Site-archief

La petit mort

Gijs ter Haar

.

In de nieuwe MUGzine #24 staan weer een aantal prachtige dichters. De nieuwe MUGzine verschijnt op 20  oktober en één van de dichters is Gijs ter Haar (1963). Ik ken Gijs al lang heb erg fijne herinneringen aan de keren dat we samen een podium deelde zoals bijvoorbeeld tijdens Dichter bij de bar in Delft in 2014. Ik ben dan ook heel blij dat hij een prachtig gedicht heeft aangeleverd voor MUGzine.

Mocht je nu denken ‘Die wil ik ook! en liefst op papier, word dan donateur van MUGzine. Stuur een mail naar mugazines@yahoo.com of lees op de website meer. Als je niet tot 20 oktober kan wachten hier alvast een prachtig erotisch sonnet van Gijs uit zijn bundel ‘Op klompen’ uit 2001 getiteld ‘Le petit mort’.

.

La petit mort

.

We liggen in jouw bed, alweer
is het verlangen sterker dan wij samen.
Het zweet parelt in heet beamen
de natheid naast ons naakt zijn neer.
.
En weer is elke ruit beslagen,
wentel ik mijzelf in de overdaad
die met jouw lichaam samengaat
in tijdloos wederzijds behagen.
.
Dan stopt geheel en als bij toverslag
heel de wereld, ook mijn hart,
maar wij gaan sneller dan het geluid.
.
Wij wisselen onze wezens uit,
en elke vezel in mijn lijf verstart
voordat ik in jou sterven mag.

.

Victorieplein

Ischa Meijer 

.

Ik schreef al eerder over schrijver, journalist, interviewer, televisiepresentator, toneelschrijver en filmacteur Ischa Meijer (1943 – 1995) , over zijn dichterschap naar aanleiding van een blogbericht over de bundel ‘Kinderen’ meer dan 100 gedichten over hun wondere wereld, samengesteld door Willem Wilmink. Nu kwam ik in een andere bundel  ‘Amsterdam, de stad in gedichten’ uit 2001 een ander gedicht van hem tegen getiteld ‘Victorieplein’ dat Meijer schreef in 1972.

.

Victorieplein

.

Soms loop ik ’s nachts naar het Victorieplein,
Als kind heb ik daar namelijk gewoond.
Aan vaders hand zijn zoon te zijn,
Op moeders schoot te zijn beloond.
.
Om niet. Om niet is het, dat ik hier ga,
De vrieskou in mijn jas laat dringen,
Alsof de tijd zich ooit zou laten dwingen,
Terwijl ik roerloos in de deurpost sta
.
Om thuis te komen. En zo simpel is de gang
Om tot dit moeilijk inzicht te geraken:
Dat ik geen kind meer ben; dat ik verlang
.
Naar iemand die nooit kon bestaan:
Een jongetje dat alles goed zou maken –
De tijd die stilstond en hem liet begaan.

.

Vijf variaties op een misverstand

Kees Stip

.

Pyramus en Thisbe is een verhaal uit de Griekse mythologie over de onmogelijke liefde tussen twee jonge mensen uit Babylon. Anders dan in de meeste mythologische verhalen, spelen de Griekse godenwereld en bovennatuurlijke nimfen en saters geen enkele rol. In 1950 verscheen van de hand van Kees Stip (1913-2001) het kleine bundeltje ‘Vijf variaties op een misverstand’ een droevige geschiedenis behandeld in de trant van enige Nederlandse dichters.

Die dichters zijn (Koos) Speenhoff (1869 – 1945), Jan Prins (1876-1948), (Martinus) Nijhoff (1894-1953), (Herman) Gorter (1864-1927) en (Joost van den) Vondel (1587-1679). In een herdruk in 1984 werd nog een variatie naar Gerrit Achterberg (1905-1962) toegevoegd. De vijf variaties zijn dus geschreven in de stijl van deze dichters.

De variaties zijn nogal lang en daarom heb ik er één uitgelicht, namelijk die van Speenhoff. Ik vind de vindingrijkheid van Stip, het verweven van alledaagse dingen (C&A, Circus Barnum en Bailey) bijzonder grappig.  De Rotterdamse illustrator, dichter/zanger en kunstschilder Speenhoff was daarnaast een variété-artiest en raakte bekend met zijn liedjes over het volkse leven. Een gegeven dat Stip mooi verwerkt heeft in deze variatie.  Wil je ze alle vijf lezen ga dan naar de website waar ze te vinden zijn.

