Rakelings

Ria van Amelsvoort

.

Na het beëindigen van haar loopbaan als docent Frans begon Ria van Amelsvoort (1933) met het schrijven van proza en poëzie. Haar gedichten werden gepubliceerd in verschillende bloemlezingen en haar werk werd bekroond met verschillende prijzen waaronder tweemaal de Dunya Poëzieprijs. Haat taalgebruik is direct en doeltreffend. In 2010 verscheen van haar hand de bundel ‘ Rakelings’. In deze bundel komen thema’s als maatschappelijke betrokkenheid,, liefde, bezinning en aanvaarding aan de orde met name voor mensen met een verstandelijke handicap. Maar ook bespiegelingen op het moderne leven zoals in het gedicht ‘ Draadloos’.

.

Draadloos

.

als losgeslagen scheepjes

dobberen mobielen

op de mensenzee

draadloos aan de schelpen

nemen zij commando’s mee

intiem soms de gedachten

worden in de lucht gelost

.

ik mis het mij ommurende hok

waar ik ingekerfde liefde vond

als ik er te telefoneren stond

.

 

Het werk

Hans van de Waarsenburg

.

De bloemlezing ‘Het werk’ uitgegeven in 1980 door de Erven Thomas Rap was het vijfde deel uit een serie Thema-poëzie die door Wiel Kusters werd samengesteld. Wiel Kusters (1947) is zelf dichter en was hoogleraar letterkunde aan de universiteit van Maastricht. In ‘Het werk’ heeft Kusters gedichten bijeengebracht over de arbeid van dichters uit de vorige eeuw waarbij de nadruk toch wel ligt bij gedichten uit de jaren ’60 maar vooral ’70. Zoals bijvoorbeeld het gedicht ‘N.N.’ van Hans van de Waarsenburg (1943 – 2015).

In dit gedicht schetst van de Waarsenburg de gruwel van het werkeloos zijn. Eerst denk je nog dat de man misschien met pensioen is gegaan, tot je leest dat ‘de kinderen thuis komen’ en over de ‘stemmen uit de begeleiding’. Dan weet je dat hij onvrijwillig thuis zit en van de Waarsenburg schetst de keiharde realiteit en het zwart gat waarin de man dan terecht komt, waarbij de begrijpelijke houding van zijn echtgenote ook niet echt helpt in het ‘doorbrengen van zijn wat langere vakantie’. Dit gedicht verscheen oorspronkelijk in de bundel ‘De dag van de witte chrysanten’ uit 1979.

.

N.N.

.

Hij stond niet meer waar hij had gestaan

Hij moest onwennig lopen in het daglicht

.

Mocht van zijn vrouw de handen niet voor

de ogen houden

.

Moest gewoon lopen, praten, dingen doen

en boodschappen

.

Niet in de weg zitten, te lang in bed liggen

en af en toe eens fluiten, wanneer

.

De kinderen uit school kwamen, dat stond

wat vrolijker

.

Er was immers niets aan de hand zeiden

de stemmen uit de begeleiding

.

Hij moest het zien als een wat langere

vakantie, hij was voorlopig vrij

.

Kon gaan en staan waar hij wilde zeiden

ze, als hij maar niet de hele dag thuis

.

Rond hing, zei ze. Hij moest toch begrijpen

dat dat voor haar ook niet leuk was

.

Ja, zeiden ze samen, hij moest eens wat

gaan doen, binnenshuis, of er buiten

.

Gewoon dus,

alsof er niets aan de hand was

.

Wees voorzichtig als je voorover bukt

Charles Bukowski

.

Als groot fan van Charles Bukowski lees en herlees ik zijn poëzie met enige regelmaat. Wat Charles Bukowski als geen ander kon was van iets kleins, iets alledaags een boeiend gedicht maken. Poëtisch gezien is zijn werk misschien minder spannend maar inhoudelijk en qua vorm, realistisch, rauw, zeker zeer de moeite waard. Een gedicht waarin iets kleins als uitgangspunt wordt genomen is ‘Shoelace’ of veter. Het zijn niet de grote dingen die een man naar het gekkenhuis sturen maar juist de kleine dingen, zoals Bukowski heel duidelijk beschrijft in dit gedicht.

.

