Site-archief

Rouwadvertentie

Johannes van der Sluis

.

In 2018 verscheen onder het heteroniem (Een heteroniem is een vorm van een pseudoniem waarbij een auteur een fictieve schrijverspersoonlijkheid creëert, soms als afsplitsing van zichzelf) Giovanni della Chiusa, de debuutbundel ‘Een mens moet ook niet alles willen weten’ van Johannes van der Sluis (1981)) wat zijn echte naam is. Deze bundel werd genomineerd voor de Herman de Coninckprijs.

In begin 2019, zag Johannes van der Sluis bij de Erasmusbrug in Rotterdam een demonstratie van de Gele Hesjes, die hem vanuit het niets obsedeerde, alsof de Zotheid hem in haar greep kreeg, vooral de jongen die ‘100% vrije jongen’ achterop zijn jas had geschreven. Dat werd ook de titel van zijn eerste gedicht (onder eigen naam), die werd gepubliceerd in Hollands Maandblad (waar hij daarna nog verschillende malen in zou publiceren en waar hij hoofdredacteur van is), en uit de stroom poëzie die daarop volgde, ontstond de bundel ‘Ik ben de verlosser niet’ (2020). Deze bundel verscheen onder zijn eigen naam en werd genomineerd voor de J.C. Bloem-poëzieprijs 2021.

In 2022 verscheen vervolgens de bundel ‘Profane verlichting’ en in 2023 de bundel ‘De Groenvoorziening’over zijn tijd bij de plantsoenendienst in Rotterdam-IJsselmonde, waar van der Sluis woonachtig is. Deze bundel is ‘een poging om grip op het leven te krijgen’ volgens de dichter. Op de website met Rotterdamse dichters staan een paar gedichten van zijn hand waaronder het gedicht ‘Rouwadvertentie’ uit de bundel ‘Een mens moet ook niet alles willen weten’ waarover Remko Ekkers in Tzum schreef: “De gedichtjes zijn grappig en treurig” zo ook het gedicht ‘Rouwadvertentie’.

.

Rouwadvertentie

.

Doodongelukkig

zou hij zichzelf niet willen noemen

de laatste tijd echter

verlangt hij

bijvoorbeeld als hij op een begraafplaats rondloopt

of begrafeniswagens voorbij ziet rijden

of rouwadvertenties leest

naar de dood.

Zichzelf ophangen

zichzelf verstikken in een plastic zak

of voor de trein springen,

daar moet hij alleen niet aan denken,

nooit zou hij de hand aan zichzelf slaan.

Als het even kan

zou hij in een onbewaakt ogenblik

in een ravijn willen worden geduwd.

Vínd maar eens iemand.

.

Sprookje

T. van Deel

.

Dichter en literatuurcriticus Tom van Deel (1945-2019)  publiceerde uitsluitend onder de naam T. van Deel (dus zonder voornaam). In 1967 publiceerde hij onder de pseudoniemen G. en Gerrit Vogel gedichten in Pharetra, studentenblad van de Vrije Universiteit Amsterdam. In 1969 debuteerde hij met de dichtbundel ‘Strafwerk’. In 1987 ontving hij de Jan Campertprijs voor zijn dichtbundel ‘Achter de waterval’. In 1988 verscheen ‘Gedichten, 1969-1986’, een verzameling van zijn gedichten tot dan toe.

Van Deel was een van de oprichters van het literaire tijdschrift De Revisor waar hij tot 1981  redacteur was. Daarnaast was hij van 1969 tot 2008 literair recensent van het dagblad Trouw. In de bundel ‘Gedichten 1969-1986’ zijn alle bundels opgenomen die hij tot 1986 bij Querido uitgaf. Deze vier bundels zijn aangevuld met gedichten uit ‘Klein diorama’ , gedichten die hij schreef bij tekeningen van zijn vriend Chr. van Geel en een ‘Griekse cyclus’.

Uit de bundel koos ik voor het gedicht ‘Sprookje’ dat oorspronkelijk verscheen in ‘Achter de waterval’ uit 1986.

.

Sprookje

.

De prinses nam haar erwt

overal mee naar toe, legde hem

in kussens weg en voelde

hoe hij voelde, raakte gehecht,

zocht hem op en wreef hem glad

en elke avond verstopte zij

haar erwt. Ze kon niet slapen

zonder, maar ook niet met. Het

troostte haar dat zij hem telkens

vond, dat zij zo  ongehard bleef in

haar waken. Er was eens niemand

die iets doen kon aan die kwaal.

