Categorie archief: Dichtbundels
Zondagskind
Akwasi
.
Enige tijd geleden was ik op een dag voor bibliotheekmensen en daar trad Akwasi op. Toen verbaasde ik mij al over alle dingen die Akwasi Owusu Ansah (1988) onderneemt: Hij is dichter, artiest, acteur, performer, schrijver, stemacteur, scenarist, presentator, gespreksleider, workshopmaster, eigenaar van muzieklabel Nederlands Dope en directeur van televisieproductiebedrijf Need Vision. Een multitalent kortom. Ik kende Akwasi destijds vooral als Spoken Word artiest die een geweldige performance neerzet met inhoud en toen ik hoorde wat hij allemaal nog meer deed werd ik bijna een beetje jaloers.
In de Poëzieweek was ik in de boekhandel om een dichtbundel te kopen en zag daar de bundel ‘Laten we het er maar niet over hebben’ van Akwasi. Die heb ik gekocht en in tegenstelling tot wat de titel suggereert wil Akwasi het er in deze bundel juist wél over hebben. Op de achterflap staat dan ook te lezen dat hij het er juist over wil hebben; over je haar, je geloof, je huidskleur, je familie, je verzwegen geschiedenis, je stijl, je hartkloppingen, je seksuele geaardheid, je fobieën en je achtergrond. En dat doet Akwasi in deze bundel op een hartverwarmende, soms schurend eerlijke maar altijd oprechte manier. Een bundel die je opnieuw aan het denken zet over onderwerpen waarvan je dacht dat je mening nu wel gevormd was.
Hoewel er niet echt sprake is van hoofdstukken (er is geen overzicht van te vinden in de bundel) worden er secties van elkaar onderscheiden door zwarte bladzijden met witte teksten als: Aan alle valse profeten,voel de toornen van mijn muziek, Soms zeg je met niet, al meer dan genoeg, Ik had al een donkerbruin vermoeden, Sirenes zijn ’s nachts het moois, Ik kan dit niet rijmen, Als ik vroeger had geleefd was ik vast een Marron geweest, en Geloof me niet op mijn blauwe ogen , geloof mij op mijn dreadlocks.
Omdat Akwasi (geboren op zondag betekent zijn naam in het Ashanti) zo’n veelzijdig mens is en zo’n geëngageerd dichter, koos ik voor het gedicht uit zijn bundel getiteld ‘i am not your negro’.
.
I am not your negro
.
ik ben die gast niet
ben niet wie je denkt
.
ben een mens
ik ben die gast niet
.
zie mij alsjeblieft als een man
en niet als een man van kleur
.
kijk nu eens en zie hier dan een hand
en niet een hand van kleur
.
ik ben een man van yes sir
maar ook een leeuw
dus ik kan rauw kijken
laat mij niet in mijn hemd staan
het is koud buiten
.
ik kom hier vandaan en ik zal hier hoogstwaarschijnlijk gaan
.
i am not your negro
.
niet je neger
niet je nigger
.
noem mij liever bij mijn naam
akwasi met de a van anton
en bedankt
.
dus heb je nog een vraag
dan ben ik graag je man
.
de Coninck en Buddingh’
Prijs en gedicht
.
Sinds 1988 bekroont Poetry International jaarlijks het beste Nederlandstalige poëziedebuut met de C. Buddingh’-Prijs. Met de prijs beoogt Poetry International meer aandacht te genereren voor talentvolle nieuwe stemmen in de Nederlandstalige poëzie. Voor menig dichter van naam was de C. Buddingh’-prijs de eerste belangrijke trofee die in de wacht werd gesleept. Namen die me te binnen schieten zijn Anna Enquist, Marieke Lucas Rijneveld, Vicky Francken en Ilja Leonard Pfeijffer. De prijs is genoemd naar Cees Buddingh’.
In de cyclus ‘Ars poetica’ schrijft Herman de Coninck een gedicht ‘Aan Buddingh’ en in eerste instantie dacht ik dat het een soort van eerbetoon was aan de poëzie van Buddingh’. Totdat ik op de website dbnl.org een artikel las uit een ‘Tirade’ uit 1977 waarin de zaken toch enigszins anders blijken te liggen. De poëzie van Herman de Coninck werd in 1970 opgenomen in de bundel ‘Nieuw-realistische poëzie in Vlaanderen’. De nieuw realistische dichters zetten zich aan de ene kant af tegen het “welig tierende, hermetisch-duistere 50ers-epigonisme” in de Vlaamse dichtwereld. Aan de andere kant distantieerde de woordvoerder van deze nieuw realisten zich van de Nederlandse nieuw realisten zoals die vooral in Gard Sivik en De Stijl werd gepubliceerd.
