Site-archief
Man bijt hond
Rozalie Hirs
.
Componist en dichter Rozalie Hirs (1965) is een bijzondere stem in de Nederlandse poëzie. Haar poëzie en muziek zijn zowel lyrisch als experimenteel. Het avontuur van de luister- en leeservaring en de verbeelding staan centraal. Haar poëzie omvat zowel dichtbundels als digitale poëzie (ik schreef hierover al in oktober 2018 https://woutervanheiningen.wordpress.com/2018/10/09/logos/ ) interactieve gedichten die ontstaan in samenwerking met beeldend kunstenaars en grafisch ontwerpers.
Als inspiratiebronnen heeft zij vele musici maar ook een dichters als Emily Dickinson en Paul Celan. Over poëzie zegt ze: “Zolang er taal is, is poëzie even onvermijdelijk als het eigen leven. In het gunstigste geval gaan poëzie en leven gepaard met een gezonde vorm van bewustzijnsverruiming. Poëzie is het buiten de oevers treden van taal. Ik denk dat poëzie onze drang om te veranderen (in beweging te blijven) laat zien. Het ligt niet in onze aard de begrenzing van de taal (of het leven) te (kunnen) accepteren.”
In 1998 debuteerde ze met haar bundel ‘Locus’ bij uitgeverij Querido die ook haar andere vijf bundels heeft uitgegeven. Haar gedichten verschenen in verschillende (literaire) magazines en websites en haar werk werd onder andere in het Duits en het Servisch vertaald. Uit haar debuutbundel ‘Locus’ het gedicht ‘Man bites dog’.
.
Man bites dog
.
Het eerste dode dier dat
ik vond als kind
was een verkreukelde vlinder-
onder een steen.
.
Een pakje liet ik altijd ongeopend
tot mijn moeder na dagen van
waanzin het papier eraf griste en
me het cadeau toesmeet.
.
Ik heb lief en sla dood
met dezelfde warme ziel-
op mijn rug staan vele
ongeldige namen-
.
gezegd en weggeschreven door
de hete naald.
Voor iedere letter heb
ik betaald met het eiland
.
van mijn daad.
De sleutels komen met steeds langere
tussenpozen-
zij zijn opgehouden
.
met praten-
de ruit beslaat van de hitte.
Ik brand levenstraag tussen
kille muren.
.
Einde van een cultuurperiode
50 jaar Poetry International
.
Afgelopen donderdag was de start van de 50ste editie van Poetry International in Rotterdam. Alle reden om deze week eens extra aandacht te besteden aan een aantal dichters van internationale naam en faam die in de loop van die 50 jaar optraden tijdens dit prachtige festival. in de loop van die 50 jaar zijn er verschillende keren boeken en bundels uitgegeven waarin de dichters ruimte kregen om hun poëzie te delen met de lezer. Altijd in de eigen taal en in een vertaling.
Ik wil beginnen met de dichter Erich Fried. die al in 1971 optrad tijdens Poetry International samen met 31 andere dichters uit 20 landen. De Rotterdamse dichter Jules Deelder opende toen het festival, een taak die tot 1983 aan een stadsgenoot of inwoner van het Rijnmondgebied was voorbehouden.
Erich Fried (1921 – 1988) was een Oostenrijks schrijver, dichter en essayist van Joodse afkomst. Het grootste deel van zijn leven woonde hij in Engeland. Hij schreef echter steeds in het Duits. In 1938 emigreerde hij naar Londen en werkte daar als arbeider, chemicus, bibliothecaris en redacteur. Fried was een geëngageerd dichter en schrijver, zo publiceerde hij in de jaren 60 twee anti-Vietnam bundels. Ook trok hij, Jood zijnde, de aandacht met zijn uitgesproken atheïstische en antizionistische opvattingen en zijn stellingname tegen Israëls Palestijnenpolitiek.
Uit de bundel ‘Honderd dichters uit vijftien jaar Poetry international’ 1970-1984 het gedicht ‘Einde van een Cultuurperiode’ of Ende einer Kulturepoche’ in een vertaling van Gerrit Kouwenaar.
.
Einde van een cultuurperiode
.
De kampcommandant
een ontwikkeld man
had zijn bekentenis
in het net geschreven
en nog een paar formuleringen
verbeterd
en hier en daar
een kwinkslag ingelast
.
Maar ze lachten niet
en hij zei ten slotte
‘Voor de humor voorzie ik
treurige tijden.’