Ze wilde hem nooit missen.

.

Rob van Essen

Schrijven

.

Rob van Essen (1963) was kort geleden groot in het nieuws toen hij voor de tweede maal de Libris Literatuurprijs won voor zijn roman ‘Ik kom hier nog op terug’. In 2019 won hij deze prijs voor de eerste keer met zijn roman ‘De goede zoon’. Hij schreef al vele boeken en zijn verhalenbundel ‘Hier wonen ook mensen’ won in 2015 de J.M.A. Biesheuvel Prijs. Van Essen schrijft echter ook poëzie. In 2022 debuteerde hij als dichter met de bundel ‘Alleen de warme dagen waren echt’.

In DW B ( literair cultureel tijdschrift Dietsche Warande & Belfort) van juni 2022 stonden een aantal van zijn gedichten uit zijn debuutbundel in voorpublicatie.  Zijn poëzie is toegankelijk maar niet zonder verborgen betekenissen, met aandacht voor de mensen op straat en de bewegingen van het eigen hart. Leven, liefde, dood en doem – niets blijft onbesproken. Uit deze bundel (en gepubliceerd in DW B) nam ik het gedicht ‘Schrijven’.

.

Schrijven

.

uit veelheid dit doen

uit verlegenheid dit schrappen

het zonlicht binnen zien vallen

en je er niet aan kunnen overgeven

.

de planten water geven

zonder dat ze dorst hebben

heb dorst! heb dorst!

want ik wil water geven

.

Mijn mond is moe

Surinaamse poëzie

.

Mijn dochter was in Suriname en ze nam ‘Wortoe d’e tan abra’ (woorden die overblijven) bloemlezing uit de Surinaamse poëzie vanaf 1957, uitgegeven door het Bureau Volkslectuur in 1970 voor mij mee. Mijn exemplaar is uit 1979 en het betreft een 4e uitgebreide druk (waarmee er totaal 16.500 stuks gedrukt zijn). De bloemlezing is samengesteld door Shrinivási (1926-2019). Hij was een Surinaams dichter, wiens burgerlijke naam luidt Martinus Haridat Lutchman. Zijn pseudoniem betekent: edele bewoner van Suriname. Hij geldt als een van de grootste dichters die Suriname ooit heeft voortgebracht en is misschien wel de belangrijkste Nederlandstalige dichter van Suriname.

De bloemlezing bevat poëzie van bekende namen (Edgar Cairo, R. Dobru, Thea Doelwijt, Michael Arnoldus Slory en Shrinivási zelf) maar ook tal van (mij) onbekende dichters. Eén van die onbekende namen voor mij was Zamani. Lezend in de bundel bleef ik bij een gedicht van deze dichter ‘hangen’ met als titel ‘Mijn mond is moe’. Op zoek naar wie deze Zamani was werd ik verrast, het blijkt hier om niemand minder dan Astrid Roemer (1947) te gaan. In 1970 debuteerde zij met de dichtbundel ‘Sasa: mijn actuele zijn’ onder dat pseudoniem.

Jaren geleden vroeg ik Astrid Roemer om een lezing over haar werk te geven bij mij in de bibliotheek. Omdat ze, net als ik, in Den Haag woonde haalde ik haar op van huis. De avond was een succes en ik heb daar heel mooie herinneringen aan. Niet verassend dus dat ik hier graag het gedicht ‘Mijn mond is moe’ plaats uit deze bloemlezing.

.

mijn mond is moe

.

moe is mijn mond

van spreken

zinvolle woorden om

anderen te bereiken

mijn mond is moe

van pogen

pogen hen weer te begrijpen

neen

ze willen niet kussen

die lippen van mij zijn

moe

voor anderen zinvol

te zijn

.

Allerliefste

Breyten Breytenbach

.

In 2019 werd de bundel ‘Allerliefste’ 25 liefdesgedichten die iedereen gelezen moet hebben, van Breyten Breytenbach ( 1939) gepubliceerd. In deze tweetalige bundel zijn de 25 mooiste, meest onvergetelijke liefdesgedichten van Breyten Breytenbach samengebracht. Ik las ze en de titel is geen vorm van overdrijving, iedereen zou deze gedichten moeten lezen. Het is niet alleen een heel mooie introductie met de poëzie van Breytenbach (voor wie hem als dichter nog niet kent) maar de gedichten zijn ook gewoon heel erg mooi.