In het gedicht ‘Aan Buddingh’ spreekt de Coninck zich uit tegen dit Nederlands nieuw realisme dat volgens de Vlamingen “neutraal-objectief, onpersoonlijk en gezichtsloos informatisme” was.
.
Aan Buddingh’
.
Ik hou wel van gedichten
als gespierde kerels van behaarde
mannelijke taal, die zich krabben
waar het jeukt, die oergezond
op je afkomen en zeggen: ga zitten,
ik ben een gedicht, aangenaam, en
waarover zullen we het hebben.
.
Zulke gedichten kunnen natuurlijk even vlot
over liefde als over Vietnam praten,
en misschien zijn zij wel verantwoordelijk
voor de gezondheid van de poëzie,
zoals Limburgse boeren voor de gezondheid
van de moraal.
.
Maar ik hou eigenlijk nog meer
van een groep woorden die zich samen
plotseling bijzonder intiem gaan voelen
en zeggen: laat ons nou maar altijd
bij elkaar, er hoeft er geen meer bij te komen.
.
Martin Bril
Verzameld werk
.
Elke keer als ik een schrijver ontdek die ook gedichten geschreven heeft (waar ik geen weet van heb) ben ik weer verbaasd. Blijkbaar heeft de poëzie een enorme aantrekkingskracht op schrijvers, columnisten en journalisten. Zij die bezig zijn met de taal en met teksten komen blijkbaar altijd wel een keer op het pad der poëzie. Zo ook schrijver en columnist (1959 – 2009) Martin Bril. Bril was een veelschrijver. Tijdens zijn leven verschenen maar liefst 51 titels van zijn hand (waarvan een aantal in het begin van schrijversleven met Dirk van Weelden) en na zijn overlijden nog eens 21 postuum.
In 2002 en 2004 verschenen deel 1 en deel 2 van zijn verzamelde gedichten. In deze twee bundels veel korte puntige gedichten. En omdat in eenvoud vaak het geniale schuil gaat deel ik hier een aantal korte gedichten uit deze twee delen.
.
Credo
.
Je mist meer
Dan je meemaakt
.
Helemaal
Niet erg
.
Gemiddelde
.
Het valt niet mee
Het valt niet tegen
.
Scheepsrecht
.
Hij wou haar
Hij wou haar
Hij wou haar
.
Zij hem
Dus niet
.
Angst
.
Je doet er niets aan
.
Al wordt van hogerhand
Nog wel het
Nodige bedacht
.
Niemand is alleen
.
Gaat de boer dood
Huilen de koeien
.
Ontdekking
.
Bezoek nooit
De plaatsen
Van je jeugd
.
Ze vallen tegen
.
Net als die
Hele jeugd
.
Valentijnsdag
Gedicht over de liefde
.
Hoewel ik niets heb met allerlei, vanuit de Verenigde Staten hier terecht gekomen, ‘feestdagen’ zoals Halloween, Kerstfeest met cadeautjes en Valentijnsdag (dit zijn in mijn optiek toch vooral door de commercie geïnspireerde ‘feestdagen’ wil ik toch een kleine uitzondering maken voor Valentijnsdag, 14 februari. Eigenlijk alleen maar omdat dit een mooi excuus is om weer een een prachtig liefdesgedicht met jullie te delen. En er zijn zoveel liefdesgedichten (ik heb er zelf twee bundeltjes mee gevuld ; Je hebt me gemaakt met je kus en XX-XY) dus de keuze is altijd reuze. Vandaag koos ik voor het prachtige gedicht van Toon Tellegen met de titel ‘Een gesprek’ uit de bundel ‘Mijn winter’ uit 1987.
.
Een gesprek
“Waar zullen wij afscheid nemen?
“In de regen”
“Zullen wij schuilen?”
“Nee!”
“Hoe zullen wij ons voelen?”
“Ziek, vals en verlegen.”
“Wat zullen wij zeggen?”
“Wij zullen het niet weten.”
“Wat zullen wij denken? ”
“Was het maar gisteren, morgen of nooit.”
“Zal een van ons gelijk hebben?”
“Geen van ons zal gelijk hebben.”
“Zullen wij elk een andere kant op gaan?”
“Wij zullen elk een andere kant op gaan.
