Site-archief

schoon

Dubbel-gedicht

.

Wanneer ik een gedicht ergens tegenkom (meestal in een dichtbundel) waarvan ik denk; Dat is een mooi gedicht voor een dubbel-gedicht dan begint het zoeken naar een tweede gedicht dat daarbij past. De ene keer gaat dat vrij vlot en de andere keer zoek ik me helemaal een slag in de rondte naar een passend tweede gedicht. Dat laatste overkwam me toen ik het gedicht ‘Palmolive’ van dichter Jos Versteegen uit de bundel ‘Een huis verlaten’ uit 2012.

Ga er maar aan staan dacht ik en ik kreeg gelijk. Bij het zoeken naar een tweede gedicht richt ik mij meestal op mijn geheugen of op de inhoudsopgaven met titels van de vele dichtbundels in mijn kast. In dit geval lieten beide mij behoorlijk in de steek. Maar uiteindelijk heb ik een tweede gedicht gevonden dat ook als onderwerp Schoon of Schoonmaken als onderwerp heeft. Het aardige is natuurlijk dat, hoewel je de onderdelen in de gedichten herkent van het schoon of schoonmaken, de gedichten feitelijk over heel andere zaken gaan. Dat maakt het Dubbel-gedicht voor mij zo verrassend.

Het eerste gedicht ‘Palmolive’, is, zoals gezegd, van Jos Verstegen (1956). Versteegen is dichter, biograaf en vertaler. Hij is ook bekend onder de namen Robert Alquin, Alkwin en Jacob Steege. Daarnaast was hij jarenlang redactiesecretaris van het tijdschrift ‘De tweede ronde’. Het gedicht ‘Vrienden’ dat hij schreef ter gelegenheid van Eenzame uitvaart nr. 254 in augustus 2020 werd bekroond met de Ger Fritz-Prijs.

Het tweede gedicht is van Robert Anker (1946 – 2017) en is getiteld ‘In jouw handdoek’. Het gedicht is genomen uit de bundel ‘In het vertrek’ uit 1996.

.

Palmolive

.

Zo eindigt zeep: een smalle tong,

soms grijze barstjes in de lengte.

.

Olijven, palmen: niemand dacht

aan warme landen, ’s ochtends vroeg,

wanneer het raam nog donker was.

De zeep lag in het plastic bakje.

Schuimbelletjes, half weggegleden,

dat was je moeder of je vader.

.

Kleine tongen, wit of groen,

steeds dunner, met een scherpe rand,

zo doodmoe in hun plastic bakjes:

niets voor een inventarislijst.

Zeep, soms met barstjes, erf je niet,

daar branden ovens voor.

.

In jouw handdoek

.

Is dit je buik dit is je huid die langs je hand omhoog

Kruipt en het water loopt je navel in en uit

Allemaal detail ben je vrolijk water zing je

Draagt ons overal je krullen ach in golven weggelopen eb

Trekken als een kam je ogen aan en zien ze mij

.

Buiten zingt een vloed supporters met hun sjaals

De leegte toe een oude man onder de voet het draait

Mij om en door de stoom ik roep je toch je hoort me niet

Ik hoor je stem maar zoek me niet nadat ik viel

.

Ben jij het hier en blijf je kletsnat over mij gevallen

Dit is geen grond voor even ik doe de ramen open

De wereld krijst voorbij en ik kan in jouw handdoek leven

.

The Mersey Sound

Adrian Henri, Roger McGough en Brian Patten

.

In 1967 publiceerde Penguin Books ‘The Mersey Sound’ nummer 10 in The modern poets series. In deze bundel stonden zo’n 100 gedichten van de Liverpoolse dichters Adrian Henri (1932-2000), Roger McGough (1937) en Brain Patten (1946). Van deze bundel zijn meer dan 500.000 exemplaren verkocht, meer dan van welke bloemlezing in het Verenigd Koninkrijk ooit. In 2009 werd in het Victoria Gallery and Museum een tentoonstelling georganiseerd over deze drie dichters en hun kunst. In dat zelfde jaar werd door de universiteit van Liverpool werk aangekocht uit de erven van Adrian Henri, om maar aan te geven hoe belangrijk deze drie dichters zijn (geweest) voor Liverpool en het tijdsgewricht waarin deze bloemlezing werd gepubliceerd.