.

Pyramus en Thisbe

Naar Speenhoff

 

Dit is het bloedig moordverhaal van Pyramus en Thisbe

De een, een schone jongeling, wiens ouwe heer in vis dee

De andere, miss Babylon, de dochter van de buurman,

Bij wie hij op beperkte schaal des avonds door de muur kwam.

 

Die muur had namelijk een spleet (het ding zat er al jaren),

maar in die tijd had Babylon gebrek aan metselaren.

De ‘Aziatische idee’, zo heette het, ging voor—en

men bouwde tegen wil en dank aan de mislukte toren.

 

De huisbaas schreef in spijkerschrift, hetgeen een hele toer was,

een lang request waarin stond dat bij hem de muur ajour was.

Maar toen het aankwam op de plaats waar zo’n request moest wezen,

toen brak de spraakverwarring uit en niemand kon het lezen.

 

Door deze spleet nu wurmde Thisbe ’s avonds hare lippen

en Pyramus placht dan daaraan een poze-lang te nippen.

Dat was misschien wel aardig, doch hoezeer zij ook genoten,

toch waren beiden er op uit hun afzet te vergroten.

 

Dus Thisbe op een goede dag sprak in het Babylonisch,

die muur is toch maar niks gedaan, hij maakt mijn hele koon vies.

Je hebt gelijk sprak Pyramus, die muur dat is een vieze,

vanmiddag bij het eten, zat de kalk nog in mijn kiezen.

 

Ik heb een plan, we gaan eruit, we doen het clandestien zus

achter het Wilhelminapark, daar ligt het graf van Ninus.

Dat is een plekje waar geeneen ons kan bespioneren,

ik wil nu weleens weten wat wij zonder muur presteren.

 

En zo begaven beiden zich met uitgedachte smoezen

apart naar wijlen Ninus toe om daar te rendez-vousen.

Doch Thisbe die het eerste kwam werd bleek gelijk een lelie

toen zij een leeuw trof, juist ontsnapt uit Barnum en Bailey.

 

Die leeuw zat daar op Ninus’ graf en at wat eens een ree was

en keek precies of in zijn maag nog plenty plaats voor twee was.

Het arme kind wist weliswaar het ondier te ontkomen

maar het kostte haar d’r mantel, die ze pas had laten stomen.

 

Toen nu de leeuw verdwenen was kwam Pyramus haar vrijer

en las op het verscheurde flard de naam van Brenninkmeijer.

Hij wist dat dit de firma was, waar Thisbe vaste klant was

en snapte dus direct wat of er met haar aan de hand was.

 

Zijn haren rezen overeind, z’n wangen werden sneeuw-wit,

hij dacht het heeft er alles van dat Thisbe in een leeuw zit.

Ach waren we nu nog maar thuis, zelfs met de muur er tussen

want iemand binnen in een leeuw die laat zich lastig kussen.

 

Vaarwel mijn ouders, nimmermeer keert Pyramus uw zoon thuis,

ik sla nu mijn penaten op in huize Aidoneus.

Hij trok daarop een slagersmes, hij stak het in zijn baadje

en zonk toen rochelend ineen op Thisbe’s C&A-tje.

 

Toen Thisbe hem daar liggen vond,—gij raadt het reeds, eilasie

een mens is van nature toch geneigd tot imitatie!—

trok zij het mes uit Pyramus en stak het in haar sinus.

Toen lagen twee kadavers daar, nog afgezien van Ninus.

 

Moraal

 

Dit drama leert ons iets omtrent de ouderlijke plichten.

Men dient de gaten in zijn huis terstond te laten dichten.

Wie dit niet doet die brengt zichzelf in vele ongemakken,

Dus hebt gij jonge dochters thuis; laat er dan behang op plakken!

.

De scherpe kant van regen

Ilja Leonard Pfeijffer

.

Enige tijd geleden had ik een gesprek over boeken en literatuur met een kennis. Het gesprek kwam op enig moment via ‘La Superba’ dat we allebei gelezen hadden naar ‘Grand Hotel Europa’ en ‘Alkibiades’ van Ilja Leonard Pfeijffer (1968). De taalvirtuositeit, de prachtige zinnen, alles kwam langs. Tot ik begon over de fantasie die Pfeijffer stopt in zijn poëzie. En de woordvondsten en woorden die (nog) niet bestaan maar die bij hem ineens heel gewoon lijken. Ik schreef een paar dagen geleden al over het feit dat ik zo gecharmeerd ben van dichters (en schrijvers) die zo kunnen toveren met taal dat ze zelf woorden of woordcombinaties verzinnen en dat Pfeijffer wat mij betreft daar zeker bij hoort.