Shoelace

.

a woman, a
tire that’s flat, a
disease, a
desire: fears in front of you,
fears that hold so still
you can study them
like pieces on a
chessboard…
it’s not the large things that
send a man to the
madhouse. death he’s ready for, or
murder, incest, robbery, fire, flood…
no, it’s the continuing series of small tragedies
that send a man to the
madhouse…
not the death of his love
but a shoelace that snaps
with no time left …
The dread of life
is that swarm of trivialities
that can kill quicker than cancer
and which are always there –
license plates or taxes
or expired driver’s license,
or hiring or firing,
doing it or having it done to you, or
roaches or flies or a
broken hook on a
screen, or out of gas
or too much gas,
the sink’s stopped-up, the landlord’s drunk,
the president doesn’t care and the governor’s
crazy.
light switch broken, mattress like a
porcupine;
$105 for a tune-up, carburetor and fuel pump at
sears roebuck;
and the phone bill’s up and the market’s
down
and the toilet chain is
broken,
and the light has burned out –
the hall light, the front light, the back light,
the inner light; it’s
darker than hell
and twice as
expensive.
then there’s always crabs and ingrown toenails
and people who insist they’re
your friends;
there’s always that and worse;
leaky faucet, christ and christmas;
blue salami, 9 day rains,
50 cent avocados
and purple
liverwurst.

or making it
as a waitress at norm’s on the split shift,
or as an emptier of
bedpans,
or as a carwash or a busboy
or a stealer of old lady’s purses
leaving them screaming on the sidewalks
with broken arms at the age of 80.

suddenly
2 red lights in your rear view mirror
and blood in your
underwear;
toothache, and $979 for a bridge
$300 for a gold
tooth,
and china and russia and america, and
long hair and short hair and no
hair, and beards and no
faces, and plenty of zigzag but no
pot, except maybe one to piss in
and the other one around your
gut.

with each broken shoelace
out of one hundred broken shoelaces,
one man, one woman, one
thing
enters a
madhouse.

so be careful
when you
bend over.

.

Grutto Grutto Fuut Fuut

Robin Hannelore

.

De Vlaamse dichter Robin Hannelore (1937, pseudoniem van August Obbels) is vooral bekend in de Belgische Kempen. Hij kreeg in 1968 en 1977 de poëzieprijs van de provincie Antwerpen. Naast zijn auteursactiviteiten was hij tot 1997 leraar Germaanse talen in zowel Herentals als Antwerpen. Binnen zijn zeer ruime thematiek neemt Hannelore het dikwijls op voor de zwakkeren, de onderdrukten en de onmondigen. Deze voorkeur, die in zijn werk meermaals naar boven komt, kwam tot een hoogtepunt in ‘Een brief aan de koning’ (1979). In zijn veelheid van stijlen waagde hij zich enkele malen in het magisch realisme, wat hem de vriendschap opleverde met Hubert Lampo. Samen met Frans Depeuter en Walter van den Broeck was Hannelore ook medestichter van het satirisch-kritische tijdschrift ‘Heibel’, dat hij in 2007 met Depeuter opnieuw tot leven riep. Hannelore schreef zo’n 20 poëziebundels en hij debuteerde in 1958 met de poëziebundel ‘Waan en pijn’.

In 1978 verscheen in de serie ‘Poëtisch erfdeel der Nederlanden’ in de Vlaamse pockets, een bloemlezing van zijn werk onder de titel ‘Het koekoeksspog’. Wat dat precies betekent is me niet helemaal duidelijk, het Vlaams woordenboek geeft niet direct uitsluitsel, maar het lijkt een afgeleide van gespogen dat ‘heel erg gelijkend op’ betekent. Hierin gedichten uit zijn bundels uit de jaren ’60 en ’70.

De bundel begint met een ‘gedicht’ of een uitspraak van Hannelore waaruit blijkt dat hij het opneemt voor de onderdrukten en de onmondigen.

.

En kom je tenslotte toch naar de Kempen,

denk dan niet te lichtvaardig dat je

het koekkoeksspeeksel, het kikkerspog

of het lenteschuim ontdekte.

Ik loop hier namelijk in het voorjaar steeds

op, voor de voeten van, of in het gezicht van

de parvenu’s, de spekulanten, de mongoloïde politici

en de goden te spuwen.

.

Verder in de bundel blijkt dat Hanelore wel degelijk ook gedichten schrijft die minder activistisch zijn en de schoonheid van de Kempen en de natuur als onderwerp hebben zoals in het gedicht ‘Grutto Grutto Fuut Fuut’ dat nooit gebundeld werd.

