Site-archief

Sterrenstof

Daniëlle Zawadi

.

In 2017 was ik gevraagd in de jury van de voorronde van de Kunstbende onderdeel Taal. Samen met M. en Alexander Franken verkozen wij destijds unaniem Daniëlle Zawadi om haar expressieve en krachtige optreden, haar volwassen onderwerpen en haar timing. Alle reden om haar dat jaar op het Zomerpodium van poëziestichting Ongehoord! te vragen waar ze een prachtige voordracht liet horen.

Ik was dan ook plezierig verrast toen ik haar naam tegenkwam in de bundel ‘Queer  & Feminst Poetry Anthology’ unwanted words, een compilatie van gedichten geschreven door een selectie van 50 dichters en kunstenaars uit Nederland, uit 2021.

Zawadi (1999) schrijft inmiddels proza en treedt op met Spoken Word. Haar teksten gaan veelal over wat het betekent om jong te zijn in Nederland als iemand van de tweede generatie geboren in de Democratische Republiek Congo maar opgegroeid in Nederland.

Ze heeft op verschillende literaire platforms gepubliceerd en debuteerde op haar 12e met ‘Zoiets noemen we Ruzie’. In 2021 stond ze voor het eerst met haar one-woman show ‘Alstublieft, Zawadi’ in de theaters. Ze initieerde een platform voor woordkunst in Den Haag ‘Het Zwarte Schaap’. Ze was deelnemer van het letterenfonds ‘Slow Writing Lab’ en ze is coördinator van Poetry Circle 070.

Uit de bundel ‘Queer  & Feminst Poetry Anthology’ nam ik haar gedicht ‘Sterrenstof’.

.

Sterrenstof

.

We zitten in een zelfrijdende auto onder een donkerblauwe lucht.

Gele lantarenlampen zijn onze sterren. ik laat je jouw afspeellijst

draaien, maar je focust je op mij en ik op jou. We zoeven dwars door

het melkwegstelsel op zoek naar een ander leven dat ons beter zal

begrijpen. Wanneer we niets vinden dan hebben we alles bereikt.

Een universum gaat voor ons open. De wereld overnemen, laten

we achter aan onze kinderen. De zorgen gaan naar de derde, vierde

en zevende generaties. Wij zijn al lang dood. Wij kennen geen

gevoelens behalve de laatsten die we meemaakten. Wij zijn het stof

dat gesprenkeld is over het donkerblauwe. Wij nemen selfies vanaf

hierboven; hashtag tot morgen. Wij wachten hier, zoevend vanaf de

achterbank. Wij dromen hier.

.

Bloemkool in de bonus

Daniel Vis

.

Dichter en schrijver Daniel Vis (1988) stond al in 2014 op het podium van poëziestichting Ongehoord!, vlak na het verschijnen van zijn debuutbundel ‘Crowdsurfen op laag water’, de bundel waar hij als dichter mee debuteerde. In 2018 werd deze bundel gevolgd door ‘Insect Redux’ en in 2020 kwam de bundel ‘Het weefsel’ uit. Zijn laatste wapenfeit is een roman ‘Een woelend lichaam’ die in 2022 verscheen.

Daniel won het NK Poetry Slam, werd genomi­neerd voor de J.C. Bloem-prijs en ontving de Frans Vogel Poëzie­prijs. Zijn werk ver­scheen onder meer in Tirade en Het Liegend Konijn, en werd vertaald in het Frans, Spaans, Pools, Baskisch en Portu­gees. Hij treedt op in binnen- en buitenland.

Lezend in zijn debuutbundel kwam ik het gedicht ‘De bloemkool in de bonus’ tegen. In dit gedicht klinkt zoveel menselijk leed dat het, voor mij in ieder geval, heel grappig aandoet. In een artikel van de taalunie uit 2014 zegt Daniel hierover: “Er wordt vaak om mijn gedichten gelachen maar ik stop er nooit expres een grap in” en “Wat er staat betekent wat er staat. Er is me wel eens oppervlakkigheid verweten. Maar de betekenis zit bij mij niet in metaforen, hij zit onder de tekst.’ Daarom komt de woordkeus nauw, zegt hij. ‘Mijn gedichten moeten zijn als foto’s of filmscènes, de woorden moeten precies het beeld oproepen dat ik wil weergeven.”

