Site-archief
Topdog
Anne van Amstel
.
Ik las in de bundel ‘Trapezista’ van Anne van Amstel (1974) het gedicht ‘Alfaman’ en ik moest meteen aan mijn gedicht ‘Mannenman‘ denken. Hoewel anders van aard en toon gaan beide gedichten over een soort man dat, naar het schijnt, langzaam aan het uitsterven is. Ik geloof dat niet, dit soort mannen zullen er altijd zijn. En er zullen altijd, zo nu en dan, gedichten over worden geschreven.
Anne van Amstel studeerde maar liefst in drie richtingen af ( Engelse letterkunde, klinische psychologie en gezondheidszorgpsycholoog) en is werkzaam als hoofddocent aan de RINO in Amsaterdam, maar debuteerde desondanks in 2004 met de dichtbundel ‘Het oog van de storm’. In 2009 verscheen de bundel ‘Vlinderslag’ waarbij een CD zat met het gelijknamige poëzie- en slagwerkprogramma dat ze samen met Rob Kloet ontwikkelde. In 2007 won Anne de VU-podium poëzieprijs en in 2015 een schrijversbeurs in de categorie poëzie van Hollands Maandblad.
Haar werk verscheen in verschillende verzamelbundels en (poëzie-)tijdschriften als De Tweede Ronde en Hollands Maandblad. In 2016 verscheen haar bundel ‘Geef me nu ik wil’ en in 2022 de bundel ‘Trapezista’ waar dus het gedicht ‘Alfaman’ in is opgenomen.
.
Alfaman
.
alfaman al wat stram in de schouders
maar ongeslagen want zonder rivalen
.
spiegel ik je koude blik
dan spijt het je dat je niets voelt
.
je leeuwinnen zouden doden
als ze konden maar klauwen naar
zweepslag naar woorden naar lucht
.
geef me een lange haal van je tong
laat me lui tegen je aan liggen
tot je brult tot je gromt
.
wie zoekt er warmte
in de vacht van een leeuw
les lions ont peur aussi hein
.
ja ook leeuwen zijn bang
maar nog het minst in de slipjas
van mijnheer de dompteur
.
De uitvinder
Chris Honingh
.
In een tweedehandsboekenwinkel (mooi scrabble/wordfeudwoord) kwam ik de bundel ‘De uitvinder’ van Chris Honingh (1951) tegen uit 1991. Beeldend kunstenaar en dichter Chris Honingh debuteerde met deze bundel in 1991 bij uitgeverij Querido. Tot 2004 werden door deze uitgeverij nog 5 dichtbundels uitgeven van Honingh en na 2004 begint hij met het in eigen beheer uitgeven van proza, meer poëzie en later ook poëzie in het Engels in eigen beheer. Zijn laatste dichtbundel in het Nederlands is alweer uit 2017 en is getiteld ‘De Schaal van Richter’. Honingh publiceerde werk in de tijdschriften Tirade, De Gids, Het Liegend Konijn, DW en B, De Tweede Ronde, Maatstaf en De Revisor. Maar ook hier zijn zijn bijdragen van voor 2016. Misschien is dat de reden dat ik deze dichter nog niet kende.
In de bundel ‘De uitvinder’ worden pioniers als Jacob van Lennep en de Franse fortograaf Nadar en hun werkzaamheden vanuit onverwachte invalshoeken belicht. De analogie tussen uitvinder en dichter lijkt hierbij evident, beiden ontginnen onbekende terreinen. Ik heb echter een gedicht over Baudelaire gekozen. Misschien op het eerste oog geen uitvinder maar door zijn werk op het snijpunt van romantiek en realisme wordt hij als een van de grondleggers van het decadentisme gezien.
.
Baudelaire I
.
Vloeipapier waarin men kaas verpakt lag
volgeschreven, plotseling vervuld van kracht.
Oppervlakte leek een gloeiend bad, of
het retourneerde wat hij in een ogenblik
van zwakte dacht. door huid scheen schemerinkt,
zoals in matglas zon verdicht.
.
Had zich langzaam opgericht van schaduw af
tot licht, zijn door de pen ontwrichte hand op
uitgestoken knie. Notities voor een verder leven
op een tafelblad, verzonken in het witte gat
omdat hij hen fixeerde als hem het harde oog.
.
