Site-archief

Zachtheid

Sylvia Plath

.

Met enige regelmaat pak ik dichtbundels uit mijn kast. Om een gedicht te zoeken, om te genieten van wat een dichter heeft geschreven, om inspiratie op te doen of om in de categorie Uit mijn boekenkast verrassende gedichten te delen. Een van de bundels die ik met enige regelmaat ter hand neem is ‘Ariel‘ uitgegeven in 1965 van Sylvia Plath (1932-1963). Plath neemt een bijzondere plaats in in het poëtisch landschap wat mij betreft; een leven met een biploaire stoornis, een romance met Ted Hughes (prachtig beschreven in de roman ‘Jij zegt het‘ van Connie Palmen) en natuurlijk haar zelfmoord.

Lezend in de bundel bleef ik ‘hangen’ bij het gedicht ‘Zachtheid’. Allereerst omdat het (in de vertaling van Anneke Brassinga) zo’n prachtig gedicht is maar ook omdat het gedicht me doet denken aan alle ellende in de wereld, de oorlogen, de onverdraagzaamheid, de polarisatie. Dan is een gedicht als ‘Zachtheid’ een fluwelen pleister voor de ziel.

.

Zachtheid

.

Zachtheid schuifelt door mijn huis.

Vrouwe Zachtheid, zij is zo lief!

De blauwe en rode stenen van haar ringen

Doen de ramen beslaan, de spiegels

Zijn vol van haar glimlach.

.

Wat is echter dan de kreet van een kind?

Het krijsen van konijnen mag dan wilder zijn,

Maar een ziel heeft het niet.

Suiker geneest alles, zegt Zachtheid.

Suiker, broodnodige vloeistof,

.

De kristallen een klein compres.

O zachtheid, zachtheid,

zo zoetjes raapt zij de scherven!

Mijn Japans zijden gewaden, wanhopige vlinders,

Kunnen ieder moment worden opgeprikt, bedwelmd.

.

En daar kom jij, met een kop thee

In sluiers van stoom.

De bloedfontein is poëzie,

Niet te stelpen.

Twee kinderen reik je mij, twee rozen.

.

 

De keizer van het roomijs

Wallace Stevens

.

De Amerikaanse dichter Wallace Stevens (1879-1955) is geen onbekende op dit blog. Zijn naam wordt genoemd bij berichten over metafysische poëzie, en dichters als Adrienne Rich (1929 – 2012) en Naomi Shihab Nye (1952). Maar tot een blogbericht over deze Amerikaanse modernistische dichter is het (nog) niet gekomen. Daar komt vandaag verandering in.

Wallace Stevens studeerde aan Harvard en vervolgens aan de New York Law School , en bracht het grootste deel van zijn leven door als leidinggevende bij een verzekeringsmaatschappij. Zijn eerste gedichten schrijft hij in die periode in zijn vrije tijd. In 1923 publiceert hij  ‘Harmonium’, gevolgd door een licht herziene en aangepaste tweede editie in 1930. Hierna verschijnen onder andere ‘Ideas of Order’ (1933),  en ‘Transport to Summer’ (1947). In de laatste jaren van zijn leven verschijnen nog ‘The Auroras of Autumn ‘(1950) en  ‘The Collected Poems of Wallace Stevens’ (1954). In totaal verschijnen er bij leven zeven bundels van zijn hand.

Veel van zijn gedichten behandelen de kunst van het maken van kunst en in het bijzonder poëzie. Zijn ‘Collected Poems’ (1954) won in 1955 de Pulitzerprijs voor poëzie. Zijn biograaf noemt als filosofen-dichters waarmee Stevens zich mag meten  Ezra Pound (1885-1972), T.S. Eliot (1888-1965) en  John Milton (1608-1674). E.E. Cummings (1894-1962) wordt door deze biograaf ‘een schaduw van een dichter’ genoemd. Zo zie je maar dat ook biografen het heel erg bij het verkeerde eind kunnen hebben.

Uit de bundel ‘Vir die bysiende leser / Voor de bijziende lezer’ uit 2000 in een vertaling van Tom van de Voorde hier het gedicht ‘De Keizer van het Roomijs’ of The Emperor of Ice-Cream’ zoals de Engelse titel luidt.

.

De Keizer van het Roomijs

.

Roep de man die dikke sigaren rolt,

Die met al zijn spieren, en zeg hem klop

Ritse klodders room in keukenkommen op.