.

De bloemkool in de bonus

.

tussen ons in wordt de bloemkool

langzaam koud.

we kijken ernaar.

.

‘er komt geen stoom meer af,’ zegt ze.

.

ik houd m’n hand erboven:

lauw.

.

in de metalen kromming van de pan

lijken onze gezichten vervormd.

.

de geur van bloemkool

wordt als ongezellig ervaren.

.

kook het nooit als je huis te koop staat.

.

we hebben bij de kringloop rummikub gekocht,

ieder een euro ingelegd.

.

het doosje stinkt.

de steentjes zitten in een oude washand.

de washand stinkt.

.

Gers

Elfie Tromp

.

In Rotterdam wordt het tijdschrift ‘Gers!’ uitgegeven. Een stadsglossy van en voor Rotterdammers. In #19 uit 2018, met als thema circulair en duurzaam Rotterdam, staat een uitgebreid vraaggesprek met dichter, schrijver, performer, columnist en theatermaker Elfie Tromp (1985). Elfie is in 2023 en 2024 stadsdichter van Rotterdam. Ik ken haar al lang, ze droeg voor op het podium van poëziestichting Ongehoord! en ze organiseerde naar aanleiding van het verschijnen van de derde editie van het tijdschrift STRAK, dat ze samen met Jerry Hormone oprichtte, een lanceerfeest waar ik een bijdrage aan mocht leveren. Ook stond Elfie met twee gedichten in MUGzine #4.

Maar nu lees ik dus een interview met haar in Gers! over hoe ze bewust probeert te leven, recycling, hommels, geveltuintjes en over wat zij vindt dat een levensmotto zou moeten zijn: Doe alles met aandacht. En het gaat over haar dichtbundel ‘Victorieverdriet’ (2018). Deze bundel schreef ze over haar liefdesverdriet maar zegt ze in het interview: “De bundel gaat over meer dan alleen liefde; het gaat ook over hoe waardig om te gaan met het noodlot en de kwetsbaarheid van het leven. Hoe je je uiteindelijk weer moet openstellen voor nieuwe liefde en daar altijd even kwetsbaar in blijft”.

In het gedicht ‘Een stad in een stad’ wordt dat gevoel verwoord. In het artikel staat alleen de laatste strofe opgeschreven. Ik heb het hele gedicht uit ‘Victorieverdriet’ overgenomen zodat je kunt lezen wat Elfie bedoelt.

.

Een stad in een stad

.

Thuis was ik burgemeester

hier zit ik op een fiets

trek tegelijkertijd langs de paden binnen in mij

in New Orleans ben ik een stad in een stad

goedheid wordt niet altijd beloond

van iemand houden met alles wat je hebt

is geen garantie

.

mijn handtekening was een kras geworden

ik verliet mezelf

.

fietsend in die pittige hitte

druipt teleurstelling uit mijn poriën

wegvegen heeft geen zin

er komt altijd meer

elke week klinkt het tornado-alarm

donderopera’s

heavymetalregen slaat neer

ik brokkel af

ik sloop

.

mijn stad beweegt altijd

niets is in steen gehouwen

.

onder het huis waar ik slaap klinkt gekwetter

buidelratbaby’s veilig in hun hol

buigend naar de planken

piep ik met alles wat ik heb

onder mij blijft het stil

.

