Site-archief

Harp en meeuwen

(bijna) vergeten dichter

.

Dichter Nico Verhoeven (1925-1974) is niet zo bekend bij het grote publiek. Hij debuteerde in 1946 met de bundel ‘Voorbijgang’. In 1968 verscheen zijn laatste bundel samen met Wim Zaal, in een oplage van 100 stuks getiteld ‘Elpénor’. Als dichter werkte hij mee aan kleine en zelfopgerichte bladen zoals De Bries, Were Di, De Spiegel en Stem. Vanaf maart 1947 was hij redacteur van Het Woord. In 1946, 1950 en 1953 verscheen zijn werk in uitgaven van experimentele poëzie van de Bezige Bij. Uit deze laatste bundel nam ik het gedicht ‘Nocturne voor harp en meeuwen’.

.

Nocturne voor harp en meeuwen

.

De meeuwen en de maan zijn in een baai gaan slapen,

zo moe en mateloos als meisjes slapen gaan

nadat zij voor het raam in lijdzame gebaren

aan man en maan en meeuwen hebben blootgestaan;

.

zij hurken in een schoot van blind en blatend heimwee

en strekken zich vergeefs binnen hun lichaam uit

en huiveren van vuur dat laaien kan noch doven

en reiken naar een hand onder hun opperhuid

.

en drijven in het riet als onbemande schuitjes

en sterven met het tij dat langzaam uit hen ebt

en voelen hoe een hand hen zacht in slaap laat raken

en hoe een stroom van licht zich door hun lichaam

rept.

.

Adriaan van Dis

Dutchwife

.

Adriaan van Dis (1946) is natuurlijk bekend als schrijver van romans, zijn televisieprogramma ‘Hier is …. Adriaan van Dis’, Zomergasten en als lees- en boekenambassadeur. Wat minder mensen weten is dat hij ook dichter is. Zo publiceerde hij een aantal dichtbundels waarvan ‘Morfine’ de laatste was in 2019 (samen met beeldend kunstenaar Berend Strik).

In de bundel ‘Album van de Indische poëzie’ uit 2014, samengesteld door Bert Paasman en Peter van Zonneveld, is ook een gedicht van zijn hand opgenomen getiteld ‘Dutchwife’. Dit gedicht komt uit zijn bundel ‘Totok twee’ uit 2008 (‘Totok’ deel 1 komt uit 1998).

.

Dutchwife

.

elke morgen sjouwt een jongen

bundels lange stelen

naar de boom onder mijn raam

oren in zachtgroene knop

sedap malam – nachtgeur

loom deinend op zijn schouders

.

oude beelden rollen  uit hun slaap

twee kussens zie ik, lang en rond

de guling

donzen worst om je vogel in de tropen koel te houden

dutchwife zeiden we thuis

.

onder de boom

snijdt de jongen

emmers vol

sedap malam op maat

steel voor steel

.

elke middag

raapt een vrouw

de afgevallen knoppen

handenvol

sedap malam

half open in de warmte van haar schoot

.

’s avonds

bloeit wit en hard

een nachtgeur op mijn gulling

koel koel rij ik door de nacht

.

.

Sedam malam = geurende nachtbloem
Gulling = rolkussen

.

Nieuwe poëzie

MUGzine #17

.

Eind april, begin mei wordt de nieuwe MUGzine gepubliceerd. Dit keer met poëzie van Marjolijn van Heemstra, Dirk Kroon, Annelies Van Dyck en Lamia Makaddam. Het artwork wordt dit keer verzorgd door Ingrid van den Brand (@ingrid_eyesnacks). Natuurlijk is er een nieuwe Luule en als altijd wordt je meegenomen in de poëzie door onze redactie filosoof Marie-Anne in het voorwoord. Dit keer is de richting die we kozen: Duizelingwekkende deeltjes die twee dingen tegelijk kunnen zijn. We hebben ons laten inspireren door  de kwantummechanica en draaien poëtische rondjes om deeltjes die op mysterieuze wijze met elkaar verbonden zijn, ondeelbaar op twee plaatsen tegelijk, lichtjaren van elkaar verwijderd maar innig verstrengeld.

Als voorproefje voor nummer 17 hier alvast een gedicht van de Rotterdamse dichter Dirk Kroon (1946) die een aantal gedichten heeft bijgedragen. Het gedicht hieronder is uit zijn bundel ‘Verzamelde liefdesgedichten – het is nooit volmaakt’ uit 2015 en is getiteld ‘De jaren samen’.

