Site-archief
Evolutie
Mikhail Katsnelson
.
In 2013 gaf de Radboud Universiteit in Nijmegen ter gelegenheid van de uitreiking van de Spinozaprijs aan professor Mikhail Katsnelson, in opdracht van het bestuur van de universiteit, de bundel ‘Vijftien gedichten’ uit. Deze bundel bevat 15 gedichten in zowel het Russisch, het Engels als het Nederlands van theoretisch fysicus Mikhail Katsnelson. Deze vertrok in 2002 uit Rusland tegen wil en dank naar het westen. Met de Sovjet Unie was ook de grote natuurkunde traditie verkruimeld. In 2004 werd hij hoogleraar in Nijmegen. Naast zijn werk als hoogleraar blijkt Katsnelson ook poëzie te (kunnen) schrijven. Uit deze bundel het gedicht ‘Evolutie’.
.
Evolutie
.
De pijn en verveling van hen, die de Aarde vóór ons bevolkten
zijn door leem en steenkool bewaard, door kalksteen en zandsteen,
maar meer nog door olie. Misschien worden wij ooit olie
net zo, en vormen we brandstof voor nieuwe dieren,
wat zullen ze zich wel niet inbeelden, alsof ze verstand hebben.
We zullen hun leven vergiftigen, ongemerkt – ziedaar de wraak van
de overwonnenen.
.
Domoren en dromers
Hans Verhagen
.
Dichter, journalist, schilder en filmmaker Hans Verhagen (1939) debuteerde in 1961 met de (in eigen beheer uitgegeven) dichtbundel ‘Anatomie van een Noorman’. In 1963 volgde ‘Rozen & Motoren’, bij uitgeverij Nijgh & van Ditmar. Hij maakte deel uit van de redactie van Gard Sivik, wat later De Nieuwe Stijl werd.
Vanaf de jaren tachtig houdt hij zich vrijwel alleen bezig de schilderkunst. Hij maakte in 2004 een comeback als dichter met de bundel ‘Moeder is een rover’, gevolgd door ‘Draak‘ (2006) en ‘Zwarte gaten’ (2008). In 2003 verschenen zijn verzamelde gedichten in de bundel ‘Eeuwige Vlam’.
In 2009 ontvangt hij de P.C. Hooft-prijs voor zijn poëzie vanwege zijn humor, zijn engagement, zijn poëtische durf en eigenzinnigheid. Uit ‘De eeuwige vlam’ het gedicht ‘Domoren en dromers’.
.
Domoren en dromers
.
De grote roergangers van deze tijd,
alle rimpels met zich mee dragend van de levenszee,
vrezen geen verzet van de domoren van het verstand:
‘wie denkt, denkt vroeg of laat wel met ons mee’.
.
Maar wie met de onvervalste wijsheid van een ongeschoolde
en van dromen en drift doortrilde hand
de hemel aansnijdt om zijn naam te kerven
in de regenbogen –
die beschouwt de gangster aan het roer als vijand.
.
Marina
Hugo Claus
.
Op dit blog schenk ik vaak aandacht aan Vlaamse dichters. Het beste voorbeeld was wel de maanden dat ik elke zondag een gedicht van één van mij favoriete dichters, Herman de Coninck plaatste. Hoewel ik wel eens iets van hem plaatste komt Hugo Claus er een beetje bekaaid vanaf. Misschien wel omdat ik hem toch vooral als schrijver zie en minder als dichter (geheel ten onrechte natuurlijk).
Daarom vandaag een gedicht van hem getiteld ‘Marina’uit de bundel ‘Gedichten 1948 – 2004’ uit 2004.
.
Marina
.
Maar als haar sterven nu eens was
Als een woord, iets dat overeengekomen werd,
Raar, onbeschaamd, geen daad eigenlijk maar een
Intense wonde, verpakt in rouw
Naar de wijs van alle mensen, vol verdriet en kussen,
Als een wonder ook, ja toch, voor wie zij achterliet.
.
een twee drie ten dans
Eva Cox
.
Eva Cox (1970) is een dichter, prozaïst en vertaler, woont in Oostende, België. Op haar website schrijft ze over zichzelf en over haar leven tussen 1986 en 1999 het volgende:
“Zij woonde zelfstandig op zestien, ontvluchtte de middelbare school,stichtte een eenoudergezin, werkte als enquêtrice en tekenmodel, verkocht brood, opende een theehuis.” Vanaf 1999 schrijft ze en was ze onder andere medewerker van Parmentier, De Brakke Hond, Revolver, Poëziekrant, Rottend Staal, Yang en DWB.