New Orleans is fantastisch voor peddelaars

en naakte worstelaars

vingers verdwijnen diep ik konten

de winnaar tongt met de verliezer

de opgedofte toeschouwers juichen

.

laat die tieten vechten!

roept Moe Joe

haar lichaam pulseert

wordt een groot orgaan

zo verwerkt ze

die korrelige substantie

die voor leven moet doorgaan

Moe Joe vertelt me over de vier witte agenten te paard

ze werd getaserd op de maat van haar muziek

vier apparaten op haar blote huid

voltage voltage voltage voltage

.

dagenlang zat ze opgesloten

hoe durf ik

witte vrouw

mijn lichaam te vergelijken

met een stad vol giftige geschiedenis

van ongelijkheid en geweld?

.

verzet moet onze adem worden

staat in helderzwarte letters

op een bord in een gazon

activisme is hier alledaags

elk concert stilgelegd voor bezinning

elke muur beklad met mening

misschien ligt het aan jou

spot de supermarktmuur

.

een zwarte veteraan zwaait met een Confederation flag

om zijn militaire geschiedenis te eren

een witte moeder strikt een bonnet om het hoofd

van haar zwarte dochter

.

ze hebben de beelden neergehaald

je weet wel, van de drie generaals

Jefferson, Beauregard en Lee

ooit monumenten van trots en macht

nu symbolen van schande en schaamte

traditie is veilig

we willen iets vasthouden

in dit continue loslaten

.

ik denk aan de sokkels in mij

de beelden die ik daar opzette en vereerde

wogen op het laatst te zwaar

.

niets is in steen gehouwen

.

zelfs steen niet

tijd is een spier

die pijn en liefde beweegt

ik trap door

.

pulseren

verteren

worstelen

loslaten

schudden

dansen

veranderen

.

dat is de aard van de geschiedenis

.

 

 

Entre-acte

Johan van Nieuwenhuizen

.

Dichter Johan van Nieuwenhuizen (1926-2001) publiceerde in de Windroos, een poëziereeks in 1950 gestart door Ad den Besten, in 1956 de bundel ‘Credo van de waterman’.  Ik weet dit omdat in ‘van de morgen tot morgen’  een bloemlezing van moderne poëzie ten dienste van het onderwijs uit 1963, een gedicht uit dit bundeltje is opgenomen. Van Nieuwenhuizen was onder andere redacteur van de Haagse Cahiers en hij publiceerde een gedicht in de Dichters Omnibus, de 8ste bloemlezing uit 1962.

Ik schrijf er hier een stukje over omdat het gedicht dat is opgenomen ‘entre acte’ getiteld is. Entre’acte betekent ‘tussen de handelingen’. Het kan een pauze betekenen tussen twee delen van een toneelproductie, synoniem met een pauze(dit is tegenwoordig de meest voorkomende betekenis in het Frans), maar het duidt vaker (in het Engels) op een muziekstuk dat wordt uitgevoerd tussen de acts van een theaterproductie.

In de tijd dat poëziestichting Ongehoord! nog tweemaandelijks een podium organiseerde hadden we ook altijd een entre acte. Meestal was dit een singe-songwriter, een muzikant of een band. In het gedicht van Johan van Nieuwenhuizen is er sprake van een excuus aan Emily Dickinson onderaan het gedicht. Ik heb niet kunnen ontdekken of dit slaat op de titel van het gedicht of wellicht de inhoud, daarvoor ken ik het werk van Emily Dickinson niet goed genoeg. Desalniettemin is het een bijzonder gedicht.

.

entre-acte

.

op 1 been kun jij staan

je kunt er niet op lopen –

hoe wil je op 1 been

een 2e been gaan kopen?

.

2 ogen kunnen zien

met 1 oog kun je kijken –

met 1 oor hoor jij wel

maar kun je niet begrijpen.

.

1 woord is zonder zin

een 1/2 woord overbodig –

als men je wil verstaan

heb jij twee woorden nodig;

.

maar ik ben er op uit

mijn ziel er in te leggen

en dan mijn zaligheid

in 1 woord uit te zeggen.

.

met excuses aan Emily Dickinson

.

Menhir in Mexico

Jan Bervoets

.

