Site-archief

Drie choreografieën

Willy Roggeman

.

In een uitgiftepunt van boeken, die mensen over hebben en niet bij het oud papier willen gooien (zo’n kastje aan de muur met de zeer misleidende titel Minibieb, maar dit terzijde), vond ik een vuistdikke verzamelbundel van de Vlaamse dichter Willy Roggeman met de titel ‘De gedichten’ 1953 – 2002. Eerst was ik nog even in verwarring, omdat ik dacht dat het hier een andere Vlaamse dichter betrof die ik wel ken, maar meteen wist ik, nee dit is een naam van een mij onbekende dichter.

Willy Roggeman (1934) is een bijzondere man en dichter. Hij was actief als leraar aan het secundair rijksonderwijs en aan het hoger niet-universitair rijksonderwijs, aan het Hoger Rijskinstituut voor Technisch Onderwijs en aan het Hoger Rijksinstituut voor Handel en Administratie met Normaalleergangen, allemaal in Vlaanderen. Daarnaast was hij schrijver, dichter en jazzmuzikant.

Roggeman werkte van 1953 tot 1976 aan een reeks boeken, die hij vanaf 1969 als een samenhangend, gesloten oeuvre opvatte, zijn ‘Opus finitum’. Van de 30 boeken waaruit deze reeks bestaat, zijn er 19 gepubliceerd. Van 1977 tot 2002 schreef hij zijn tweede opus onder de naam ‘Usque ad Finem’. De toon was reflectief en de schrijfdwang waaronder de werken in ‘Opus finitum’ geschreven werden, viel weg. Veel van dit werk werd nooit gepubliceerd. Van 2003 tot 2009 schreef hij zijn derde opus onder de naam ‘Post Opera Supplementa’. Hiermee sloot de auteur zijn literaire carrière af, al schreef hij in 2009-2010 nog 10 delen ‘Annex Documenta’ en 10 delen ‘Protocollen’.

Roggeman was redacteur van de tijdschriften ‘Tijd en Mens’ (1954-55), ‘Gard Sivik’ (1959-63) en ‘Komma’ (1964-68). Hij was ook criticus voor het dagblad ‘Vooruit’ (1955-1965). Zijn werk werd vele malen bekroond en Roggeman kreeg verschillende literaire prijzen voor zijn gedichten, essays en proza.

Wat mij meteen opviel toen ik in de bundel ‘De gedichten 1953-2002’ ging lezen, was dat zijn poëzie niet de toegankelijkste poëzie is die ik ken. In deze bundel zijn de drie genoemde opussen opgenomen die hij schreef tussen 1953 en het verschijnen van de bundel in 2004. Op de binnenflap van de bundel staat te lezen: In 1954 maakte Willy Roggeman zijn tijdschriftdebuut met een gedichtencyclus waarin Louis Paul Boon de opvolger van Paul van Ostaijen ontwaarde. Als centraal thema behandelen zijn werken allen het probleem van de artisticiteit. Roggeman ziet in de autonome kunst de enige mogelijkheid om aan de vulgaire, vormloze realiteit te ontsnappen. Het ‘Opus finitum’ bijvoorbeeld is moeilijk toegankelijk, omdat Roggeman geen concessies wil doen aan de lezer en zich vaak uitdrukt in een duister kunst-theoretische jargon. Dezelfde ervaring had ik bij het grootste deel van zijn werk in deze bundel.

In een recensie van de NBD staat over dit werk geschreven: “Die onwrikbare standvastigheid ( in zijn poëzie) hangt samen met het radicale modernisme dat de dichter voorstaat. Voor hem is literatuur een soort van laboratorium, waar alle onvermoede lagen van de taal worden aangeboord. Zijn verzen zijn dan ook pareltjes van zinsbouw, complexe beelden en samenstellingen, een veelheid aan betekenissen en betekenisraadsels, dat strak wordt samengebonden door een hechte formele structuur.” En: “Al die inspiratiebronnen worden in zijn werk, haast alchemistisch, versmolten tot een eigen taalcreatie. Het resultaat is een monumentale, maar tegelijk haast ondoorgrondelijke poëzie, waarbij ook de bedreven lezer algauw aan het duizelen gaat.”