Laat de deernen dreutelen in het soort kleren

Dat zij gewoon zijn te dragen, en laat de jongens

Bloemen brengen in de kranten van verleden maand.

Laat zijn finale zijn van schijn.

Alleen de keizer van het roomijs kan keizer zijn.

.

Haal uit het dennenhouten dressoir,

Dat drie glazen knoppen mist, het laken

Waarop ze ooit paustaartjes borduurde

En vouw het zo open dat haar gezicht is bedekt.

Als haar eeltige voeten er onder uitsteken, komen z\e

Tonen hoe koud ze is, en stom.

Zorg dat de lamp haar goed beschijnt.

Alleen de keizer van het roomijs kan de keizer zijn.

.

Dichter bij Achterberg

Simon Vinkenoog

.

Over de dichter Gerrit Achterberg (1905-1962) heb ik al vele malen geschreven op dit blog. In de categorie Dichter over dichter schreven al verschillende dichters een gedicht over deze toch wel omstreden dichter (hij kreeg 16 jaar TBS voor de moord op zijn hospita en de aanranding van haar dochter en hij verbleef meer dan vijf jaar in diverse forensisch psychiatrische inrichtingen), kwam hij in de categorie Dubbelgedicht terug en ook over zijn werk schreef ik meerdere malen.

In 1965 verscheen voor de eerste keer de bundel ‘Dichter bij Achterberg’ samengesteld door Wim Hazeu bij Nijgh & Van Ditmar. Mijn editie is een tweede gewijzigde druk uit 1981. In deze bundel staan maar liefst meer dan vijftig gedichten van Nederlandse en Vlaamse dichters, gewijd aan Gerrit Achterberg. Dat Achterberg niet alleen door tijdgenoten bewonderd werd als dichter (hij ontving onder andere in 1949 de P.C. Hooft-prijs en in 1959 de Constantijn Huygens-prijs en wordt hij beschouwd als een van de belangrijkste dichters in de twintigste-eeuwse Nederlandse poëzie) maar ook door dichters uit latere generaties blijkt uit de bijdragen in deze bundel; van Roland Holst, Mok, Vroman en Polet tot Lucebert, Büch en Vinkenoog. Allemaal schreven ze een gedicht over deze bijzondere dichter.

Achterin de  bundel staan vele pagina’s noten met verwijzingen naar artikelen die geschreven zijn over Gerrit Achterger en informatie over de deelnemende dichters.

Volledig willekeurig en alleen maar omdat het vandaag zondag is, koos ik voor het gedicht ‘Zondag’ van Simon Vinkenoog (1928-2009) dat eerder verscheen in zijn bundel ‘Wondkoorts’ uit 1950.

.

Zondag 

Voor Gerrit Achterberg

 

zesmaal de reis om het vers

in evenveel dagen

wakkerworden en de pijn

niet langer kunnen verdragen

.

zandloper woestijn

leeg – het glas gebroken

.

rijmpijn woordenwijn

vrij van de rust der zondagen

te zijn

en voortijds op jacht

naar het laatste woord

.

geen letter gelezen

geen bede verhoord

.

Bart Meuleman

omdat ik ziek werd

.

Vandaag sta ik voor mijn boekenkast en pak ik van de onderste plank dit keer, zonder te kijken een bundel. Het is de bundel ‘omdat ik ziek werd’ van de Vlaamse schrijver, toneelschrijver, regisseur, essayist en dichter Bart Meuleman (1965) uit 2008. Opnieuw zonder te kijken open ik de bundel en daar lees ik het gedicht zonder titel met de intrigerende beginregel ‘zoals een vrouw, die overloopt van melk en liefde’. Dat gedicht wil ik hierbij met jullie delen.

Bart Meulemans publiceerde drie dichtbundels. In 2002 was hij writer in residence voor het literaire tijdschrift Yang. Voor zijn dichtbundel ‘Hulp’ ontving hij in 2004 het Charlotte Köhler Stipendium en werd hij genomineerd voor de VSB Poëzieprijs. Zijn volgende bundel ‘omdat ik ziek werd’, kreeg nominaties voor onder andere de VSB Poëzieprijs en de Herman de Coninckprijs en zijn vooralsnog laatste bundel is uit 2015 en getiteld ‘Mijn soort muziek’

.

zoals een vrouw, die overloopt van melk en liefde

haar linkerhand naar een kussen brengt,

in die gedachte wil ik afscheid nemen.