Breyten Breytenbach is een Zuid-Afrikaanse schilder, schrijver maar vooral dichter. Tijdens zijn studie werd hij een fel tegenstander van de apartheid in Zuid-Afrika.  In de jaren ’60 van de vorige eeuw vestigde hij zich in Parijs, waar hij met een Franse vrouw van Vietnamese afkomst trouwde. Vanwege de toenmalige rassenwetgeving in Zuid-Afrika kon hij daardoor niet meer terug naar zijn geboorteland. Op grond van de Wet op de Gemengde Huwelijken (1949) en de Ontuchtwet van 1950 was het een misdrijf om een seksuele verhouding met iemand van een ander ras te hebben.

In Frankrijk was hij medeoprichter van Okhela, een groep die in ballingschap de apartheid bestreed. Hij bezocht in 1975 illegaal Zuid-Afrika en werd daar verraden, in hechtenis genomen en voor hoogverraad tot negen jaar gevangenisstraf veroordeeld. Na veel druk van buitenaf werd hij in 1982 vrijgelaten. Hij keerde naar Parijs terug en nam daar de Franse nationaliteit aan.

In zijn poëzie is Breytenbach niet altijd de activist die de buitenwereld in hem zag. Michael Titlestad (1964) professor Engelse literatuur aan de Universiteit van Witwatersrand, noemt Breytenbach “een meester in self-styling, hij is enigmatisch, een estheticus en ongrijpbaar postmodern. Hij is arrogant en zonderling.” En Danie Marais (1971) die in 2006 debuteerde met de dichtbundel ‘In die buitenste ruimte’ (die driemaal werd bekroond) zei over Breytenbach: “Ik verwachtte de Che Guevara der letteren. In plaats daarvan kreeg ik verbijsterend mooie liefdesgedichten onder ogen. Ik was dol op zijn lyriek, zijn rijke buitenaardse beelden en de donkere romantiek – de bedwelmende mengeling van seksualiteit en een poëtische doodwens.”

Dat er dus een bundel met zijn liefdesgedichten is verschenen is niet zo verwonderlijk. Een bundel gedichten gekozen door Annemiek Recourt en vertaald door Laurens van Krevelen, waarin zijn activisme en politieke engagement niet aanwezig is. Een gedicht uit deze bundel is getiteld (soos van vlerke) of in de Nederlandse vertaling (als van vleugels).

.

(als van vleugels)

.

Allerliefste, ik stuur je een palmtortel
want niemand zal een boodschap die rood is neerschieten.
Ik werp mijn palmtortel hoog in de lucht en ik
weet dat alle jagers zullen denken dat het de zon is.
Kijk, mijn tortel komt op en mijn tortel gaat onder
en waar hij vliegt daar schitteren oceanen
en bomen worden groen
en hij kleurt mijn boodschap zo rood over je vel

Want mijn liefde reist met je mee,
mijn liefde moet als een engel bij je blijven,
als vleugels, wit als een engel.
Je moet van mijn liefde blijven weten
als van vleugels waarmee je niet kunt vliegen

.

(soos van vlerke)

.

Allerliefste, ek stuur vir jou ’n rooiborsduif
want niemand zal ’n boodskap wat rooi is skiet nie.
Ek gooi my rooiborsduif hoog in die lug
en ek weet al die jagters sal dink dis die son.
Kyk, my duif kom op en my duif gaan onder
en waar hy vlieg daar skitter oceane
en bome worden groen
en hy kleur my boodskap so rooi oor jou vel

Want my liefde reis met jou mee,
my liefde moet soos ’n engel by jou bly,
soos vlerke, wit soos ’n engel.
Jy moet van my liefde bly weet
soos van vlerke waarmee jy nie kan vlieg nie

.

Op de meubelboulevard

Sander Meij

.

De gedichten van Neerlandicus, schrijver, ghostwriter van drie kinderboekenseries en dichter Sander Meij werden tweemaal bekroond met een aanmoedigingsbeurs van Hollands Maandblad. Hij won de Meander Poëzieprijs voor jongeren en de gedichtenwedstrijd van Onbederf’lijk vers. Zijn poëzie verscheen in De Gids, Hollands Maandblad, Het Liegend Konijn, Krakatau, Op Ruwe Planken en Meander. Meij debuteerde in 2015 met de bundel ‘Nieuw eiland’  waarna in 2019 ‘Pincetbeweging’ volgde. In 2022 publiceerde hij de bundel ‘De Wolf is terug’.