Wil je de MUGzines op papier ontvangen (5 per jaar) lees dan hier hoe je dat regelt. Wil je een mooi overzicht van welke dichters met welke gedichten in de verschillende edities van MUGzine staan kijk dan op de website van het Poëziecentrum Nederland

.

De jaren samen

.

Wanneer ik later aan je denken moet

zoals je in de jaren samen bent geweest,

een warme zee of wiekslag, soms een feest,

lijkt alle pijn die wij ooit leden goed.

.

Het verleden wordt toch altijd zoet

– ik heb het telkens weer gevreesd –

wanneer ik later aan je denken moet

zoals je in de jaren samen bent geweest.

.

Wie zich herinnert, weet dat hij voorgoed

verdwaald raakt in de doolhof van zijn geest,

dat het vergeten toesloeg als een beest.

Ik weet waarvan mijn leven afstand doet

wanneer ik later aan je denken moet.

.

Erasmus

Jan Prins

.

In Rotterdam is men trots op zijn dochters en zonen. Een van hen is de dichter en vertaler Jan Prins (1876-1948) pseudoniem van Christiaan Louis Schepp. Literair-historisch wordt hij gesitueerd in de kring rond het tijdschrift ‘De Beweging’ van Albert Verwey. Het was echter in het tijdschrift ‘De XXe eeuw’ dat Prins in 1903 als dichter debuteerde. Jan Prins vertaalde onder meer de fabels van Jean de La Fontaine maar ook toneelstukken van Racine en Molière en klassieke teksten vertalen, waaronder Plato’s ‘Timaeus’ (1937).

In de bundel ‘De stad waar men is kind geweest’ uit 1946 heeft Prins een gedicht geschreven over het oudste bronzen beeld van Nederland (1622). Het beeld heeft een onrustige geschiedenis achter de rug, zo werd het verschillende keren verplaatst (onder andere door de aanleg van de metro in Rotterdam in 1963) toen het van de Coolsingel naar het Grotekerkplein voor de Grote of Sint-Laurenskerk verhuisde.

.

Erasmus

.

Wij staan in de nabijheid van dat hart

Van ’t oude Rotterdam: De Groote Markt.

.

De huizen in het rond, onder hun daken,

Staan dagen en staan jaren door te maken,

Ontkomen met hun stilte aan het rumoer,

Dat tot hem komt van de bestrate vloer.

Zij schijnen aan het leven zelf ontvlucht

Binnen de ronding van de wolkenlucht.

.

Erasmus is nog altijd niet gekomen

Tot aan den laatsten regel van zijn blad.

Hij heeft v het goed onder zijne olmenboomen.

Hij voelt zich thuis in deze binnenstad.

.

Hij ziet fruit, de groenten en de bloemen

Van de verkoopers tot de koopers gaan.

Hij kan u een voor een de namen noemen

Van wie daar in hun kraam te venten staan.

.

De kinders, die naar school gaan, kent hij allen.

Hij kent de menschen van de paardetrem.

Hij wacht, hoe de uren uit den toren vallen

Van de Sint Laurens met haar diepe stem.

.

Hij waakt over de wat te late lieden

die nog bij nacht voorbij gaan op het plein,

hij waakt dat hun geen onheil zal geschieden

mochten zij een ietsje onder de invloed zijn.

.

Op al wat rijdt houdt hij het oog geslagen,

op hand- en hondenkar, en bovenal

op de droefgeestig trage sleperswagen,

vanwaar die komt, waarheen die wenden zal.

.

De paarden slaan hun uitgesleten hoeven

in stugge ijver op de stenen neer

De sleper die zijn pruimpje zit te proeven,

hoog op de bok, schommelt daar heen en weer.

.

Zo kijkt hij naar het Steiger, naar het Hang,

en naar het oude Huis van Duizend Vrezen.

Hij denkt waar hij getuige van moest wezen

destijds: hij denkt aan veel, de dag is lang.

.

Dan ziet hij, met hare opgeschorte rokken,

een dienstmeid bezig met de glazenspuit.

Hij ziet een meeuwenvlaag rondom zich vlokken

en daar beneden op een platte schuit

ziet hij twee mannen diep gebogen staan,

die met hun baggernetten modder scheppen.

.

Dan, om de hoek, begint een klok te kleppen.

Erasmus weet het al de Beurs gaat aan.

.

