Site-archief
Bondgenoten
Jean Pierre Rawie
.
Na enige tijd geen bundels ‘blind gepakt’ te hebben uit mijn boekenkast heb ik vandaag deze aardige gewoonte weer opgepakt. Voor een van mijn boekenkasten gaan staan en met mijn ogen dicht het lot laten beslissen uit welke bundel ik een gedicht ga delen.
In dit geval was dat de bundel ‘Geleende tijd‘ uit 2000 van Jean Pierre Rawie (1951). Op een willekeurige bladzijde de bundel geopend en daar op pagina 21 staat het gedicht ‘Bondgenoten’.
.
Bondgenoten
.
Wij hebben langs gescheiden wegen
steeds onze eigen weg gezocht;
thans, aan het einde van de tocht,
komen wij eerst elkander tegen.
.
Pas bij het ronden van de bocht,
de tegenstellingen ontstegen,
blijkt op hetzelfde vlak gelegen
wat ieder voor zichzelf bevocht.
.
En nu de meeste zekerheden
geleidelijk zijn zoekgeraakt,
deelt zich onopgesmukt en naakt
de laatste waarheid aan ons mede:
.
Het is slechts dit gedeeld verleden
wat ons tot bondgenoten maakt.
.
Vanzelfsprekend
Kees Stip
.
Jarenlang heb ik opgekeken tegen dichters die zich hadden gespecialiseerd in het sonnet, de veertien-regelige versvorm die al zo lang bestaat. Tot ik er me zelf er een keer aan waagde wat resulteerde in dit kerstgedicht uit 2016. Volgens sommige bronnen is deze versvorm al 800 jaar oud en ontstond ze in de 13e eeuw in Italië. De naam sonnet komt van het Italiaanse woord ‘sonetto’ wat liedje betekent. De ‘uitvinder’ of bedenker van het sonnet is naar alle waarschijnlijkheid de dichter Giacomo da Lentini (ca. 1210- ca. 1260). En de beroemdste sonnettenschrijver is waarschijnlijk William Shakespeare die zijn eigen stijl ontwikkelde.
In 2021 verscheen bij uitgeverij Gianni de bundel ‘Vanzelfsprekend’. In deze bundel staan vijftig sonnetten van Nederlandse en buitenlande dichters, onder wie Borges, Lucebert, Nabokov, Rilke en Vestdijk, waarin de betrokkenheid bij het sonnet zelf centraal staat, met achterin geïllustreerde dichtersprofielen. Zo ook van Kees Stip (1913-2001). Van hem is het gedicht ‘De axolotl’ opgenomen. Het gedicht komt uit ‘Stip’ puntgaaf uit 2022.
.
De axolotl
.
Dat een sonnet waarin mijn axolotl
het rijmwoord aanreikt vroeg of laat een feit
zou worden volgt uit mijn genegenheid,
zo vast als uit de roos van een rozebotl.
.
Driemaal op -otl rijmen lijkt bespotl-
ijk. Dat ik afbreek en de e vermijd,
wie doet me wat. Maar moeilijk blijft altijd
het vinden van een sluitwoord op de slot-l.
.
Dat waren de kwatrijnen. De terzinen
zijn strofen die een ander rijm verdienen,
op eik of beuk of berk of op plataan.
.
Mijn axolotl kijkt mij dankbaar aan
en denkt: ‘Nu maak ik zelf ‘(het is besmetl-
ijk) ‘ook iets op Popocatepetl.’
.
Voor jou en jou alleen
Sonnet 121
.
Er zijn maar relatief weinig dichters die een eeuwigheidswaarde hebben, die ver na hun dood nog worden gelezen. William Shakespeare (1564-1616) is zeker één van hen en misschien wel de bekendste en beroemdste. Zo bekend en beroemd in ieder geval dat er weer een nieuwe uitgave is van zijn sonnetten. Waar in 1999 nog een Rainbow Pocket ‘Mijn liefde is een koorts’ verscheen met zijn sonnetten in het Engels en in een Nederlandse vertaling van Peter Verstegen, is er nu een nieuwe uitgave van alle 154 sonnetten vertaald door schrijver en acteur Frans van Deursen getiteld ‘Voor jou en jou alleen’ Shakespeare de sonnetten.