In een recensie van deze bundel op Meandermagazine ‘De wolf is terug’ beschrijft recensent Peter Vermaat in zijn begin alinea hoe de mens de wolf altijd heeft afgebeeld als een ‘duivelse vijand’. In de recensie beschrijft Vermaat dat de bundel in het eerste hoofdstuk de wolf een plek krijgt van ‘terug van nooit weggeweest’ om vervolgens in het tweede deel de beweging van het beeld van de wolf naar het proces van het inrichten van het landschap door de mensen te beschrijven, om uiteindelijk terecht te komen bij de herinneringen, relaties en wederwaardigheden in het nu (of ooit) van het ik-personage.

Vermaat houdt de mogelijkheid open dat er “in de constructie letterlijk sprake is van tweespalt, om daarmee de strijd tussen het menselijke en het wolfzuchtige in de mens in het algemeen en in de dichter in het bijzonder ook voor de lezer voelbaar te maken”.

In het gedicht ‘Op de meubelboulevard’ beschrijft Meij die mogelijkheid, die strijd tussen menselijke en wolfzuchtige eigenschappen van de mens op een bijzondere manier.

.

Op de meubelboulevard

.

tussen spoedig verscheurde prachtgezinnen

bedwelmd door muziek voor slechthorenden

waar niets ertoe doet maar van alles begint

.

probeer ik mijn blik strak te houden

het gaat erom niet op te vallen

onder de soort die de mijne nochtans is

.

ik loop met hen op, zie dezelfde ogen

dezelfde monden vormen woorden

van vergelijkbare strekking als de mijne

.

en dan in het holst van mijn bloedeigen hoofd

hoor ik mezelf zeggen: een basiskleur

en ik voel hoe de mand krakend barst

.

Terug naar het begin

Sholez Rezazadeh in Mugzine

.

De nieuwste editie van MUGzine is uit! In #21 hebben de dichters Bauke Vermaas, Sholez Rezazadeh en Frans Terken bijdragen geleverd. De illustraties zijn dit keer van Danièle Knirim (@hier_vandaan op Instagram). Uiteraard is er een nieuw poëtisch voorwoord en zorgde dichter Bauke Vermaas dit keer voor de @l.uule.

De nieuwe editie is zoals altijd gratis te downloaden op de website maar als je de papieren versie wil ontvangen word dan donateur. Voor twee tientjes per jaar ontvang je 5 edities van MUGzine in je brievenbus plus de extra’s die we elk jaar bedenken (GUM, ansichtkaart, Special).

Om alvast in de stemming te komen hier een gedicht van Sholez Rezazadeh (1989) kwam in 2015 vanuit Iran naar Nederland. Drie jaar na haar aankomst tekende ze een contract voor haar romandebuut ‘De hemel is altijd paars’ (2021) dat bekroond werd met de Debutantenprijs van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde 2022 en met de Bronzen Uil Publieksprijs 2021. Het stond bovendien op de longlist van de Libris Literatuur Prijs 2022 en de Hebban Debuutprijs 2022. Haar tweede roman ‘Ik ken een berg die op me wacht’ verscheen in 2023 en is genomineerd voor European Union Prize for Literature. Naast proza schrijft Sholez ook columns voor het Financiële Dagblad en dus ook poëzie.

Voor haar werk ontving Sholez de Agora Lettera (2018) schrijversprijs voor proza, de El Hizjra literaire prijs (2019) voor poëzie en de Debutantenprijs van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde (Engels: Debutantenprijs van de Vereniging voor Nederlandse Letterkunde ) (2022), voorheen de van der Hoogt-prijs.  Voor het Groningse festival Terug naar het begin, schreef ze het gelijknamige gedicht dat ook in editie 5 in 2022 van De Gids verscheen. 

.

