te werken. Twee van de dichters zijn inmiddels overleden (Wim Aarts en Cor Langendijk) en twee dichters heeft Karel niet weten te achterhalen (Katinka Kersten en Mariken Wenbelt). Vandaar de ondertitel van de bundel ‘Acht Delftse dichters over Delft. Ze zijn dood, levend of spoorloos.’

Van Karel zijn de meeste gedichten opgenomen, van Jose Spruyt behalve een aantal gedichten ook een aantal foto’s en van de andere 4, waaronder de overleden Wim en Cor, ook een aantal gedichten. Ik heb hier voor het openingsgedicht van Karel Kramer gekozen getiteld ‘Delft’.

.

Delft

.

Ik kijk voorbij de nieuwe Jan naar links

een donker gat met duizend kinderhoofdjes

dat leidt naar ondervraging door de sfinx

en storten van de trap in duizend knookjes

.

voor mij zwijgt de Zwijger na het schot

naast mij wacht De Groot op zijn verbanning

achter mij sterft Harman op ’t schavot

de diefput stinkt en barst uit zijn bemanning

.

eens heb ik u gehaat, museumstad

geen asfaltvolk, geen pijn van inspiratie

niets dat steekt uit het beschreven blad

.

toen kwam er warmte uit uw populatie

uw oude muur stond om een liefdesbad

u werd voor mij de plek van transformatie

.

Strandwandeling

Johanna Kruit

.

Over de Zeeuwse dichter Johanna Kruit (1940) schreef ik al eerder in een blogpost getiteld Brief aan de zee. Nu kreeg ik pasgeleden een nieuw bundeltje van haar in handen, of nieuw, voor mij nieuw maar uitgegeven in 1986 met als titel ‘Voorheen te Orisande’. In deze bundel hebben de gedichten allemaal een relatie met Zeeland. In 5 hoofdstukken (de vier seizoenen aangevuld met het hoofdstuk ‘Omlijnde dagen’) komen vele plaatsen en plekken in Zeeland voorbij; Het stoomgemaal in Tholen, de Dom van Veere, de Veermansplaat in Grevelingen, de boulevard van Vlissingen en ga zo maar door. Vrijwel alle gedichten zijn vrij vers en bestaan uit vier strofen van drie maal vier en eenmaal twee regels.

Voor wie Zeeland wil leren kennen in poëzie is dit de bundel om te lezen. De titel verwijst naar Orisant, een inmiddels verdwenen eiland voor de kust van Noord-Beveland. Uit de bundel koos ik het gedicht ‘Strandwandeling dat zich afspeelt in Zoutelande (sinds het gelijknamige nummer van BLØF inmiddels bij velen bekend).

.

Strandwandeling

.

We lopen langs het strand dat breder wordt

terwijl het water wegloopt met een schip

dat achtervolgd door meeuwen in een stip

verdwijnt. Zo nu en dan vermorst een wolk

.

wat regen. Jij legt me het woord grondzee

uit omdat de golven in de verte dansen

rondom het zandbankje van Zoutelande en

ik verbaasd naar dat verschijnsel wees.

.

Ik luister naar het antwoord in je stem

terwijl ik elke zin omlijn en vastzet in

mijn hoofd. Wind loopt ons tegemoet. Geen

eind lijkt zichtbaar deze dag. Ik denk

.

dat iedereen wel zien kan wat ik voel:

nooit heb ik je zo echt als nu bedoeld.

.

 

De grote meren

Joseph Brodsky

.

De Amerikaanse (maar in Leningrad geboren) dichter Joseph Brodsky (1940-1996) was een van de drie Amerikaanse dichters die de Nobelprijs voor de Literatuur won en die net als de andere twee, Czesław Miłosz en Derek Walcott, niet in de  Verenigde Staten geboren was. Brodsky ontving de Nobelprijs voor de Literatuur in 1987, 15 jaar na zijn emigratie naar de VS.

