Site-archief
Een boek van wondere dingen
Andrée Chédid
.
In 2018 verscheen bij uitgeverij De Geus in samenwerking met Amnesty International de verzamelbundel ‘Een boek van wondere dingen’. Een beetje wonderlijke titel bij een bundel met gedichten die inspireren, troosten en ontroeren. Op de achterkant van de bundel wordt ineens gerept van ‘Het mooiste uit de wereldpoëzie, alsof er niet echt een keuze is gemaakt over onderwerp en thema.
Toch is deze verzamelbundel vind ik zeer de moeite waard. Omdat, wanneer Amnesty zich verbindt aan een poëziebundel, je zeker weet dat er een breed scala aan dichters uit alle hoeken van deze wereld wordt voorgeschoteld. En het zijn vaak dichters in verzet, of zoals op de achterkant te lezen is: Poëzie is een vrijplaats. In gedichten is altijd ruimte voor hoop, mededogen, en vrijheid, zelfs wanneer ze geschreven worden onder regimes of in omstandigheden die hun die hoop en vrijheid willen ontnemen.
Daan Bronkhorst stelde de bundel samen en nam dichters op die vaak voor het eerst in Nederlandse vertaling verschenen. Zo’n voorbeeld is de dichter Andrée Chédid (1920 – 2011). Zij werd in 1920 geboren in Caïro, uit Syrisch-Libanese ouders. Ze ging naar Franse scholen en verhuisde in 1946 naar Parijs. Haar werk werd veelvuldig vertaald en werd onder meer bekroond met de Prix Goncourt. Als dichter verzette ze zich tegen oorlogen en het leed dat de door oorlog in de Arabische wereld werd aangericht.
In de bundel is het gedicht ‘Een venster om uit te leunen’ opgenomen dat verscheen in ‘Textes pour un poème’ uit 2014 in een vertaling van Annemarie de Wildt.
.
Een venster om uit te leunen
.
Ik geloof niet meer in scheepswrakken.
Er ligt een blauw masker op de bodem van de put;
de ene na de andere broodbezorgster komt voorbij
levens herinneren zich andere levens.
.
Altijd blijft er een venster om uit te leunen,
beloftes om te houden,
een boom die steun geeft.
.
Het gezicht van onze aarde moet ergens zijn.
Wie vertelt ons zijn naam?
.
Primo Levi en Dirk Kroon
Dubbel-gedicht
.
Twee gedichten die een zelfde thema of titel hebben, hoeven natuurlijk niet altijd van Nederlandstalige dichters te zijn. Voor een goed Dubbel-gedicht telt slechts de overeenkomst in thema of titel. Vandaar dat ik vandaag twee gedichten heb uitgekozen die qua titel en thema Wachten overeenkomstig hebben.
Het eerste gedicht is van de Joods-Italiaanse dichter, schrijver en essayist Primo Levi (1919 – 1987) en is getiteld ‘Wachten’. Het gedicht verscheen oorspronkelijk in de bundel ‘Op een onzeker uur’ uit 1988 maar ik nam het over uit ‘Spiegel Internationaal’ moderne poëzie uit 21 talen uit 1988. Het gedicht is vertaald door Maarten Asscher en Reinier Speelman en Primo Levi schreef het in 1949.
Het tweede gedicht is van de Rotterdamse dichter Dirk Kroon (1946). Het gedicht is getiteld ‘Wachttijd’ en verscheen oorspronkelijk in de bundel ‘Dagelijkse despoot’ uit 2013. Ik nam het uit ‘Op de hoogte van de vogels’ zijn Verzamelde gedichten uit 2017.
.
Wachten
.
Dit is de tijd van bliksems zonder donder,
Dit is de tijd van niet te verstane stemmen,
Van rusteloze slaap en zinloos waken.
Gezellin, vergeet de dagen niet
Van lange gemakkelijke stilten,
Van nachtelijk toegenegen straten,
Van kalme overdenkingen,
Voordat de bladeren vallen,
Voordat de hemel betrekt,
Voordat ons opnieuw wekt,
bekend geluid, voor onze deuren,
Van met staal beslagen passen.
.
Wachttijd
.
Sta je op een tweesprong
in een uitgestorven landschap?