Overlopend staren, kramp kroop uit een been omhoog,
hij werd zich zeer bewust van zitten. Maar het blad
verdonkerde, letters keerden om, toen de spiegel
toonde wat tussen vlindervleugels in gevangen zat.
,
Aandacht, schichtig wezens dat steeds vlucht bij
nadering, het zet hem aan tot opstandigheid; de blik
waarin men wordt verpakt, vingers die hem weigeren
te raken, omdat zijn afstand niet in alledaagsheid past.
.
Fonteintje
Annemarie Estor
.
De Nederlandse Annemarie Estor (1973) is dichter en essayist. Zij woont en werkt afwisselend in Antwerpen (België) en Aragon (Spanje). Ze groeide op in Nederlands Limburg en studeerde van 1991 tot 1996 Cultuur- en Wetenschapsstudies aan de Universiteit Maastricht. In 1996 werd zij AIO aan de vakgroep Engelse Taal en Letterkunde van de Universiteit Leiden. In juli 1999 was zij ‘fellow’ aan de International School for Theory in the Humanities te Santiago de Compostela. Na haar doctoraat in 2004 trok zij naar Antwerpen en sindsdien is zij actief als tekstredacteur in opdracht van onderzoekers en beleidsmakers. Sinds 2015 leeft zij off-grid op haar amandelboerderij in Aragon.
Naast haar werk als dichter en redacteur van het cultureel maatschappelijke tijdschrift ‘Streven’ dat zich vooral richt op essayistiek. In Estors narratieve en mythologische poëzie zijn de planten- en de dierenwereld vaak prominent aanwezig. Alertheid, betrokkenheid, gevoel, compassie, expressiviteit en verbinding door wederzijdse transformatie zijn de creatieve principes onderliggend aan alle artistieke en dus ook haar literaire creaties.
Annemarie Estor zet zich in voor de universele vrijheid van meningsuiting en voor de versterking van internationale netwerken van geëngageerde schrijvers. Estor was bestuurslid van PEN Vlaanderen van 2014 tot en met 2018, waar zij onder andere meewerkte aan het project ‘Polyfoon’, met Arabische auteurs. Estor vertaald incidenteel Arabische poëzie naar het Nederlands.
In 2010 debuteerde Estor met de bundel ‘Vuurdoorn me’. Voor deze bundel ontving ze in 2011 de Herman de Coninckprijs voor het beste debuut. In 2018 ontving ze de Jan Campertprijs voor haar bundel ‘Niemandlandsnacht’. Haar laatste bundel is van 2022 en is getiteld ‘Nanopaarden en megasteden’. Uit deze bundel komt het gedicht ‘Fonteintje’, een gedicht dat actueel is in deze warme nazomer.
.
Fonteintje
–
Op minder dan twee uur gaans
staat in de nog steeds heel erg hete avondzon
een fonteintje, met ornamenten,
wat oleanders erom,
en verder beton.
–
Dagloners stappen er uit een oude Renault,
ze stoffen elkander af, zo goed en zo kwaad
als dat gaat,
overalls, touwhaar,
het smeltend asfalt van hun verlangens, rorschach
zweetplekken tussen de schouderbladen,
ze koelen de paarden
die ze uit de kattenbak halen
onder het vredig snorren van de nachtzwaluwen
.
Bram Vermeulen en John Donne
Gedichten over sterven en de dood
.
In de krant kijk ik altijd even bij de overlijdensberichten. Niet omdat ik bijzonder geïnteresseerd ben in wie er nu weer is overleden ( ik ken die mensen vrijwel nooit) maar om te kijken of en hoe er met poëzie wordt omgegaan in overlijdensberichten. Afgelopen zaterdag las ik twee berichten naast elkaar. Boven de een was een strofe van het lied ‘Testament’ van Bram Vermeulen (1946-2004) geplaatst. Boven de ander staat een strofe uit het gedicht ‘Sweetest love, I do not go’ van John Donne (1572-1631). Beide strofes gaan eigenlijk over het zelfde namelijk dat wanneer iemand sterft hij of zij niet weg is zolang ze niet worden vergeten. Het gedicht van Donne lees je hier.
Op de websites van verschillende uitvaartondernemingen kun je gedichten lezen die toepasselijk zijn voor allerlei overlijdens (vader/moeder, partner, kind, algemeen, zelfdoding, bij ziekte etc.). Maar er zijn zelfs zeer uitgebreide particuliere websites met heel veel gedichten om uit te kiezen of inspiratie uit op te doen. Dat zijn wel vaak wat oppervlakkige en soms wat pathetische verzen maar veel mensen voelen zich daar prettig bij. Ik hou erg van poëzie bij overlijdensberichten die slaat op de persoon die is overleden of die de voorkeur voor een dichter van de overledene weergeeft.