“Zullen wij omkijken?”
“Een van ons zal omkijken. Stilstaan, aarzelen en omkijken”
.
Zo spraken ze tegen elkaar, telkens weer
opnieuw.
Maar zij vroegen nimmer wie. Wie
zou omkijken. Wie.
.
Oud buiten
Rutger Kopland
.
Ik mag graag zomaar blind uit mijn boekenkast een dichtbundel pakken en daar dan in gaan lezen. Het aardige daarvan is dat je niet weet wat je pakt en in hoeverre de gedichten in zo’n bundel dan passen bij de gemoedstoestand waarin je verkeert. Dat kan heel goed uitpakken en soms ook heel slecht maar daar gaat het niet om, Het gaat om het verrassingseffect van de blinde keuze. Vandaag greep ik naar ‘Alles op de fiets’ van Rutger Kopland. Als je, met de scholierendemonstraties voor een beter klimaat in je achterhoofd, zo’n titel leest kun je niet anders denken dan; verstandige titel.
Lezend in deze bundel uit 1969 bleef ik hangen bij het gedicht ‘Oud buiten’. De eerste zin leek ook wel zo van een spandoek of bord te komen van die demonstratie. Het gedicht daarna was verrassend genoeg weer van een hele andere orde.
.
Oud buiten
.
Het was zo mooi vroeger.
.
Maar de freule met de lekkere
kont is verdwenen met de tuinman
in de weiden, naar de geheimen van
bloemen en bijen op zoek zei ze.
.
De jachtopziener heeft de laatste
nachtegalen doodgeschoten voor
de schoorsteenmantel. Je lag
er maar wakker van zei hij.
.
Nesten hangen open en bloot in
de bomen. Iedereen kan het zien.
.
En in de nacht strompelt een koe
als een oude dichter uit de sloot
en doet op de stoep, bijgelicht
door makker maan, haar klappende
boodschap van vrede.
.
Ik proef iets wat bedorven is
Hekeldichten
.
Bij uitgeverij Passage worden mooie en interessante dichtbundels uitgegeven. In 2016 werd bijvoorbeeld, als onderdeel van De doos van Passage, de bundel ‘Ik proef iets wat bedorven is’ gepubliceerd. In deze fijne bundel nemen Daniël Dee, Alexis de Roode en Benne van der Velde ons mee in de wereld die Hekelgedichten heet. In de inleiding wordt door de heren meteen al korte metten gemaakt met de gedachte dat hekeldichten om te lachen zijn, of dat ze in de categorie Light verse zouden vallen. In de inleiding wordt uiteengezet dat hekeldichten (ook) groot, ernstig en complex kunnen zijn. De namen van de hekeldichters doen ook al zoiets vermoeden; Gerrit Achterberg, P.A. de Génestet, Jan Hanlo, Ilja leonard Pfeijffer maar ook Driek van Wissen, Hans van Willigenburg en Delphine Lecompte.
De inleiders besluiten de inleiding met de zinnen: “Geen gevaarlijker stroming in de poëzie dan het hekeldicht. Met name voor de dichter wel te verstaan. Talloos zijn de dichters die omwille van een hekeldicht in de gevangenis of of het concentratiekamp kwamen. Tegenwoordig is die kans in Nederland niet zo groot. Maar wie een hekeldicht schrijft, zeker wanneer de inzet serieus is, geeft zich werkelijk bloot.” En zo is het maar net.
De bundel is in een aantal hoofdstukken opgedeeld met titels die beginnen met ‘Tegen’ gevolgd door landen, klein leed, de liefde, een bepaald slag mensen, de wetenschap, de poëzie, God, etc etc. Voor wie in een recalcitrante bui is of gewoon even tegen iets in het bijzonder of het leven in het algemeen is dit een heerlijke bundel om te lezen. Uit het hoofdstuk ‘Tegen de poëzie en de literaire wereld’ het gedicht ‘Hard werken’ van Joost Reichenbach
.
Hard werken
.
“dichten is hard werken”
.
zei de dichter tot zijn vrouw
“wacht dus maar niet
op mij vannacht”
.
en besteeg de trap
met een fles wijn
op weg naar de zolder
alwaar hij na drie lange teugen
deze regels optikte
zich daarna urenlang
heeft afgerukt bij
pornoplaatsjes van het internet.
.
“’t is weer mislukt”,
zei hij ’s ochtends,
.
“vanavond verder ploeteren.”
.