Kijk naar de knotwilg naast je
die na gekapt te zijn, ineens
weer uitbot of onaangeraakt
zal sterven – de takken in de lucht.
.
Wacht je met gelatenheid
de zoveelste winter af?
Bij het eerste voorjaarslicht
zal blijken of je ongemerkt
op nieuwe groei bent voorbereid.
.
Om land en hart
Oorlogsgedichten
.
Zo nu en dan loop ik in kringloopwinkels of tweedehandsboekenwinkels kleine, vaak goedkoop gemaakte, bundeltjes tegen het lijf die tijdens of vlak na de tweede wereldoorlog zijn verschenen. Een aantal voorbeelden lees je hier https://woutervanheiningen.wordpress.com/2020/03/24/climax/, hier https://woutervanheiningen.wordpress.com/2020/02/27/oorlogsstad/ en hier https://woutervanheiningen.wordpress.com/2018/04/12/geteisterd-volk/ . En nu kan ik hier weer een nieuw exemplaar aan toevoegen dat in mijn bezit is gekomen.
Het betreft hier het kleine bundeltje ( het is meer een schriftje met een slappe kaft) ‘Om land en hart’ verzen van J. ten Mutsaert. Zoals op de eerste pagina te lezen is, werd dit bundeltje verzen uitgegeven in april 1945 in het bezette deel van Nederland door De Duistelvink. Het werd in een oplage van 810 uitgegeven (al is in mijn exemplaar sprake van 410 maar van de 4 is een 8 gemaakt. Ik heb nummer 641.
Op https://www.dbnl.org/ lees ik dat J. Mutsaert het pseudoniem was van dichter Jan H. de Groot (1901 – 1990) die ook het pseudoniem Haje Sikkema gebruikte. Jan H. de Groot debuteerde in 1926 met een in eigen beheer uitgegeven bundel ‘Lentezon’, was journalist en redacteur bij ‘Het vrije Volk’ en bleef tot op hoge leeftijd schrijven. Zijn laatste publicatie was een bibliofiel uitgegeven werk in 1988. Voor zijn werk ontving hij de Verzetsprijs voor letterkundigen in 1945 en de Poëzieprijs van de stad Amsterdam in 1946 voor het gedicht ‘Moederkoren’.
In ‘Om land en hart’ staan korte en wat langere gedichten en verzen. Over Mussert, het Duitse volk, het graf van een Engelse piloot en een executie in het Weteringplantsoen, 20 gedichten in totaal. Ik heb er een paar uitgekozen om hier te plaatsen.
.
Arrestatie
.
Nog eenmaal zie ik om en groet mijn vrouw,
mijn jongens met de neuzen voor de ramen.
Er is berouw noch spijt, ik krop alleen wat tranen,
omdat ik plots’ling weet, hoeveel ik van z hou.
.
Vrijheidsstrijder
.
Van huis en hol verdreven,
de dood ontweken en gezocht.
Niets was als prijs te duur gekocht,
mits ’t nageslacht zou leven.
.
Steden
.
O steden, vast en hecht is uwe staat,
voor elke vluchtling zijt gij toeverlaat.
Maar Babel werd verwoest, Carthago en Athene.
In één nacht vult het puin uw plein en straat.
.
schoon
Dubbel-gedicht
.
Wanneer ik een gedicht ergens tegenkom (meestal in een dichtbundel) waarvan ik denk; Dat is een mooi gedicht voor een dubbel-gedicht dan begint het zoeken naar een tweede gedicht dat daarbij past. De ene keer gaat dat vrij vlot en de andere keer zoek ik me helemaal een slag in de rondte naar een passend tweede gedicht. Dat laatste overkwam me toen ik het gedicht ‘Palmolive’ van dichter Jos Versteegen uit de bundel ‘Een huis verlaten’ uit 2012.
Ga er maar aan staan dacht ik en ik kreeg gelijk. Bij het zoeken naar een tweede gedicht richt ik mij meestal op mijn geheugen of op de inhoudsopgaven met titels van de vele dichtbundels in mijn kast. In dit geval lieten beide mij behoorlijk in de steek. Maar uiteindelijk heb ik een tweede gedicht gevonden dat ook als onderwerp Schoon of Schoonmaken als onderwerp heeft. Het aardige is natuurlijk dat, hoewel je de onderdelen in de gedichten herkent van het schoon of schoonmaken, de gedichten feitelijk over heel andere zaken gaan. Dat maakt het Dubbel-gedicht voor mij zo verrassend.