.

Grutto Grutto Fuut Fuut

.

Ik lig hier als een driedubbele gek

Te lachen in het gras de witbol

Beroesd van tijm en koeiedrek

De schaduw van de eik zit vol

.

harig wilgeroosje en oud geluk

En gesjirp van een krekel een mus

De Kempen bulkt van de volle pluk

Halfapen toeren er rond in een bus

.

Onder dit groen orgiastisch gewelf

Op dit eeuwig wilde herdersfeest

Ben ik te gast bij de zwarte elf

.

Ik adem ril geniet als een beest

Verlaat hier tenslotte voorgoed mezelf

Nimmer is iemand zo vrij geweest.

.

GeenPunt

De Rotterdamse taalglossie

.

Van mijn collega bibliotheekdirecteur in Rotterdam kreeg ik GeenPunt, De Rotterdamse taalglossie. Dit is alweer de tweede editie van een magazine  vol interessante taalfeitjes en – weetjes, inspirerende interviews, praktische taaltips én prachtige poëzie. Wat wil je ook als Derek Otte, tot begin dit jaar stadsdichter van Rotterdam (inmiddels heeft Dean Bowen het stokje van hem overgenomen), de eindredacteur van deze glossie is. In GeenPunt dus op een aantal manieren aandacht voor poëzie. Het leuke van Derek Otte is dat hij op verschillende manieren aandacht besteed aan poëzie, niet alleen maar de wat bekendere poëzie van beroemde dichters maar ook aan cafés in de stad die bordjes hebben hangen met volkspoëzie. Soms verzonnen door de kroegbazen zelf (opvallend alle vier vrouwen!) in andere gevallen bestaand of door klanten verzonnen.

Maar ook mooie foto’s van straatpoëzie, gedichten in de openbare ruimte, stukjes over straatnamen die naar dichters verwijzen (Aagje Deken, Bilderdijk, Frederik van Eeden) maar ook Elfjes die gemaakt werden door deelnemers aan de taalsafari en de taalklassen. Daarnaast nog heel veel interessante informatie maar ik beperkt me hier even tot de stukken over poëzie. GeenPunt is een prachtig initiatief en een geweldig magazine met voor elk wat wils. Ik hoop dat dit een lange traditie van magazines over taal mag worden.

Daarom hier niet alleen een Elfje en een cafégedicht maar ook een gedicht van Frederik van Eeden met begeleidende foto’s.

.

Elfje

.

Creatief

Dingen maken

Gedachten los laten

Voelen hoe het is

Gemis

.

Cafégedicht

.

Iedereen praat

over mijn zuipen

maar niemand

over mijn dorst.

.

Zonnebloem

.

Ik ken een plant, niet fraai van loof

niet schoon, niet rank gesteeld.

Haar vorm is lomp, haar bloem is grof,

geen dichter zingt er ooit zijn lof

of nam haar tot zijn beeld.

.

Toch heeft zij iets wat mij behaagt.

Zij keert zich naar het licht,

van af het eerste morgen-uur

wendt zij naar ’t vrolijk zonnevuur

haar groot en geel gezicht.

.

Ik wilde dat ik als die bloem

naar ’t licht mij wenden kon.

Zij draagt de kleur der vrolijkheid

en richt haar kelk ten allen tijd

naar ’t helder licht der zon.

.

 

Dichter op verzoek

Zondagen in April

.

Ik weet dat er veel lezers van dit blog zijn met duidelijke voorkeuren als het gaat om dichters. De een houdt van de wat oudere gedichten van de Vijftigers, de ander van Tsjechische en Russische dichters, weer een ander van Ierse dichters, weer anderen van Vlaamse dichters als Herman de Coninck en Hugo Claus en er zijn er die liever dichters van nu lezen. Zoals jullie weten maak ik geen onderscheid ( ik hou van een heel breed spectrum aan dichters al heb ook ik mijn voorkeuren) en daarom wil ik jullie vragen om namen van dichters waar ik er dan telkens één van uitkies om op de zondagen in april iets over te schrijven en een gedicht van te plaatsen. Heb je daarnaast nog een voorkeur voor een gedicht van die specifieke dichter dan zal ik proberen dat erbij te plaatsen. Voorwaarde is wel dat ik dat gedicht dan niet eerder al geplaatst heb.