.

overschouwend nog één enkele keer. uitsluitend

zachte gewassen.

.

niet het lichaam, de asse.

.

Villon vervolgd

Rondeel

.

Vandaag sta ik voor mij boekenkast en pakte ik, zonder te kijken, de bundel ‘Villon vervolgd’ Bargoense en apocriefe verzen van François Villon Nederlands van Ernst van Altena, uitgegeven 1985. Voor de oorspronkelijke vertaling van de ‘Verzamelde gedichten’ van François Villon ontving Ernst van Altena in 1965 de Martinus Nijhoffprijs voor de beste vertaling. In deze heruitgave uit 1985 zijn ook de 12 balladen in het Bargoens of roverlatijn toegevoegd.

Ik opende de bundel zonder te kijken en kwam op pagina 119 uit en daar staat het gedicht ‘VI. Rondeel’ waarin François Villon (1431/1432 – na 1463)  zijn liefde (en de daarbij behorende frustratie wanneer die liefde niet wordt beantwoord) voor een onbereikbare vrouw beschrijft.

.

VI. Rondeel

.

Als liefde dit is, kan ’t mij niet bekoren;

Ik dien een vrouw die hoogst welgeboren

bevredigen zou aan hof of kanselarij.

En ik bemin haar zeer, maar niet zij mij.

Dies roem ik haar hier niet met rode oren.

.

Hoezeer haar lijf in schoonheid ook mag gloren,

mijn ode aan haar dien ik hier nu te smoren,

neem ’t me niet kwalijk, maar het is voorbij:

als liefde dit is, kan ’t mij niet bekoren.

.

Als ik haar zeg, dat ik slechts naar behoren

met hart en ziel aan haar wil toebehoren,

wijst ze me af en zonder medelij.

Dus weet ik wat te doen nu met die prij:

ze raakt mijn spel en erewoord verloren.

Als liefde dit is, kan ’t mij niet bekoren.

.

Bibliotheekleven

Pierre Kemp

.

In 2017 verscheen de bundel ‘Het regent in de trompetten’ de mooiste gedichten van Pierre Kemp (1886-1967). Wiel Kusters en Ingrid Wijk maakten een keuze uit het werk van Kemp en zij kozen voor een thematische ordening van de gedichten. Er zijn gedichten opgenomen over het verlangen, de vrouw, licht en kleuren, klank en muziek, planten en dieren, nacht en dromen, stad en land, ouderdom en dood, maar ook over kind zijn op latere leeftijd.

Pierre Kemp (1886–1967) werkte jarenlang als schilder, voordat hij in 1914 zijn eerste gedichten publiceerde in de bundel ‘Het wondere lied’. Hij brak pas echt goed met de bundel ‘Stabielen en passanten’ (1934) toen hij al bijna vijftig was. Kemp publiceerde vervolgens nog ruim tien bundels, in sommige speelden kleur en verf een belangrijke rol zoals ‘Engelse verfdoos’ (1956), ‘Vijf families en één poederblauw’ (1958). Hij ontving voor zijn werk de Constantijn Huygensprijs 1956 en in 1959 werd hem de P.C. Hooftprijs uitgereikt. Twee jaar voor zijn dood verscheen zijn laatste bundel, ‘Perzische suite’ (1965). Zijn Verzameld werk (drie delen) verscheen in 1976.

En in 2017 werd zijn poëzie dus opnieuw gebundeld. In deze verzamelbundel staat het gedicht ‘Bibliotheekleven’. En aangezien ik mijn leven heb gewijd aan de bibliotheek (inmiddels al meer dan 40 jaar werk in in bibliotheken) mag het geen verrassing zijn dat ik juist voor dit gedicht koos om hier met jullie te delen.

.

Bibliotheekleven

.

Zo nu en dan leg ik die prinses op haar rug.

Zij kijkt mij daar dankbaar voor aan

en zegt: doe mij nu niet meer te vlug

weer blijven staan.

.

Ik weet het en al bent u niet van vlees en doek,

u staat toch in mijn adelsboek.

.

Weet je dus werkelijk wie ik ben?

.

Of ik niet alle prinsessen op de erwten ken.

.

 

Formule 1

Frank van Pamelen

.