Het eerste gedicht ‘Palmolive’, is, zoals gezegd, van Jos Verstegen (1956). Versteegen is dichter, biograaf en vertaler. Hij is ook bekend onder de namen Robert Alquin, Alkwin en Jacob Steege. Daarnaast was hij jarenlang redactiesecretaris van het tijdschrift ‘De tweede ronde’. Het gedicht ‘Vrienden’ dat hij schreef ter gelegenheid van Eenzame uitvaart nr. 254 in augustus 2020 werd bekroond met de Ger Fritz-Prijs.
Het tweede gedicht is van Robert Anker (1946 – 2017) en is getiteld ‘In jouw handdoek’. Het gedicht is genomen uit de bundel ‘In het vertrek’ uit 1996.
.
Palmolive
.
Zo eindigt zeep: een smalle tong,
soms grijze barstjes in de lengte.
.
Olijven, palmen: niemand dacht
aan warme landen, ’s ochtends vroeg,
wanneer het raam nog donker was.
De zeep lag in het plastic bakje.
Schuimbelletjes, half weggegleden,
dat was je moeder of je vader.
.
Kleine tongen, wit of groen,
steeds dunner, met een scherpe rand,
zo doodmoe in hun plastic bakjes:
niets voor een inventarislijst.
Zeep, soms met barstjes, erf je niet,
daar branden ovens voor.
.
In jouw handdoek
.
Is dit je buik dit is je huid die langs je hand omhoog
Kruipt en het water loopt je navel in en uit
Allemaal detail ben je vrolijk water zing je
Draagt ons overal je krullen ach in golven weggelopen eb
Trekken als een kam je ogen aan en zien ze mij
.
Buiten zingt een vloed supporters met hun sjaals
De leegte toe een oude man onder de voet het draait
Mij om en door de stoom ik roep je toch je hoort me niet
Ik hoor je stem maar zoek me niet nadat ik viel
.
Ben jij het hier en blijf je kletsnat over mij gevallen
Dit is geen grond voor even ik doe de ramen open
De wereld krijst voorbij en ik kan in jouw handdoek leven
.
The Mersey Sound
Adrian Henri, Roger McGough en Brian Patten
.
In 1967 publiceerde Penguin Books ‘The Mersey Sound’ nummer 10 in The modern poets series. In deze bundel stonden zo’n 100 gedichten van de Liverpoolse dichters Adrian Henri (1932-2000), Roger McGough (1937) en Brain Patten (1946). Van deze bundel zijn meer dan 500.000 exemplaren verkocht, meer dan van welke bloemlezing in het Verenigd Koninkrijk ooit. In 2009 werd in het Victoria Gallery and Museum een tentoonstelling georganiseerd over deze drie dichters en hun kunst. In dat zelfde jaar werd door de universiteit van Liverpool werk aangekocht uit de erven van Adrian Henri, om maar aan te geven hoe belangrijk deze drie dichters zijn (geweest) voor Liverpool en het tijdsgewricht waarin deze bloemlezing werd gepubliceerd.
Liverpool was in de jaren ’60 een brandpunt van de popcultuur. De Liverpool-dichters werkten in een omgeving waar kunst, muziek en literatuur nauw met elkaar verbonden waren. In de gids die bij de tentoonstelling werd gemaakt werd het als volgt omschreven: “Zoals veel jongeren in het Groot-Brittannië van de jaren zestig, werden de Liverpool Poets sterk beïnvloed door de hippie subcultuur van de Verenigde Staten. Jonge Amerikanen kregen lang haar, leefden samen, beoefenden gratis seks en drugsgebruik en woonden massale openlucht muziekconcerten bij. De oorlog in Vietnam, raciale onrust en de druk om zich te conformeren frustreerden hen. ‘Vrede’ en ‘liefde’ waren hun slogans. De dichters uit Liverpool schreven uitgebreid over het onderwerp liefde. Ze onderzoeken de vele vormen van liefde, van korte ontmoetingen en verlangen tot duurzame relaties en verliefdheid. De dichters gebruikten liefde ook als thema voor uitvoeringen, waarbij ze ten minste drie ‘Lovenights’ ensceneerden in het Everyman Theatre. Bij het onderzoeken en uiten van deze fundamentele menselijke emotie probeerden ze hun poëzie voor iedereen toegankelijk te maken. De zomer van 1967 werd uitgeroepen tot de Summer of Love, vernoemd naar een massabijeenkomst in het Golden Gate Park, in San Francisco.”
