Site-archief

Antoine de Kom

Demerararamen

.

Dichter,  psychiater en schrijver Antoine de Kom is weliswaar in Den Haag geboren (1956) maar is van Surinaamse afkomst. Zijn opa,  Anton de Kom, is een Surinaamse verzetsheld die stierf in een concentratiekamp van de Duitsers. Antoine schrijft al over slavernij en onrecht sinds zijn debuut in 1991 met de bundel ‘Tropen’. Feitelijk debuteerde hij in 1989 in het tijdschrift ‘De Gids’ met de cyclus ‘Palmen’ – zes gedichten lang – die twee jaar later ook in ‘Tropen’ is opgenomen maar die hij schreef onder het pseudoniem Raymond Sarucco.

Zijn nieuwste bundel is getiteld ‘Demerararamen’. Ooit stond een deel van Demerara (een historisch deel van de Gyana’s tot 1815 een Nederlandse kolonie) samen met Suriname onder Nederlands bewind. Demerararamen zijn de ramen die de zonnehitte weren terwijl de verkoelende passaatwind toch vrij spel heeft. Houten louvreramen zijn het, die hellend als een dakraam een kijk op onze wereld bieden die deze nieuwe bundel van Antoine de Kom maakt tot wat hij is: gedichten die al wat wreed, kwaad en ellendig was laten warrelen in de koele hitte van hun schaduw.

In deze nieuwe bundel die dit jaar uit kwam schrijft de Kom opnieuw over de geschiedenis van Suriname (de coup van Bouterse) maar ook over de Koerden en vluchtelingen. Hier spreekt een dichter die zich verzet tegen onrecht. Zoals in het gedicht ‘Say’ over (toen nog) president en legerleider Bouterse.

.

Say

.

[JUSTITIA PIETAS FIDES we gaan uitspraak doen
Verdachte: ik kende het draaiboek ik leidde… strikte
geheimhouding Verdachte niet aanwezig geboren 13-10-1945
thans president van de republiek]
.
de maîtresse en titre boog zich broodmager hees en glanzend
zwart over een veelheid aan biljetten
op zoek naar kleine schade schermutselingen fear of china
dieptriest casa de la alegría gieren en onweer in dat netnietbijland
.
zo X: waar men het in het comité voor het razend gevaar niet
en nooit en nummer over had
.
zo Y: tijd voor een ander universum op naar de plastisch chirurg
op de vlucht voor het lijk met het laaghangend lichaam
met het lijk zonder lichaam inmiddels
.
[JUSTITIA PIETAS FIDES er werden lijsten opgemaakt alle
verbindingen blokkeren opdracht van de legerleiding nieuwe
wapens ingevlogen schietoefeningen door de zestien]

.

Orpheus

Zsuzsa Beney

.

De Hongaarse dichter Zsuzsa Beney (1930-2006) studeerde medicijnen en was werkzaam als longarts in Boedapest. Al op 17 jarige leeftijd publiceerde zij haar gedichten in tijdschriften maar pas na haar dertigste begon zij opnieuw met schrijven, poëzie en essays. In 1972 verscheen haar debuutbundel ‘Tüzföld’ of ‘Vuurland’. In 1982 nam zij deel aan Poetry International in Rotterdam en ter gelegenheid verscheen het gedicht ‘Orpheus’ in een vertaling van Sylvia Bodnár.

.

Orpheus

.

Waarom riep je me? Uit de duistere

doodsdiepte haal ik je terug! – Maar je riep me!

Overschoon verstorven lief, van de wereld

afgestorven, meende ik, om mijnentwille –

.

Kan zelfs mijn liefde je niet doen sterven?

.

Waterschittering, schitterschimmig elfenbankje,

eierdonzig heidebed, land-barende lente, Jij –

je geboorteplek werd je huwelijksbed –

.

Wat deed je eruit herrijzen?

.

