Site-archief
Spel en drank
Eric van der Steen
.
In Helikon, tijdschrift voor poëzie, onder redactie van Ed. Hoornik, verscheen in 1940, het bundeltje ‘Cadans’ gedichten door Eric van der Steen. Eric van der Steen was het pseudoniem van Dirk Zijlstra (1907 – 1985) dichter, schrijver en journalist. Als dichter debuteerde van der Steen in 1932 met ‘Gemengde berichten’ en zette zijn dichterlijke carrière aanvankelijk krachtig door. Zijn poëzie valt op door nuchterheid en droge humor. Veel van zijn boeken kenmerken zich door frisse, ongewone uiterlijke vormgeving. In de jaren veertig begon hij proza te publiceren. Na 1958 droogde zijn schrijfader op.
In totaal zou van der Steen 11 dichtbundels publiceren maar ook essays, aforismen en proza. Het bundeltje ‘Cadans’ bevat 25 gedichten en werd gedrukt in een oplage van 300 stuks. Uit dit mooie bundeltje het gedicht ‘Spel en drank’.
.
Spel en drank
.
Omdat geboren spelers ongelukkig zijn –
wij zullen ook op ons verlies niet snoeven,
wij spelen verder, al kreeg één de troeven,
dat is de Dood, en hij is groot, wij klein
en blind als paarden in een smalle mijn:
de droomen die wij overnacht behoeven,
zij slaan ons ’s morgens met hun blinde hoeven,
wij drinken om verdooving voor de pijn.
.
God en de goden lachen nu misschien
om deze sluwheid en dit slinkchse slooven:
de ooren om te hooren, om te zien
twee lichte oogen, maar om te gelooven
niets dan de koele, zorgelooze wijn –
maar ben ik dan een blinde en een doove?
.
Liefdeslied
Joseph Brodsky
.
Tijd voor een liefdesgedicht en wel van de Amerikaanse dichter Joseph Brodsky ( 1940 – 1996) uit 1995 in vertaling van Robbert-Jan Henkes met de veelzeggende titel ‘Liefdeslied’.
.
Liefdeslied
.
Als jij zou verdrinken, kwam ik je redden,
Wikkelde je in mijn deken en schonk je hete thee.
Als ik een sherrif was, plaatste ik je onder arrest en
Sleepte ik je voortaan overal gevankelijk mee.
Als jij een vogel was, dan maakte ik een plaat
Om de hele nacht te luisteren naar je hoge trillen.
Als ik een sergeant was, was je mijn jansoldaat,
En zou je niks anders meer dan drillen willen.
Als je Chinees was, leerde ik de talen,
Ik brandde een boel wierook, kleedde me curieus.
Als je een spiegel was, bestormde ik de Dames,
Ik gaf je mijn rode lipstick en poederde je neus.
Als je van vulkanen hield, was ik lava,
Onstuitbaar stromend uit mijn verborgen bron.
En als je mijn echtgenote was, was ik je minnaar,
Omdat je voor de kerk niet scheiden kon.
.
In dit gevecht wint het leven
Dmitri Progov
.
De Russisch dichter en beeldend kunstenaar Dmitri Aleksandrovitsj Prigov was één van de pioniers van het Moskouse conceptualisme en is het meest bekend om zijn poëzie. Conceptuele kunst is een kunstvorm waarbij het idee ofwel het concept belangrijker is dan esthetische of materiaal-technische afwegingen. Denk hier bijvoorbeeld aan de urinoir van Marcel Duchamp.
Prigov (1940 – 2007) werd geboren in Moskou als zoon van een ingenieur en een pianiste. Zijn tienerjaren beleefde hij tijdens de periode van de Dooi onder Chroesjtsjov. Na het afmaken van de middelbare school werkte hij enige tijd als slotenmaker in een fabriek. In 1957 begon Prigov met het schrijven van poëzie, die later niet alleen in Rusland, maar ook in het Westen als samizdat (clandestien gedrukte en uitgegeven literatuur die als ongewenst werd beschouwd door de machthebbers) circuleerde.
Het conceptualistische idee vond bij Prigov uitdrukking in zijn bijna primitieve poëzie. Hij maakte veelvoudig gebruik van tautologie (het benadrukken van een woord met een ander woord dat (zo goed als) dezelfde betekenis heeft) en herhalend rijm en veronachtzaamde de regels van de interpunctie. Hierdoor komt de nadruk te liggen op de compositie van het gedicht. Prigov organiseerde zijn gedichten vaak in cycli, die uit tien tot twintig gedichten bestaan.