In 2009 nam Joris Lenstra afscheid van  Ongehoord Rotterdam, een poëziepodium waar hij sinds 2006 in de organisatie zit. In 2007 wordt in de centrale bibliotheek van Rotterdam het eerste podium georganiseerd. De mensen die Ongehoord Rotterdam organiseerden waren naast Joris Lenstra, Hein van de Assem, Ton Huizer, Yvonne Koenderman en Frida Winklaar. In 2010, na het afscheid van Joris neemt een nieuw bestuur het over van deze club. Hein en Yvonne blijven, Corina Kappen en ikzelf treden toe.

Door de jaren heen heeft het podium van poëziestichting Ongehoord! vele goede en bijzondere dichters op haar podium mogen begroeten. Een selectie: Daniel Vis, Roel Weerheim, (Marieke) Lucas Rijneveld, Frans Terken, Daniël Dee, Elfie Tromp, Lotte Dodion, Gijs ter Haar, Alja Spaan, Els de Groen, Demi Baltus, Myrte Leffring, Joz Knoop, Meliza de Vries, Evy Van Eynde, Kira Wuck, Jana Beranová, Lies Jo Vandenhende, A.C.G Vianen, Judith Herzberg en natuurlijk de ons ontvallen Rieneke Minderman, Derrel Niemeijer en Wim den Hertog.

Hoewel de podia in de bibliotheek van Rotterdam inmiddels tot het verleden behoren, organiseert poëziestichting Ongehoord! nog steeds de Ongehoord! Poëziewedstrijd (twee jaarlijks) en worden er incidenteel podia georganiseerd in Maassluis, Den Haag en Rotterdam.

Toen Joris Lenstra in 2009 afscheid nam van Ongehoord Rotterdam verscheen een klein bundeltje met gedichten van dichters die ooit het podium betraden. Een van die dichters was Jan Bervoets (1942). Bervoets publiceerde vanaf de jaren ’80 in onder andere Maatstaf, De Revisor en De Gids. Van zijn hand is het gedicht ‘menhir in mexico’ opgenomen in de bloemlezing van Poëziepodium Ongehoord Rotterdam uit 2009.

.

menhir in mexico

.

verschrikkelijk zoals dit weer is voorspeld

met een saffieren mes

zijn ingewanden blootgelegd

en alle gieren vreten aan de wolken

.

welke tornado wil hier nog aarden

als zelfs de huizen onhandelbaar blijken

en er dagelijks doden vallen

in een ritmiese kadans

.

zoveel natuurgeweld lijkt wel retories

de geldigheidsduur van een ademtocht

is zevenmaal verzekerd

men staat in de rij voor het product

.

slechts een oude galsteen blijft nog achter

en wijst de laatkomers de weg

.

De bruid

Jan Prins

.
Op 2 november tijdens Allerzielen wordt al enige jaren het bijzondere poëzie-evenement Dichter bij de dood georganiseerd. Ik deed al mee als deelnemer en sinds een paar jaar organiseer ik namens poëziestichting Ongehoord! dit mooie evenement mee. Elk jaar adopteren een aantal dichters een van de bekende Nederlandse dichters, schrijvers of kunstenaars die begraven liggen op de begraafplaats Oud Eik en Duinen in Den Haag.

Op de avond van 2 november nemen de dichters plaats langs een, middels fakkels, afgezette route. De bezoekers van de begraafplaats kunnen bij de dichters langs lopen waar ze het gedicht, speciaal voor deze avond geschreven, ten gehore brengen. Ook ik doe dit jaar mee met een gedicht geschreven op een van de dichters die begraven liggen op Oud Eik en Duinen, Jan Prins (1876-1948) pseudoniem van C.L. Schepp. Prins werd geboren in Rotterdam en overleed in Naarden maar ligt dus begraven in Den Haag.