En toch valt er veel te genieten als je de drang om meteen te begrijpen los laat en de taal die Roggeman gebruikt als op zich staande vorm van kunst tot je neemt. Verder zijn vele verwijzingen naar de meetkunde, wiskunde, de kunst en kunstwerken, muziek (klassiek en jazz) en het veelvuldig gebruik van Latijn en de Griekse mythologie (zijn inspiratiebronnen) in zijn werk opvallend. Zoals geschreven geen makkelijke poëzie maar ik heb uit het hoofdstuk ‘The Minimalist Encyclopedia’ het gedicht ‘Drie choreografieën’ gekozen dat volgens mij laat zien hoe Roggeman de taal benadert en toch goed leesbaar is.

.

Drie choreografieën

.

Dubbelgangers op het schaakbord

verschillen slechts in de kleur

van de angst. Zij groeten elkaar

in de wurggreep van het zwijgen.

.

Glaskralen rondom de enkels

maken de dans nog niet. Voeten

van aarde, vingers van lucht bepalen

van beweging eenheid en breuk

.

Koordvlechten ontslaat de heilige

niet van de spreidstand op het midden.

De beelden nemen hun beloop, adem

staat stil in de val van de teerling.

.

Personificatie

Dubbelgedicht

.

Vandaag in het dubbelgedicht geen twee gedichten over een zelfde onderwerp maar twee gedichten waarin beeldspraak of personificatie voorkomt. Personificatie is een vorm van beeldspraak waarbij de dichter menselijke eigenschappen of menselijk gedrag toekent aan abstracte begrippen of levenloze objecten.

In de twee volgende gedichten betreft het een klimop dat praat en bomen die tranen. Het eerste gedicht is van Martinus Nijhoff (1894-1953) en komt uit de bundel ‘Lees maar, er staat niet wat er staat’ een keuze uit de oorspronkelijke gedichten uit 1959. In mijn geval uit de 6e druk uit 1970. Het gedicht is getiteld ‘Het klimop’.

Het tweede gedicht is van Guido Gezelle (1830-1899) en komt uit de bundel ‘Bloemlezing uit Guido Gezelle’s gedichten’ uit 1904. In mijn geval de 10e druk uit 1940. Het gedicht is getiteld ‘Tranen’.

.

Het klimop

.

Als ik langs ’t ziekenhuis waar zij verpleegd werd loop,

het is niet omdat ik op haar opstanding hoop,

het is omdat het klimop hoger is gaan reiken

dat ik op ’t muurtje klim om door het hek te kijken.

.

Het is om het gebouw weer in de tuin te zien.

Ik ruik de rozen weer, ik ruik de creolien,

ik ga de trap weer op, ik loop door lege gangen,

ik kom weer voor de deur waar ’t bordje is omgehangen.

.

Maar tegelijk, o klimop, die mijn slaap beroert,

hebt gij mij naar een verre dag teruggevoerd.

Ik lig in een prieel, ik ben een zieke jongen,

en zij zit bij me en heeft ons lievelingslied gezongen.

.

‘Ik ga een deken halen, het wordt koud, mijn kind,’

zegt ze. Haar lichte stap verdwijnt over het grint.

En ik tel wachtende tussen de klimopblaren

de sterren die reeds aan de hemel flonkrend waren. –

.

‘Dromer’ zegt het klimop ‘kom van dat muurtje af,

ga heen en leg een deken op je moeders graf.

Zij moet het op den duur ontoegedekt koud krijgen

nu zij in ’t klimop ligt en de sterren ziet stijgen.’

.

Tranen

.

’t Is nevelkoud,
en, ’s halfvoornoens, nog
duister in de lanen;
de boomen, die ‘k
nog nauwelijks zien kan,
weenen dikke tranen.

.

’t En regent niet,
maar ’t zeevert… van die
fijngezichte, natte
schiervatbaarheid,
die stof gelijkt, en
wolke en wulle en watte.

.

’t Is aschgrauw al,
beneên, omhooge, in
’t veld en langs de lanen:
de boomen, die ‘k
nog nauwelijks zien kan,
weenen dikke tranen.