Dus kom maar op met de suggesties. De laatste dichters op verzoek waren: Ida Gerhardt, Miguel Santos en Antoinette Sisto maar zoals gezegd ook buitenlandse dichters mogen genoemd worden. Vandaag plaats ik hier een gedicht van een dichter die ik tot een van mijn favorieten reken namelijk Jules Deelder. Uit de bundel ‘Moderne gedichten’ uit 1979 het gedicht ‘Orpheus Descending’.

.

Orpheus Descending

.

Als hij zijn hand te luisteren legt

op de warme buizen in haar buik,

hoort hij de trein al komen.

.

Een doffe donder in de diepte dat

aanzwelt tot geraas.

.

En het moment is dáár

.

Als het felverlichte voertuig uit

het zwarte gat gespoten komt,

en hij zichzelve ziet.

.

Gekleed in teder lila achter één

der duizend ramen.

.

‘Mind the doors please! Mind the

doors!’

.

 

Gesluierde schandaaltjes

SMS poëzie

.

In 2008 werd een SMS-Poëziewedstrijd georganiseerd onder de titel ‘Gesluierde schandaaltjes’ in opdracht van BASE in het kader van Odegand. De 34 bekroonde gedichten werden in een klein bundeltje gepubliceerd in een oplage van 8.000 stuks en de productie lag in handen van het PoëzieCentrum Gent. Ik denk dat zoiets tegenwoordig niet meer gedaan zou worden, misschien onder de titel App-gedichtenwedstrijd. Via de beperking van (destijds) 160 karakters werden deelnemers gestimuleerd en gevraagd kernachtig te formuleren onder het motto ‘in der beschränkung seigt sich erst der Meister’.

De oogst was volgens de inleider rijk en gevarieerd en soms ook wat ondeugend (het thema was ‘1001 nachten’) en uit de vele inzendingen werden dus 34 gedichten gepubliceerd. De winnaar van deze wedstrijd werd Boris Cruyssaert, de tweede prijs (met een trilogie) Hilde van Cauteren en derde prijs ging naar Antoine Fonck.

Omdat het zulke korte gedichtjes zijn plaats ik ze hier alle vijf.

.

Mijn woorden zeilen, sluipen

gesluierd, van hiel tot keel,

openen je honing

met tong van kaneel. Tot je lijfje

haremsgewijs hijgt. En zwijgt.

.

Boris Cruyssaert

.

hij greep haar bij het nekvel als

een kat en dwong haar zijn

genade te betalen. maar zij temde

hem: ze betaalde met verslavende

taal, met altijd nog een verhaal

.

zo koopt zij dagen van de dood:

zij schikt haar taal,

laat haar verhalen

dralen tegen het daglicht aan

.

hoe ze hem met haar wendingen

behaagt en subtiel de plot verdaagt

naar een volgende nacht: zo

kluistert zij hem aan haar lippen,

zo handelt zij taal voor tijd

.

Hilde van Cauteren

.

het laatste / allerlaatste sprookje /

van 1001 nacht / gaat over

een meisje in Irak / dat de ogen

afwendt / van het been dat /

naar zij zich herinnert /

zij gisteren nog / had

.

Antoine Fonck

 

 

Banaliteit van de liefde

Peter Goossens

.

Al enige tijd ligt de nieuwste bundel van de Vlaamse dichter Peter Goossens getiteld ‘Banaliteit van de liefde’ bovenop mijn stapeltje van nog te lezen dichtbundels. Afgelopen week had ik wat tijd om het te lezen en na ‘Als’ uit 2017 dat ook al de liefde al thema had (driehoeksverhouding) nu een bundel over de liefde in algemene zin. De achterflap vermeldt dat het hier empathische poëzie betreft en als men hier mee bedoeld dat de dichter zich weet in te leven in het leven en de gevoelens van de ander dan klopt dat denk ik wel, al had ik hier en daar het gevoel dat ik meer las over de dichter zelf dan over ‘de ander’. In het ene gedicht is de verteller heel duidelijk aanwezig (Schuinsmarcheerders) in een ander gedicht richt hij zich letterlijk tot de ander (De eeuwige minnaar) maar in alle gedichten gaat het over de relatie van de ene mens tot de andere en is de liefde in al haar facetten het thema.