Toen hem werd gevraagd vijf van Shakespeares sonnetten voor te lezen tijdens een sonnettenmarathon, ging hij op zoek naar vertalingen die voor voordracht geschikt zijn, maar vond die niet. Dus ging hij zelf aan de slag als vertaler. Met respect voor vorm en inhoud van het origineel (dus met in achtneming van de regels van het sonnet wat betreft metrum en rijm) maakt hij de sonnetten toegankelijk voor iedereen.
De uitgever van ‘Voor jou en jou alleen’ spreekt in ronkende woorden van een fonkelnieuwe, frisse, brutale, verrassend begrijpelijke en heerlijk leesbare vertaling van deze beroemde liefdespoëzie. Of dit allemaal waar is laat ik graag aan de lezer over al ben ik geneigd een stuk mee te gaan in deze omschrijving. Hier een voorbeeld van sonnet 121.
.
121
.
Een mens kan beter fout zijn dan correct
want zelfs wie goed is krijgt met pek en veren
en moet, bang voor de indruk die hij wekt
ook nog de lol die ondeugd schenkt ontberen.
Hoe durft het overspelige sujet
mij te berispen om mijn stoeise bloed?
En waarom zondaars op mijn zaak gezet?
Wat zij als zonde zien noem ik juist goed!
Nee, ik ben die ik ben, en zij die ‘deugen’
verwarren mijn vergrijp met eigen kwaad.
Ben ik de waarheid en zijn zij de leugen?
Beoordeel mij niet naar hun ranse praat!
Tenzij u dit adagium aanvaardt:
de mensheid is tot op het bot ontaard.
.
Stadsontwikkeling
Daan de Ligt
.
De Haagse dichter Daan de Ligt (1953-2016) begon op relatief late leeftijd te schrijven, hij maakte in zijn gedichten gebruik van vaste versvormen als de sonnet. Ter gelegenheid van zijn vijftigste verjaardag gaf hij in eigen beheer de bundel ‘Vijftig’ uit, waarin ook een aantal Haagse stadsgezichten was opgenomen. Deze stadsgezichten maakten zo’n indruk op de redactie van de Haagsche Courant (later AD Haagsche Courant), dat De Ligt gevraagd werd om als stadsdichter voor de krant nog vijfentwintig stadsgezichten te schrijven. Dit werden er tussen 2003 en 2010 uiteindelijk 250.
Veel van deze gedichten spelen zich dan ook af in Den Haag. In 2009 verscheen zijn bundel ‘Oude nozem’ zijn vijfde dichtbundel (er zouden er nog drie volgen). De poëzie is het best te definiëren als light verse maar in ‘Oude nozems’ wilde De Ligt zijn andere wat meer serieuze kant belichten. Bladerend in de bundel stuitte ik op het gedicht ‘Stadsontwikkeling’ dat eigenlijk nog steeds, of alweer, heel actueel is. Met de grote vraag naar huizen worden allerlei stukjes grond in de stad die braak liggen of die nog wat natuur bevatten, opgeofferd aan deze vraag.
.
Stadsontwikkeling
.
dit is een prachtig bos, haast ongerept
met vogels, vlinders en volwassen bomen
de schoonheid naar een eeuwenoud recept
hier kunnen minstens vijftig villa’s komen
dat duingebied, de onschuld niet verloren
nog rusteloos, zoals het altijd was
met stuivend zand en vrolijk wuivend gras
de ideale bouwplaats voor kantoren
dat landgoed, nog zo groen, verstild en puur
met rozentuin en perken vol margrieten
een lustoord waar de stadsmens kan genieten
ik denk aan hoge flats (te koop, te huur)
natuur is wreed, de sterksten zullen groeien
ik vegeteer op staal, beton en steen
en woeker mij door al het leven heen
als alles is gestorven, zal ik bloeien
.