.

 

 

Clowns

Dubbelgedicht

.

Wanneer je poëziebundels leest kom je regelmatig gedichten tegen met dezelfde titel. Deze gedichten kunnen echter uit totaal verschillende tijden komen, in verschillende stijl zijn geschreven en heel verschillend zijn van inhoud of betekenis. Juist omdat een vergelijking tussen gedichten met dezelfde titel zo interessant is, is er de categorie Dubbel-gedichten.

Een nieuw voorbeeld van een dubbelgedicht zijn de onderstaande twee gedichten over clowns. Het eerste gedicht ‘Clowns’ is van de Tsjechische dichter Miroslav Holub (1923 – 1998) in een vertaling van Jana Beranová uit de bundel ‘Machine van woorden’ uit 1985.

Het tweede gedicht met de titel ‘Clown’ is van de dichter Martinus Nijhoff (1894 – 1953) genomen uit de bundel ‘Verzamelde gedichten’ uit 1975 maar voor het eerst gepubliceerd in de bundel ‘De wandelaar’ in 1916.

.

Clowns

.

Waar gaan de clowns naar toe?

.

Wat eten de clowns?

.

Waar slapen de clowns?

.

Wat doen de clowns,

wanneer niemand,

maar dan ook niemand meer lacht,

.

mamma?

.

.

Clown

.

Met blauw-papierenpijlen op mijn wangen

En op mijn hoofd een gele ster geplakt,

Blijf ik, terwijl een aap mijn handen pakt,

Onderste-boven aan een rekstok hangen.

.

Mijn meester wil de wereld vroolijk maken,

– ‘Satans Apostel’ noemt mij ’t aanplakbord –

En ’t volk, een optocht gekke pelgrims, wordt

Hierheen gestuurd, en ik moet het vermaken.

.

Het lacht om alles wat mijn waanzin doet,

Ik speel voor hond, voor mensch, voor olifant:

Ik blaf, ik schreeuw, ik daver met mijn snuit-

.

Laat in den nacht stroomt het de tent weer uit:

Ik leun op ’t plein, waar de lantaarn brandt,

Tegen den paal, en keur mijn daden goed.

.

Gedichten uit de Goelag

Varlam Sjalamov

.

De Russische schrijver en dichter Varlam Tichonovitsj Sjalamov  (1907 – 1982) werd geboren als zoon van een Russisch-orthodox priester en een lerares. Hij studeerde rechten in Moskou, was overtuigd tegenstander van het Stalin regime en sympathiseerde in die tijd met de linkse oppositie  geleid door Leo Trotski. In 1929 werd hij in een illegale drukkerij gearresteerd en voor drie jaar verbannen naar de Goelag. Na zijn terugkomst naar Moskou werkte hij van 1934 tot 1937 als journalist.

In 1937 werd hij in het kader van de grote zuivering opnieuw gearresteerd vanwege trotskisme en Sjalamov bracht na een nieuwe veroordeling zeventien jaar door in de kampen des doods van Kolyma in Siberië. In 1953 werd hem toegestaan terug te keren naar Europees Rusland. In 1956 werd hij onder Chroesjtsjov gerehabiliteerd. Vanaf 1957 verschenen van zijn eerste gedichten. Sjalamov is al eerder gedichten beginnen schrijven. Hij memoriseert zijn eigen dichtregels telkens wanneer hij van het werk naar het kamp terugkeert. Als hij op het einde van zijn gevangenschap als verpleger tewerkgesteld wordt schrijft hij op wat hij maar vindt: papieren zakken, kaftpapier etc.  Die aantekeningen werkt hij later uit. Naast zijn gedichten schrijft hij vooral korte verhalen, maar al snel kwamen zijn herinneringen aan de Goelag niet meer door de censuur (ze circuleerden in de jaren zestig alleen in Samizdat-uitgaven). Hoewel Sjalamov vooral bekend is door zijn laconieke en compacte kampverhalen is zijn poëzie ook zeker de moeite waard.