Liverpool was in de jaren ’60 een brandpunt van de popcultuur. De Liverpool-dichters werkten in een omgeving waar kunst, muziek en literatuur nauw met elkaar verbonden waren. In de gids die bij de tentoonstelling werd gemaakt werd het als volgt omschreven: “Zoals veel jongeren in het Groot-Brittannië van de jaren zestig, werden de Liverpool Poets sterk beïnvloed door de hippie subcultuur van de Verenigde Staten. Jonge Amerikanen kregen lang haar, leefden samen, beoefenden gratis seks en drugsgebruik en woonden massale openlucht muziekconcerten bij. De oorlog in Vietnam, raciale onrust en de druk om zich te conformeren frustreerden hen. ‘Vrede’ en ‘liefde’ waren hun slogans. De dichters uit Liverpool schreven uitgebreid over het onderwerp liefde. Ze onderzoeken de vele vormen van liefde, van korte ontmoetingen en verlangen tot duurzame relaties en verliefdheid. De dichters gebruikten liefde ook als thema voor uitvoeringen, waarbij ze ten minste drie ‘Lovenights’ ensceneerden in het Everyman Theatre. Bij het onderzoeken en uiten van deze fundamentele menselijke emotie probeerden ze hun poëzie voor iedereen toegankelijk te maken. De zomer van 1967 werd uitgeroepen tot de Summer of Love, vernoemd naar een massabijeenkomst in het Golden Gate Park, in San Francisco.”

Het is volgens mij dan ook geen toeval dat het nummer ‘All you need is love’ van de Beatles (geschreven door John Lennon) in dat jaar uit kwam. Dichter Adrian Henri schreef het gedicht ‘Love is…’ dat in ‘The Mersey Sound’ is opgenomen.

.

Love is…

.

Love is…
Love is feeling cold in the back of vans
Love is a fanclub with only two fans
Love is walking holding paintstained hands
Love is

.

Love is fish and chips on winter nights
Love is blankets full of strange delights
Love is when you don’t put out the light
Love is

.

Love is the presents in Christmas shops
Love is when you’re feeling Top of the Pops
Love is what happens when the music stops
Love is

.

Love is white panties lying all forlorn
Love is pink nightdresses still slightly warm
Love is when you have to leave at dawn
Love is

.

Love is you and love is me
Love is a prison and love is free
Love’s what’s there when you are away from me
Love is…

.

Vuur en wind

Muus Jacobse

.

In de loop der tijd heb ik heel wat dichtbundels verzameld die de oorlog als onderwerp hebben. In een aantal gevallen betreft het hier dichtbundels met poëzie die tijdens en na de oorlog zijn geschreven, vaak met verzetspoëzie maar in een aantal gevallen ook met persoonlijke gedichten.

De bundel ‘Vuur en wind’ van Muus Jacobse met als ondertitel Gedichten 1941 – 1945 waarvan ik een derde druk bezit uit 1946, is er een uit de laatste categorie. Deze bundel werd door D.A. Daamen uitgeversmaatschappij N.V. in Den Haag uitgegeven en werd in december 1945 (een maand na de eerste publicatie) bekroond met de Van der Hoogt-prijs van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde én met een prijs voor verzetspoëzie van het Ministerie van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen.

De bundel is chronologisch ingedeeld (van 10 mei 1940 tot na de bevrijding), is geschreven in vast rijm en bevat vele verwijzingen naar God, die blijkbaar een belangrijke rol speelde in het leven van de dichter. Muus Jacobse was het pseudoniem van dichter Klaas Hanzen Heeroma (1909 – 1972). Ik schreef al eerder over deze dichter https://woutervanheiningen.wordpress.com/2020/04/02/het-boek-2/ als één van de dichters in de bundel ‘Het landvolk’.

Ik koos voor het gedicht ‘Wit afscheid’ omdat het zo vol van verwijzingen zit en niet doordrenkt is van religieuze overdenkingen. Voor de echte liefhebber is de hele bundel hier https://www.dbnl.org/tekst/heer023vuur01_01/heer023vuur01_01.pdf  integraal te lezen.

.

Wit afscheid

.

Vanmorgen lag als sneeuw

gespreid op gras en stam

een hagelbui, waarmee

de winter afscheid nam,

.

tussen de bloesemknop

en het uitdagend groen

een witte sluier op

de prilheid van ’t seizoen,

.

een hagelwitte kou

dun over ’t jonge gras,

opdat ons hart zich zou

herinneren wat wás…

.

Het is de laatste April

en morgen is het Mei.

Ons hart wordt wit en stil:

zijn wij nu morgen vrij?

.

Vandaag is het een eind,

morgen een nieuw begin:

wat er werd af gepijnd,

bracht het ons goed gewin?