La petite robe noir
Jean Berteault
.
Terug uit Frankrijk kan ik natuurlijk niet om een frans gedicht heen. In een Emmaus kringloopwinkel kwam ik bij de poëziesectie een grappig gedichtenbundeltje tegen getiteld ‘La petit robe noir’ uit 2017 van ene Jean Berteault. Ik nam het bundeltje van de plank door de kaft van de bundel. Een vrolijk makende tekening van een jongedame in een klein zwart jurkje, waarvan ik inmiddels al lang weet dat elke vrouw daar een van in haar kledingkast moet hebben hangen.
Jean Berteault (1932-2023) was een Franse dichter uit het departement Eure-et-Loir. Jean Dutourd, Franse schrijver en lid van de Académie française schreef aan Berteault: “Ik was gecharmeerd van je kleine verzameling gedichten. Waar ze vooral in zijn geslaagd is hun mix van tederheid en humor, waardoor je tot kleine perfecties komt die doen denken aan Toulet en Levet . Léon-Paul Fargue (dichter) zou betoverd zijn geweest door jouw verzameling”.
Ik heb het titelgedicht (of toch bijna het titelgedicht) ‘Ta petit robe noir’, een sonnet, met behulp van een vertaalprogramma vertaald (mijn Frans is helaas erg uhh ‘roestig’) en dit heb ik er van gemaakt. Voor de Francofielen onder ons heb ik ook de originele tekst bijgevoegd. Dies irae betekent overigens de dag des oordeels.
.
Jouw kleine zwarte jurk
.
Jouw kleine zwarte jurk
zal die van mijn verdriet zijn
en de titel van mijn bundel
om als herinnering te dienen.
.
Want wanneer ik zal vertrekken,
Wat niet snel zal gebeuren,
zal jouw blik, die me verlicht
op het moment van Dies irae
.
Doven, en een traan,
Op mijn graf, aan de voet van de haagbeuk,
waar ik voor altijd rust,
.
Stromen, snel uitgewist,
Wanneer de herinnering zal glimlachen,
over de goede tijden van onze liefde.
.
Ta petit robe noir
.
Ta petit robe noir
Sera celle de mon dieul
Et la titre de mon recueil
pour servire a ma mémoire.
.
Car lorsque je partirai,
Ce n’ est pas demain la veille,
Ton regard qui m’ensoleille
A l’istantde Dies irae
.
S’eteindra, et une larme,
Sur ma tombe, au pied du charme,
ou je repose pour toujours,
.
Coulera, vite effacée,
Quand sourira la pensée
Du bon temps de nos amours.
.
10 dingen die ik van je haat
Poëzie in film
.
’10 Things I Hate About You’ is een Amerikaanse film uit 1999 van Gil Junger. De film is gebaseerd op het toneelstuk ‘The Taming of the Shrew’ van William Shakespeare. De hoofdrollen worden gespeeld door Julia Stiles en Heath Ledger. Een klassiek tiener liefdesverhaal dus. De reden dat ik over deze film hier schrijf (behalve dat ik het een leuke en aangename film vond om naar te kijken) is dat in de film, door Julia Stiles een gedicht wordt voorgelezen (voor Heath Ledger) dat is gebaseerd op het thema van ‘The Taming of the Shrew’.