Voor mijn boekenkast sta ik en zonder te kijken maar door hoog te reiken pak ik een willekeurige dichtbundel van een plank. Het blijkt de bundel ‘Dat lijkt warempel sandelhout‘ van Frank van Pamelen (1965) uit 2003 te zijn. Ik open een willekeurige bladzijde en daar op pagina 71 lees ik het gedicht ‘Formule 1’. Nu weet ik dat er hele volksstammen fan zijn van de Formule 1 en dan vooral van Max Verstappen maar ik heb er niet zoveel mee. Ik begrijp van Pamelen wel.

.

Formule 1

.

De autoracerij dat is geen sport

Waarvan ik denk: Dat zou ik ook wel willen

Een beetje in zo’n koekblik zitten trillen

Terwijl je langs reclameborden snort

.

Daar zit je dan, volledig vastgesjord

Een sloot fossiele brandstof te verspillen

De autoracerij dat is geen sport

Waarvan ik denk: Dat zou ik ook wel willen

.

Wat moet je in zo’n opgevoerde Ford

Nou stoer staan doen met helmen en met brillen

Terwijl je zittend op je luie billen

Door páárdenkrachten aangedreven wordt?

De autoracerij dat is geen sport

.

Hij moet bij mij zijn

Najaarseditie MUGzine

.

In oktober verschijnt de nieuwe MUGzine, editie 29 alweer en ik zal de komende weken elke keer een nieuwe naam noemen van een dichter die in deze editie met poëzie is vertegenwoordigd. In ieder geval kan ik de kunstenaar al prijsgeven. Dit is de IJslandse kunstenares Ragnhildur Jóhanns (1977). Zij heeft al vele tentoonstellingen gehad in IJsland maar ook in Litouwen en het Verenigd Koninkrijk.

De eerste dichter die ik kan vrijgeven is Sylvia Hubers (1965). In haar werk verkent zij het grensgebied tussen proza en poëzie. In 2003 debuteerde ze met de dichtbundel ‘Men zegt liefde’. Daarop volgden acht bundels poëzie, prozagedichten en zeer kort proza. Haar laatste bundel ‘Aanraken!’ kwam uit in 2022. Van 2009 tot 2013 was ze stadsdichter van Haarlem en ze maakt naast boeken en bundels ook poëzie ansichtkaarten.

Natuurlijk plaats ik hier alvast een voorproefje van de poëzie van Sylvia. Uit haar debuutbundel ‘Men zegt liefde’ het gedicht ‘Hij moet bij mij zijn’.

.

Hij moet bij mij zijn

.

Hij moet bij mij zijn
hij moet mij lezen
zijn hand op me leggen
me terugtrekken
uit het land van de doden.

Hij moet bij me zijn
hij moet zich over me uitspreiden
hij moet glimlachen
wanneer ik niet meer wil
hij moet applaudiseren.

Hij moet bij mij zijn
steeds als ik de deur open doe
moet ik zijn neus zien
die groot is uitgevallen

– veel te grote neus
voor zo’n kleine kerel –

toch moet hij bij mij zijn

.

 

Jana Beranová krijgt Anna Blaman Prijs

Jana Beranová

.

Gisteren is bekend geworden dat dichter, schrijver en vertaler Jana Beranová (1932) de Anna Blaman Prijs 2025 krijgt. De Anna Blaman Prijs is de bekroning van een waardevol auteurschap in en voor Rotterdam en daarmee de bevordering van het literaire klimaat in Rotterdam en omgeving. Alleen schrijvers die wonen of werken in de regio Rotterdam of op een andere manier nauw verbonden zijn met de stad, komen in aanmerking voor de prijs. De oeuvreprijs wordt één keer per drie jaar uitgereikt in het stadhuis van Rotterdam. De prijs is een initiatief van de Anjerstichting, de voorloper van het Prins Bernhard Cultuurfonds, en werd in 1965 ingesteld. In 1966 werd de prijs voor het eerst uitgereikt. De Anna Blaman Prijs is sinds 2015 eigendom van Passionate Bulkboek.

Rotterdamse schrijvers en dichters die de prijs eerder kregen (de zogenaamde laureaten) waren onder andere Bob den Uyl, Jules Deelder, C.B. Vaandrager, Frank Koenegracht, Jan Eijkelboom, Hester Knibbe, Rien Vroegindeweij, Anne Vegter en Ester Naomi Perquin.