De keuze voor een gedicht van een 16e-17e eeuwse Engelse dichter (Donne) vind ik daarom heel bijzonder. De keuze voor de liedtekst van Bram Vermeulen heb ik vaker gezien. Omdat het een prachtige tekst is van Bram Vermeulen plaats ik de tekst hier helemaal.
.
Testament
.
Als ik dood ga, huil maar niet.
.
ik ben niet echt dood moet je weten
het is maar een lichaam dat ik achterliet
dood ben ik pas als jij die bent vergeten.
.
En als ik dood ga, treur maar niet
ik ben niet echt weg moet je weten
het is de heimwee die ik achterliet,
dood ben ik pas als jij dat bent vergeten.
.
En als ik dood ga, huil maar niet
ik ben niet echt dood moet je weten
het is het verlangen dat ik achterliet
dood ben ik pas als jij dat bent vergeten
dood ben ik pas als jij me bent vergeten.
.
Dag acht
Vakantiegedicht
.
Van dichter Anne van Amstel (1974) het gedicht ‘Met dank aan sir David’ uit de bundel ‘Het oog van de storm’ die verscheen in 2004.
.
Met dank aan sir David
.
Laats keek ik geboeid naar een EO-natuurfilm
over de vuurdoop van kangoeroebaby’s:
roze en slapjes, als foetus geboren,
wurmen die zich door een woirwar van haartjes.
Al zijn ze voldragen, de drang naar de buidel
drijft spring-in-‘t-veld-jonkies er telkens in terug.
Down under steekt dan een steigerend pootje
of bovenmaats koppie balorig omhoog.
.
Jij zag die film ook, en droomt er nu over;
je kruis althans komt met een pantomime,
zó raak getroffen dat Attenboroughs bas
bisseert door de kamer, mijn lijf, ons matras.
.
Dadaïst
Jan Cremer
.
Schrijver en beeldend kunstenaar Jan Cremer (1940) worden vele functies toebedacht op de website van de RKD (Rijksdienst voor Kunsthistorische Documentatie) maar de functie van dichter staat er niet bij. Nou is Jan Cremer bekend van veel dingen maar niet (of nauwelijks van zijn poëzie). En toch zou je kunnen stellen dat alles met poëzie is begonnen. In 1956, op 16 jarige leeftijd schreef hij bijvoorbeeld al gedichten die zijn opgenomen in de bundel ‘Verloren gedichten’ uit 2004. Dat dit bundeltje met gedichten uit de periode 1956 tot 1992 redelijk obscuur is blijkt ook uit het feit dat bij de Digitale Bibliotheek voor Nederlandse Letteren dit bundeltje nergens te vinden is bij de informatie over Cremer.
Jan Cremer debuteerde met vier hoofdletterloze gedichten in 1956 in het literair tijdschrift KLAT dat werd uitgegeven in Deventer. Een openingsbod op een veiling van dit tijdschrift in 2013 was al € 450,- maar dit had waarschijnlijk meer te maken met de naam Jan Cremer dan met de inhoud of het poëtisch gehalte van de gedichten.
Uit dit bijzondere bundeltje wil ik graag het gedicht ‘Dadaïst’ uit 1956 delen (in 1957 schreef hij een ‘vervolggedicht’ met de titel ‘Dadaïst II) waarin al veel van de latere bravoure van Cremer in doorschemert.
.
Dadaïst
.
Zijn haren geklonken uit prikkeldraad
verbrande voeten liepen op as
in rokerige nevel ving hij de mensen
en vormde ze in hun slaap tot
DADA DADA DADA
.
In de ban van zijn grijze ogen
verloor de kermende maagd haar eer
rollende hete keien zochten houvast
maar kreunend sprak hij zacht
DADA DADA DA…
.
Hij zocht zijn mes uit hondevel
en sneed zijn oren af en hoezee
uit duistere grotten klonk het hoorngeschal
in pijn schreef hij zijn naam met bloed
DADA DA…
.
Nog stikkend in zijn laatste kus
verstootte hij de vrouw die met
holle lach en verschroeide haren
over gloeiende aarde kroop en riep
DADA…
.