Prins was dichter en vertaler.  In 1903 debuteerde hij in het tijdschrift ‘De XXste eeuw’. Zijn eerste poëziebundel ‘Tochten’ verscheen acht jaar later, in 1911. Daarin staat zijn bekendste gedicht, ‘De bruid’. In dit gedicht wordt Nederland (Holland) allegorisch vergeleken met een bruid, waarbij de lentezon de bruidegom is. De laatste twee strofen zijn in de twintigste eeuw aan generaties Nederlanders op school bijgebracht: De bruigom is de lentezon / En Holland is de bruid.

.

De bruid
.
De lucht, over de jonge dag,
Was helderder dan ooit.
Iets ongewoon-verblijdends lag
In weide en veld gestrooid.
De torenklok zong, wat ze kon,
De vlaggen staken uit:
De bruigom was de lentezon
En Holland was de bruid.
.
Ze was des morgens opgestaan,
Een ranke, frisse meid.
Ze deed haar gazen sluier aan
van dunne dauwigheid.
Ze stak zich van de perenboom
De bloesem in het haar,
Die witter dan een winterdroom
Is, – wonder, wonderbaar.
.
Ze deed een gladde gordel om
Van zilverig allooi,
Van zuivre waterglans, – wat glom
Die ronde gordel mooi!
Toen hechtte ze als een donzen vacht
Aan haar satijnen kleed
De schuimrand die de zee haar bracht.
Toen was de bruid gereed.
.
Een ooievaar trad op de deel,
Gewichtig, met zijn stok.
De merel was in zwart fluweel,
De zwaluw kwam in rok.
Toen keken, daar ’t zó prachtig was
– En Holland is de bruid, –
De madeliefjes in het gras
Haar gouden oogjes uit.
.
De bruigom is een edel man,
De bruid is jong en sterk.
Daar komen schone kinders van
En blijdschap bij het werk.
De bruid, – waar zag men weker leest,
Een vriendelijker mond, –
De bruid, – die maakten zeewind meest
En ruimte zo gezond.
.
Nu komt ze met haar lief gezicht
De bruigom tegemoet.
Wat is de hemel wijd, – en licht,
Wat is het leven goed!
De wereld is een wonderbron
Van telkens nieuw geluid.
De bruigom is de lentezon
En Holland is de bruid.
.

Het zomernummer

MUGzine # 18

.

In de zomer nemen wij van MUGzine altijd even wat tijd voor onszelf maar zeker ook voor onze lezers. Een klein beetje later dan we gepland hadden (vakantie periode) komt komende week nummer 18 uit.

Als je het Nederlandse dichterslandschap bekijkt zou je zonder enige overdrijving Rotterdam als hoofdstad van dit landschap kunnen benoemen. Al jaren heeft Rotterdam een stadsdichter van niveau (een paar van hen, Anne Vegter en Ester Naomi Perquin, werden benoemd tot dichter des vaderlands), het grootste poëziefestival van ons land, Poetry International, is in Rotterdam sinds 1970, er is een Poetry Circle 010 en er zijn door de stad heen verschillende poëziepodia en festivals. Maar ook poëzie stichtingen als De zoek naar schittering ( o.a. bruggedichten), de Poëziebus, stichting Het Park en poëziestichting Ongehoord! alsmede poëzietijdschrift Awater hebben hun roots in Rotterdam. En vergeet burgemeester Aboutaleb niet die dichtbundels samenstelde.

Daarom dit keer een nummer met louter Rotterdamse dichters ( 6 maar liefs) én een illustrator/kunstenaar uit Limburg. Hester Knibbe, Hans Wap, Daniël Dee, Myrte Leffring, Amber Rahantoknam en Peter Swanborn zorgden voor de poëtische bijdragen en kunstenaar Andries Hoogenraad is verantwoordelijk voor de illustraties. Natuurlijk een voorwoord van onze redactiefilosoof Marianne, een gloednieuwe Luule en de vormgeving is als altijd van Bart van BRRT.Graphic.Design.