En zoals bekend mag zijn inmiddels bij de regelmatige lezer van dit blog, is elke aanleiding (een gedicht of dichter) er een om over te schrijven. Het gedicht dat Julia (Kat in de film) voorleest is haar interpretatie van ‘Sonnet 141’ van Shakespeare. Er is zelfs een internetpagina over een activiteit van Shakespearetheatre.org waar, naar aanleiding van de interpretatie van dit sonnet in de film, mensen gevraagd is hun eigen interpretatie te schrijven wat tot een aantal zeer vermakelijke gedichten heeft geleid. Het aardige aan het gedicht is natuurlijk dat, hoewel de titel anders doet vermoeden, dit een liefdesgedicht is waarin de dichter een omkering gebruikt om haar punt te maken.
Hieronder eerst het gedicht zoals in de film wordt uitgesproken door Julia Stiles en daaronder het origineel van William Shakespeare (1564-1616).
.
10 Things I Hate About You
.
i hate the way you talk to me and the way you cut your hair
i hate the way you drive my car, i hate it when you stare.
i hate your big dumb combat boots, and the way you read my mind.
I hate you so much it makes me sick,
It even makes me rhyme.
i hate it.
I hate the way you’re always right,
I hate it when you lie
I hate it when you make me laugh,
Even worse when you make me cry
I hate it when you’re not around,
And the fact that you didn’t call
But mostly I hate the way I don’t hate you,
Not even close,
Not even a little bit,
Not even at all…
.
Sonnet 141
.
In faith I do not love thee with mine eyes,
For they in thee a thousand errors note;
But ’tis my heart that loves what they despise,
Who, in despite of view, is pleased to dote.
Nor are mine ears with thy tongue’s tune delighted;
Nor tender feeling, to base touches prone,
Nor taste, nor smell, desire to be invited
To any sensual feast with thee alone:
But my five wits nor my five senses can
Dissuade one foolish heart from serving thee,
Who leaves unswayed the likeness of a man,
Thy proud heart’s slave and vassal wretch to be:
Only my plague thus far I count my gain,
That she that makes me sin awards me pain.
.
Uit de schaduw naar het andere licht
Niels Landstra
.
Bij uitgeverij U2pi verscheen eind 2023 de bundel ‘Uit de schaduw naar het andere licht’ van Niels Landstra. Ik leerde Niels kennen op een podium in Den Haag in bodega De Posthoorn in 2013. Landstra (1966) is dichter, schrijver en muzikant. In 2004 debuteerde hij in Meander magazine en sindsdien werkt hij aan zijn oeuvre. In 2012 verscheen zijn eerste dichtbundel ‘Waterval’ bij uitgeverij Oorsprong. Sindsdien verschenen nog een aantal poëziebundels en een roman van zijn hand. En nu dan de bundel ‘Uit de schaduw naar het andere licht’.
Bij het lezen van de gedichten (en aforismen maar dat zijn er slechts 4) viel me meteen weer op wat een bijzonder taalgebruik Landstra heeft. De woorden die hij kiest, de vorm van zijn gedichten, het doet allemaal vrij klassiek aan terwijl de onderwerpen dat zeker niet altijd zijn.
Wat opvallend is, is de soms wat ouderwets aandoende taal, de (bijna) vergeten woorden als ijlte, bohemien, de dis maar ook zijn gebruik van werkwoorden die je tegenwoordig nog maar zo weinig terugleest in de moderne poëzie als minnen, smachten, kluisteren, tooien, ontberen, tintelen en zo kan ik nog wel even doorgaan. Het geeft de poëzie van Landstra iets plechtigs zonder dat het plechtige poëzie is. In een recensie van Hans Frans op de website van Meander van een eerdere bundel van Landstra, las ik dat zijn poëzie Hans aan de Tachtigers deed denken. Ik begrijp dat heel goed.
En toch zijn de gedichten in deze bundel heel erg van nu en tijdloos. De avondklok en de Coronapas, de Japanse duizendknoop (wie kende die plant zeg 10 jaar geleden?) komen voorbij net als de liefde, het ouder worden en de herinneringen aan Carnaval, de stad van haar jeugd en het schrijversblok. De sonnetvorm die veelvuldig door Landstra gebruikt wordt voelt bekend en aangenaam, zijn poëzie is vloeiend en leest soepel weg waarbij regelmatig, voor mij dan, de zinnen opnieuw gelezen worden om tot een goed begrip van de betekenis te komen.