Het is volgens mij dan ook geen toeval dat het nummer ‘All you need is love’ van de Beatles (geschreven door John Lennon) in dat jaar uit kwam. Dichter Adrian Henri schreef het gedicht ‘Love is…’ dat in ‘The Mersey Sound’ is opgenomen.
.
Love is…
.
Love is…
Love is feeling cold in the back of vans
Love is a fanclub with only two fans
Love is walking holding paintstained hands
Love is
.
Love is fish and chips on winter nights
Love is blankets full of strange delights
Love is when you don’t put out the light
Love is
.
Love is the presents in Christmas shops
Love is when you’re feeling Top of the Pops
Love is what happens when the music stops
Love is
.
Love is white panties lying all forlorn
Love is pink nightdresses still slightly warm
Love is when you have to leave at dawn
Love is
.
Love is you and love is me
Love is a prison and love is free
Love’s what’s there when you are away from me
Love is…
.
Vuur en wind
Muus Jacobse
.
In de loop der tijd heb ik heel wat dichtbundels verzameld die de oorlog als onderwerp hebben. In een aantal gevallen betreft het hier dichtbundels met poëzie die tijdens en na de oorlog zijn geschreven, vaak met verzetspoëzie maar in een aantal gevallen ook met persoonlijke gedichten.
De bundel ‘Vuur en wind’ van Muus Jacobse met als ondertitel Gedichten 1941 – 1945 waarvan ik een derde druk bezit uit 1946, is er een uit de laatste categorie. Deze bundel werd door D.A. Daamen uitgeversmaatschappij N.V. in Den Haag uitgegeven en werd in december 1945 (een maand na de eerste publicatie) bekroond met de Van der Hoogt-prijs van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde én met een prijs voor verzetspoëzie van het Ministerie van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen.
De bundel is chronologisch ingedeeld (van 10 mei 1940 tot na de bevrijding), is geschreven in vast rijm en bevat vele verwijzingen naar God, die blijkbaar een belangrijke rol speelde in het leven van de dichter. Muus Jacobse was het pseudoniem van dichter Klaas Hanzen Heeroma (1909 – 1972). Ik schreef al eerder over deze dichter https://woutervanheiningen.wordpress.com/2020/04/02/het-boek-2/ als één van de dichters in de bundel ‘Het landvolk’.
Ik koos voor het gedicht ‘Wit afscheid’ omdat het zo vol van verwijzingen zit en niet doordrenkt is van religieuze overdenkingen. Voor de echte liefhebber is de hele bundel hier https://www.dbnl.org/tekst/heer023vuur01_01/heer023vuur01_01.pdf integraal te lezen.
.
Wit afscheid
.
Vanmorgen lag als sneeuw
gespreid op gras en stam
een hagelbui, waarmee
de winter afscheid nam,
.
tussen de bloesemknop
en het uitdagend groen
een witte sluier op
de prilheid van ’t seizoen,
.
een hagelwitte kou
dun over ’t jonge gras,
opdat ons hart zich zou
herinneren wat wás…
.
Het is de laatste April
en morgen is het Mei.
Ons hart wordt wit en stil:
zijn wij nu morgen vrij?
.
Vandaag is het een eind,
morgen een nieuw begin:
wat er werd af gepijnd,
bracht het ons goed gewin?
.
Wit werd nu gras en stam,
dat ons hart nooit vergeet,
hoe ons de vrijheid kwam
door kou, honger en leed…
.
Misschien ligt in Berlijn
vandaag dezelfde sneeuw:
dat het begin mocht zijn,
God, van een beter eeuw!
In San Francisco, in
Moskou en Amsterdam
dezelfde sneeuw, waarin
Uw rijk een aanvang nam!
.
In San Francisco, in
Moskou en Amsterdam
Uw sneeuw als een begin,
Uw liefde als een vlam!