MUGzine heeft een aantal nieuwe ideeën en verrassingen in petto en we zullen die in de loop van het najaar bekend gaan maken. Maar eerst dus het zomernummer van 2023. Donateur worden en een jaar lang elke editie op papier via de post ontvangen? Ga dan naar onze website en ontvang meteen een eerste cadeautje.

Om je alvast een voorproefje te geven hier een gedicht van Hester Knibbe dat niet in de nieuwe MUG staat getiteld ‘café-restaurant ‘la Rotonde” uit De Tweede Ronde, jaargang 12 uit 1991.

.

café-restaurant ‘la Rotonde’

.

de deur is dicht en dood, de oo’s
zijn weggevaagd uit het ‘Rotonde’
een stoel vervangt de zonnewijzer
.
ze wijst de tijd aan op het pleister
en past oneindig in dit ronde
verslijten en versleten worden
.
– stilaan raakt alles uitgehongerd
.
behalve dan de vrouwen wat terzijde,
zij scheppen thuis het eten op de borden
.
en of ze eeuwig zijn, vergeten wonder,
vertellen ze elkaar de nieuwste roddels
op deze foto – onderdeel van een seconde
.
.

 

 

Vindersloon

Monica Boschman

.

Van dichter, schrijver en schrijfdocent Monica Boschman (1965) is bij uitgeverij U2pi de bundel ‘Vindersloon’ verschenen. Eerder publiceerde Monica de bundels ‘Nieuwe wegen voor Mariken’ in 2019 en ‘Zeerslag’ in 2018. Haar gedichten waren te lezen in het tijdschrift DICHTER, in MUGzine nummer 14 en in bloemlezingen. Daarnaast ken ik Monica van haar deelname aan de Gedichtenwedstrijd van poëziestichting ongehoord! waar ze tweemaal derde werd, in 2020 en in 2022.

Maar nu dus haar derde dichtbundel ‘Vindersloon’. Een mooie uitgave met 7 hoofdstukken. Lezende in haar bundel valt me haar taalgebruik op; helder en duidelijk, geen grote woorden of stijlfiguren maar poëzie in een taal die iedereen kan lezen en begrijpen. Poëtisch taal, dat zeker. Veelal vanuit de ik persoon geschreven lijken dit persoonlijke gedichten maar nergens is het sentimenteel of verwordt het tot getuigenispoëzie, het is alsof de dichter vanuit een helicopter-perspectief naar de eigen ik kijkt en daarvan verslag doet.

Ik heb geprobeerd een lijn te vinden in deze bundel maar die is er niet echt volgens mij. En dat hoeft ook helemaal niet vind ik. Tegenwoordig lijkt het alsof poëziebundels één geheel moeten zijn, met een thema dat door de hele bundel wordt uitgewerkt. En dan nog het liefste in hele lange proza-achtige gedichten. Ik ben niet van die school en Monica Boschman ook niet. Haar gedichten staan op zichzelf en beslaan nooit meer dan een pagina.

Toch is er wel iets te zeggen over de indeling en de verschillende hoofdstukken. De bundel begint met het gedicht ‘Kijk’ en dat gedicht staat op zichzelf alsof de dichter duidelijk wil maken dat dat precies is wat je moet doen, kijken. Ik lees in dit gedicht ook een kijk op het dichterschap. ‘Er zijn er met het hoofd omhoog, de ogen gericht op boven’ en in de tweede strofe ‘Er zijn er met het hoofd recht, ze leven op ooghoogte / daar waar ze bij kunnen’. In de derde strofe: ‘Er zijn er met het hoofd naar beneden, hun nekbotjes / nemen een gebogen vorm aan, de blik volgt’ en in de vierde strofe ‘Er zijn er die voortdurend omkijken. Er zijn er / met het hoofd ver voor het lichaam uit’.

Ik denk dat Monica met dit gedicht haar bundel heeft samengevat. Er zijn vele manieren om poëzie te schrijven, met het hoofd in de wolken, in het hier en nu, te neer geslagen of met een vooruitziende blik. In deze bundel komen deze vier typen van poëzie schrijven voor.