Opnieuw levert Niels Landstra een proeve van zijn kunnen af. De aforismen voegen wat mij betreft niet veel toe. Het zijn er, zoals geschreven, slechts vier en ze doen me onbewust denken aan de Luulevorm die achterop elk MUGzine staat. Een korte overpeinzing, soms grappig, soms poëtisch, soms serieus maar zonder de diepgang die zijn gedichten juist die extra laag geven die deze bundel zo de moeite waard maken.
Ik koos uit de bundel voor het gedicht ‘Van alle dingen’ louter en alleen om het gebruik van het mooie woord chimère (hersenschim).
.
Van alle dingen
.
Van alle dingen die ik aan haar toegaf
verzweeg ik er een: ik prees haar kalmte
haar voorspelbaarheid, haar clichés, zoals
.
de winter van sneeuw houdt, regen
van de wind, en tranen van wangen,
maar houden van, deed ik
.
er maar van een: de onbereikbare
de chimère, de rusteloze, de ontrouwe
aan mijn geplaagde gedachten
.
en natuurlijk, natuurlijk verliet ze mij
zoals de lente de zucht, het water de droogte
wolken de kapseizende lucht
.
bleek van alle dingen die ze mij verweet
er maar een die er echt toe deed: dat blijven
bij mij gelijk een voorwendsel was
.
Twee keer het Park
Dubbel-gedicht
.
Vandaag een dubbel-gedicht over het (Vondel)park.
Het eerste gedicht is getiteld ‘In het park’ en is van K. Schippers (1936 – 2021). Het komt uit de bundel ‘Amsterdam’ de stad in gedichten uit 2001. Het tweede gedicht (een sonnet) is getiteld ‘Een stadsmuseum’ en is van Max Dendermonde (1919-2004) en is genomen uit de bundel ‘Ik geef jou een gedicht of wat’ 101 lichte sonnetten om langzaam te lezen uit 1987.
.
In het park
.
Niet de agent met de fiets
hij staat bij het blauwe theehuis
niet de man bij de vijver
wat hij ziet weet ik niet
ook niet de vrouw met de kinderwagen
die in deze richting loopt
maar de oude man op de bank
en ik op de andere bank
wij kijken beide
hoe mijn tapijt van broodkruimels
een tapijt van mussen wordt
.
Een stadsmuseum
.
Handhaaft arcadia hier zijn klassieke rechten?
Vroeg in de morgen, nu vogels hun dictatuur
voor korte tijd over de gladde vijvers leggen,
is alles nog archaïsch, tijdloos van duur.
.
De atmosfeer is hier een eeuw gelijk gebleven,
anders dan in de stad, waar alles stroomt en woelt:
elke decade opnieuw een modern soort leven.
Geen houvast meer in stijl, denken, bestaansgevoel.
.
Met innovaties en het onvoorziene doende,
vormen wij een niet te doorgronden maatschappij:
wat vandaag is, is morgen niet, het gaat voorbij.
.
In dit burgergroene Vondelpark daarentegen
is de beleving godlof als vanouds gebleven:
democratisch stadsmuseum van de seizoenen.
.















Gelijk de Phoenix
27 mrt
Geplaatst door woutervanheiningen
Jaap van Yperen
.
Van mijn collega kreeg ik een, door de bibliotheek Rotterdam, afgeschreven tijdschrift met de titel ‘Vlaardingen vooruit’ dat werd uitgegeven ter gelegenheid van de grote tentoonstelling , welke gehouden werd van 3 tot en met 14 augustus 1946. Volgens het redactionele stukje voorin had dit blad tot doel de ontwikkeling der gemeente Vlaardingen in de loop der jaren te demonstreren. Van een klein vissersdorp aan de Maas werd Vlaardingen tot de derde (!) zeehaven van Nederland en een belangrijk industriecentrum.