Hieronder het gedicht ‘De camee’  waarin een duidelijke verwijzing naar zijn  tijd in de kampen en hoe hij die heeft doorstaan, in een vertaling van Marja Wiebes en Margriet Berg uit ‘Spiegel van de Russische poëzie van de twaalfde eeuw tot heden’ uit 2000.

.

De camee

.

In ’t hellend vlak van berg en tijd

Sneed ik jouw beeld voor de eeuwigheid.

.

Betrouwbaarder dan een penseel

Zijn immers beitel en houweel.

.

In ’t land van mannen en van ijs,

Van vroege rimpels en vroeg grijs,

.

Heb ik dit vrouwelijk gelaat

Geschapen als een wanhoopsdaad.

.

Ik heb de rots met jouw portret,

Toen in een ring van sneeuw gezet,

.

En wolken om de ring gedaan

Om niet van weemoed te vergaan.

.

Zondag

Ed. Hoornik

.

“In prettige herinnering aan – en met hartelijke dank voor de goede zorgen gedurende de dagen van 11 september – 21 september 1953”. Dit is het eerste dat ik lees wanneer ik de bundel ‘Kleine dichterkeur’ een keuze uit verzen dezer eeuw, ingeleid en van een bio- en bibliografie voorzien door dr. W.L. Brandsma, uit 1950, open sla. Een tijd waarin mensen elkaar dichtbundels gaven als dank voor een verblijf bij anderen, misschien moeten we dat weer gaan invoeren in deze tijd.

Dezer eeuw, uit de ondertitel, moet natuurlijk gelezen worden als de eerste helft van de 20ste eeuw en dat is te zien aan de dichters die zijn opgenomen; stuk voor stuk geboren aan het einde van de 19e eeuw en het begin van de 20ste eeuw.

Lezend in deze bundel kom ik het gedicht ‘Zondag’ tegen en zittend in de tuin in de zon weet ik; dit is het gedicht dat ik vandaag, op zondag, met jullie wil delen. Het gedicht komt uit de bundel ‘Tweespalt’ uit 1943 van Ed. Hoornik (1910 – 1970).

.

Zondag

.

De zondagmorgen geurt naar brood en honing;

de vroege zon schijnt op het tafelkleed;

zij neuriet als zij het vertrek betreedt;

verwonderd staat zij in de eigen woning.

.

Een snelle fietser rijdt onder de bomen,

het nikkel blinkt nog als zij hem vergeet;

op ’t schone linnen staat ’t ontbijt gereed,

als zij de jongens uit de tuin ziet komen.

.

De heldere stemmen klinken door de gangen,

hoe heerlijk is de koelte van hun wangen,

zij staat te lachen om den wilden zoen.

.

De hond speelt keffend in het frisse groen;

de klokken luiden, een warm verlangen

maakt dat zij zingende het werk gaat doen.

.

 

Het einde

Lucebert

.

Bij het opruimen van mijn boekenkast (met de beperkte ruimte die ik he is het echt belangrijk om af en toe de boel opnieuw in te richten) kwam ik de bundel ”Poetry wereld’ 25 jaar Poetry International tegen. Het betreft hier het Poetry International programmaboek uit 1994. Altijd leuk en interessant om door heen te bladeren en te lezen welke dichters destijds werden geprogrammeerd.

In dit A4 grote programmaboek zat echter ook een losse brochure van 15 september 1994 (de geboortedag van Lucebert) van De Rode Hoed in samenwerking met de SLAA (Stichting Literaire Activiteiten Amsterdam) getiteld Hommage aan Lucebert. In deze 12 pagina’s bevattende zwart-wit brochure bestaande uit 3 gevouwen A4 velletjes staat naast het programma van die dag, gepresenteerd door Cox Hobbema met voordrachten van onder andere Simon Vinkenoog, Rudi Fuchs, H.H. ter Balkt en Frank Lodeizen, saxofoon improvisaties van Hans en Candy Dulfer, een poëzieconcert en een inleiding over drie korte films getiteld ‘Lucebert, tijd en afscheid’ van Johan van der Keuken, ook een groot aantal gedichten die Lucebert (1924 – 1994) schreef door de jaren heen.

Een van deze gedichten ‘Het einde’ komt uit de bundel ‘van de afgrond en de luchtmens’ uit 1953.