Terug naar het begin
.
Neem me terug
naar de zomermiddagzon
naar het harde gelach van de stenen
die het geluid van mijn kleine stappen herhalen
naar de zachte stilte van het steegje
in het middagdutje
naar de straten die de taal van mijn blik begrijpen
de regen die ruikt naar het haar van mijn geliefde
naar de rust die druppel voor druppel uit mijn droge keel drupt
terwijl de tijd zweet
op de opgedroogde rimpels in mijn voorhoofd
als een rivier
die niet meer verder wil

breng me terug
naar een stukje warm brood gewikkeld in een schone doek
naar een gepelde, gesneden appel
een ketel die fluit
een pan die al uren op het vuur staat
naar de geur van de handen die ik kende

naar iemand die op mij wacht

totdat ik aan zal komen en alles als een bliksem zal omarmen
totdat ik mijn mond zal openen
en alle appels en broden lach voor lach, stuk voor stuk op zal eten
met schoenen in de kleur van de zonsopkomst
met een hoofd dat naar herfst ruikt
zal ik door alle seizoenen heen dansen
tot het eind van de vlaktes

neem me terug
zodat ik de gebroken stukken uit mijn verstoorde dromen opruim
ze op de plank leg
één voor één
met vingers druipend van gesmolten moed
leeg van de vrees
om uit elkaar te vallen
zonder een plakkerige angst
om niet meer in elkaar te passen

neem me terug
naar een plek waar ik het kronkelende lichaam van het lachen aanraken kan
ader voor ader, haar voor haar
waar ik de kleuren van de zon van haver tot gort ken
en het accent van alle golven versta

neem me terug
om mijn stem op te halen
de schaduw van hoop
die van nergens naar nergens is gestegen
om me heen te slaan
om achter elk raam een vuur te branden
mijn gisteren, mijn heden te plukken en in mijn zak te stoppen
om de doorn die in mijn voetzool is gezonken eruit te trekken
en door te lopen
door het donkerste deel van de zee
met de waterdruppels die tussen mijn sleutelbenen komen
op het zand dat zo zacht is
als de wangen van een verre droom

een ongegronde boom
met gevallen fruit
die niet tegen de winternacht kan
met bladeren die onder de wind bezweken zijn
dit is mijn verhaal NIET

neem me terug
naar het heldere hoofd van een zaadje onder de grond
dat een bos wil worden
dat met open ogen over de lente droomt
en de taal van de vogels verstaat
mijn verhaal is DIT

mijn verhaal is geen verhaal van vertrek
geen verhaal van terugkeer
mijn verhaal is alles wat het waard is om voor op te staan
opnieuw in stukken te breken
opnieuw voor te rennen
opnieuw voor te verdwalen
opnieuw te begraven
opnieuw te ontkiemen

mijn verhaal zit in mijn stem, mijn ogen, mijn longen
neem me terug
naar een verhaal dat we kennen.

 

Wonderland

Jules Deelder

.

Regelmatig kom ik in de stad of langs snelwegen advertenties tegen van Omdenken, de tegendraads denkende organisatie van Berthold Gunster, die anders kijken naar problemen en uitdagingen tot een verdienmodel heeft weten te maken. Ik moest hier weer aan denken toen ik in de bundel ‘Interbellum’ uit 1987 van Jules Deelder ( 1944-2019) het gedicht ‘Wonderland’ las. De omgekeerde wereld is waar het om draait in dit gedicht en volgens mij is dat waar het omdenken om draait: dat wat is op een andere manier bekijken. Jules Deelder was daar heel goed in.

.

Wonderland

.

Bij het pompstation

bleken acht van de negen

pompen SUPR te leveren

en één maar NORMAAL

.

Op mijn vraag of het geen

tijd werd te bordjes te ver-

hangen keek de pompbediende

mij niet begrijpend aan

.

Toen ik later in een

etalage op een bord las

dat men bij aanschaf van

vijf batterijen één

.

staaflantaarn cadeau gaf

begreep ik dat ik

in de omgekeerde wereld

was beland

.

Lijfrente

Vrouwkje Tuinman

.

Grote en belangrijke traumatische gebeurtenissen (dodelijke ongevallen, overlijden, ziekte en dergelijke) inspireren veel dichters tot het schrijven van gedichten. Of dat altijd de beste poëzie oplevert is maar de vraag, getuigenispoëzie, zoals ik het noem, die geschreven is vanuit een verwerking of diepgevoelde emotie is soms zo geschreven vanuit de verwerking dat het poëtische daaronder te lijden heeft.

Maar dat hoeft zeker niet altijd zo te zijn. Wanneer een goede dichter of een dichter die enige mate van distantie kan opbrengen een bundel schrijft over een dergelijke traumatische gebeurtenis, dan kan dit ook leiden tot mooie en betekenisvolle poëzie.

