Site-archief
Bestaansbegeerte
Een recensie
.
Van uitgeverij De Arbeiderspers kreeg ik de nieuwste dichtbundel van dichter Marijke Hanegraaf (1946) toegestuurd. Een mooie, rustig ontworpen dichtbundel in stemmig grijs met blauw en groene opdruk. Op de achterkant van de bundel schrijft de uitgever: ‘Deze vijfde bundel is de eerste waarin Hanegraaf zich concentreert op één alomvattend thema: het raadsel van de identiteit. Nu heb ik altijd een lichte argwaan als het gaat om ronkende aanprijzingen achterop boeken en dichtbundels (ik weet hoe het werkt) maar mijn nieuwsgierigheid was toch gewekt. Vooral omdat deze zin wordt voorafgegaan door vele vragen die de dichter zich afvraagt en waar deze bundel een weerslag van is.
Achterin de bundel een verantwoording met daarin enige duiding bij verschillende gedichten en een dankwoord aan haar redacteur bij De Arbeiderspers Peter Nijssen en aan haar poëzie-bespreekgroep bestaande uit niet de minste namelijk Frouke Arns, Rinske Kegel en Vicky Francken.
Dan de gedichten in de bundel. De bundel is verdeeld in een aantal hoofdstukken, te weten; Iets dat ons kan zijn, De ruwe adem, Bestaansbegeerte, Tijdelijk verblijf en Ademrijk.
Het eerste hoofdstuk ‘Iets dat ons kan zijn’ heeft als ondertitel De Nieuw-Zeelandgedichten. Het betreft hier feitelijk een verslag van Marijke Hanegraaf over haar reis naar Nieuw-Zeeland waar haar dochter woont. De gedichten, vrijwel allemaal opgebouwd in steeds twee in elkaar overlopende zinnen (ze deden me erg aan de opbouw van de poëzie van Alja Spaan denken), zijn in feite een poëtisch verslag van haar reis. Haar poëzie is uitbundig, talig en rijk. Marijke Hanegraaf is geen dichter die de bijvoeglijke naamwoorden mijdt en in haar geval is dat een verrijking (dit kan namelijk ook heel anders uitpakken). In haar poëzie komen verschillende stijlvormen terug, zoals beeldtaal en alliteraties maar steeds op een subtiele nauwelijks herkenbare manier.
De gedichten in dit eerste hoofdstuk hebben allemaal als ondertitel de naam van de plek waar dit gedicht zich afspeelt. Voor kenners van Nieuw-Zeeland (of inwoners) ongetwijfeld een toevoeging maar het zal voor veel lezers hier in Nederland die nog nooit in Nieuw-Zeeland geweest zijn geen echte toevoeging zijn. De gedichten beschrijven steeds een afgeronde tijdsperiode op die plek en geven een weerslag in poëtische taal, van hoe de dichter deze dag beleefd, met oog voor detail zowel naar het landschap en de wereld daar als naar haar eigen ervaringen. Er ius steeds sprake van een ik, een wij of ons in de gedichten waardoor je het gevoel krijgt te worden meegenomen aan de hand van de dichter op haar reis. In de gedichten komen hier en daar namen van plaatsen voor, van plaatselijke aanduidingen, tot zelfs in de laatste gedichten, Engelse woorden en zinnen, alsof de dichter wil aangeven dat wanneer je maar lang genoeg in een ander (Engels sprekend) land bent, je de taal vanzelf eigen maakt.
Het zijn mooie gedichten, rijk van taal en prettig te lezen maar of hierin het raadsel van de identiteit centraal staat vraag ik me af. Wat voor mij overigens geen enkel bezwaar is.
De gedichten in het hoofdstuk ‘De ruwe adem’ zijn anders van toon, met titels als ‘Evacuatie’, ‘Op drift’ en ‘De beweging bezweren’. Deze gedichten ademen gevaar en onheil, leegheid en spanning. De gedichten lijken te gaan over vlucht, onbekende bestemmingen, vluchtelingen en een onzekere toekomst. De eerder genoemde identiteit is hier veel zichtbaarder, invoelbaarder. Een zin als “Aankomen bij iets dat thuis heet. / Vind je het fijn om bij ons te zijn?” is wat dat betreft veelzeggend.