In zes hoofdstukjes (totaal 28 gedichten) zijn de vaak wat langere gedichten ingedeeld. Vaak zijn het de minder aangename kanten van de liefde die Peter beschrijft (verlaten zijn, ontrouw, onvermogen lief te hebben) maar de inhoud is als steeds bij Peter interessant en nieuwsgierig makend. Soms is een gedicht vertederend en dan ineens heel recht voor zijn raap. Peter gebruikt grote woorden in zijn poëzie waardoor ik soms moeite heb met de geloofwaardigheid maar ik herinner mij dat ook in zijn eerdere werk dit het geval was en dat, tijdens een voordracht (hij stond eind december op het podium van Ongehoord!) dat (kleine) bezwaar helemaal wegvalt.

Ik heb voor het gedicht ‘Het klinkt als klatergoud in vallend water’ gekozen, juist omdat de titel en de inhoud van dit gedicht op gespannen voet lijken te staan. En omdat het in het begin een ongemakkelijk gevoel teweeg brengt (#metoo?) totdat je verder leest.

.

Het klinkt als klatergoud in vallend water

.

Ik weet nog de eerste klets op je billen,

wat een nieuwe ervaring.

Hoe je dan een prooi werd.

.

MIJN PROOI

.

Ik weet nog hoe mij lippen zich krulden,

hoe ik geduldig wachtte

voor de tweede klets

.

KLETS

.

Ik weet nog hoe je lichaam zich kromde

en een lange zuchtige kreun zich tussen je lippen ontsnapte.

Hoe je billen zich aan mij toonden

en je met iets meer ongeduld wachtte,

.

KLETS

.

Stap terug

Nieuw gedicht

.

Ik bedacht me dat het alweer enige tijd geleden was dat ik een gedicht van mezelf heb geplaatst. Daarom nu het gedicht ‘Stap terug’.

.

Stap terug

 

Hadden de leraren

altijd al baarden?

Of plaatst het mij

In een tijdscapsule,

naar schreeuwerig oranje,

roken in de klas

en een poster van een koe

en een blote vrouw

in een weiland?

 

Waar nu de baarden strak

en gestileerd zijn, de barbier

als herintreder zijn plaats

inneemt omdat

zelf doen of laten gaan

geen opties meer zijn

(ik ben een exclusief individu),

waren wij meer van het ons

en het wij. Waar is het

mis gegaan?

.

Declamatorium

Nieuw declamatorium der Nederlandse poëzie

.

In 1979 publiceerde Standaard Uitgeverij het ‘Nieuw declamatorium der Nederlandse poëzie’ bijeengebracht door Teresa Van Marcke. Nu heb ik het woord declamatorium even opgezocht (dat het een afgeleidde is van declamatie was me duidelijk) en het betekent “Een dichtstuk dat bij de voordracht wordt begeleid en afgewisseld door muziek of zang” of ook wel “voordracht”. Hoe dat precies zit (het is tenslotte een geschreven bundel) blijkt uit het voorwoord. Daarin schrijft Teresa Van Marcke: “Voor dit werk ging de keuze in de eerste plaats naar het gedicht, geschikt om voor te dragen. Te hermetische poëzie werd vermeden”.

De bundel bevat een reeks aan gevestigde namen maar ook een reeks nieuwe namen (let wel: gevestigde of nieuwe namen in 1979!). “Dichters die de gevoeligheden van deze tijd en vooral van de jonge mens van nu, trachten te verwoorden”. In een aantal thema’s zoals ‘Bezinning/vragen’, ‘Vreugde/liefde/innigheid’, ‘Ontgoocheling/angst/pijn’, ‘aanklacht/eis/strijd’, ‘Reportage/verhaal’ en ‘Humor/ironie’, worden ruim 400 gedichten en dichters gepresenteerd. Zoals gezegd bekende namen (hoewel volgens het voorwoord een aantal Nederlandse dichters verstek liet gaan) maar dus ook onbekende en nieuwe dichters. Zo kan een dichter als Herman de Coninck naast een (voor mij onbekende) dichter als Albert de Longie staan en Halbo C. Kool naast Hendrik Marsman.

Ik heb uit het hoofdstuk ‘Aanklacht/eis/strijd’ gekozen voor het openingsgedicht van Paul de Bolle. Van deze dichter heb ik verder geen informatie gevonden en dit gedicht had wat mij betreft ook in het hoofdstuk ‘Humor/ironie’ kunnen staan.

.

Wanneer ik een soldaat zal zijn

dan grif ik gedichten in de kolf

van mijn geweer

en de man die dan zeggen zal

schiet

die sla ik met mijn gedichten

dood

.