Gewend was de stilte in mijn dode hart –

je jammerklacht reet mijn hart weer open

en op mensentoon, ooit de woordenecho

van zwijgende wezens, ween ik. Schone verstorvene.

.

Mijn lief, hoor je mijn vliedende dood?

.

Beetje praten

Huub Oosterhuis

.

De Nederlandse dichter Huub Oosterhuis (1933) is bij velen bekend als  theoloog, ex-jezuïet en uitgetreden priester. Zijn naam is verbonden aan de modernistische tendensen binnen de Nederlandse kerkprovincie na het Tweede Vaticaans Concilie en de daarmee gepaard gaande polarisatie tussen modernisten en behoudsgezinden. Hij publiceerde een groot aantal liederen en gedichten en beïnvloedde de modernistische denkbeelden over liturgie en kerkelijk leven in Nederland.

Toch is ook zijn staat als dichter en tekst- en liedschrijver groot. Zo ontving hij meerdere prijzen voor zijn poëzie waaronder de Herman Gorterprijs voor de bundel ‘Groningen’ in 1962 en de Anne Frankprijs in 1963. Hij debuteerde in 1961 als dichter  met de bundel ‘Uittocht’ en in de jaren tot nu publiceerde hij verschillende poëziebundels waaronder een aantal met Christelijke gedichten.

In 2003 verscheen, naar aanleiding van zijn zeventigste verjaardag de bloemlezing ‘Een maal zeventig’ een keuze uit de gedichten. Uit die bundel nam ik het gedicht ‘Beetje praten’.

.

Beetje praten

.

Wanneer ik oud ben leg me in een laatje

als een brief een witte steen.

.

Witte stenen horen

aan een Zuid-Frans strand.

.

Leg me aan een Zuid-Frans strand dan

op de vloedlijn.

.

Of ik leg je in een doosje

een gedroogde raadpleeg roos

een uitgebloeid horloge –

als je oud bent.

.

Als ik oud en bijna dood ben

maar nog niet

leg me aan de zonnenavel

waar het licht door stroomt

mijn ogen in.

.

Maar dat kan je niet betalen

veel te laag verzekerd – arme ouwe.

.

Tatoeëer me in je schouder

draag me op je rug.

.

Dat zal ik.

.

Ja dat zal je, ja je zal me –

.

Als een zegel op mijn hart.

.

Elegie

Maurice Gilliams

.

De Vlaamse dichter Maurice Guillaume Rosalie Gilliams (1900 – 1982) debuteerde op 17 jarige leeftijd met gedichten en proza onder de naam Floris van Merckem, een pseudoniem dat hij later introk. Hij schreef zowel proza als poëzie en brak op 36-jarige leeftijd door met zijn sterk autobiografische roman ‘Elias of het gevecht met de nachtegalen’. Gilliams schreef altijd autobiografisch, meestal over zijn mislukte huwelijk en over zijn verloren jeugd ( Gilliams trouwde in 1935 met Gabriëlle Baelemans maar ze leefden vrij vlug daarna gescheiden. Van een echtscheiding kwam het echter door weerstand van Gabriëlle pas 41 jaar later in 1976).

Als dichter en schrijver ontving hij de Constantijn Huygensprijs (1969), de Driejaarlijkse Staatsprijs (1972) en de Prijs der Nederlandendse Lettren (1980). In dat laatste jaar werd hij ook benoemd tot doctor honoris vausa aan de universiteit van Gent. Na zijn dood in 1982 werd de Maurice Gilliamsprijs in het leven geroepen. Hoewel in Vlaanderen nog steeds een bekende naam raakt deze dichter langzaam in de vergetelheid ondanks het feit dat hij in veel bloemlezingen wordt en is opgenomen.

Uit de bundel ‘Vita brevis’ Verzameld werk uit 1984 komt het gedicht ‘Elegie’.

.

Elegie

.

Zolang op het land.

Roken en door ’t venster staren:

linden voor de gevel,

trage knapen gaan voorbij.

.

Zomeravond op de velden

en de verre treinen kan men horen.