In 2001 won ze de eerste Vlaamse Poetry Slam. In 2004 debuteerde ze met de bundel ‘Pritt.stift.lippe’ in de Windroosreeks. In 2009 verscheen bij De Bezige Bij ‘een twee drie ten dans’, een kleine stoet poëzie, (ultra)kort proza, vertalingen, pastiches, een duet voor één stem. Uit deze bundel het gedicht ‘Hand’.
.
Hand
Toen er een hand uit de kast stak, niet opdringerig, eerder
bijna verlegen, traag kantelend in het bleke licht, nam ik
een stoel en moest even gaan zitten. Ik overdacht het
bestaan, het ritme ervan, de pitloze weekte, en besloot de
hand niet weg te slaan. Sindsdien deel ik de tijd, mijn
kast en mijn leegte, en het is waar dat ik voor het eerst en
haast tot mijn spijt afhankelijk ben, maar ik blijf opgelucht
dat het een hand is en geen tong, god verhoede een tong,
of een neus, wat neuzen teweeg kunnen brengen, hoe men
er in lorren gehuld achteraan moet, nee een hand, lege
hand, glad, verlegen, traag kantelend in het harde licht,
op het ritme van de zon en wat uren.
.
Piet
Jules Deelder
.
‘Het grote dieren gedichten boek’ biedt een schat aan gedichten waarin dieren een rol spelen. Dit vuistdikke boek 446 pagina’s) werd in 2007 door Guus Luijters samengesteld en uitgegeven door Nieuw Amsterdam uitgevers. Dit boek bevat gedichten van Nederlandse dichters maar ook vertaalde gedichten van beroemde buitenlandse dichters. Zo zijn dichters als K. Schippers en J. Slauerhoff vertegenwoordigd maar ook Federico Gracia Lorca, Joseph Brodsky en Li Qi. Uiteraard is Kees Stip aanwezig met maar liefst 18 gedichten.
Vandaag (ik zal hier de komende tijd vaker gedichten uit kiezen) heb ik gekozen voor een typisch gedicht van Jules Deelder. Het gedicht werd oorspronkelijk gepubliceerd in de bundel ‘Vrijwel alle gedichten’ uit 2004 en is getiteld ‘Piet’.
.
Piet
.
De ouders van een vriend
van mij hebben een kanarie
gekocht, na eerst een hond
te hebben overwogen.
.
Ze zijn nu dagelijks
in de weer het stomme dier
met stukjes appel
te dresseren.
.
De objectiviteit gebiedt
ons te vermelden, dat Piet
prachtig zingen kan.
.
Poëzie uit Estland
Indrek Mesikepp
.
Op http://www.wordswithoutborders.org/ kwam ik een mooi gedicht tegen van de Estlandse dichter Indrek Mesikepp (1970) in vertaling van de Noord Ierse Miriam McIlfatrick getiteld ‘I wish there was a god’.
Mesikepp is in Estland een bekend dichter, hij heeft 5 bundels gepubliceerd en hij ontving in 2004 the Estonian Cultural Endowment’s Award voor poëzie. Zijn werk is o.a. vertaald in het Russisch, Fins, Bulgaars en Zweeds en hij is naast dichter sinds 2000 editor van het literaire magazine ‘Looming’ en Rock DJ.
Miriam McIlfatrick woont sinds 1991 in Estland. Veel van haar tijd besteedt ze aan het vertalen van poëzie uit Estland voor performances over de hele wereld. Haar vertalingen verschenen in vele journals en magazines. Eigen werk verscheen in vertaling in Estland.
.
[ I wish there was a god]
I wish there was a god
who would see to it
that we
who work in Finland as bus drivers
small-town hairdressers
overwrought nurses
rock band roadies
liquor store assistants
dressmakers and decorators
would never know
the persistence of power freaks
the attention of moneylenders
the support of legal experts
that we would be spared
the taunts of rich folks’ kids
that those
who are paid for their words
would never learn our names
that our private lives
and our private parts
would not be touched by the art lot
who would like to connect with us
collect ideas and experience
for their books
films and stage lives
I wish there was a god
who would preserve us
from interesting people
I wish there was the sort of god
who would preserve us from a god
we invent for ourselves
to protect us from all of them
and from selecting someone
from among ourselves
who would not let us become
religious fanatics or fascists
that he would give us peace
dull workday peace
there is no god of that sort
.