.

Wit werd nu gras en stam,

dat ons hart nooit vergeet,

hoe ons de vrijheid kwam

door kou, honger en leed…

.

Misschien ligt in Berlijn

vandaag dezelfde sneeuw:

dat het begin mocht zijn,

God, van een beter eeuw!

 

In San Francisco, in

Moskou en Amsterdam

dezelfde sneeuw, waarin

Uw rijk een aanvang nam!

.

In San Francisco, in

Moskou en Amsterdam

Uw sneeuw als een begin,

Uw liefde als een vlam!

.

Liedjes

Dubbel-gedicht

.

Vandaag als dubbel-gedicht twee gedichten die het lied of de chanson als onderwerp hebben. De een is triest lied en de ander een slaapliedje.

Het eerste gedicht is ‘Chanson triste’ van Pierre Kemp (1886 – 1967) dat oorspronkelijk verscheen in het tijdschrift ‘Roeping’ uit 1955. Dit katholieke literaire tijdschrift werd opgericht in 1922, door dr. H. W. E. Moller. Moller was een letterkundige die de R.K. Leergangen in Tilburg had opgericht, voorloper van de Katholieke Universiteit Brabant.

Het tweede gedicht ‘Slaapliedje’ is van Gerrit Kouwenaar (1923 – 2014) dat verscheen in ‘De Nieuwe Stem’ uit 1954, een tijdschrift met proza, non-fictie en poëzie, dat verscheen tussen 1946 en 1967. Beide gedichten werden opgenomen in ‘Erts’ een bloemlezing uit de poëzie van heden, samengesteld en ingeleid door Bert Voeten uit 1955.

.

Chanson triste

.

Daar ga ik weer met die trechter

vol sterren op mijn hoofd.
Vroeger liep ik veel rechter,
maar toen heb ik nog geloofd,
dat er bruiden konden komen
en die sterren nemen aan
voor hun sluier, doch die dromen
zijn nu wel verdaan.
Haast is niets meer mij gebleven,
als dit lichaam zonder geven
en ontvangen, bovendien

kunnen mijn ogen geen bruiden meer zien.

.

Slaapliedje

.

Of wij nu links of rechts zijn
wij gaan slapen
omdat wij moe zijn
 .
ook het koper der trompetten
alsof het goud was
van voor de ijstijd
 .
de stemmen van hoog tot laag
worden van twijfel vochtig rose
 .
de ogen voorspellen het einde
en slaan de nacht aan zichzelf
 .
de wereld staat eenzaam buiten
wij hebben veel mensen vermoord
om de mens met de mens te bewijzen –

.

Utrecht

Dubbel-gedicht

.

In de rubriek Dubbel-gedicht dit keer twee gedichten die gaan over Utrecht. Mijn eerste aandrang was om er de bundels van de Utrechtse dichters bij te pakken om daaruit een keuze te maken maar ik heb voor een andere manier gekozen. Ik ben gaan zoeken in verzamelbundels en in bundels waarvan ik dacht iets over Utrecht tegen te komen. Het was even een zoektocht maar het is gelukt.

Het eerste gedicht, getiteld ‘Lof van Utrecht’ is van de dichter Ad den Besten (1923 -2015) en haalde ik uit ‘de muze zwerft door Nederland’ uit 1956 maar het verscheen oorspronkelijk in de bundel ‘Verleden tijd’ uit 1950 van zijn hand.

Het tweede gedicht is van Dolf Hartkamp, dichter en sociaal advocaat (1946 – 1989) en is getiteld ‘Utrecht’. Het gedicht staat in zijn bundel ‘Vleugels van Satie’ uit 1981.

.

Lof van Utrecht

.

Stad, ik ben nietig als een stille plant,

die argeloos ontluikt in uw plantsoenen;

ik schuil in u voor ’t wiss’len der seizoenen

en bloei mijn bloemen in uw warme hand.

.

Of, nog veeleer ben ik van uw mosgroene,

rustieke torens aan de singelkant

een duif, die er de jonge vlerken spant

maar altijd weerkeert in de bladfestoenen.

.

O stad, ik heb u lief, ik ben uw kind;

ik ken uw parken, kerken en uw pleinen

als een die er verrukt zichzelf hervindt.

.

Maar ook, zo waar als ik uw kind mag zijn en

dit vers zich duizelend daarop bezint,

wordt uw bestaan bezegeld met het mijne.

.

Utrecht

.