In 1989 verscheen bij uitgeverij De Bezige Bij de bundel ‘De herfstkreet van de havik’ een keuze uit de gedichten 1961 – 1986. Een keur aan vertalers heeft zich voor deze bundel aan het werk gezet waaronder Jan Robert Braat, Arie van der Ent, Charles B. Timmer en Peter Zeeman maar ook de Leidse Slavisten met Karel van het Reve. Deze laatste tekende voor de vertaling van het gedicht ‘De grote meren’ geschreven in Ann Arbor in 1972.

.

De grote meren

.

Toen, in het paradijs de kaakchirurgen,

wier dochteren per post al jaren lang

inkopen doen in Londen, en wier tang

de kies van het verstand weet los te wurgen,

was ik, van wiens gebit zijn staan gebleven

ruïnes gaver dan het Parthenon,

van een verrotte natie de spion,

geheim agent, en in het dagelijks leven

professor in de kunst van het vertalen.

Ik woonde in een college aan het meer,

waar ik de plaatselijke jeugd steeds weer

op dinsdag door de mangel stond te halen.

.

En alles wat ik maakte in dat land

werd onontkoombaar tot gedachtenstrepen.

Ik viel amechtig op mijn ledikant,

mijn jas nog aan, en als ik ’s nachts dan even

een ster verschieten zag op het plafond,

dan kwam die, naar de regels der verbranding,

voordat ik inderhaast iets wensen kon,

vlak naast mijn wang tot een abrupte landing.

.

Hoe alles afloopt

Nobelprijswinnaars uit Amerika, maar daar niet geboren

.

In het heerlijke boek ‘The United States of Poetry’ uit 1996 lees ik dat de drie dichter Nobelprijswinnaars die de Verenigde Staten (tot dan toe) heeft voortgebracht alle drie niet geboren zijn in de Verenigde Staten. Wat op zichzelf maar weer eens bewijst dat de VS een smeltkroes is van mensen uit alle delen van de wereld en dat de VS een aantrekkingskracht heeft op o.a. dichters. De drie dichters die het betreft zijn;  Joseph Brodsky (1940 – 1996) geboren in Rusland, Czesław Miłosz (1911-2004) geboren in Polen en Derek Walcott (1930-2017) geboren in St. Lucia.

Ik schreef al eerder over Derek Walcott (met wie ik een geboortedag deel) maar door deze ontdekking in ‘The United States of Poetry’ wil ik hier graag nog een gedicht van hem delen. Het betreft hier het het gedicht ‘Endings’ uit de bundel ‘Sea Grapes’ hier in de originele Engelse tekst en in vertaling. Het gedicht ‘Endings’ of ‘Hoe het afloopt’ gaat over de vergankelijkheid, dat het leven niet luidkeels eindigt met een enorme knal (zoals bijvoorbeeld de Bijbelse profeet Elia, die door een rijtuig met vurige paarden in de hemel werd opgenomen) maar dat het leven wegebt, langzaam uitdooft. De slotregel is langer dan alle andere regels in het gedicht en komt als een verrassing. Deze regel gaat over de stilte om het hoofd van de doof geworden Beethoven, en het verwijst ook naar de ernst die spreekt uit diens meest verstilde adagio’s. En naar de dood natuurlijk.

.

Endings

.

Things do not explode,
they fail, they fade,

.

as sunlight fades from the flesh,
as the foam drains quick in the sand,

.

even love’s lightning flash
has no thunderous end,

.

it dies with the sound
of flowers fading like the flesh

.

from sweating pumice stone,
everything shapes this

.

till we are left
with the silence that surrounds Beethoven’s head.

.

Hoe alles afloopt

.

’t Is niet dat dingen exploderen,
ze weigeren, ze sterven weg,

.

als zonlicht dat wegsterft op vlees,
als schuim dat haastig wegzinkt in zand,

.

zelfs de bliksemflits van de liefde
eindigt niet met een donderslag,

.

het sterft met het geluid
van wegkwijnende bloemen als vlees

.

dat puimsteen heeft uitgezweten,
zo krijgt alles vorm

.

tot we alleen zijn
met de stilte die hangt om Beethovens hoofd.

.