Site-archief

Vergeten dichters

Erika Dedinszky

.

Zoals je als regelmatige lezer van dit blog weet, besteed ik met enige regelmaat aandacht aan (bijna) vergeten dichters. Omdat er tussen deze dichters, die lijken weggevallen te zijn uit het gedeelde literaire geheugen, vaak hele goede dichters schuil gaan met prachtig werk. Groot was dan ook mijn verrassing dat dichter en schrijver Joris van Casteren (1976) die ik wel al kende van zijn artikelen over vergeten dichters in De Groene Amsterdammer, een boek heeft geschreven met de veelzeggende titel ‘In de schaduw van de Parnassus’ uit 2002,  gesprekken met vergeten dichters. In dit boek schrijft hij over gesprekken die hij voerde met dichters die veelbelovend debuteerden, meerdere malen prijzen wonnen en toch in de vergetelheid zijn geraakt. Dichters als Peter Simpelaar, Wim Huyskens, Michael Deak, Dana Hokke, Fred Portegies Zwart, Johan Joos, Agnes de Graaf, Eddy Evenhuis en Leo Herberghs. En dichter en vertaler Erika Dedinsky.

Het laatste interview met dichter en vertaler Erika Dedinszky (1942-2022) verscheen ‘Gesprekken met vergeten dichters’ uit 2002. Hierna is weinig meer vernomen van deze, in 1956 na de Hongaarse Opstand, met haar ouders naar Nederland gevluchte, dichter en vertaler. Ze leerde Nederlands en publiceerde als gymnasiaste al gedichten en korte essays in Eigen Wijs, de jongerenafdeling van het Algemeen Handelsblad. Na het gymnasium ging ze Franse taal- en letterkunde studeren in Nijmegen. de tweede helft van de jaren zeventig, vormen de bloeitijd van haar culturele en cultuur-bemiddelende activiteiten: ze vertaalde films voor de Nederlandse televisie, vertaalde en bloemleesde Nederlandse verhalen en gedichten in het Hongaars, was redacteur van het in Wenen en Parijs gevestigde en door Hongaarse emigrantenschrijvers geredigeerde avant-gardetijdschrift Magyar műhely(Hongaars atelier) en reisde voortdurend naar Hongarije als begeleider van schrijvers en journalisten.

Vanaf 1977 publiceerde ze steeds vaker vertalingen van Hongaarse poëzie. Voor het tijdschrift Bloknoot stelde ze een special samen met door haar vertaald (experimenteel) werk van meer dan dertig dichters, onder wie grote namen als Sándor Weöres en Ágnes Nemes Nagy. Samen met de feministische kunstenaar Sylvia Bodnár (1946-2010) verzorgde ze een nummer over Hongaarse poëzie van het tijdschrift Kentering, en samen met de Hongaars-Nederlandse dichter en letterkundige Áron Kibédi Varga (1930-2018) stelde ze De toren van het zwijgen. Een keuze uit de moderne Hongaarse poëzie samen in de reeks van Poetry International. Van twee van de in deze laatste bloemlezing opgenomen dichters – Sándor Csoóri (1930-2016) en  János Pilinszky (1921-1981) – bracht ze een complete bundel met een keuze uit hun oeuvre uit.

In 1981  kreeg ze de Nijhoff Vertaalprijs toegekend,  voornamelijk voor haar poëzievertalingen. In Hongarije werd ze  onderscheiden met de Pro Cultura Hungarica-plakette en de Bárczi Géza-prijs in 1985. In 1985 maakte een verkeersongeval in Boedapest, waarbij Dedinszky een permanente hersenbeschadiging opliep, een einde aan haar werkzame leven.

In 1975 debuteerde ze met haar bundel ‘Kornoeljeboom’ gevolgd in 1980 met haar laatste eigen bundel poëzie ‘De ijstijd begint met de kou’. Op de website Neerlandistiek.nl  vond ik het gedicht ‘dagenboek’ van haar hand.

.

dagenboek

.

je doet wat aan de flat, prutst met een vergrootglas
schuift een beeldje verder, nog verder, en dan
gooi je het weg

je opent en sluit deuren, ramen, boeken, een la
spijkert een prent vast, daarna nog één
en mijmert

je verft de muur geel, bruin, later groen
ruilt de vleugel tegen een keukentafel
en tafelt

onder een dwergkap met reuzenfranjes
lees je papier vol grove poriën en dut in
je neus glimt

je weekt postzegels af en droogt ze op een theedoek
je hoedt je krullende liefjes tegen te bruuske tocht
en tilt een vlies op

je draait aan knoppen, stelt avondbeelden scherper
blaast over een plaat, plukt van de naald een pluisje
en danst wat

je leest sprookjes voor van gisteren en eergisteren
tussen koffie en bier douche je dof fluitend
en drupt na

haar maak je ook nog even open
aan één of twee happen heb je genoeg

.

Vroeger was een bos

Peter Theunynck

.

In de bundel ‘Naar een nieuw zeeland’ lees ik een bijzonder gedicht. Bijzonder in vorm maar zeker ook in inhoud. In een omschrijving van de inhoud van deze bundel van de Vlaamse dichter en schrijver Peter Theunynck (1960) over wie ik al eerder schreef, lees ik dat deze bundel een taalexpeditie vol aangrijpende liefdesverzen en hekeldichten, ritmische gezangen en natuurlyriek is. Beeldrijke poëzie die balanceert tussen woede, gemis en verlangen.