Eén van de genres dat hij veel gebruikte voor zijn gedichten, was dat van het alfabet (Azbuka), dat gebaseerd is op Kerk-Slavische gebeden. Ook zijn alfabetten waren dankbaar materiaal voor zijn voordrachten, waarvoor zijn typische manier van voordragen kenmerkend was. Opvallend is Prigovs enorme productiviteit: hij zag het als een project om in een tijdsbestek van dertig jaar 25.000 gedichten te maken, die hij overal opschreef: op vazen, decors, kladjes, veelal in een bijzondere grafische vormgeving. In 2005 had hij bijna 36.000 gedichten geschreven in verschillende genres, zoals epiek en lyriek.
.
In het café van het huis van de literatoren
Drinkt de militieman zijn bier.
Hij drinkt het op zijn gewone manier
zonder zelfs te kijken naar de literatoren.
.
Zij ook kijken niet naar hem.
Rond hem is het leeg en licht.
En al hun verschillende kunsten
Zijn bij hem zonder enig gewicht.
.
Hij stelt zich het voor, het leven,
Verschijnend in de vorm van de plicht.
Het leven is kort, de kunst is lang.
In dit gevecht wint het leven.
.
Doodstrijd
H. Marsman
.
Dichter, vertaler en literair criticus Hendrik Marsman (1899 – 1940) overleed in 1940 toen de Berenice, het schip waarop hij met zijn vrouw naar Engeland vluchtte, in Het Kanaal verging, waarschijnlijk als gevolg van een torpedo van een Duitse U-boot, die een explosie veroorzaakte. Tussen 1919 en 1926 schreef hij het gedicht ‘Doodstrijd’ waar je met een beetje fantasie een voorspellende Marsman in kan lezen.
.
Doodstrijd
.
Ik lig zwaar en verminkt in een hoek van den nacht,
weerloos en blind; ik wacht
op den dood die nu eindelijk komen moet.
het paradijs is verbrand: ik proef roet,
dood, angst en bloed.
ik ben bang, ik ben bang voor den dood.
.
ik kan hem niet zien,
ik kan hem niet zien,
maar ik voel hem achter mij staan.
hij is misschien rakelings langs mij gegaan.
hij sluipt op zwarte geruisloze voeten onzichtbaar
achter het leven aan.
.
hij is weergaloos laf:
hij valt aan in den rug;
hij durft niet recht tegenover mij te staan;
ik zou zijn schedel te pletter slaan.
ik heb nu nog, nu nog, een wild ontembaar
verlangen naar bloed.
.
Umbrisch getijdenboek
Hans Franse
.
Bij de Ongehoord! Gedichtenwedstrijd 2016 werd Scheveninger Hans Franse tweede. Als prijs mogen de winnaars optreden op het Ongehoord! podium in Rotterdam en afgelopen 12 februari was het zover. Hein van der Schoot, Wouter Veldboer en Hans Franse traden op en wisten het publiek te boeien. Vooral bij Hans Franse (1940) was duidelijk dat hij tijdens zijn leven ervaring had opgedaan met spreken en voordragen voor groepen (politicus, theaterdirecteur, leraar). Tegenwoordig brengt Hans de lente en de zomer door in zijn huis op een berg in Umbrië. Dat was ook de reden dat hij niet aanwezig kon zijn bij de feestelijke prijsuitreiking afgelopen jaar.
Franse schreef twee boeken over Umbrië en in 2015 verscheen bij Edizioni Era Nuova srl. in Italië de tweetalige bundel uit getiteld ‘Umbrisch getijdenboek’ of ‘Le ore canoniche umbre’ poesie in Nederlandese e italiano.
De gedichten in deze bundel zijn gebeden, zo lees ik op de achterflap. Zijn gebedenboek begint met de muzikale stilte van de luisteraar in de hemelse natuur van Umbria en eindigt met het beschouwen van de luidruchtige stilte van voorbijgangers in het wereldse Perugia. Ook al stelt de dichter zich als heiden op, toch zijn de woorden vervuld van mystieke verlangen. Niet alle meditaties zijn zwaar en verheven, er zijn ook luchtige intermezzo’s zoals een vermakelijke schets van een processie en een lofzang op de Sangiovese wijndruif.
Ik heb gekozen, voor ik de achterflap ;las overigens, voor het gedicht ‘Processie’ juist om de combinatie van het verhevene en de vette knipoog aan het einde van het gedicht.