De schaduw van Morandi

Antoon Van den Braembussche

.

De Vlaamse dichter Antoon Van den Braembussche (1946) doceerde kunstfilosofie aan de Erasmus Universiteit in Rotterdam en kunstkritiek aan de Vrije Universiteit Brussel. Voor hem is poëzie een creatieve plek waar kunst en filosofie elkaar kunnen ontmoeten. Tel daarbij op de kernthema’s die in zijn werk voorkomen; liefde, stilte en het onuitsprekelijke, en je hebt alle ingrediënten voor de bundel ‘De schaduw van Morandi’ bij elkaar. Deze bundel uit 2022 is inmiddels zijn zevende.

Antoon Van den Braembussche debuteerde al in 1967 als dichter, maar zijn dichtbundel ‘Liefdesverklaring’ wordt beschouwd als zijn eigenlijke, literaire debuut. Deze bundel verscheen in 1979 onder het pseudoniem Tonko Brem in de Yang Poëzie reeks, werd door critici erg goed ontvangen en beleefde meteen een tweede druk. In 1985 en 1995 verschenen opnieuw dichtbundels onder dit pseudoniem maar vanaf 2007, bij het verschijnen van de bundel ‘Kant-tekeningen’ publiceert hij onder zijn eigen naam, vanaf dat moment bewoog zijn poëzie zich veel meer op het raakvlak tussen filosofie en kunst.

‘De schaduw van Morandi’ bestaat eigenlijk uit drie delen die ogenschijnlijk los van elkaar staan. En dat terwijl de bundel is opgebouwd uit vijf hoofdstukken. Het eerste hoofdstuk is gewijd aan de Corona pandemie, het laatste hoofdstuk is een ode aan de dichter Paul Celan (1920-1970) en de tussenliggende hoofdstukken ‘Het beeld, nogmaals het beeld’ (twee), ‘Moments de grâce’ (drie) en ‘Paradoxen’ (vier) vormen samen eigenlijk ook een deel. In dit tussendeel komt de poëzie zoals Van den Braembussche die beschouwt (in zijn kernthema’s) als een rode draad terug.

Van den Braembussche is een beschrijvend dichter. Hij gebruikt de taal om situaties en gebeurtenissen maar ook gevoelens te beschrijven in heldere taal, in herkenbare strofen en staat daarmee aan de ene kant in een literaire traditie en aan de andere kant verkondigt hij middels thematiek en filosofische soms mystieke inslag een heel eigen geluid. In een gedicht als ‘Af en aan’ Rumi indachtig, uit ‘Moments de grâce’ komt dat duidelijk naar voren.

.

Af en aan

Rumi indachtig 

.

Dansend in het

ongehoorde gaf ik je

de binnenkant van mijn ziel.

.

Daar waar betekenis

er niet meer toe doet.

.

Daar waar enkel nog heerst

 

pure resonantie,

de echo van een stervend lied.

.

Waar dans duisternis wordt,

duisternis een onmetelijke dans.

.

Waar alles af en aan danst

nooit-eindigend,

terwijl de dichter enkel nog

naar woorden tast.

.

In het deel dat over de Corona pandemie gaat is zijn poëzie directer, plaatsbaar in de situatie zoals in het gedicht ‘Lockdown’: Niet alleen de eenzaamheid / kwam handen tekort. Ook de hoop die over / balustrades boog. Of in het openingsgedicht ‘Corona’: In overvolle ziekenzalen / in luidkeelse bedden / tast de dood in het rond. Ongenadig. / Longnabij.

Persoonlijk werd ik het meest gegrepen door de ‘Ode aan Paul Celan’ een cyclus van vier delen met als titel ‘Ein-sof’ (wat uit de Kabbalah komt en zoveel betekent als oneindig, zonder einde). Van den Braembussche schreef dit op uitnodiging van Carl de Strycker voor de Poëziekrant ter gelegenheid van het Celan-jaar in 2020 (honderd jaar daarvoor geboren, vijftig jaar daarvoor overleden). Het gedicht verscheen in de Poëziekrant nummer 2 in 2020.

Waar Celan in zijn poëzie spaarzaam omgaat met woorden en schrijft op de rand van het zwijgen, gebruik makend van gewaagde metaforen en neologismen, die hij voor een deel haalde uit lectuur van geologische boeken, daar put Van den Braembussche uit zijn eigen filosofisch idioom: Sterf voor je sterft, / zegt de mysticus. / Wij hebben in het kamp / en de rookblauwe, / ongeheelde herinnering / niets anders gedaan. / In herfst, getijde en het niets. / Ons stuk kauwend / op de tekens van het ongeziene.