.
Liedjes
Dubbel-gedicht
.
Vandaag als dubbel-gedicht twee gedichten die het lied of de chanson als onderwerp hebben. De een is triest lied en de ander een slaapliedje.
Het eerste gedicht is ‘Chanson triste’ van Pierre Kemp (1886 – 1967) dat oorspronkelijk verscheen in het tijdschrift ‘Roeping’ uit 1955. Dit katholieke literaire tijdschrift werd opgericht in 1922, door dr. H. W. E. Moller. Moller was een letterkundige die de R.K. Leergangen in Tilburg had opgericht, voorloper van de Katholieke Universiteit Brabant.
Het tweede gedicht ‘Slaapliedje’ is van Gerrit Kouwenaar (1923 – 2014) dat verscheen in ‘De Nieuwe Stem’ uit 1954, een tijdschrift met proza, non-fictie en poëzie, dat verscheen tussen 1946 en 1967. Beide gedichten werden opgenomen in ‘Erts’ een bloemlezing uit de poëzie van heden, samengesteld en ingeleid door Bert Voeten uit 1955.
.
Chanson triste
.
Daar ga ik weer met die trechter
kunnen mijn ogen geen bruiden meer zien.
.
Slaapliedje
.
Of wij nu links of rechts zijn
wij gaan slapen
omdat wij moe zijn
.
ook het koper der trompetten
alsof het goud was
van voor de ijstijd
.
de stemmen van hoog tot laag
worden van twijfel vochtig rose
.
de ogen voorspellen het einde
en slaan de nacht aan zichzelf
.
de wereld staat eenzaam buiten
wij hebben veel mensen vermoord
om de mens met de mens te bewijzen –
.
De broekbewapperde mens
Robert Anker
.
Wat ik – naast heel veel andere aspecten – erg leuk aan poëzie vind is de vindingrijkheid van dichters als het gaat om bijzondere titels van bundels. Als ik in mijn boekenkast kijk staan daar bundels met namen waar ik me elke keer weer over verbaas en waar ik elke keer opnieuw weer vrolijk van word. Ik noem: ‘Het glimpen van de welkwiek’ (Pfeijffer), ‘Gevecht tegen het zuur’ (van Doorn), ‘Verboden voor kettingzagen'(de Bas), ‘Totemtaal'(Harten) en ga zo maar door. Een van die titels is ook de bundel van Robert Anker namelijk ‘De broekbewapperde mens’.
Rengert Robert Anker (1946 – 2017) was schrijver, dichter en literatuurcriticus. Hij debuteerde in 1979 met de bundel ‘Waar ik nog ben’. Daarvoor verschenen al gedichten van zijn hand in tijdschriften als De Revisor. Waar zijn debuut nog een traditionele dichtbundel was, geïnspireerd op zijn jeugd in het Westfriese Oostwoud en naar binnen gericht, veranderde dit al snel en kwam de nadruk te liggen op de buitenwereld, zoals in ‘Van het balkon’ (1983), en op maatschappelijke problemen, zoals in ‘De broekbewapperde mens’ (2002). Van de natuur verschoof het perspectief naar het stadsleven. Het werk van Robert Anker werd vele malen bekroond met onder andere de Jan Campert-prijs en de Herman Gorterprijs.
Hoewel de gedichten in ‘De broekbewapperde mens’ zeker geen eenvoudige kost is, zijn de gedichten toch zeer te genieten. Ik koos uit deze bundel het titelgedicht al was het alleen maar door de bijzondere titel.
.
De broekbewapperde mens
.
Dat er altijd maar die bron zou zijn
die reikt tot in de hemel.
Het is de mens die op de kemel
des woestijns ons doortrokken hebbend
steeds rechterop
van waterput tot avondkleding
ons nu verlaat voor wat hij denkt
te zijn op de bedijkte dijk:
.
de broekbewapperde mens!
.
Die nu omkeert en afdaalt
voor een bagagedrager
(en een broekklem)
zeggende:
vlaggen psalmen verrekijkers
en voordehandse liederen
inleveren bij de windmolen
die de dood vermaalt
tot hevige aanwezigheid
angst en vreze te behouden.
.
Spring maar achterop bij de mens!
.