.

het einde

.

oud de tijd en vele vogels sneeuwen

in de leegte in de verte

wordt men moe en de stemmen

staan stijf om zelfs de zuiverste lippen

.

ruw en laag wandelt de regen

waarheen zijn de lichte dagen gegaan

waar zijn de wolken gebleven

alles is stom en van steen

.

alleen die in zijn engte de elementen telde

buigend bevend als geselslagen

geeft het laatste geluid: het lied

heeft het eeuwige leven

.

Het boek

Muus Jacobse

.

Nu uit onderzoek blijkt dat maar liefst 61% van de Nederlanders aangeeft in tijden van thuiszitten vooral te gaan lezen, geef ik graag wat leestips. Degene die mij een beetje kennen weten dat ik niet voor de bekende boeken en de bekende schrijvers (in mijn geval dichters) ga. Ik wil juist die dichters onder de aandacht brengen die we misschien zijn vergeten. Daarom in de categorie (bijna) vergeten dichters vandaag de dichter Muus Jacobse.

Muus Jacobse was het pseudoniem van Klaas Hanzen Heeroma (1909-1972). Heeroma was dichter en taalkundige. Heeroma werd in 1936 benoemd tot medewerker aan het Woordenboek der Nederlandsche taal te Leiden, waar hij bleef werken tot zijn benoeming in 1948 tot hoogleraar in de Nederlandse taal- en letterkunde aan de Universiteit van Indonesië in Djakarta. In 1953 werd hij benoemd tot hoogleraar in de Nedersaksische taal- en letterkunde in Groningen. In 1952/1953 was hij een van de dichters die op de Pietersberg in Oosterbeek ging werken aan een nieuwe psalmberijming.

In de bundel ‘Het landvolk’ Oosterbeekse gedichten, met daarin gedichten van de dichtende medewerkers aan de nieuwe psalmberijming, uit 1958 staat het gedicht ‘Het boek’. Dit gedicht gaat over zijn werk voor de nieuwe psalmberijming maar is toch ook voor niet gelovigen goed te lezen.

.

Het boek

.

Het Woord van het begin

Sluit alle woorden samen.

Zij zeggen ja en amen

En krijgen slot en zin.

.

God heeft zegen en vloek

Van de dood en het leven

Eens voor al opgeschreven.

God is een open boek.

.

En ik begrijp vaak niet,

Als ik zijn held’re geheimen

Moet navertellen in rijmen,

Wat Hij daar nog in ziet.

.

It’s my birthday!

Na het feest

.

Op de dag dag ik verjaar wilde ik graag een feestelijk gedicht plaatsen. In mijn zoektocht (geloof me, het is niet zo eenvoudig een feestgedicht te vinden, gedichten over zware onderwerpen zat maar feestelijke gedichten..) naar een passend gedicht kwam ik ‘Na het feest’ tegen. Een gedicht van Pierre Kemp over het gevoel na het feest, wanneer het feest nog nazingt en iedereen nog in een goede stemming is.

Dat gevoel komt dichtbij het gevoel van het feest zelf en is misschien, in sommige opzichten, nog wel fijner dan het feestgevoel zelf. Het gedicht ‘Na het feest’ komt uit ‘Een bloemlezing uit zijn kleine liederen’ uit 1953.

.

Na het feest

.

De kleinste mensen gaan tussen de grote

met het speelgoed van hun ogen.

Er slapen ook zulke vette bloemen in de sloten

en de takken waren zo blauw toen de maan

aan de andere kant van dat huis ging staan.

In héél dit zacht delirium

van nacht en fruit en bloem

klinkt dof een weggedragen trom.

.

Begin van het einde van een regime

Ion Monoran

.