Dan de hoofdstukken. Het eerste hoofdstuk ‘Waar jij net liep, loop ik’ beweegt en ontmoet de dichter. Of het nu de ontmoeting is uit het openingsgedicht van dit hoofdstuk, de schommel in de lucht, de schemer onbemand op doortocht of de menigte die inhaakt en van links naar rechts meedeint in de feestzaal, alles beweegt in dit hoofdstuk en de taal beweegt mee. Tot aan de dichter zelf in het gedicht ‘Etude’ waar ze schrijft ‘Mijn mond geeft adem’.

In het tweede hoofdstuk ‘Zilver van berkenbos’ krijgen de vogels en de bomen menselijke trekjes; het bos is zelfs boos of ‘hing te drogen met knijpers aan een lijn in de klas’. Maar ook een zwerfkei laat weten ‘Het donkert  onder mij / dicht van aarde.’ In het derde hoofdstuk ‘De boeggolf en het uitdeinen’ speelt de water dan weer de hoofdrol (de zee, een rivier, een bron) maar niet zozeer het water zelf als wel alles wat er zich afspeelt op en rond het water.

In het vierde hoofdstuk ‘Het uitblijven van antwoorden’ gaan de gedichten over het leven, het bloeien, een hogere macht. Wat is er te verwachten van het leven, hoe zal het verlopen, Maslov komt langs en eigenlijk geeft de dichter zelf in het gedicht ‘Hoeveel, wanneer en waar’ het antwoord; ‘Je moet een verhaal hebben of maken’ en dat is wat ze doet. Het vijfde hoofdstuk ‘Alvast wat knoopjes los’ laat zich makkelijker duiden. Hier lees ik het verloop van een liefde, een geschiedenis met een angst  ‘niet meer worden aangeraakt’ die overgaat in het ‘meeslepen van het verleden’ naar ‘Nu veeg ik jouw adem van mijn huid’.

In het hoofdstuk ‘Een taaie in de ring’ is daar de vader die aan Alzheimer leidt, naar woorden en dingen zoekt, tot aan zijn overlijden. In dit hoofdstuk het gedicht ‘Hij leeft zijn moeder na’ waarin de titel van deze bundel op zijn plaats valt. Tot slot het laatste hoofdstuk ‘Naar onbekende streken’  waar een aantal thema’s opnieuw aan de orde komen. Waarmee de cirkel rond is, waarmee de gedichten in deze bundel allemaal een plek kunnen krijgen in de kijk op het dichterschap uit het openingsgedicht. Van dromen naar kijken, naar  verduren en tot slot met het hoofd ver voor het lichaam uit de wereld tot je nemen.

De taal van Monica Boschman is prettig leesbaar, haar thema’s herkenbaar en met deze bundel geeft ze een kijkje in haar persoonlijk en gevoelsleven waar je na lezing met gemengde gevoelens aan terugdenkt en waar je, gedichten uit terug wil lezen. Los van de context, om te kunnen bekijken waar je je als lezer bevindt, waar je zelf met je hoofd beweegt, omhoog, recht vooruit, naar beneden of vooruit gestoken.

Om je nieuwsgierigheid een beetje te kietelen hier het gedicht waar de bundel zijn titel aan ontleent.

.

Hij leeft zijn moeder na

.

al zijn de namen anders, van het huis

en van de mensen. Hij onthoudt zich

van onthouden en ook weten

.

is al ver gewist. Mijn naam geeft stem

aan wat vergeten is, waarbij herhalen

elke bodem mist.

.

We delen het vindersloon

wanneer een liedje zijn ogen kent

of een lepel zijn hand beweegt.

.

Op vleugelvoeten gaan we

door gangen. We weten

de helft van de weg.

.

Dichter bij de dood en Louis Couperus

Bijeenkomst op Oud Eik en Duinen

.