De jury van de Anna Blaman Prijs 2025 bestaat uit juryvoorzitter Wim Pijbes (directeur stichting Droom en Daad), Diana Chin-A-Fat (directeur Poetry International), Alek Dabrowski (redacteur poëzietijdschrift Awater), Diewertje Mertens (literatuurcritica) en Renée dan Breems (hoofd Leesbevordering & advies Passionate Bulkboek). De prijs wordt overhandigd aan Jana op 28 november 2025 door burgemeester Schouten in de Burgerzaal van het stadhuis van Rotterdam. Naast een bokaal bestaat de prijs uit een geldbedrag van € 15.000.

Ik ken Jana al lang en heb op verschillende momenten met haar samengewerkt (MUGzine, poëziepodia), voorgedragen (onder andere een gedicht bij de begrafenis van dichter Pero Senda), was ze juryvoorzitter van de eerste poëziewedstrijd van poëziestichting Ongehoord! en ik mocht jurylid zijn van de prijs die haar naam draagt, de Jana Beranováprijs.. Ik kan me geen betere prijswinnaar bedenken voor deze Rotterdamse prijs dan zij.

In 2001 schreef het gedicht ‘Zonder bagage’ voor het project Beelden in vervoering in het kader van Rotterdam Culturele hoofdstad 2001, bij het beeld ‘Lost Luggage Depot’ van Jeff Wall naast Hotel New York in Rotterdam. Met dit monument symboliseert kunstenaar Jeff Wall de emigranten, die begin vorige eeuw naar Amerika vertrokken. Het gedicht staat ook in haar bundel ‘Tussen aarde en hemel’ uit 2002.

.

Zonder bagage

 

Ik heb een roofdierhart en roofdiermond,
verorber land na land, elk moment is
het moment voor de sprong.
Ik knoop tijd aan elkaar.
Hoe het komt?

De grens, klemvast, was een ver geheim.
Het was nacht, de maan was rood.
De hoge heuvel sleepte stenen aan
waar ’t licht afdroop als
afscheidstranen. Het gevaar
verbond de wond.
We liepen.
De bergkam had
gaten in zijn tanden en het kind
vleugels op haar rug:
schooltasje, foto van de klas,
krabbel van de eerste liefde.

De mens is een bundel
verzwegen verhalen, klaar om
op te stijgen, uit te varen,
verstoppertje te spelen, alleen
tijdelijk in een haven.
Daar
zoek ik weleens tussen sleetse
koffers, reistassen en andere bagage
het schooltasje terug. De eerste
verte. Hoe ik dat doe?

Ik leg me op de grond en vouw me
op tot een pakketje. Verloren maar
vrij om te gaan als de maan
zich schurkt tegen de havenkade.

.

Aanraken

Sylvia Hubers

.

een van de laatste keren dat ik een bericht schreef over dichter Sylvia Hubers (1965) was naar aanleiding van het gedicht dat ze voordroeg tijdens de opening van de Haarlemse Dichtlijn in 2019. Daarna volgde nog een keer een gedicht van haar in een blog over het schrijven van poëzie. Toch heeft Sylvia niet stil gezeten. In 2003 debuteerde ze met de dichtbundel ‘Men zegt liefde’. Daarop volgden acht bundels poëzie en de laatste in de rij is van 2022 getiteld ‘Aanraken!’.

In honderddrieënveertig prozagedichten of poëtisch proza (ze deden me erg denken aan de prozagedichten van Nyk de Vries) voeren de lezer langs tactiele avonturen, gemiste knuffels, welriekende mannen, ongelukkige neuzen, eenzame handen, heupen die zich onbespied wanen, levensangst, liefdesdrift, beneveling op de Dag des Oordeels en de ontbrekende schakel tussen broek en rok.

Sylvia Hubers was van 2009 tot 2013 stadsdichter van Haarlem en schrijft naast gedichten dus ook prozagedichten en kort proza. Haar bundel microproza ‘Wat als we niet waren betoverd’ werd genomineerd voor de Halewijnprijs & Reynaert Trofee.

Uit haar laatste bundel ‘Aanraken!’ komt het gedicht ‘Kleine daden’.2003,

.

Kleine daden

.

Sta stil. Laat me je lieven. Loop door. Raak me niet aan met je ogen. Ook niet met die in je rug. Draai je om. Kijk me recht. Voeg je toe. Lief me. Hou rechts aan. Verlaat me van voren. Doe niks. Verhoog de feestvreugde – oh wat zeg ik nu weer. Verhoog het soortelijk gewicht van je bereidheid. Laat niet af. Bouw een haag van kleine, veelbetekenende daden om me heen.

.