Ook nu weer

lege lijsten

verlepte gladiolen

slapeloos in rood

geschikt door dat

meisje uit Warzawa

.

staat alleen op maandagmorgen

op perron 1 A

de Moskwa-London

expres in vreemde

wagons en letters

van Lenin in lange

optocht

.

ze weet altijd

de vale nachten

haar feuilleton

van bloemen gestremd

op een perron

in Hoek van Holland

.

 

Frietpoëzie

Paul Ilegems

.

De Brugse kunsthistoricus, schrijver en plezierdichter Paul Ilegems (1946) is samen met uitgever Jef Meert oprichter van het Frietkotmuseum, een reizende collectie van allerlei materialen, schilderijen, sculpturen en foto’s die in 2008 werden opgenomen in het Frietmuseum te Brugge. Inmiddels heeft Ilegems 7 naslagwerken over Friet en de frietcultuur geschreven en 2 dichtbundels.

Zijn eerste frietgedichten verschenen in 1981 in het bundeltje ‘Frieten bakken’, geheel volgens de strakke richtlijnen van het plezierdichten in vaste versvormen van Drs. P. Maar het onderwerp friet was voor Ilegems niet voldoende en hij begon ook over andere onderwerpen te dichten als een voorhistorisch monster, sigaren, vrouwenondergoed, de strooiweide en Brigitte Bardot. En niet te vergeten het dichterschap zelve. Kortom, een onbepaald allegaartje. In de bundel ‘Eeuwig zingen de frieten’ uit 2015 zijn deze gedichten samengebracht onder de noemer Fritto misto.

Maar omdat Paul Ilegems zo bekend geworden is door zijn fascinatie met friet hier een gedicht uit deze bundel over een frietkot.

 

Frituur Marleen

.

Frituur Marleen, hoewel zeer florissant,
Moest onlangs dicht: een anonieme brief.
De buurt scheen dit maar moeilijk te verkroppen.
De halve waarheid slechts kwam in de krant.
.
Marleen was wel een tikkeltje naïef
Maar had het strippen in haar vingertoppen
En danste onder ’t bakken expressief
Op melodietjes uit haar portatief.
.
Maar ook (en hierin was ze niet te kloppen)
Nam zij vaak weg wat op de heupen spant
Om tussendoor een onverschrokken klant
Een hoogst intieme friet te laten soppen.
.
Dit was, behalve lichter te verteren
Ook heel wat lekkerder dan kut met peren.
.
,

De broekbewapperde mens

Robert Anker

.

Wat ik – naast heel veel andere aspecten – erg leuk aan poëzie vind is de vindingrijkheid van dichters als het gaat om bijzondere titels van bundels. Als ik in mijn boekenkast kijk staan daar bundels met namen waar ik me elke keer weer over verbaas en waar ik elke keer opnieuw weer vrolijk van word. Ik noem: ‘Het glimpen van de welkwiek’ (Pfeijffer), ‘Gevecht tegen het zuur’ (van Doorn), ‘Verboden voor kettingzagen'(de Bas), ‘Totemtaal'(Harten) en ga zo maar door. Een van die titels is ook de bundel van Robert Anker namelijk ‘De broekbewapperde mens’.

Rengert Robert Anker (1946 – 2017) was schrijver, dichter en literatuurcriticus. Hij debuteerde in 1979 met de bundel ‘Waar ik nog ben’. Daarvoor verschenen al gedichten van zijn hand in tijdschriften als De Revisor. Waar zijn debuut nog een traditionele dichtbundel was, geïnspireerd op zijn jeugd in het Westfriese Oostwoud en naar binnen gericht, veranderde dit al snel en kwam de nadruk te liggen op de buitenwereld, zoals in ‘Van het balkon’ (1983), en op maatschappelijke problemen, zoals in ‘De broekbewapperde mens’ (2002). Van de natuur verschoof het perspectief naar het stadsleven. Het werk van Robert Anker werd vele malen bekroond met onder andere de Jan Campert-prijs en de Herman Gorterprijs.

Hoewel de gedichten in ‘De broekbewapperde mens’ zeker geen eenvoudige kost is, zijn de gedichten toch zeer te genieten. Ik koos uit deze bundel het titelgedicht al was het alleen maar door de bijzondere titel.

.

De broekbewapperde mens

.

Dat er altijd maar die bron zou zijn

die reikt tot in de hemel.

Het is de mens die op de kemel

des woestijns ons doortrokken hebbend

steeds rechterop

van waterput tot avondkleding

ons nu verlaat voor wat hij denkt

te zijn op de bedijkte dijk:

.

de broekbewapperde mens!