.
Ende einer Kulturepoche
.
Der Lagerkommandant
ein gebildeter Mann
hatte sein Geständnis
ins reine geschrieben
und einige Formulerungen
noch verbessert
und da und dort
einen Schertz eingefügt
.
Aber sie lachten nicht
und er sagte zuletzt
‘Nun kommen schlechte Zeiten
für den Humor.’
.
Om buiten te zingen
Hugo von Hofmannsthal
.
De Oostenrijkse dichter Hugo von Hofmannsthal (1874 – 1929) kende ik niet (ik ken eigenlijk geen Oostenrijkse dichters behalve Erich Fried en Ernst Jandl) maar toen ik in de bundel ‘De liefste’ onsterfelijke liefdesverzen tegen kwam was ik aangenaam verrast. Het simpele feit dat Paul Claes deze dichter met een gedicht heeft opgenomen zegt wel iets. In ‘De liefste’ zijn de allergrootsten van de wereldliteratuur vertegenwoordigd.
Hugo von Hofmannsthal was een laatromantisch dichter en toneelschrijver. Al moet gezegd dat hij eigenlijk vooral een toneelschrijver was. Deze eenvoudige omschrijving doet hem echter te kort. Hugo von Hofmannsthal was bijzonder productief; vele van zijn plannen zijn evenwel onafgewerkt gebleven. Hij gaf naast vele toneelwerken ook meerdere verzamelbanden met redevoeringen en verhandelingen uit. In de jaren twintig gaf hij lezingen over de kunst en het cultuurleven: hij aardde niet in de modernistische, formele kunststromingen zoals het dadaïsme en verlangde naar een meer conservatieve kunst, waarin de mens zijn geest ontwikkelt en door middel van de kunst tot wijsheid komt.
Ondanks zijn hang naar een meer conservatieve kunst, blijkt uit het gedicht dat is opgenomen in ‘de liefste’ een moderne en vrije geest.
.
Om buiten te zingen
.
De liefste sprak: ‘Ik weerhoud je niet,
Je hebt me niets gezworen.
Men moet de mensen niet weerhouden,
Ze zijn niet tot trouw geboren.
.
Kies je eigen weg, mijn vriend,
Bewonder land na land,
En rust in vele bedden uit.
Neem vele vrouwen bij de hand.
.
En als de wijn te zuur is,
Drink dan malvezij,
En als mijn mond je zoeter is,
Kom dan terug naar mij!’
.
Im Gruenen zu singen
.
Die Liebste sprach: ‘Ich halt dich nicht,
Du hast mir nichts geschworn.
Die Menschen soll man halten nicht,
Sind nicht zur Treu geborn.
.
Zieh deine Strassen hin, mein Freund,
Beschau dir Land um Land,
In vielen Betten ruh dich aus,
Viel frauen nimm bei der Hand.
.
Wo dir der Wein zu sauer ist,
Da trink du Malvasier,
Und wenn mein mund dir süsser ist,
So komm nur wieder zu mir!.
.
Paleidokopus
Drager Meurtant
.
Van een vaste lezer van dit blog, die ook regelmatig reageert op mijn stukjes, Drager Meurtant ontving ik een aantal bundeltjes waar ik bijzonder blij mee ben. Niet in de laatste plaats met de bundel ‘Paleikokopus’ van Drager Meurtant zelf (De naam Drager Meurtant is een anagram). Gedrukt door drukkerij Libertas Pascal in Utrecht. In deze prachtig vorm gegeven bundel staan 55 gedichten in het Nederlands en in het Engels (een enkele in het Duits en sommige alleen in het Engels) die horen bij evenzoveel foto’s van assemblages, collages, schilderijen en grafieken van zijn hand.
Drager Meurtant voelde na 35 jaar als dierenarts/onderzoeker actief geweest te zijn de sterke behoefte zich meer kunstzinnig te uiten. Primair via assemblages maar dus ook via andere kunstvormen zoals bijvoorbeeld de poëzie. Dat Drager een voorliefde en fascinatie had voor Dada wist ik al maar hij laat zich ook inspireren door vertegenwoordigers van de CoBrA beweging en Jóan Miró evenals door kunstenaars als David Smith en Joseph Cornell. Invloeden van deze kunstenaars zie je terug in de foto’s van assemblages in de bundel.