Toen de partner van dichter Vrouwkje Tuinman (1974), dichter F. Starik (1958-2018), ziek werd en overleed schreef ze, in het jaar na zijn dood, de bundel ‘Lijfrente’. In de bundel staat het als volgt beschreven: ” Ze schrijft over rouw die bij iedere nieuwe ronde weer totaal anders is. Over wat blijft, nadat iemand gestorven is. En over de pogingen om een overleden geliefde zo veel mogelijk te laten bestaan en tegelijkertijd zelf te blijven voortbestaan. Door te dichten houdt ze hem halsstarrig in beweging. De gedichten zijn net zo kwetsbaar als hun onderwerp.”

Uit deze bijzondere bundel komt het gedicht ‘Wat ik mocht:’.

.

Wat ik mocht: 

.

Televisie kijken met mijn hoofd op een kussen op je borst
Tegen je praten met de wc-deur open
Haren uit je neus trekken
Je haar knippen (drie keer)
Een steenpuist openmaken en op jouw aanwijzing steeds harder knijpen
Jou in geval van enorm goed humeur in een omgekeerde Heimlich
nemen en optillen
Over jou beslissen in geval van reanimatie
Een foto maken van je katheter (mocht niet alleen, moest)
De hechtingen uit je doorgezaagde borstkas peuteren
Helpen bij het aankleden
Niet meer helpen bij het aankleden
Geen foto van je maken, ook niet van achteren gezien
Televisie kijken vanaf een stoel naast de bank waarop jij onaanraakbaar
lag
Jouw ogen sluiten

.

Wie de mooiste is

Frans Kuipers

.

In de bundel ‘Wolkenjagen’ uit 1997 van Frans Kuipers las ik een mooi gedicht dat me meteen weer aan de Poëzieweek deed denken. Niet door het thema ‘Thuis’ maar door de inhoud van dit gedicht. Het betreft hier het gedicht ‘Wie de mooiste is’. Bij de titel zou je kunnen denken dat dit een liefdesgedicht is maar niets is minder waar. Tenzij je een liefdesbetuiging aan een wolk als zodanig ziet. De reden dat ik bij dit gedicht aan de Poëzieweek denk, is gelegen in het feit dat in de MUGzine special, die voor de Poëzieweek is uitgebracht, een gedicht van mijn hand bevat getiteld ‘Wolk’ en die ook de schoonheid van een wolk bezingt, en aandacht besteedt aan de poëzie app Wolk. Alle redenen dus om dit gedicht van Frans Kuipers hier te delen. In 2009 bracht Kuipers overigens ook nog de bundel ‘Wolkenherdersliederen’ uit om maar aan te geven dat deze dichter iets heeft met wolken.

Frans Kuipers (1942) debuteerde in 1965 met de bundel ‘Zoals wij’ waarvoor hij de aanmoedigingsprijs van de gemeente Eindhoven ontving, waarna in dat zelfde jaar zijn tweede bundel ‘Een teken van leven’ verscheen. Vervolgens was het 12 jaar wachten op zijn derde bundel ‘Gottegot & bubble up’ (1977). Hierna volgde nog 11 bundels en zijn laatste ‘De lach van de Sfinx’ is alweer van 2021.  In april van dit jaar komt zijn nieuwe bundel uit ‘Uit hoofde van Jut’. Kuipers werd onder een breder publiek bekend, toen in 2004 negen van zijn gedichten werden geselecteerd voor de dertiende, herziene editie van Gerrit Komrij’s ‘Nederlandse poëzie van de 19de tot en met de 21ste eeuw in 2000 en enige gedichten’.

.

Wie de mooiste is

.

Ochtendnevel, bevroren meren, ijzel, rijp,

zij dienen hier met ere te worden vermeld.

.

Alsook ijsbloem, luchtgewei,

trofee aan de winterruit prijkend.

.

Voor het zwijgen dat goud is,

zuiverheid die oud is,

bij de sneuw, stille weefster,

haastjerepster, zuster Kusvlug,

bij de sneeuw moet je zijn.

.

Wolk echter, lukraak klaargestoomde,

zwevend voorwerelds bovenaards,

wolk offreert wonderlijkheid non-stop,

wolk: fraaiste watergedaante.

.