Ongehoord!
Quirien van Haelen
.
Op zijn website http://quirien.com/ kun je zijn biografie in meerdere vormen lezen. Ik volsta hier met: zijn werkelijke naam is Frits Criens jr. (1981), sinds 2001 publiceert hij gedichten en schrijft hij voor o.a. MTV en BNN. In de dikke Komrij van 2004 is hij als jongste dichter opgenomen. Quirien schrijft Light Verse en omdat morgen het Ongehoord! podium in de bibliotheek van Rotterdam weer een editie beleeft het volgende gedicht van zijn hand.
.
Held
.
Hij keek bezeten, ziekelijk, gestoord
Alsof hij net nog iemand had vermoord
Vandaar dat ik hem maar niet tegensprak
Toen hij mijn zonnebril in tweeën brak
Maar in mijn hart vond ik het Ongehoord
.
Kopland in het laboratorium
Experimenten met taal (en dichters)
.
Op de website van de Radboud Universiteit kwam ik een bijzonder lezenswaardig artikel tegen over een experiment bij het Max Planckinstituut voor psycholinguïstiek over de taal van dichters.
De onderzoekers Mauth, Baayen en Schreuder hebben niet echt een hypothese: de experimenten hebben vooral een verkennend karakter. Ze zijn bij hun ontwerp van de tests uitgegaan van de houding die dichters tot de taal aannemen. Baayen: “Ze lezen, herlezen, voelen en proeven de woorden. Ze laten associaties in zich wakker worden.”
In dit artikel wordt Rutger Kopland gevolgd bij het afnemen van de tests en daarna. De theorie van de onderzoekers stelt dat de lexical connectivity bij dichters groter is. Het lexicon in het brein lijkt nog het meest op internet, met allemaal hyperlinks die alsmaar verder kunnen worden uitgebouwd. Geoefende taalgebruikers zouden meer verbindingen maken, aldus de theorie.
Maar Kopland heeft zijn twijfels over de gemaakte aannames bij de eerste test. Een uitspraak over dé dichter, dé poëzie kunnen de proeven niet doen. De bestaande dichtstijlen lopen te veel uiteen. Aan de test deden 15 dichters mee waaronder Tsead Bruinja en Piet Gerbrandy.
Van het tweede experiment heeft hij hogere verwachtingen. Hierin moeten de dichters in korte tijd bepalen of woordcombinaties ook in betekenis overeen komen. De schoonheid van poëzie schuilt immers vooral in onverwachte betekenisvalkuilen. De dichter speelt met afgesproken betekenisregels, overtreedt ze. Met open ogen en niet in een roes. Dat maakt dichten leuk. Maar daartoe moet een dichter de taal door en door kennen. Zich zeer doordacht afvragen wat een woord betekent. Zich verwonderen dat het woord een betekenis heeft. Dat is Koplands materiaal.
Interessante materie voor wie zich met dichten en dichters bezig houdt. Kopland citeert aan het eind van het interview met hem de beginregels van het gedicht ‘Boomgaard’ uit ‘Een man in de tuin’ uit 2004.
.
Boomgaard
.
Woorden weten van zichzelf niet waarvoor ze
gemaakt zijn — en zo is het met alles in de wereld
niets weet waarvoor het er is
en ook wij weten het niet
.
Ik kijk door het raam de boomgaard in en zie hoe
woorden voor vogels, bomen, gras, voor wat er is daar
daar niets betekenen en ook de boomgaard zelf
heeft geen betekenis
.
In mijn hoofd zoekt iemand naar woorden voor
iets dat nog geen gevoel is en nog geen gedachte
.
en langzaam begin ik te voelen en te denken
dat ook de boomgaard daarnaar zoekt — dat wij
hetzelfde zoeken, de boomgaard en ik
.







![vrijwel-alle-gedichten---j.a.-deelder[0]](https://woutervanheiningen.com/wp-content/uploads/2015/12/vrijwel-alle-gedichten-j-a-deelder0.jpg?w=604)