Afgelopen zondag was er op begraafplaats Oud Eik en Duinen een zeer goed bezochte bijeenkomst in het kader van de activiteiten rondom het Louis Couperusjaar in combinatie met Dichter bij de dood / Poëziestichting Ongehoord! in Den Haag. Dit jaar is het 100 jaar geleden dat Louis Couperus overleed (afgelopen zondag 16 juli exact 100 jaar geleden).  Dichters die meedoen aan Dichter bij de dood, een dichtersavond op 2 november Allerzielen op de begraafplaats, brachten een ode aan de oude meester, schrijver en dichter.

Naast deze dichters was ook Simon Mulder aanwezig, dichter, lid van Feest der poëzie en voorzitter van het Louis Couperus Genootschap. Op de Facebookpagina van Dichter bij de dood kun je de voordracht van Simon Mulder zien en beluisteren bij het graf van Couperus. Een van de dichters, Karen de Boer, schreef een sonnet over Louis Couperus, dat ook in de bundel ‘Dicht eens een Couperus’ werd opgenomen, getiteld ‘De zee’.

.

De zee

.

Wat hield jij van de Méditerranée..

Zoals jij schreef: jij dwaalde langs haar zomen,

waar jouw verhalen tot jou konden komen

je vagebondverlangen droeg je mee.

.

Het zuiden bracht jou steeds een nieuw idee

ofg het nu was in Napels, Nice of Rome.

Jouw avonturen zag jij in je dromen

als jij terug was bij de Haagse zee.

.

Zo hoog vloog gisteren een zwaluwvlucht

in ’t blauw waarin de verre wolken zweven.

Een zomerwind waait over deze graven.

.

Vanavond kleurt oranjerood de lucht.

Daar waar jij niet was voelde jij het leven,

maar hier kwam jij tot rust, in deze haven

.

 

Aanzegging

Peter WJ Brouwer

.

In 2016 verscheen de dichtbundel ‘Brief aan wie niet bestaat’ van Peter WJ Brouwer bij uitgeverij In de Knipscheer. In de inleiding staat over de gedichten van Brouwer: “In deze gedichten draait het om de paradox van het ongrijpbare: het vieren ervan, het tonen en verhullen, het aan-uit, zijn steeds terugkerende tegenstellingen die Brouwers werk eigen maken. In ‘Brief aan wie niet bestaat’ wordt het ongrijpbare tastbaar. Maar we hoeven ,maar met onze ogen te knipperen, en het zou zo weer kunnen verdwijnen”.

In inleidingen, voorwoorden en achterflappen wordt vaak wollige taal gebruikt om dichtbundels aan te prijzen, en zo kun je hier ook naar kijken maar in dit geval zit er wel degelijk een kern van waarheid in deze zinnen. Voor wie de diepere betekenis achter deze zinnen beter wil leren begrijpen kan ik de recensie van Levity Peters op meandermagazine.net aanraden.

Ik ken Peter WJ Brouwer  (van voordrachten bij poëziestichting Ongehoord!) waar hij als solo voordroeg en waar hij samen met Michael Abspoel delen van hun theaterprogramma rond Jacques Brel bracht. Toen deelde ik het gedicht ‘In mijn gedicht’, dit keer wil ik het gedicht ‘Aanzegging’ delen.

.

Aanzegging

.

Er wordt aangebeld, je ouders doen nog open
laat licht glimt op hun gezichten

.

een jongeman wordt binnengehaald,
hij groet sonoor, wendt zich tot jou:

.

ik ben de benjamin, je jongste broer

.

hij doet of hij thuis is, je vader geeft hem jouw stoel
je toont hem alles en haast je nog meer te zoeken
heb je een broer?
hij houdt een boek onder zijn arm en kijkt je spottend aan
hij zegt: je bent te laat, ik heb jou al geschreven

.

‘s ochtends aan het open raam glipt de schemer
weg met de kat

.

maar hem raak je niet kwijt die dag

.

een lege plek groeit door onder je huid
wat hij jou ontfutselde is wat hij je bracht

.