Toen ik dit las moest ik meteen aan iets denken uit 1997. In dat jaar werd ik directeur van de bibliotheek Maassluis en Maasland. In de bibliotheek stond een kast vol boeken in het Fries. Ik verwonderde mij hierover en mijn collega’s wisten mij ook niet meer te vertellen dan dat er veel vraag was naar Friese boeken. Later begreep ik dat na de tweede wereldoorlog er heel veel mensen uit het noorden van Nederland (Groningen, Friesland en Drenthe) naar het Rijnmond gebied waren getrokken omdat er hier heel veel werk was te vinden. Het belangrijke industriecentrum in Vlaardingen zal hierin ongetwijfeld een rol hebben gespeeld.
Terug naar ‘Vlaardingen vooruit’. Op pagina drie onder het redactioneel commentaar en de woorden van de toenmalige burgemeester is een gedicht geplaatst van ene Jaap van Yperen (1901-1972). Jaap van IJperen (van Yperen was zijn pseudoniem) schreef voornamelijk sonnetten. Hij was zeeman en arbeider op een scheepswerf. Hij debuteerde in 1945 met de bundel ‘Blauwe lucht’ en pas in 1956 verscheen zijn tweede bundel ‘De Aeolusharp’. In 1968 verscheen ‘Twee vrienden op een havenhoofd’ maar daarvan ben ik niet zeker of het poëzie was en in 1971 verscheen, onder auspiciën van de Culturele Raad van Vlaardingen, ter gelegenheid van de 70e verjaardag van de dichter ‘Archief 70 gedichten’. In 2001 verscheen ten slotte postuum nog, in beperkte oplage, in Vlaardingen een bundeltje ‘Heimwee’.
In ‘Vlaardingen vooruit’ is zijn sonnet ‘Gelijk de Phoenix’ opgenomen, een gedicht dat vlak na de oorlog, nog duidelijk de oorlog als onderwerp heeft.
.
Gelijk de Phoenix
.
Ik hoor de lichte golfslag breken tegen
De sterke kademuren waar voorheen
Je vissersvloot zo dikwijls heeft gelegen
Maar ach, dat is al weer zo lang geleên
.
Toen is de oorlog over ons gekomen,
De vijand nam je schepen één voor één.
Zullen wij van ’t verleden blijven dromen
Of onze blik der toekomst richten heen?
.
Nu loop ik langs je lege kaden, zoekend,
Vergeefs misschien, ’t verloren paradijs.
Maar een legende die ik eenmaal las
.
Spookt door mijn hoofd, en in mijzelve vloekend
Den ik; mijn oude Vlaardingen herrijs,
Gelijk de Phoenix uit zijn eigen as.
.
Dit delen:
Geplaatst in (bijna) vergeten dichters, Bibliotheken, Favoriete dichters
Een reactie plaatsen
Tags: 1901, 1946, 1956, 1968, 1971, 1972, 1997, 2001, 70ste verjaardag, afgeschreven, Archief 70 gedichten, Bibliotheek, Blauwe lucht, Burgemeester, Culturele Raad, De aeolusharp, debuut, derde zeehaven, dichtbundel, dichter, Drenthe, Friese boeken, Friesland, gedicht, gedichten, gedichtenbundel, Gelijk de Phoenix, Groningen, heimwee, industriecentrum, Jaap van IJperen, Jaap van Yperen, Maassluis, poëzie, poëziebundel, Postuum verschenen, pseudoniem, redactioneel commentaar, sonnet, tentoonstelling, Twee vrienden op een havenhoofd, Tweede wereldoorlog, vissersdorp, Vlaardingen, Vlaardingen vooruit