Het derde hoofdstuk ‘Bestaansbegeerte’ bestaat uit twee langere gedichten zonder titel en lijkt de spil van deze bundel te zijn. Niet voor niets is de titel van de bundel dezelfde als dit intermezzo. De twee gedichten in ‘Bestaansbegeerte’ zijn de meest ongrijpbare. De gedichten raken vele onderwerpen aan: oorsprong, bestaan, tijd, ruimte. Misschien verraad de laatste zin van het tweede gedicht wel iets: “Zie de bomen en de dieren, verbouwereerd alsof / zich voor het eerst een mens aandient.” Door de vele wegen die dit gedicht kiest is het moeilijk grip krijgen op thema en onderwerp. Typisch gedichten die je vaker moet lezen waardoor de betekenis steeds iets duidelijker wordt.
In het hoofdstuk ‘Tijdelijk verblijf’ is het thema duidelijker. Een ziekenhuis, een crematorium, bejaardencentrum of verzorgingstehuis, de spoedafdeling allemaal plaatsen waar er tijdelijk wordt verbleven. En dat verblijf is meestal niet zelfverkozen. Bevreemding, onthechting, het leidt tot gedichten die het thema van identiteit (hoe houdt je je staande, waar hoor je bij, hoe ziet een ander jou?) vorm en inhoud geven. Van de gedichten in deze bundel zijn dit mijn favorieten. Invoelend, observerend, helder en uitdagend taalgebruik, fraaie beeldtaal: “men schuifelt en verplaatst je, praat / tegen je verplankte lichaam, secuur / legt men je hoofd in zijn tijdelijk / verblijf en dekt je met een luchtig / hemelsblauw laken, blaast zuurstof / in je ademrijk”.
Het laatste hoofdstuk ‘Ademrijk’ is wat persoonlijker van aard. Een wij, een ik, een jij. Terugkijkend naar vroeger vanuit situaties in het nu. De gedichten ‘De gestapelde tijd [1] en [2] illustreren dat heel mooi. Zo schrijft de dichter in deel [2] “Ik had hier niet zullen zijn, ben er omdat ik verkeerd reed / wil nog zo graag door het teder glooiende land / mijn weg vervolgen, waarheen die ook gaat. / Een seconde lang kijken we naar elkaar / zoekend naar het verlorene of wat nooit aanwezig was.”
In dit hoofdstuk ook nog twee gedichten die er voor mijn gevoel niet zo bij horen, ‘Pulsjes van spanning’ en ‘Waar het zich nestelde’ zijn overduidelijk ‘Coronagedichten’. Al kun je met wat fantasie juist deze periode betitelen als een periode waarin identiteit van de mens onder druk stond.
Al met al heeft ‘Bestaandbegeerte’ een rijkdom aan gedichten te bieden. Marijke Hanegraaf onderzoekt haar dichterschap en laat in deze bundel blijken dat haar poëzie veelkleurig is en uitnodigt tot lezen. Uit de bundel koos ik het gedicht ‘Hoofd’ dat in het hoofdstuk ‘Ruwe adem’ staat.
.
Hoofd
.
Het ligt vanbinnen en vanbuiten op papier.
Precies zo lag het in de scanner. Zo’n hoofd op zich
met zijn kwabben en zijn lellen, de ogen dicht
kan ook van een dode zijn of een wassen pop.
.
Zo met die strakke lippen tekent het een gezicht
dat iets niet zeggen kon.
.
Hoe het daar ligt zit er verliefdheid in
even vanzelfsprekend als regen in wolken
en schept het boosheid zoals luchtdruk wind.
.
Dat zie je niet op het papier en evenmin
dat in de avond van het hoofd de hersenen
van moeheid wegzakken.
.
Biologica
Leo Vroman
.
Het thema van de Poëzieweek mag dit jaar dan Natuur zijn, in 2018 verscheen van dichter Leo Vroman (1915-2014) postuum de bundel ‘En toch is alles wat we doen natuur’ de mooiste gedichten over het leven in en rondom ons. Vroman was een Nederlands-Amerikaans dichter, (toneel)schrijver, tekenaar, schilder, bioloog en hematoloog. In Nederland is hij echter vooral bekend als dichter. Zelf beschouwde hij zich allereerst als wetenschapper. Vroman woonde en werkte vanaf 1947 in de Verenigde Staten en werd in 1951 Amerikaans staatsburger. Desalniettemin geldt hij als een van de belangrijkste Nederlandse dichters van de vorige eeuw.
Vromans werd tijdens zijn leven meerdere malen bekroond. Zo ontving hij onder andere in 1950 de Lucy B. en C.W. van der Hoogtprijs voor ‘Gedichten, vroegere en latere’ in 1964 de P.C. Hooft-prijs voor zijn oeuvre, en in 1996 de VSB Poëzieprijs voor ‘Psalmen en andere gedichten’.