Tot mijn grote verbazing wist hij niet dat Pfeijffer ook dichter was, sterker nog dat Pfeijffer als dichter was gedebuteerd in 1998 met de poëziebundel ‘Van de vierkante man’. Genoeg reden voor mijn gesprekspartner om ook die kant van de dichter/schrijver te gaan ontdekken. Om alvast een handreiking te doen hier een gedicht uit de tweede dichtbundel van zijn hand ‘Het glimpen van de welkwiek’ uit 2001, getiteld ‘De scherpe kant van regen’.

.

De scherpe kant van regen

.

jouw wegen zijn mijn stratenplan geworden

ik wou dat ik je beter had onthouden

,

gespitst op wind zo kwetsbaar altijd in je ooghoek

leefde je dicht langs de muren

achter je kraag werden messen geknipt

dat moet wel dat kan niet anders

zijn geweest een naald trilde elders

.

ook al dacht ik te praten maar hoe precies

hoe balde jij handen spitsvallig

op mijn vragen? bij welke trede stokte

angstvondig jouw tred? wat was

als ik lachte de kleur van je ogen?

in ieder portiek had elke natte krant

berichten

.

mijn gebaren steken hoekig uit jouw mouwen

jouw kraag verdiept zich in mijn kwijtgedoken weg

het is jouw regen die de stad onleesbaar maakt

.

 

Bestemming

Dag 17: Joost Zwagerman

.

Uit de bundel ‘Bekentenissen van de pseudomaan’ uit 2001 van dichter Joost Zwagerman (1963-2015) nam ik het gedicht ‘Bestemming’.

.

Bestemming

.

Een groep nonnen had een boer bekeerd.

Ik liep door landerijen en wist niet van bekering.

De boer zag mij aan en gaf mij proviand.

Hij verwees mij naar de nonnen. Uurtje lopen.

Ik kwam aan. Ik ging het klooster in.

Daar ben ik dan, zei ik, en ben er nog.

.

Het leven is hier lang niet slecht. Men kent mij niet,

ik heb vriendinnen, men is hier mijn gelijke.

Ik lees een boek, bekeer een boer, doe mijn plicht

en heb een eigen kamer. ’s Nachts leg ik het hoofd

in de schoot. Ik ben de bijslaap van mijn dromen.

.

 

De geit

Dubbelgedicht

,

Over dieren zijn vele gedichten geschreven. In de bundel ‘Het Grote Dieren Gedichten Boek’ samengesteld door Guus Luijters uit 2007 staan er vele honderden. Daar nam ik een gedicht van Kees Stip (1913-2001) uit met de titel ‘Op een geit’. In de bundel ‘Voor jou mijn lief’ uit 2000 van de Franse dichter Jacques Prévert (1900-1977) in een vertaling van Wim Hofman staat dan weer het gedicht ‘Wolken’ waar de geit eveneens een hoofdrol speelt.

Twee heel verschillende gedichten, de een luchtig, de andere zwaarder maar met een overeenkomst. In beide gevallen worden aan de geiten menselijke eigenschappen toegedicht.

.

Op een geit

.

Een geit heeft laatst in Duivendrecht

een porseleinen ei gelegd,

zo sierlijk, dat het zelfs te Sèvres

beschouwd wordt als een oeuf de chèvre.

‘Ik heb al leggend’, zegt zij zacht,

‘heel diep aan iets heel moois gedacht.’

.

Wolken

.

Ik ging mijn wollen truitje halen en het geitje

kwam achter mij aan

het grijze geitje

het is niet zo wantrouwig als de grote geit

het is nog maar klein

.

Zij was ook nog maar klein

maar er was iets in haar wat sprak

wat zo oud was als de wereld

Verschrikkelijke dingen wist ze al

bijvoorbeeld

dat je wantrouwig moet zijn

En ze keek naar het geitje en het geitje keek terug

ze had zin om te grienen

het geitje is net als ik

zei ze

een pietjes vrolijk, een pietsje triest

Daarna glimlachte ze

en begon het te regenen

 

.

Kusgedichten

Janus Secundus

.