.

Die nu omkeert en afdaalt

voor een bagagedrager

(en een broekklem)

zeggende:

vlaggen psalmen verrekijkers

en voordehandse liederen

inleveren bij de windmolen

die de dood vermaalt

tot hevige aanwezigheid

angst en vreze te behouden.

.

Spring maar achterop bij de mens!

.

 

Het sterrenbeeld

Anthonie Donker

.

In 1946 publiceerde uitgeverij Van Loghum Slaterus de bundel ‘Het Sterrenbeeld’ van dichter Anthonie Donker. De verzen die in deze bundel stonden waren allemaal geschreven in de jaren 1940 – 1942. Anthonie Donker is het pseudoniem van Nicolaas Anthonie (Nico) Donkersloot (1902 – 1965). Donkersloot was hoogleraar Nederlands, letterkundige, schrijver, essayist, literair vertaler en dichter.

Anthonie Donker debuteerde als dichter in ‘De Vrije Bladen’ in de jaren twintig van de vorige eeuw. In 1929 won hij voor zijn dichtbundel ‘Kruistochten’ de Domprijs voor poëzie van de jury die bestond uit J.C. Bloem, Hendrik Marsman en Marnix Gijsen. In datzelfde jaar won hij de Lucy B. en C.W. van der Hoogtprijs van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde voor zijn dichtbundel ‘Grenzen’.

In de oorlog schreef hij onder het pseudoniem Maarten de Rijk. Tijdens de oorlogsjaren was hij betrokken bij verzetsactiviteiten en werd door de Duitse bezetter ontslagen als hoogleraar en gearresteerd. Hij werd opgesloten in het Oranjehotel (de gevangenis van Scheveningen) en zou na de oorlog een tekst schrijven voor de plaquette (naast de deur in de buitenmuur aan de Van Alkemadelaan) die daar in 1949 onthuld werd ter nagedachtenis aan de geëxecuteerden op de Waalsdorpervlakte.

Op https://www.dbnl.org/tekst/_str007194701_01/_str007194701_01_0062.php staat over deze bundel onder andere te lezen: Deze verzenbundel bevat vijf-en-dertig stukken, bijna alle sonnetten, in drie groepen onderverdeeld: een onverpoosd beuken, met een zachte hardnekkigheid, tegen de wanden van dit vergankelijk leven; een moeizaam vangen, in té omzich-tig bewerkte verzen, van vôôr-klanken der eeuwigheid; een nooit voltooide onthechting voor wie, vol van heimwee, het bestaan wil bereiken tussen hemel en aarde, het ‘sterrenbeeld’.

Ik koos uit ‘Het sterrenbeeld’ het gedicht ‘Het portret’.

.

Het portret

.

Ten einde raad, zal ik haar eindlijk schildren?

Herschep de ruimte, hand, met uw gebaar

Tot schets en dan tot beeltenis van haar,

Laat niet de drift der vingers weer verwilderd,

Ten einde raad zal ik haar eindlijk schildren.

.

Gewent zij zich reeds in haar eigen trekken?

O worstling om het dierbare portret

In streek na streek als booten uitgezet

Verlangend om die kustlijn te ontdekken,

Zij vindt haar weg reeds in haar eigen trekken.

.

Hoe de muziek der oogen te vertalen?

Diep genoeg ziende in dien sterrennacht,

Ontwarend waar zij altijd nog op wacht

Zie ik de engel op het voorhoofd dalen

En zal van de oogen de muziek vertalen.

.

Maar hoe zou ik de pijn der lippen stillen?

Al ’t ondervondene en het rustloos spel.

Van snelle schaduwen, daarvan zal wel

Het teeken aan den mondhoek blijven trillen,

O pijn der lippen die ik niet kan stillen.

.

Kom niet met de hele waarheid

Noorse dichter Olav H. Hauge

.

Olav Håkonson Hauge (1908 – 1994) was een tuinbouwers, vertaler en dichter uit Noorwegen. Hauge debuteerde in 1946 met vooral traditionele poëzie. Later schreef hij meer moderne poëzie en dan vooral concrete poëzie. Een voorbeeld van zo’n gedicht ( in vertaling naar het Engels) is:

.

The cat is sitting out front

when you come.

Talk a bit with the cat.

He is the most sensitive one here.

 

Hauge vertaalde vele beroemde Engels en internationale dichters als Yeats, Blake, Celan, Rimbaud en Brecht. Tegenwoordig is er het Olav H. Haugecentrum dat naast een poëziebibliotheek, poëzie workshops en tentoonstellingsruimte ook een museum herbergt waar de hoogtepunten van het leven en werk van Hauge wordt belicht.