Grachten die naar heimwee smaken,

vergezichten, klokken die mij plagen

komen ’t hart zijn honing roven.

En de dorpen die ik door wil trekken,

waar de bruiden wonen,

waar de boten varen op de stromen,

roepen mij in ’t dalend donker:

in het koren staat een huis.

.

Maar ik sta hier voor het venster

van een boerenkamer

waar een stoel de stilte tekent

en de bloemen bruin verwelken

in een glas groen water.

.

 

Wendy little rose

Marleen De Crée

.

In de laatst verschenen editie van leukste en kleinste poëziemagazine MUGzine, https://woutervanheiningen.wordpress.com/2021/02/17/in-de-nieuwe-mugzine/ met Nederlandse en Vlaamse dichters, staan een aantal gedichten van de Vlaamse dichter Marleen De Crée (1941). Alle gedichten , ook die van Marleen De Crée, zijn gratis te lezen via http://mugzines.nl/

De Crée is dichter en beeldend kunstenaar. Ze studeerde kunstgeschiedenis aan de K.U. Leuven. De eerste uitgever van Marleen de Crée was J.L. de Belder, waar ze jarenlang, net als met Maurice Gilliams, goed bevriend mee was. Haar werk is met meerdere literaire prijzen bekroond. Haar poëzie verscheen behalve in MUGzine ook in Deus ex Machina, Dietsche Warande en Belfort, Gierik, Nieuw VlaamsTijdschrift, Poëziekrant, Restant, Revolver, Spiegel, De Vlaamse Gids en Yang.

Haar oeuvre is sinds haar debuut in 1969 gegroeid naar meer dan 20 dichtbundels en haar werk is opgenomen in verschillende bloemlezingen. In 2004 verscheen van haar hand de bundel ‘Vita Vita’ en uit deze bundel is het gedicht ‘Wendy little rose’ genomen.

 

Wendy little rose

rozen, als kwamen ze ’s avonds, laten
zich niet lezen. ze slurpen taal en teken
uit mijn blik. in een sonore stoet trekken
ze voorbij. maanlicht staat te staren,

rukt aan de tijd, zwart als water en
vol onzekerheid. niets is nog bewezen.
rozen hebben me beet en bijten. ik slik
hun geur, blijf aan ze haken.

lucht hangt als verbeelding te verbleken,
veegt met een vage hand mijn adem uit.
hoe ver zijn rozen, hoe dicht aan mij gebrand.

mijn stem wikkelt zich soms uit hun blaren.
niets is guller dan een rozenhart. daarin
zal ik slapen, schuilen, leven als het moet.

.

Dood werk

Maarten van der Graaff

.

Maarten van der Graaff (1987) is dichter en romanschrijver. Hij studeerde Religie en kunst aan de Universiteit van Utrecht. Hij debuteerde in 2013 met de bundel ‘Vluchtautogedichten. In 2014 krijgt hij voor deze bundel de C. Buddingh’-prijs. ‘Dood werk’, zijn tweede bundel, verscheen in het voorjaar van 2015. Deze bundel werd in 2017 bekroond met de J.C. Bloemprijs. Hij publiceerde poëzie en proza in verschillende tijdschriften en is veel op de podia te vinden. Hij is redacteur en medeoprichter (samen met mede dichter Frank Keizer) van het online literair tijdschrift ‘Samplekanon’ op https://samplekanon.com/ . Samen met Keizer schreef hij een essay over Nederlandse poëzie dat je hier (in twee delen in het Engels) kan lezen: http://www.babelsprech.org/niederlande-12/

Uit zijn bundel ‘Dood werk’ komt het gedicht ‘Lijst met rituelen’. In een recensie over deze bundel las ik: “Zijn toon is illusieloos en zelfverzekerd. Hij probeert enige samenhang aan te brengen in de hem omringende werkelijkheid en zijn leven.” In het gedicht ‘Lijst met rituelen komt dit goed tot zijn recht, oordeel zelf.