Is daar iemand
Micha Hamel
.
Sommige dichters zijn vooral dichter. Dan zijn er (steeds meer) die ook proza schrijven en romans produceren. En er zijn ook dichters die hun dichterschap combineren met minder voor de hand liggende (andere) functies die ze bekleden, zoals bijvoorbeeld Esther Jansma (archeoloog), Hugo Wormgoor (tekenleraar, amateur wiskundige), Mikhail Katsnelson (theoretisch fysicus) of Arlo Parks (zangeres).
In dit rijtje hoort wat mij betreft ook zeker Micha Hamel thuis. Hamel (1970) is componist en dirigent (en dus dichter). Naast zijn werk als componist en dirigent heeft Hamel in 2004 zijn eerste dichtbundel uitgebracht, ‘Alle enen opgeteld’. Hiervoor ontving hij in 2005 de Lucy B. en C.W. van der Hoogtprijs. In 2006 heeft hij zijn tweede bundel uitgegeven, ‘Luchtwortels’ (genomineerd voor de J.C. Bloemprijs) en in 2010 de derde, ‘Nu je het vraagt’. Voor zijn bundel ‘Bewegend doel’ uit 2013 ontving hij in dat jaar de Jan Campert-prijs. En nu is er dan zijn vijfde bundel getiteld ‘Is daar iemand’.
Na een psychotische crisis belandt Micha Hamel in 2009 in de psychiatrische kliniek. In ‘Is daar iemand’ verteld Hamel in een doorlopend verhaal van honderd-en-een gedichten van het slepende leven aldaar, in de tussenwereld waar zijn hersenen defect zijn en de diagnose nog niet is gesteld. Uit deze bundel nam ik een gedicht zonder titel waarin dit tot uiting komt.
.
ik heb de boodschapper van de duisternis ontmoet
en hij heeft mij de overkant laten zien
.
ik ben erheen gegaan
ik ben erheen gegaan
.
want aan de overkant
wonen ook mensen maar stillere
die de levens leven die ik niet leef
.
en ik heb ze aangeraakt
.
ik heb ze aangeraakt
en ben teruggekeerd
.
naar de inpandige schaduwplek waar ik de hoofdgast ben
waar ik mijn vuisten kan ontspannen en mijn koude zweet kan
deppen
.
voorwaar, dit is de laatste keer dat ik leef
de eerste keer dat ik opval tussen voormalig ongedeerden
en de zoveelste jkeer dat ik uitblink op mijn ijle xylofoon
.
De Tocht
Virginia Hamilton Adair
.
Virginia Hamilton Adair (1913 – 2004 ) was een Amerikaanse dichter die pas op hoge leeftijd beroemd werd met de publicatie in 1996 van ‘Ants on the Melon’ . Door haar vader als jong kind in aanraking gekomen met poëzie, begon ze op zesjarige leeftijd regelmatig haar eigen gedichten te schrijven. Meer dan zeventig werden gepubliceerd in tijdschriften en grote tijdschriften, zoals de Atlantic en de New Yorker. In totaal zou ze meer dan duizend gedichten schrijven. Hoewel ze in de jaren 1930 en 1940 werk publiceerde in Saturday Review , The Atlantic en The New Republic , publiceerde Adair bijna 50 jaar niet meer.
Er waren verschillende redenen waarom ze in die vijftig jaar niets meer publiceerde. Zo trouwde ze met de prominente historicus Douglass Adair en kreeg drie kinderen met hem, ze had een academische carrière en ze was verzuurd door de spelletjes die de uitgeverswereld met haar speelde bij het publiceren van haar werk.
Na de zelfmoord van haar man in 1968, haar pensionering van het lesgeven en het verlies van haar gezichtsvermogen door glaucoom kwam er een ommekeer. in de jaren negentig van de vorige eeuw. Adairs vriend en collega-dichter Robert Mezey stuurde een deel van haar werk door naar Alice Quinn , de poëzieredacteur van The New Yorker . The New Yorker publiceerde het werk in 1995 en publiceerde vervolgens de bundel ‘Ants on the Melon’. Adairs werk verscheen daarna regelmatig in The New Yorker en The New York Review of Books. Ondanks haar blindheid bleef Virginia Hamilton Adair daarna gedichten schrijven zoals bijvoorbeeld ‘Ga recht vooruit’ is niets / zonder zicht. / Alles is recht vooruit, wat niet / achter je ligt.