De Basia (kusgedichten) werden rond 1534 – 1535 in Spanje geschreven door de Vlaming Janus Secundus, klerk en clericus. Amper 23 was hij toen, en ziek. Ook van liefdesverdriet. Om zijn liefje uit Mechelen te vergeten, zocht hij toevlucht bij een mooie Spaanse jongedame Neaera. Deze korte idylle leverde hem de nodige inspiratie voor zijn ‘Basia’, adembenemende liefdespoëzie. De relatie bleek echter al snel verstikkend voor de jonge man, die bovendien aan astma leed. Een jaar later overleed hij, maar zijn kusgedichten zouden hem onsterfelijk maken.

In 2001 maakte Kris Buyse maakte een jambische vertaling van bijeen gelezen fragmenten uit de negentien Basia die verscheen bij uitgeverij P in Leuven. Hij zorgde ook voor een uitleiding bij deze tweetalige uitgave. Kris Buyse (1967) is classicus en leraar Latijn aan het St.-Pietersinstituut te Gent. Hij is mentor aan de Universiteit Gent, lector aan de Oost-Vlaamse Volkshogeschool en adviseur bij enkele (barok)orkesten. Met zijn leerlingen vertaalt hij Latijnse poëzie naar het Nederlands of vice versa en onlangs richtten zij een eigen uitgeverij BlauwDruk op waar nog bewust gewerkt wordt met loden letters, oude persen en handgeschept papier.

Uit deze bundel koos ik Het kusgedicht ‘Kus XI’.

.

Kus XI

.

Ze zeggen soms dat wij te innig zoenen

wat rimpelige oudjes zelf nooit leerden.

Zou ik, mijn armen vol verlangens om je hals,

mijn licht, bezwijkend onder jouw gekus,

vol angst gaan zoeken wat men van me zegt

– zelf wéét ik amper wie of waar ik ben?

Zij hoorde het, Neaera, beeldig als ze is en lachte lief,

ze liet haar blanke hand toen langs m’n hals heen gaan,

nu hier dan daar en gaf ’n kusje fijn, wellustiger dan ooit.

.

Klein

Bart Moeyaert

.

In 2003 debuteerde de Vlaamse schrijver van kinderboeken Bart Moeyaert (1964), als dichter, met een waar kleinood getiteld ‘Verzamel de liefde’. Ik schreef al eerder over deze mooie bundel vol liefdespoëzie. Hierna zou hij nog in 2008 ook nog de bundel ‘Gedichten voor gelukkige mensen’ uitbrengen, 18 gedichten over het leven in de stad Antwerpen die hij schreef als stadsdichter van Antwerpen in de periode 2006-2008.  In 2023 verscheen een keuze van zijn liefdesgedichten, samengesteld door Ester Naomi Perquin, getiteld ‘Dat alles over liefde gaat’. Het wachten is op nieuw werk van zijn hand, en dan bedoel ik poëzie, want voor mij is Bart Moeyaert een van de beste dichters van (liefdes-)poëzie die er is.

Uit zijn debuutbundel komt het gedicht ‘Klein’. Hiermee bewijst Moeyaert dat ook andere onderwerpen dan alleen de liefde bij hem in goede handen zijn. In dit gedicht liet Moeyaert zich inspireren door de rechten van het kind. In 2001 verscheen het gedicht ‘Klein’ op de zijgevel van Het Paleis aan de Meistraat in Antwerpen. Overigens staat in Het Paleis ook nog een gedicht van Ted van Lieshout.

.

Klein

.

Een stoel heet een stoel,

een deur heet deur.

Dat is voor het gemak.

Maar wat een blad is

voor een vrouw

is voor een mus een dak.

Een raam heet raam.

Een huis heet huis.

Maar wat een spel is

voor een man

is voor een kat een muis.

Wat van zichzelf

het meeste zwijgt, is klein.

Een kind heet zo,

maar dat zegt niets.

Een woord is maar een woord.

Daar ding ik niet op af.

Wat een kuil is

voor een mens

is voor de dood een graf.

Tijd is zoiets als lucht,

en mensen zijn geen wijn.

Niemand wordt beter

met de jaren

dus klein verklaren

heeft geen zin.

Begin bij het begin

en leef dan

net als iedereen

eenvoudig

been voor been.

.

Hamlet

Willem M. Roggeman

.