.

Lijst met rituelen

Voor CAConrad

.

Overgiet een grijze Kadett met cognac.
Ga in de grijze Kadett naar Umbrië.
Stap in Umbrië uit de Kadett.
Begraaf een gedicht van Pasolini
onder een kurkeik of een jeneverbes.

Er blijft iets ongezegd.
Vernietiging heeft ons gekozen,
vernietiging heeft zich geopend.

Overgiet de grijze Kadett met siroop.
Reis in de grijze Kadett naar een loofbos.
Voer daar de leer- of werkstraf uit
van een vreemde.
Begraaf een gedicht van Dickinson.

Vernietiging heeft ons gemaakt.
Kom klaar in een pretpark.

Teken een cirkel op de serre
van een politicus.
Ga naar het stadskantoor
en leg je onder een klok op de grond,
met je voeten naar Kaapstad.
Lees de gedichten van Snoek.
Verbrand drie dagen later
een zijden voorwerp.

Vernietiging gaat in ons op.

Omklem Pascal en het Kussenboek,
wandel een kerk in.
Denk aan het boerenleven.
Schrijf iets over de geur van religie,
het middenklassegeloof van je ouders.

Vernietiging is onze mondigheid.

Wacht tot je psycholoog op vakantie is.
Zet een tent op in haar tuin.
Ga in een vaalgeel gewaad in de tent zitten.
Neem een vel papier en noteer de titel
Civiele liederen.
Schrijf drie dagen lang civiele liederen.
Gebruik deze regels:

Er is geen eenheid in de riten van mijn massacultuur.

De geschiedenis laat mij blind achter.

Kom zonder gewaad de tent uit.
Ruik de ochtendlucht.
Ontmenselijk jezelf: trek vulgair
en fluitend de stad in.

.

Hella Haasse

Virgo

.

Regelmatig kom ik erachter dat er schrijvers zijn, die ik eigenlijk alleen maar ken als prozaschrijver, die naast hun prozawerk ook poëzie hebben geschreven. Opmerkelijk vaak wordt er gedebuteerd met poëzie waarna men zich op de proza werpt. Blijkbaar is poëzie een mooie kruiwagen om schrijver van proza te worden. En nu is er opnieuw een schrijver waarvan ik ontdek dat zij ooit poëzie schreef namelijk Hella Haasse. Hella Haasse (1918-2011) debuteerde met een dichtbundel in 1945. Daarna zou er van haar nauwelijks nog poëzie in druk verschijnen, tot er in 2006 plotseling acht gedichten opdoken in het Vlaamse literaire tijdschrift ‘Het Liegend Konijn’. De enige informatie die erbij stond was: Deze gedichten zijn uit de jaren 1960-1980.

De 22 gedichten in haar debuutbundel getiteld ‘Stroomversnelling’ schreef ze op haar zeventiende. Zelf beschouwde ze dit bundeltje als jeugdzonde. En hoewel ze weliswaar poëzie bleef schrijven (haar archief bevat enkele schriften en een flinke map met grotendeels ongepubliceerde poëzie) zou een tweede bundel er nooit komen. Wil je meer hierover lezen kijk dan op op de site https://literatuurmuseum.nl

In de verzamelbundel ‘Ik ben genoemd Meisje en Vrouw’ 500 gedichten over de vrouw uit de Nederlandstalige letterkunde, samengesteld door Christine D’haen uit 1980, is een gedicht uit haar bundel ‘Stroomversnelling’opgenomen getiteld ‘Virgo’ wat me op de een of andere manier aan Marieke Lucas Rijneveld deed denken.

.

Virgo

.

Zij is een wezen tussen vrouw en knaap –

Zij heeft de strakke passen van een jongen

Soms ligt zij als een poes inééngedrongen:

Dan schijnt zij vrouw, en glimlacht in haar slaap.

.