.
Processie
.
De cirkel van gesloten muren
weerstond de tand des tijds,
maar het gebit van de huizenrij
vertoond verval en gaten,
hier en daar opgevuld
met amalgaam van andere tijden.
Er waren toen nog heilige heiligen
die zegenend relikwieën
onder andere tegen kiespijn aandroegen
om het eindeloze verval te weerstaan.
Eenmaal per jaar worden
de heiligen gevierd
en loopt de bevolking
gezellig keuvelend en biddend
achter de muziek aan
voor de grote feestelijke middagmaaltijd
terwijl de oude pastoor met veel moeite
het Allerheiligste vasthoudt
en net doet alsof hij het
echt belangrijk vindt.
.
Maan
Nes Tergast
.
De Haagse Nes Tergast (1896 – 1974) was makelaar, dichter en kunstcriticus. Zijn echte naam was Albert Ernest Bruno Johannes en hij werd geboren in Java. Onder het pseudoniem Bruno van Nes werkte hij aanvankelijk met poëzie mee aan ‘Werk’ (1939). In 1940 verscheen de bundel ‘Glas en schaduw’, samengesteld uit de poëzie voor ‘Werk’ en het tijdschrift ‘Criterium’. Pas geruime tijd na de tweede wereldoorlog verscheen opnieuw poëzie in de bundel ‘Het moederland’ (1949), waarin zijn geboorteland Indonesië een belangrijke evocatieve rol speelt. Daarna volgden nog twee bundels gedichten: ‘Deliria’ (1951) en ‘Werelden’ (1953). De hem voor deze poëzie toegekende Jan Campertprijs 1955 weigerde hij. (Bron: DBNL.org).
De poëzie van Tergast kun je modern noemen zowel qua inhoud als qua vormgeving. Zijn werk sluit aan bij dichters als René Char, Prévert en Cummings. Onderstaand gedicht ‘Maan’ verscheen in Maatstaf.
.
Maan
.
Lach in de torens van mijn bloed
De weerhaken van je topazen rust
.
Zing de staalblauwe speren van je huid
In het weerbarstig huis van mijn gedachten
.
Ruk de vier windstreken van mijn verlangen
Met het stilet van je gebaar aan flarden
.
Dans in mijn ogen die op slapen staan
Nog enkele flitsen uit het ingewand
Van het hiernamaals over
.
O maan maanzieke maan
Die in de spiegel naast mij slaapt
Die achter in mijn dromen naast mij slaapt.
.
Onstuimige jeugd
Gerard Reve
.
Schrijver Gerard Reve (1923 – 2006) is behalve van zijn proza ook bekend van zijn poëzie. Zo debuteerde hij als dichter in 1940 met de bundel ‘Terugkeer’ voordat hij proza schreef. In 1987 werden zijn gedichten in een verzameld werk bijeen gebracht onder de titel ‘Verzamelde Gedichten’ en uit deze bundel het gedicht ‘Avondrood’.
.
Avondrood
.
Eens was ik jong en schoon.
Vrouwen die met mij dansten werden in mijn armen
medegevoerd tot duizelingwekkende hoogten.
Nu gaat er niets meer omhoog:
het enige dat stijf staat zijn mijn gewrichten.
Ach, waar zijt gij gebleven
zoete, bittere, onstuimige jeugd?
.
Foto: Joost Evers, Nationaal Archief Den Haag
Dichter van de maand December
M. Vasalis
.
Uit de bundel ‘Parken en woestijnen’ uit 1940 koos ik vandaag voor een stemmig gedicht over de dood. Ook dit jaar was de dood en het sterven weer alom. Voor Vasalis was dit ongetwijfeld net zo maar toch wist zij met een knipoog over de dood te dichten.
.
De Dood
.
De Dood wees mij op kleine, interessante dingen:
dit is een spijker – zei de Dood – en dit een touw.
Ik zie hem aan, een kind. Hij is mijn meester
omdat ik hem bewonder en vertrouw,
de Dood.
.
Hij wees mij alles: dranken, pillen,
pistolen, gaskraan, steile daken,
een bad, een scheermes, een wit laken
‘zomaar’- voor als ik eens zou willen
de dood.
.
En vóór hij ging, gaf hij me nog een klein porretje…
‘ik weet niet, of je ’t al vergeten was,
het komt misschien nog wel te pas
voor als je eens niet meer zou willen
sterven,
maar wie let je?
zei de Dood.
.