De Vlaamse dichter, schrijver, essayist Willem M. Roggeman (1935) mag dan niet zo bekend zijn in Nederland, in België is hij een grote dichter. Roggeman studeerde aan het Koninklijk Atheneum te Etterbeek waar hij de dichter Erik Van Ruysbeek als leraar Nederlands had. Hij studeerde economische wetenschappen aan de Rijksuniversiteit te Gent waar hij bevriend werd met Paul Snoek. Van jongs af aan kwam hij dus in aanraking met dichters en poëzie.

Vanaf 1959 tot 1981 was hij journalist op de culturele redactie van Het Laatste Nieuws. Hij publiceerde er artikelen over literatuur, beeldende kunst en jazz. Van 1981 tot 1993 was hij adjunct-directeur en waarnemend directeur van het Vlaams Cultureel Centrum De Brakke Grond te Amsterdam, waarvoor hij tentoonstellingen van belangrijke Vlaamse kunstenaars en literaire avonden met Vlaamse en Nederlandse auteurs organiseerde. Van 1982 tot 1989 was voorzitter van het Louis Paul Boon Genootschap en sinds 2006 opnieuw.

Hij was lid van de redacties van de literaire tijdschriften Diagram (1963-1964), Kentering (1966-1976), De Vlaamse Gids (1970-1992), Argus (1978-1981), Atlantis (2001-2002) en Boelvaar poef (vanaf 2006). Hij droeg voor op allerlei internationale poëziefestivals, zijn werk werd vertaald in vele talen, componisten hebben muziek geschreven bij zijn gedichten en kunstschilders hebben zijn verzen in beeld gebracht. Roggeman is kortom, niet de eerste de beste dichter.

In 1958 debuteerde Roggeman met de bundel ‘Rhapsody in blue’ waarna nog tientallen bundels zouden volgen. Zijn laatste dichtbundel verscheen in 2022 en is getiteld ‘Bewegend portret’. In 1972 verscheen een overzicht van zijn werk ‘Gedichten ’57 ’70’ en in die bundel staat het gedicht ‘Hamlet’.

.

Hamlet

.

Ik besta
dit betekent
ik leef, ik adem
ik heb pijn.

.

Ik besta
dit betekent
ik lees, ik schrijf,
ik eet
wanneer ik iets te eten heb.

.

Ik besta
dit betekent
ik denk na,
ik vraag mij af
of ik besta.

.

 

Dagboek van de toren

Corneille

.

Soms krijg of koop ik een bundel die me in meer opzichten verrast dan alleen door de poëzie die erin is opgenomen. Toen ik ‘Het dagboek van een toren’ van kunstschilder en dichter Corneille (1922-2010) kocht wist ik nog niet wat ik in handen had. Dit boek is uitgegeven naar aanleiding van de jubileumtentoonstelling ‘Poetry, the artist’s muse’ de 20ste verjaardag van galerie Elisabeth den Bieman de Haas, die plaatsvond tussen 25 april en 25 mei 2001. De bundel bevat poëzie van Corneille in het Frans, vertaald naar het Nederlands en Engels door Hepzibah Kousbroek.

De titel van dit boek is ontleend aan een toren genaamd La Peschiera die vier eeuwen oud is en in Italië ligt. Corneille verbleef er sinds 1973 regelmatig. De toren behoorde toe aan een adellijke familie waarvan de laatste telg markiezin Irene de Ciccolini was. Zij woonde er tot haar dood enkele jaren voor het uitbreken van de tweede wereldoorlog. Het domein werd na haar overlijden overgedragen aan paters en in de oorlog bewoond door een jonge officier en enige soldaten. Na de oorlog kocht een aannemer uit Ancona het.

Het boek heeft, door de vertalingen maar liefst drie titels: ‘Het dagboek van de toren’, ‘Diary of the tower’ en ‘Journal de la tour’. Achterin het boek staat een tekening van Corneille (in druk uiteraard) van de toren die hij maakte in 1997. Journal de la tour verscheen voor het eerst in 1975 met een vertaling in het Italiaans. In 1981 verscheen een editie uitsluitend in het Frans.

Ik koos voor een gedicht waarin het favoriete dier van Corneille voorkomt; de vogel.

.

De spoorwegovergang luidt

belletjes van Tibetaanse koeien.

Terwijl de stoomtrein

onverpoosd doorhijgt om snel

daar te zijn waar die zachte

hermelijne wezens wachten,

hooggehakt, hun benen in foedralen,

gestrekt met holle rug en licht

wiegend bekken.

De baren van de nacht hebben

bontgekleurde vogels bevrijd en je

hoort de zee onvermoeid

aan de keien van het strand zuigen.

.