Maar niet alleen de foto’s in deze bundel zijn zeer de moeite waard, de gedichten zijn dat zeer zeker ook. Gedichten die serieus zijn maar ook humor bevatten en soms tot in het absurde zoals in het gedicht ‘Toen Miro Beuys trof’.
.
Toen Miro Beuys trof
.
“Op de dag, dat Jóan Miro Joseph Beuys trof
was er niemand
op het strand, behalve ik.
.
Beiden waren ingenomen met de installatie
durf ik stellen.”
.
In een ander gedicht komt (wellicht) zijn bijzondere levensvisie naar voren.
.
Pensioen
.
“OK mensen, na zoveel jaar
slecht-gehumeurde types te hebben verdragen
met veel te veel pretentie
gekoppeld met gebrek aan gevoel, heb ik me
teruggetrokken.
Geen TV, mobieltje, of lap-top.
Als je me wilt zien, dan één voor één graag
en met bericht vooraf, tenminste twee dagen
tevoren,
zodat ik enkele voorzorgen kan treffen.
De hond heeft geen naam / maar des te meer
tanden.”
.
Paleidokopus is een mooi vormgegeven bundel waarin veel te genieten valt. Meer informatie over het werk van Drager Meurtant vind je op https://meurtant.exto.org.
Elektron, Muon, Tau
Maria van Daalen
.
In 1989 debuteerde dichter Maria van Daalen met de bundel ‘Raveslag’ bij uitgeverij Querido. Deze bundel viel toen op door zijn mystieke toon en werd het jaar daarop genomineerd voor de C. Buddingh’ prijs. In de jaren hierna volgden nog 8 dichtbundels waaronder een Engelstalige bundel.
Van Daalen was drie jaar lang (1992 t/m 1994) redacteur van De Revisor en was later lid van de redactieraad van Dietsche Warande & Belfort. Zij publiceerde regelmatig verhalen en gedichten in DWB, Awater, De Revisor, Lust & Gratie, Parmentier, Tzum en andere literaire tijdschriften.Haar Amerikaans-Engelse werk verscheen in buitenlandse tijdschriften (The Southern Review/LSU, AGNI/Boston University, etc.). Van haar werk bestaan vertalingen in het Italiaans, Engels, Frans, Duits, Fries, Fins, Bosnisch, Bahasa Indonesia, Farsi. Bekendheid kreeg zij ook als organisator, bij ‘Winterschrift’ (Groningen) en bij ‘De Langste Dag’ (2010).
Uit haar erotische bundel ‘Elektron, Muon, Tau’ uit 2003 hier het sonnet ‘Margo Timmins’.
.
Margo Timmins
.
de zangeres van Cowboy Junkies
tijdens een concert in Paradiso op 15 november 2001
.
de hand die ze om de microfoonstandaard vouwt
de andere hand bij de eerste tonen
losjes zoals ze in haar stem gaan wonen
zichzelf zuiver aan haar lichaam toevertrouwt
.
de stilte opzoekt wacht in een klank beschouwt
de diepte van het interval met lome
gebaren door het dal het licht intomen
legt ze mij uit dat en hoe ik van hem houd
.
die elk woord geluidloos meezingt en geniet.
Tranen glanzen in zijn vermoeide ogen.
Hij wiegt zich zoals zij zelf op haar muziek.
.
Kunst is niet om te troosten, dat is tragiek.
Bloeiende woorden zegt ze, volgezogen
groeit vanuit de wortel van de pijn het lied.
.
Lady Madonna
The Beatles
.
Heel eerlijk gezegd ben ik geen groot fan van de Beatles ook al zing ik, net als zoveel mensen denk ik, al hun liedjes woordelijk mee. Ik hou wel erg van het werk en de nummers van George Harrison, dat dan weer wel. Afgelopen week vond ik bij de afgeschreven boeken in de bibliotheek van Manheimm echter het boekje ‘The Beatles Songbook’ Deutsche Ausgabe uit 1971 met daarin 100 teksten van Beatles nummers in het Engels en vertaald in het Duits. Daarnaast staan er in dit fijne vintage boekje hele fraaie illustraties van onder andere Tomi Ungerer, Alan Aldridge en James March. Het aardige van dit boekje is dat je de tekst van heel bekende liedjes nu ook zonder de muziek kunt lezen waardoor de inhoud beter binnen komt.