De bundel ‘De schaduw van Morandi’ Gedichten 2018-2021 heeft een uitspraak van M. Vasalis als ‘motto’: “een dichter vertaalt. Geeft taal aan datgene uit zijn binnenwereld dat zelf geen woorden heeft.” Ik vind dat Van den Braembussche daarin goed geslaagd is. De bundel bevat twee illustraties, afbeeldingen van de kunstenaars Sofie Muller en Christian Clauwers.

.

Literaire anekdoten

Gerrit Achterberg

.

In 1988 verscheen bij de Bijenkorf ‘Het literair anekdoten boek’. Een onderhoudend en vrolijk boek, zo belooft de achterflap. En dat is het ook. Een boek vol onderwerpen (op alfabetische volgorde) met de meest bizarre, ongelofelijke en interessante feiten en feitjes aangaande de literaire wereld. Uiteraard ben ik dan in het bijzonder geïnteresseerd in de anekdoten rondom poëzie en dichters en daarin word ik niet teleurgesteld.

Zo is er bij het onderwerp Pinksterprijs het volgende te lezen: De dichter Gerrit Achterberg (1905-1962) kreeg slechtsgedicht, gedichten, dichtbundel, gedichtenbundel, poëziebundel,  geleidelijk aan literaire erkenning. ‘Toen in 1946 opnieuw een literaire prijs aan Achterberg voorbijging (de prijs van de Maatschappij voor Letterkunde werd toegewezen aan Ida Gerhardt, een feit waartegen Bertus Aafjes, Vasalis en Ed. Hoornik in Vrij Nederland protesteerden), besloot mr. Joan Th. Stakenburg, onder toejuiching van literaire vrienden aan een cafétafel van Reynders in Amsterdam, de eenmalige Pinksterprijs ( ƒ 1000,-) voor Achterberg in te stellen. De prijs werd toegekend voor de bundel ‘Radar’ en uitgever-boekverkoper Balkema stelde de gehele opbrengst ter beschikking van Achterberg’.

In de jaren hierna kreeg Achterberg de erkenning die hij verdiende. Zo ontving hij onder andere in 1949 de P.C. Hooft-prijs en in 1959 de Constantijn Huygens-prijs en wordt hij beschouwd als een van de belangrijkste dichters in de twintigste-eeuwse Nederlandse poëzie.

Uit de bundel ‘Radar’ komt het gedicht ‘Qualiteit’. Voor een analyse van het gedicht kijk je op deze website.

.

Qualiteit

.

Hebt gij volgorde nog
van boven naar beneden,
van links naar rechts, alsmede
totaalgetal en samenhang?
Bleven de maten even lang,
die ik op u heb aangebracht?
Zijt gij uzelf de eerste nog
en eenige, of alreede
zevende, negende, ongeacht
welk ranggetal in reeksen,
die u vermeesterden, in  ‘t zog
trokken der quantiteit …. en toch
hield gij daarin het teeken,
dat u bewaart en duidt tot in
verste verandering?

.

Nieuwjaarsdag

Robert Anker

.

Ik wil al mijn lezers en bezoekers van mijn poëzieblog een mooi, gelukkig en gezond 2023 wensen. Maak er een mooi poëtisch jaar van. Ik geef jullie alvast een zetje met het gedicht ‘Nieuwjaarsdag’ van Robert Anker (1946-2017) uit de bundel ‘Van het balkon’ uit 1983.

.

Nieuwjaarsdag

.

Bij Kwaad de dijk op deze keer.

Achter blijft een winters huis

met lege plekken, ouders

in een donker raam.

.

Ik wind mij langzaam los,

want vroeger trok men lijnen langs

natuur, maar zee als rechthoek

wordt gewenst, de bodem,

binnendijks in kaart gebracht.

Zo zakt dit landschap in mij weg

in donker dat het oog bereikt:

erfbeplanting, torenspit, het westen.

.

Dit is de luwte en de auto

zweeft maar even, schemer.

Na de schemer natrium,

om met de banden aan de grond

te raken, Holysloot voorbij,

de brug op, in de stad.

.

Het Stedelijk Museum.

.

Ik woon in een verlichte straat,

een bovenhuis, op toekomst ingericht,

vergeet ik thuiskomst en dat weet ik.