Vromans gedichten zijn levendig en herkenbaar, al sinds zijn debuut in 1946. Hij behoort tot geen enkele stroming binnen de literatuur, maar heeft een speelse, grillige, soms surrealistische stijl. Criticus Kees Fens noemde Vroman ooit ‘de vlakbijste dichter’ van Nederland, wat iets zegt over de toegankelijkheid van zijn poëzie.
Zoals gezegd verscheen in 2018 de bundel ‘En toch is alles wat we doen natuur’ en uit deze bundel koos ik het gedicht ‘Biologica’ dat eigenlijk voor zichzelf spreekt.
.
Biologica
.
Ik was altijd al omgeven
door al die schattige vormen
van het aardse leven.
Neem nou die regenwormen.
Als kind al, hoe mij zo’n regen-
worm dringend moest doorboren
tussen mijn vingertjes door en
terug naar de natte grond,
daar kon ik gewoon niet tegen.
Drukte ik niet vaak met mijn meest
innige liefde mijn mond
zoetsappig op zo’n beest?
Hoe dieren elkander vinden!
Eerst even snuffelen,
dan elkaar knuffelen
en dan verslinden.
Heerlijk te worden omgeven
door al dat leven.
.
Mijn kind
Dubbel-gedicht
.
Dubbelgedichten (die gedichten die ik plaats onder deze noemer en categorie) hebben gemeen dat ze over een zelfde thema of onderwerp gaan. In het volgende geval heb ik echter gekozen voor het begin van de zin als gezamenlijkheid, of beter gezegd de eerste twee woorden: Mijn kind.
De gedichten komen van Hester Knibbe (1946) en Esther Jansma (1958). Het eerste gedicht van Hester Knibbe is getiteld ‘Demeter’ en komt uit de bundel ‘Oogsten’ uit 2016 en het tweede gedicht is van Esther Jansma en is zonder titel en komt uit de bundel ‘Altijd vandaag’ uit 1998.
.
Demeter
.
Mijn kind is zoek en telkens weer
terecht. Zij laat zich lokken naar
de duisternis, hoe vaak ik haar ook
zeg: geen god die te vertrouwen is. Ook ik
.
sliep met een god, doorbrak daarmee
het ouderlijk verbod, maar bleef met teen
en hakken op de grond: er moest een kind
gevoed, hout in de haard en
.
aren op de aarde. Mijn dochter is
geen kind meer maar een vrouw die ’s winters
niet in huis te houden is, hoe kouder
het hier wordt, hoe verder zij
.
zich van het vuur verwijdert. Maar
op het uur van dooi komt ze
terug en danst met vlugge voeten
zoete vruchten uit de aarde.
.
*
.
Mijn kind is een rivierkei, een pauze
voortgeduwd – dat klotsend holle
van steen op steen – door water.
Tot nu. Hier neergelegd.
.
En water is de tijd natuurlijk,
zacht massief waaronder slijt
wat weerstand biedt, stil ligt.
.
Verdriet: een lange, lange val naar zee.
.
Marie-Jeanne I
Jan Kal
.
Liefdesgedichten gaan vaak over de geweldige, hartstochtelijke of romantische liefde. Regels vol zoet en fluweel en warmte en licht. Liefdesgedichten kunnen echter ook gaan over onbeantwoorde liefde of over beantwoorde liefde waarin het antwoord niet is wat de vraagsteller ervan verwacht had.
Een voorbeeld van zo’n gedicht uit de laatste categorie schreef Jan Kal. Jan Pieter Kal (1946) debuteerde in 1974 met de bundel ‘Fietsen op de Mont Ventoux’ 74 sonnetten (later uitgebreid naar 222 sonnetten). Hij is vooral bekend van zijn vele sonnetten. Jan Kal kan van weinig poëzie maken. Hij heeft een eigen spontane, weemoedige toon, waarin ook zijn humor een plaats kan vinden.
Uit zijn debuutbundel komt het gedicht Marie-Jeanne 1, het liefdesgedicht in sonnetvorm waarin de liefde niet wordt ingelost.
.
Marie-Jeanne I
.
Wéér in 2a zitten was wel fijn
als ik rechts achterom keek naar dat liefje.
Maar zij keek steeds terug zo van wat blief je,
of helemaal niet. Wel de harde lijn.
.
Met Sinterklaas gaf ik mijn hartediefje
een hart van suikergoed en marsepein.
Zij deed de stille gever hartepijn,
want gaf hem via Joan het volgende briefje.
.