Op 16 december 1989 was het dertig jaar geleden, dat de revolutie tegen Ceaușesc ontketend werd in Timisoara, Roemenie. Ik herinner me dit nog goed, ik had in die periode een boek gelezen over het bizarre regime van Ceaușesc. Via collega dichter Serge van Duijnhoven ontving ik informatie over de dichter die de val van het Ceaușesc regime in gang zette. Uit een bericht op zijn website https://sergevanduijnhoven.wordpress.com/ : Een moedige dissidente dichter genaamd Ion Monoran, had de euvele moed een trolleybus te kapen. En met zijn verzen op te roepen op te staan tegen het “Genie van de Karpaten” en diens misdadige ultra-communistische regime. Binnen een dag leidde de pop-up opstand van Monoran tot veertig doden die voor de kathedraal van Timisoara werden neergeschoten door de Securitate en een dag later verbrand op last van Elena Ceaușesc in Boekarest. De rest is geschiedenis.

Ion Monoran (1953–1993) werd geboren in het dorp Petroman in Timis, Roemenië. Hij was journalist, dichter en uitgever. Zijn eerste gedichten werden in 1976 gepubliceerd in het tijdschrift Forum studenţesc. Hij gaf les in de literaire kring ‘Pavel Dan’ van het Studenten Cultuurhuis in Timişoara en hij werkte samen met en publiceerde in de literaire tijdschriften Orizont, Amfiteatru, Echinox en Luceafărul. Geen van zijn boeken zijn tijdens zijn leven gepubliceerd. Monoran was een icoon onder de Boheemse kunstenaars van Timişoara en werd een culturele held na de revolutie. Zijn prijzen zijn onder andere de Orizont-tijdschrift Poëzieprijs (1987), de Nichita Stănescu-prijs voor hedendaagse poëzie (1987), de prijs voor literaire creatie (Satu Mare, 1987) en de Literaire Unie Debuutprijs. Voor zijn werk, Locus periucundus, werd hij geëerd door de gemeente Timișoara door hem ereburger te maken.

Na zijn dood werd Monoran pas gepubliceerd in een poëziebundel. Deze bundel ‘Locus Periucundus’ bevat gedichten uit de periode 1975-1989. Deze biografische poëzie geeft de impulsieve, abrupte en vaak tegenstrijdige teksten van Monoran de ervaring van een ‘vrije geest’. Uit deze bundel het gedicht ‘Locus Periucundus (1)’ (wat zoveel betekent als (tweede) Kamer voor meineed in het Latijn). In een vertaling van Marius Surleac en Marc Vincenz.

..

Locus Periucundus (I)

.

Before
becoming a village
this cluster of ruins
gently sloped beneath the trees, beneath bending
boughs, so that from place to place
fragments of wall peer out of the foliage,
a clutter of refuse
collapses into silence,
interrupted only by the murmur of countless
flowing streams
on winding narrow streets
and by the chatter of villagers
or the wide-eyed, ignorant
shepherds
menacingly dangling their clubs
above the hill’s crest,
behind their herds,
and among the brambles and blackberries
that impede the ewes’ ascent.

.

It is essential
to venture up there
amid the vineyards dull and bright,
to admire the hills
bombarded with rural echoes,
and to roam the dung-speckled grasslands
to reach
these Loci Periucundi
as Pliny would say—
places infused with the mysterious
presence of spirits
which give you an unsettling feeling
even when they are spelled out on paper,
not to mention to encounter them here
frightening and cheerful,
throbbing
in a slow affected ostentation
on the muddy footpaths shaded by thickets
from which curious news arrives
in light and shadow,
sweetened by bird song
or muffled by a profusion
of serpentine creeper vines
winding through trees.

.

Time
perfected
this green daedal country
dominated
by the language of birds and flowers,
a country prepared to take back its fauns and satyrs
concealed in the rocks
overgrown with ferns and wild roses—
as if designed in mad disarray
by a frivolous gardener
and in chaotic succession,
as if especially intended for lovers
seeking a hidden place for love.

.

In these places,
ruling for millennia,
hawk, bat, or cuckoo
have fulfilled their roles as augurs,
as angels and archangels, but now
hang as simple decorations
or as red penalty cards,
torn apart by weather and neglect.
.
Despite
the urgency of this beautiful,
almost Rousseauian spontaneity,
churches still loom
abundantly
in the oppressive religiosity
of the peasants
who, notwithstanding their kindness and courtesy,
are more renowned
for the quality of their wines and brandy
than any worship of saints
or their practice of the Mysteries
dedicated to Zamolxis or Dionysus.
.
The peasants are simple,
a living material
of farmers or miners or shepherds
and live their lives in these villages
built from these high walls and rubble—
rather more medieval than ancient.
And only my imagination
helps me see them
dissolve into the dream-light of an antiquity
that swarms everywhere,
reviving from these stones
with uncertain meaning,
the great towers of an almighty
Dacian stronghold,
which, in their long-lasting wanderings,
the Romans besieged.