In 1998 verscheen bij De Prom in een vertaling van Louise van Santen de bundel ‘Gedichten’ met werk van Adair. Uit deze bundel nam ik het gedicht ‘The Trek’ en in de Nederlandse vertaling ‘De Tocht’.
.
De Tocht
.
Wij allen zijn leiders
zonder enig gevolg
.
alleen de ego’s vanbinnen
de schimmige wandelkaars
.
die over dode sporen gaan
hun ogen niet geloven
.
bij koude vuren blijven staan
of roepen boven het ravijn
.
hallo echo hallo
.
ik bracht de metgezel van mij
tot aan de rand, tot deze zelfkant
.
hallo hallo
.
The Trek
.
We are all leaders
whom nobody follows
.
only the selves inside
the shadowy marchres
.
crossing the dead trailks
surprising a pair of eyes
.
stopping by cold fires
or calling across the canyon
.
hello echo hello
.
I have brought my companion
to this edge, this falling off
.
hello hello
.














Kennismaking met de poëzie
18 mrt
Geplaatst door woutervanheiningen
Billy Collins
.
William (Billy) James Collins(1941) is een Amerikaanse dichter, was Dichter des Vaderlands van de Verenigde Staten, of Poet Laureate zoals het daar heet, van 2001 tot 2003. Hij is een Distinguished Professor aan Lehman College van de City University of New York ( gepensioneerd, 2016). Collins kreeg de titel van Literary Lion van de New York Public Library (1992) en was de New York State Poet van 2004 tot en met 2006. In 2016 werd Collins opgenomen in de American Academy of Arts and Letters. Sinds 2020 is hij docent in het MFA-programma (Master of Fine Arts) aan Stony Brook Southampton. Als dichter kreeg hij verschillende prijzen en onderscheidingen en van zijn bundels werden meer dan 250.000 exemplaren verkocht in de Verenigde Staten.
In 2010 verscheen de bundel ‘Zo Wordt U Gelukkig’ Kees van Kooten en de poëzie van Billy Collins. Kees van Kooten vertaalde en voorzag zesentwintig gedichten van Collins van uitgebreid en geestig commentaar, waarin hij niet alleen laat weten waarom de gedichten hem zo inspireerden, maar ook bepaalde vertaalkeuzes verklaart. Uit deze bundel koos ik het gedicht ‘Kennismaking met de poëzie’ of in het Engels ‘Introduction in Poetry’. In dit gedicht neemt Collins op humoristische en ironische wijze lezers (leerlingen) op de hak die per se precies willen weten waar een gedicht over gaat en wat er precies staat. Collins suggereert in dit gedicht dat het lezen van poëzie niet de vreugdeloze analytische oefening hoeft te zijn die veel mensen denken dat het is. De spreker – een leraar – wil dat studenten gedichten benaderen met een speelse, ruimdenkende houding.
.
Kennismaking met de poëzie
.
Ik vraag ze een gedicht te nemen
en dit tegen het licht te houden
als een kleurendia
.
of een oor tegen deze bijenkorf te drukken.
.
Ik zeg laat een muis in het gedicht los
en kijk hoe hij de uitgang zoekt,
.
of schuifel rond in de kamer van dit gedicht
en tast langs de wanden naar de knop van het licht.
.
Ik wil dat ze waterskiën
over het oppervlak van een gedicht
en zwaaien naar de auteursnaam op het strand.
.
Maar het enige dat zij willen
is het gedicht met touwen op een stoel binden
en er een bekentenis aan ontwringen.
.
Zij beginnen te meppen met stukken tuinslang
om erachter te komen wat dit te betekenen heeft.
.
Introduction to Poetry
.
Dit delen:
Geplaatst in Dichtbundels, Favoriete dichters, Over Poëzie
2 reacties
Tags: 1941, 2001, 2003, 2004, 2006, 2010, 2016, 2020, American Academy of Arts and Letters, Amerikaans dichter, analyse, Billy Collins, commentaar, dichtbundel, dichter, Dichter des Vaderlands van de VS, gedicht, gedichten, gedichtenbundel, humor, Introduction to Poetry, ironie, Kees van Kooten, Kennismaking met de poëzie, onderscheidingen, poëzie, poëziebundel, poem, poet, Poet Laureate, potry, prijzen, professor, vertaler, vertaloing, William James Collins, Zo Wordt U Gelukkig