Haar ogen zijn van amber, en die weten

veel wegen, die haar mond aan geen verraadt –

Zij spiegelt zich in ’t water als zij baadt

Haar lijf is rank en koel en nooit bezeten.

.

Zij houdt van lichte bloemen zonder geur,

lang kan zij zwemmen in de groene bronnen –

Zij leest veel en aandachtig, zoals nonnen

dat doen, alléén, achter gesloten deur

.

terwijl het zonlicht aan de wanden fluistert

en ’t glas-in-lood raam donker glanst als wijn.

Zij heeft de trots van hen, die eenzaam zijn,

een hart dat wacht en aan de stilte luistert. –

.

 

De laatste van de beatgeneratie

Lawrence Ferlinghetti

.

Afgelopen maandag overleed op 101 jarige leeftijd Lawrence Ferlinghetti (1919-2021) de laatste dichter, schrijver die nog leefde uit de tijd van de befaamde beatgeneration. In 1953 begon Ferlinghetti in San Francisco, samen met Peter D. Martin (uitgever van het magazine ‘City Lights waar Ferlinghetti in debuteerde als dichter), die zich na twee jaar terugtrok, de fameuze City Lights Bookstore, die snel uitgroeide tot een trefpunt voor avant-gardistische schrijvers.

Hij werd er uitgever van de Pocket Poet Series waarmee hij de toen nog sterk controversiële ‘beatpoëzie’ van bijvoorbeeld Allen Ginsberg, Jack Kerouac en Gregory Corso stimuleerde. Als lid van de poëziebeweging San Francisco Renaissance debuteerde Ferlinghetti in 1955 met de bundel ‘Pictures from the Gone World’. Net als in ‘A Coney Island of the Mind’ (1958) en ‘Starting from San Francisco’ bevat deze bundel gedichten die primair bedoeld zijn om in het openbaar gelezen te worden, vol retoriek en herhalingen, vaak begeleid door jazzmuziek, een soort spoken word poetry avant la lettre.

Zijn gedichten spelen sterk in op de actualiteit, nodigen uit tot discussie en roepen op tot persoonlijke stellingname. Een voorbeeld hiervan is zijn tegen Richard Nixon gerichte satire ‘Tyrannosaurus Nix’. Mede door het publieke karakter krijgt Ferlinghetti wel het verwijt dat zijn poëzie clichématig is en gericht op effect.

Ook vertaalde hij poëzie uit het Frans, onder wie Jacques Prévert. Veel werk van Ferlinghetti werd op muziek gezet door vooraanstaande popartiesten, onder wie Roger McGuinn en Bob Dylan. Ferlinghetti bleef tot op hoge leeftijd actief schrijven en schilderen. Zijn laatste bundel ‘Poetry as an insurgent art’ verscheen in 2007.

Uit zijn bundel ‘How to paint sunlight’ uit 2001 komt het gedicht ‘The changing light’.

.

The Changing Light

.

The changing light at San Francisco

is none of your East Coast light

none of your

pearly light of Paris

The light of San Francisco

is a sea light

an island light

And the light of fog

blanketing the hills

drifting in at night

through the Golden Gate

to lie on the city at dawn

And then the halcyon late mornings

after the fog burns off

and the sun paints white houses

with the sea light of Greece

with sharp clean shadows

making the town look like

it had just been painted

But the wind comes up at four o’clock

sweeping the hills

And then the veil of light of early evening

And then another scrim

when the new night fog

floats in

And in that vale of light

the city drifts

anchorless upon the ocean

.

Zelfkennis

Anna de Bruyckere

.

Weet je wat me is opgevallen de laatste tijd? Dat er maar weinig jonge dichters doorbreken of bekend worden. Natuurlijk Marieke Lucas Rijneveld is een goed voorbeeld van een succesvolle jonge dichter maar zelfs zij is alweer 29. Het is alsof je als dichter toch wat levenservaring en eelt op je ziel moet hebben om tot wasdom te komen. Toch zijn er wel jonge(re) dichters zoals Anna de Bruyckere (1987). Zij schrijft poëzie, essays, verhalen en theaterteksten. Ze staat geregeld op de planken en publiceerde in onder andere ‘Het Liegend Konijn’, ‘De Brakke Hond’ en ‘Deus ex Machina’.