Uiteraard staan er teksten in van vooral John Lennon en Paul McCartney maar er is ook ruimte voor George Harrison en zelfs Ringo Starr. Lezend in de liedteksten kwam ik bij het nummer Lady Madonna. En hoewel dit op het eerste gezicht, of gehoor eigenlijk, een vrolijk nummer lijkt heeft het wel degelijk ook een inhoudelijke boodschap.
Een foto en het concept van de Maagd Maria met haar kind op de arm, deed Paul McCartney denken aan de hardwerkende vrouw. De moeder die zeven dagen per week klaarstaat voor haar kinderen en zich afvraagt hoe ze de eindjes aan elkaar moet knopen. Met John Lennon ging hij begin 1968 voor de tekst zitten en probeerde hij zich te verplaatsen in zo’n vrouw. Samen met John, schetste Paul de luisteraar in de tekst hoe de werkweek van deze Lady Madonna er uit zou zien. Over de dinsdagmiddag waar maar geen eind aan komt, de papieren die er op woensdagochtend nog niet zijn en de sokken die op donderdagavond nog gestopt moeten worden. Een leven vol zorgen. Later ontdekte McCartney dat hij alle dagen van week beschreven had, maar de zaterdag vergeten was. “Ze was vast een zaterdagavondje stappen”, grapte hij daarover.
.
Lady Madonna
.
Wonder how you manage to make ends meet
Who finds the money when you pay the rent?
Did you think that money was heaven sent?
Sunday morning creeping like a nun
Monday’s child has learned to tie his bootlace
See how they run
Wonders how you manage to feed the rest
Listen to the music playing in your head
Wednesday morning papers didn’t come
Thursday night your stockings needed mending
See how they run
Wonder how you manage to make ends meet
Geheim
Heinrich Heine
.
In 1988 verscheen in de Tweede ronde reeks 5 de bundel ‘Denk ik aan Duitsland in de nacht’bij uitgeverij Bert Bakker. In deze bundel gedichten van de Duitse dichter Heinrich Heine (1797 -1856).
Heinrich Heine was van Joodse afkomst. Hij werd geboren als Harry Heine, maar liet zich in 1825 Luthers dopen onder de naam Heinrich Heine. Een meer innerlijke band met het geloof kreeg hij echter pas toen hij aan het eind van zijn leven verlamd op zijn ziekbed in Parijs lag, waar hij sinds 1831 in zelfgekozen ballingschap woonde. Hij ligt begraven op de begraafplaats van Montmartre.
Heine behoorde tot de Romantiek en maakte vele ironische en spitsvondige gedichten die ook tegenwoordig nog mensen aanspreken. Innerlijk was Heine een tegenstrijdig mens, enerzijds voelde hij zich Duitser, anderzijds wereldburger; dezelfde soort dubbele gevoelens had hij ook ten aanzien van het jodendom en de romantiek.
In de bundel met gedichten van Heine die zijn vertaald door Marko Fondse en Peter Verstegen, staan gedichten uit zijn beroemde bundel ‘Buch der Lieder’ maar ook uit ‘Neue Gedichte’, ‘Romanzero’ en ‘Letzte Gedichte’. Ik koos voor het gedicht ‘Geheimnis’ of ‘Geheim’ uit ‘Neue Gedichte’ uit 1844.
.
Geheim
.
Wij zuchten niet, droog zijn de ogen,
Een glimlach vaak en zelfs een lach!
In niet één blik of ander teken
Komt het geheim ooit aan de dag.
.
’t Geheim dat met woordloos lijden
In ’t diepste van de ziel verbloedt;
Krampachtig blijft de mond gesloten,
Al schreeuwt het in het wild gemoed.
.
Vraag het de zuigling in zijn wiegje,
Vraag het de doden in het graf,
Misschien dat zij je wel verraden
Wat ik je nooit te kennen gaf.
.
Geheimnis
Wir seufzen nicht, das Aug’ ist trocken,
Wir lächeln oft, wir lachen gar!
In keinem Blick, in keiner Miene,
Wird das Geheimnis offenbar.
Mit seinen stummen Qualen hegt es
In unsrer Seele blut’gem Grund;
Wird es auch laut im wilden Herzen,
Krampfhaft verschlossen bleibt der Mund.
Frag du den Säugling in der Wiege,
Frag du die Toten in dem Grab,
Vielleicht daß diese dir entdecken,
Was ich dir stets verschwiegen hab.
.



