.

Rock & Roll dichter

Dylan Thomas

.

De uit Wales afkomstige dichter en schrijver Dylan Marlais Thomas (1914 – 1953) wordt algemeen beschouwd als een van de belangrijkste dichters van de 20e eeuw. In 1934 debuteerde hij met de bundel ’18 Poems’. Kenmerkend voor de poëzie in zijn debuut zijn het gebruik van alliteratie, binnenrijm en sprung rhythm, een door de Engelse dichter Gerard Manley Hopkins (1844-1889) geïntroduceerde benaming voor een gecompliceerd metrisch systeem. Om de gewone spraak te imiteren wordt de eerste lettergreep van een versvoet beklemtoond, waarna in de versregel een variërend aantal onbeklemtoonde lettergrepen volgen.

De grote doorbraak naar internationale roem kwam er met de bundel ‘Death and Entrances’ (1946).Thomas was een non-conformist: hij dronk veel te veel, hield zich niet aan afspraken, kleedde zich als een bohemien. Stuk voor stuk zaken die volgens hem beantwoordden aan het beeld van een dichter. Ook na zijn huwelijk met Caitlin Macnamara verandert dit niet. Macnamara was zelf een zwaar drinker en geldproblemen, drankproblemen en ruzies waren aan de orde van de dag. De terugkerende thema’s in zijn poëzie zijn leven, dood, nostalgie en het verlies van onschuld.

De grote doorbraak naar internationale roem kwam er met de bundel ‘Death and Entrances’ (1946). Onder andere omdat de geldnood bleef aanhouden, trok Thomas in 1950 naar Amerika om er voorleessessies te geven. Zijn volledige honorarium ging echter op aan drank. Samen met zijn vrouw Caitlin vertrekt hij in 1952 voor de tweede maal naar Amerika, waar hij dit keer bomvolle zalen trok met zijn voorleessessies. Het succes was enorm. Na deze tournee bezocht hij de VS nog enkele keren, maar hij kwam nauwelijks nog aan schrijven toe. In 1953 trekt hij opnieuw naar de Verenigde Staten en verblijft daar in het ‘beroemde’Chelsea hotel in New York. ˜Daar overlijdt hij aan, wat wordt aangenomen, een combinatie van teveel drank en suikerziekte. Hij raakt in een coma en sterft op 9 november van dat jaar.

Dylan Thomas heeft grote invloed op dichters maar ook op musici. Zo wilde John Lennon absoluut zijn beeltenis op de hoes van Sgt. Pepper’s Lonely Hearts Club Band omdat de dichter een grote invloed had op zijn eigen teksten. De naam ‘Dylan’ is van invloed geweest op de keuze van zijn nieuwe naam door zanger Bob Dylan, die als Robert Zimmerman is geboren.

In de fijne bundel ‘Read me: a poem for everyday of the year’ is Dylan Thomas uiteraard ook opgenomen. In deze bundel uit 2018 staat onder andere het gedicht ‘The Song of the mischievous Dog’.

.

The Song of the Mischievous Dog

.

There are many who say that a dog has its day,

And a cat  has a number of lives;

There are others who think that a lobster is pink,

And that bees never work in their hives.

There are fewer, of course, who insist that a horse

Has a horn and two humps on its head,

And a fellow who jests that a mare can build nests

Is as rare as a donkey that’s red.

Yet in spite of all this, I have moments of bliss,

For I cherish a passion for bones,

And though doubtful of biscuit, I’m willing to risk it,

And I love to chase rabbits and stones.

But my greatest delight is to take a good bite

At a calf that is plump and delicious;

And if I indulge in a bite at a bulge,

Let’s hope you won’t think me too vicious.

.