Daar stond geschreven: ‘Jan, ik heb gemerkt
dat je me aardig vindt. Ik vind jou niet
aardig. Zwijg daar dus over, Marie-Jeanne.’
.
Die doffe dreun heeft twee jaar doorgewerkt.
Nu kan ik lachen en ik zing een lied;
toen wou ik huilen maar ik had geen tranen.
.
Dagboeken
Bram Vermeulen
.
In 2019 schreef ik al eens over de bundel ‘Rust!’ uit 2005 van Bram Vermeulen (1946-2004) https://woutervanheiningen.wordpress.com/2019/04/09/waardeloze-beelden/ en ik deelde een gedicht uit deze bundel. Wat ik toen vergat te vermelden is dat alle teksten en gedichten in deze bundel uit de dagboeken van Bram Vermeulen komen. In ‘Rust!’ staan 40 ‘boeken’ of afscheid van een dagboek.
Vanaf dagboek 15 werd het een vaste gewoonte van Vermeulen ieder afzonderlijk boekje af te sluiten met een gedicht. Een persoonlijke traditie, een ritueel. Ongemerkt werd het meer en meer een dwingende gebeurtenis. En ook meteen een onderzoek. Waar schrijf je een dagboek voor? Voor wie? Voor wat? Dat schrijft Shireen Stroker, zijn geliefde en samensteller van de bundel als soort van voorwoord voor het hoofdstuk met de ‘boeken.
Uit deze serie boeken koos ik voor ‘Boek 54’ waarin de bovenstaande vragen aan de orde komen zoals de vraag voor wie schrijf je, waarom schrijf je, wat beoog je ermee, vragen die elke schrijver of dichter zich op enig moment in het schrijvend leven zal hebben gesteld.
.
Boek 54
.
Zie deze dunne poging
het verval te bedwingen.
Het in elk geval te bewaren
voor de herinnering.
.
Lees deze kleine zinnen
waarin het dreigend zinloos
bestreden wordt door schrijven
van steeds opnieuw beginnen.
.
En waar het koude lege
door de regels kiert
schrijf ik het razend vol,
hou ik de waanzin tegen.
.
Zo blijven er woorden staan,
die wellicht nooit gelezen,
mijzelf de troost verlenen
ooit te hebben bestaan.
.
Autoloze zondag
Peter Theunynck
.
Ik schreef al eerder over Peter Theunynck https://woutervanheiningen.wordpress.com/2017/10/10/canadezen/, een voor mij nog steeds relatief onbekende Vlaamse dichter (1960) uit Antwerpen. En dat ga ik vandaag weer doen want toen ik in de vuistdikke bundel ‘600 gedichten over leven, liefde en dood’ of ‘Het nieuw Groot Verzenboek’ samengesteld door Jozef Deleu, weer eens ter hand nam en het gedicht ‘Vader’ van Peter Theunynck las bleven mijn ogen even hangen bij het begin van de vierde strofe; Het is de eerste autoloze zondag.
Ik herinner mij die eerste autoloze zondag nog goed, niet zozeer de datum (ik heb het opgezocht het was 4 november 1973) maar hoe het was. De stilte op straat, het rolschaatsen op de A12 bij Zoetermeer, het opschrikken als je toch ergens een auto hoorde en de vrijheid die ik voelde dat alles mogelijk was op straat op die dag.
Eerlijk gezegd dacht ik dat de autoloze zondagen in de jaren zeventig van de vorige eeuw de eerste in de geschiedenis waren maar wat blijkt; In 1939 (wegens de mobilisatie en het benzinetekort), 1946 (opnieuw benzine schaarste) en in 1956-1957 (na de Suezcrisis) waren er ook al autoloze (zon-)dagen.
In het gedicht tipt Theunynck heel even die dag aan en ik ben meteen weer terug op die eerste zondag in november. Dat is wat goede poëzie vermag. Daarom alleen al deel ik dit gedicht vandaag op dit blog.
.
Vader
.
Soms droom ik u terug
te zien wanneer de trein
langsheen uw landerijen raast.
.
U waant zich grijs en oud,
de hand aan het alaam,
gewapend tegen het voorbijgaan.
.
U zoekt de stal, de schapen
wilt u binnen halen. Geen poot,
geen steen is blijven staan.
.
Het is de eerste autoloze zondag
van het jaar. De ochtend hangt
zijn lakens in de boomgaard.
.
En ik verlies u zoals altijd
uit het oog, terwijl u toch
mijn aderen doorstroomt.
.