De Bruyckere studeerde filosofie en economie in Gent, Cambridge en Durham en geeft les. In 2018 en 2019 was ze stadsdichter van Middelburg. In haar poëzie gaat het over grote, abstracte noties, over leven, dood, pijn, over lichaam en geest, of over hoe jezelf niet te veel in anderen te verliezen, maar zonder dat ze die nadrukkelijk opvoert. In augustus van vorig jaar kwam haar debuutbundel uit bij uitgeverij Cossee getiteld ‘Voor permanente bewoning’.  Uit deze bundel komt het gedicht ‘Zelfkennis’.

.

Zelfkennis

.

Als je een ander dan jouw eigen deel van de wereld
kon zijn, wat was je dan? Als je een dier was
en gewelf of grond, een ander mens –

.

en dan het verband met wie je bent.

.

Zou ik regen zijn? En van alles willen
wassen, bewateren, gaten daveren in wat
plaats moet maken, aaien wie het nodig heeft

.

en wegspoelen wat weg. Ik zou me vragen

.

elke druppel te herinneren
want waar die valt daar horen we
elkaar. Horen we te zijn, vallen we even

.

samen. Misschien is regenen een vorm van prevelen

.

en hoef je je woorden maar te volgen
om de wolken – hun verschijnen
hun verdwijnen – te zien

.

varen.

.

Onder bankiers (in de City)

K. Michel

.

Dichter K. Michel (pseudoniem van Michael M. Kuijpers) werd in 1958 geboren in Tilburg. Voordat hij debuteerde als solo dichter had hij al verschillende samenwerkingsprojecten gedaan met andere dichters zoals onder andere met Arjen Duinker ( Aap, Noot, Mies een periodiek dat verscheen van 1982-1985). In 1989 debuteerde hij met de bundel ‘Ja! Naakt als de stenen’ waarna nog 6 bundels zouden volgen. Ook schrijft hij proza en vertaalt hij dichters als Octavio Paz en Michael Ondaatje en is hij enige tijd redacteur van het literaire tijdschrift Raster. Voor zijn werk ontving hij de Jan Campert-Prijs, de VSB Poëzieprijs en de Herman Gorterprijs.

Zijn laatste bundel getiteld ‘& rol door’ is speels, beeldend en melodisch. Ook in deze bundel experimenteert K. Michel met poëzievormen. In deze bundel staat het gedicht ‘Onder bankiers (in de City) waarin hij de Engelse metafysische dichter John Donne (1572 -1631) aanhaalt en zijn gedicht ‘A Burnt Ship’.

In een analyse van dat gedicht op https://interestingliterature.com/2014/03/guest-blog-john-donnes-a-burnt-ship/ staat onder andere: “Het is alsof Donne ons uitnodigt om waarnemers te zijn en voor onszelf te oordelen. Door dat te doen, denk ik dat hij het gruwelijke lot van de matrozen nog meer als een tragedie laat lijken. We kunnen onze eigen conclusies trekken over het tafereel, en ik betwijfel of er mensen zijn die geen medelijden hebben met de arme zielen die verbrandden in een waterig graf en verdronken in een brandstapel.” In het gedicht van K. Michel zou je de matrozen kunnen lezen als de mensen die kopje onder zijn gegaan na de financiële crisis.

.

Onder bankiers (in de City)

.

ja zweep de koersen op

stuw de statistieken

knallend door het dak

dwing de prognoses door

gloeiende hoepels te springen

jaag de groei ademloos

door roeien en ruiten

.

maar vergeet het schip

niet waarover john donne

lang voor de uitvinding

van glasvezels microchips

en de hele flitshandel zong

het brandende schip dat

alleen kon ontsnappen aan het vuur

door te zinken

.