Hier.

.

Heimwee naar Kouwenaar

Dichter over dichter

.

In 2006 verscheen van Robert Anker (1946-2017) de bundel ‘Heimwee naar’, een bundel vol gedichten waarvan de titel allemaal begint met ‘Heimwee naar’. Heimwee naar schrijvers, dichters, kunst, muziekstukken, activiteiten en zelfs heimwee naar heimwee. Ik heb gekozen voor het gedicht ‘Heimwee naar Kouwenaar’ in het kader van dichters over dichters, waarin hij Gerrit Kouwenaar (1923-2014) beschrijft op een manier waarop je Kouwenaar opnieuw wil gaan lezen.

.

Heimwee naar Kouwenaar

.

Je staat vaak een langer been dan men hoopte

je huilt vaak een verder woord dan men drooghield

men wil een taal van fijne oliën en vetten die bevallige

verbeelding sticht die tokkelt op de blues men wil

zijn zomers niet tellen en een sneeuwpop die weer smelt

men wil jou eigen maken tot een mooie grijze rook

op het afgelegde veld als men langzaam gaat ontbreken

men wil jou niet en daarom breek je steeds het woord

dat het ze schendt en pijnigt en ten einde nog verzoent.

.

Droomreis

Dirk Kroon

.

Wanneer je op vakantie gaat hoop je een droomreis te maken (waarschijnlijk tegen beter weten in). Vakantiereisjes zijn eigenlijk nooit droomreisjes. Rotterdamse dichter Dirk Kroon (1946) schreef er een passend gedicht bij met als titel ‘Droomreis’. Het gedicht komt uit ‘Op de hoogte van de vogels’ uit 2017 maar stamt uit zijn bundel ‘Tweegesprek’ uit 1975.

.

Droomreis

.

Je komt door streken

waar geen god of goed mens

de weg zal wijzen.

.

De zon is een onzichtbare getuige.

Woeste bergketens sluiten zich aaneen,

je bent de eerste die niet kan ontkomen.

.

Je vlucht naar uitgestorven dorpen

waar ook de laatste sporen van verval zijn uitgewist.

Je weet niet meer in welke eeuw het is.

.

Je wordt niet gek,

je legt je wortels bloot.

Je maakt een droomreis door de dood.

.

 

Vervulling

Guillaume van der Graft

.

Dichter, schrijver en theoloog Willem Barnard (1920-2010) was als dichter vooral bekend onder het pseudoniem Guillaume van der Graft. Deze Rotterdammer debuteerde in 1946 met de bundel ‘In Exilio’ waarna nog verschillende bundels volgden. Na ‘Gedichten’ (1961) publiceerde hij voornamelijk essays, preken, liederen en studies. De bundel die ik in bezit heb is een mysterie, nergens kan ik vinden uit welk jaar deze bundel is. De bundel is getiteld ‘Gedichten’ en is uitgegeven door Uitgeversmaatschappij Holland – Haarlem en zelfs op ISBN nummer kan ik geen duidelijkheid krijgen over het jaar van uitgave.

Waarschijnlijk is de bundel uit begin jaren ’80 (gezien de uitvoering en grafische vormgeving). De eerste druk is van 1961 (ik heb een tweede druk) en daar wordt naar bundels en boeken verwezen uit 1969, mijn exemplaar moet dus van daarna zijn. Opvallend in het werk van Guillaume van der Graft is dat er in verschillende jaren ‘Verzamelde gedichten’ zijn uitgegeven.

In de bundel ‘Gedichten’ staan zo’n 150 gedichten, een keuze (volgens de tekst op de achterflap) uit zijn ‘vrije’ poëzie. Hiermee wordt denk ik bedoeld dat de gedichten niet vanuit een religieus oogpunt of thematiek zijn geschreven. Het liefdesgedicht dat ik uit deze bundel wil delen is dat in ieder geval niet.

.

Vervulling

.

Zij is vervuld van mij;

haar lichaam is gelukkig

en haar geluk belichaamd.

.

Ik leger mij opzij.

Het mijne is te nukkig.

Een geluk dat zich schaamt

.

om bloed en vlees te worden

verdicht zich wel in woorden

en die houden mij vrij:

.

wanneer ik niet genoeg van

haar houden kan, zij houdt

alles van mij geborgen.

.

Morgen is het weer vroeg, dan

ontbijten wij getrouwd.

Ontoegankelijk morgen.

.