In ‘500 Gedichten die iedereen gelezen moet hebben’ van samenstellers Ilja Leonard Pfeijffer en Gert Jan de Vries is het gedicht ‘Kom niet met de waarheid’ opgenomen (Oorspronkelijke titel: Kom ikkje med heile sanningi) in een vertaling uit het Duits van Bart Kraamer.

.

Kom niet met de hele waarheid

.

Kom niet met de hele waarheid,

kom niet met de zee voor mijn dorst,

kom niet met de hemel als ik om licht vraag,

maar kom met een glimp, met dauw, met een flinter,

zoals vogels druppels meedragen van hun bad

en de wind een korrel zout.

 

Nieuwe Amerikaanse dichters

New American Poets

.

In 2005 werd door uitgever David R. Godine (uitgeverij DRG) in Boston de vuistdikke bundel ‘New American Poets’ gepubliceerd, met daarin 95 van de nieuwste dichters in Amerika. Amerikaanse dichters uit alle windstreken, met hun roots in allerlei landen (onder andere Michael van Walleghen waarvan ik vermoed dat zijn roots in Nederland of waarschijnlijker Vlaanderen liggen), man, vrouw en allemaal nog onbekend (zeker hier in Nederland). Het zijn niet alleen jonge dichters, ook dichters die al wat ouder zijn en bekend worden of op doorbreken staan.

In de bundel valt me op dat er veel lange gedichten staan, ook prozagedichten en van elke dichter zijn een paar gedichten opgenomen (de bundel telt maar liefst 442 pagina’s). Omdat ik eigenlijk geen enkele naam ken ben ik wat op onderzoek uitgegaan.

Uiteindelijk heb ik gekozen voor dichter Marilyn Nelson Waniek (1946).

Marilyn Nelson is dichter, vertaler en auteur van kinderboeken. Ze is emeritus hoogleraar aan de Universiteit van Connecticut, en de voormalige dichter-laureaat van Connecticut. Ze is een winnaar van de Ruth Lilly Poetry Prize, de NSK Neustadt Prize for Children’s Literature en de Frost Medal. Van 1978 tot 1994 publiceerde ze onder de naam Marilyn Nelson Waniek.  Ze is de auteur of vertaler van meer dan twintig boeken en vijf poëziebundels voor volwassenen en kinderen, zogenaamde chapbooks (soort zelfgemaakte klein (A6) tijdschriftje van meestal 8, 12, 16 of 24 pagina’s). Naast vele andere publicaties verschenen van haar 11 poëziebundels. Uit ‘New American Poets’ koos ik het gedicht ‘Chosen’ dat komt uit haar bundel ‘Homeplace’ uit 1990.

In ‘The Homeplace’ wordt de lezer betrokken bij een reeks scherp geportretteerde levens (van haar familie). Door een continu verhaal te vertellen in een mix van vrij vers en traditionele vormen, geeft Waniek haar werk tempo en intensiteit. Ze behandelt de villanelle, het sonnet en de populaire ballad met gelijke vaardigheid en enthousiasme.

Het sonnet ‘Chosen’ beschrijft de consensuele maar ongelijke seksuele daad tussen haar over-overgrootmoeder Diverne, een slaaf die naar Hickman in de staat Kentucky werd gebracht vanuit Jamaica, en haar over-overgrootvader, Henry Tyler, een blanke man, wat leidt tot de geboorte van Pump, de overgrootvader van Nelson. Het gedicht besluit met dit couplet: ‘And it wasn’t rape. In spite of her raw terror. And his whip’. Het gedicht houdt vol dat de daad geen verkrachting was omdat het leidde tot de geboorte van een geliefd kind, maar de conclusie van dit gedicht dat eindigt met de woorden ‘verkrachting’ en ‘zweep’ is toch heel anders.

.

Chosen

.

Diverse wanted to die, that August night

his face hung over hers, a sweating moon.

She wished so hard, she killed part of her heart.

If she had died, her one begotten son,

her life’s one light, would never have been born.

Pomp Atwood might have been another man:

nor with a single race, another name.

Diverse might not have known the starburst joy

her son would giver her. And the man who came

out of a twelve room house and ran to her

close shack across three yards that night, to leap

onto her cornshuck pallet. Pomp was their

share of the future. And it wasn’t rape.

In spite of her raw terror. And his whip.

.