In zekere zin lees ik een aantal van deze kenmerken en omschrijvingen terug in het gedicht ‘Vroeger was een bos’. De reden dat ik dit gedicht koos uit ‘Naar een nieuw zeeland’ uit 2010 is ook vooral omdat in een van de laatste regels ‘De laatste der Mohikanen‘ wordt aangehaald. Voor de jongere generaties zal dit niet veel zeggen maar in mijn jeugd was ‘De laatste der Mohikanen’ een zeer spannende jeugdserie naar een boek van James Fentimore Cooper én de titel van een gedicht van Jana Beranová.

Een andere reden is dat, in het licht absurdistische vraag en antwoordspel tussen een jongen en een vader? de dichter prachtige poëtische antwoorden geeft op de vragen van de jongen, in de regels die cursief zijn gedrukt. Alle reden dus om dit gedicht hier te delen.

.

Vroeger was een bos

.

Wat is dat geruis?

Het gehuil van een boom, jongen.

Wat is een boom?

Een vogelhuis van bladeren, jongen.

Wat zijn bladeren?

Het gedicht van de twijgen, jongen.

Wat zijn twijgen?

Het zwerfhout van de takken, jongen.

Wat zijn takken?

De smekende armen van de stam, jongen.

Wat is de stam?

Wat al niet huist in die knoestige bast, jongen.

Wat is bast?

Wat de schors scheidt van het hout, jongen.

Wat is hout?

Planken met nerven en kwasten, jongen.

Wat zijn planken?

In de haven gestapeld regenwoud, jongen.

Wat is regenwoud?

De laatste der Mohikanen, jongen.

Wat zijn Mohikanen?

Vroeger met je tomahawk, jongen.

Wat is vroeger?

Vroeger was een bos, jongen.

.

Nieuwjaarsreceptie

Daniël Dee

Op oudejaarsdag kijk ik graag nog even terug én vooruit. Het afgelopen jaar was weer een vol en poëtisch jaar. Opnieuw wist ik elke dag een bericht te schrijven en te plaatsen op dit blog, heb ik weer op mooie plekken mogen voordragen (op een dak, een begraafplaats, een kloostertuin, tijdens de presentatie van een bundel, in een kas) verschenen mijn gedichten in verzamelbundels en op de Poëziekalender, was ik actief in drie poëziestichtingen en verscheen er een dichtbundel bij MUGbooks en opnieuw vijf exemplaren van het minipoëziemagazine MUGzine.

Maar ik wil ook vooruitkijken naar nieuwe initiatieven, blogberichten, voordrachten en publicaties en hopelijk (de tijd!) een nieuwe dichtbundel na zoveel jaar. En zoals elk jaar zijn er de komende weken nieuwjaarsrecepties waar ik acte de présence zal geven, professioneel, uit nieuwsgierigheid of om mensen te ontmoeten en het beste te wensen voor weer een nieuw jaar.  Dichter Daniël Dee (1975) schreef er in zijn bundel ‘Monsterproof’ uit 2010 een passend gedicht bij getiteld ‘Tijdens de nieuwjaarsreceptie of om het even welke bijeenkomst’.

.

Tijdens de nieuwjaarsreceptie of om het even welke bijeenkomst

een sociale fobie

waarom kan mijn verschijning niet versmelten met het bloemetjesgordijn

na een paar wijntjes gaat het wel glas recht houden niet morsen

.

iedereen heeft een ander

.

om iets tegen te melden geanimeerd ik weet niet eens waar

ik het over moet hebben geroezemoes stijgt op uit groepjes

als ik mijn ogen sluit dan kan ik er bijna op meewiegen

niet te lang mijn ogen sluiten aanschouw de nachtmerrie

een groepje van vier mannen gezonde mannen in mooie pakken

dure pakken bewegen in slowdance steeds dichter naar het raam

waar ik sta in mijn verschijning versmolten met het bloemetjesgordijn

ze nemen me niet waar de man met zijn rug naar me toe

ritselt zijn roos in mijn wijn nu doen alsof ik me bewust

even alleen heb teruggetrokken doen alsof ik even bel

met de gsm tegen mijn oor zeg ik ja dat begrijp ik ik zal

niet te lang meer blijven ik kom zo naar je toe als op dat

moment daadwerkelijk mijn mobiel begint te rinkelen

.

Laatste oordeel

Rob Schouten

.

Dat Kerstmis niet voor iedereen altijd een fijne tijd is mag algemeen bekend zijn; ouderen die eenzaam zijn, daklozen, mensen die in armoede leven of op een globaler niveau mensen die in oorlogsgebieden wonen, op plekken waar genocide plaats vindt of waar natuur- en andere rampen plaats vinden. Kerstmis mag dan het feest van vrede op aarde zijn, helaas kan maar zo’n klein deel van de wereldbevolking dit ook echt dagelijks ervaren.

Ik sta ambivalent tegenover Kerstmis. Aan de ene kant zijn het gezellige dagen met familie en vrienden en aan de andere kant is het toch ook een vorm van opgelegde vrolijkheid en vrede op aarde (een belofte die nooit ingelost wordt). Dichter Rob Schouten (1954) heeft ook zo zijn eigen kijk op religieuze concepten. In de bundel ‘Dichters van het laatste oordeel’ uitgegeven door museum De Lakenhal in 2010 is het gedicht ‘Laatste oordeel’ opgenomen waarin Schouten redelijk duidelijk laat weten hoe hij erover denkt. Het gedicht is ook opgenomen in zijn bundel ‘Zware pijnstillers’ uit 2012. Niet meteen over Kerstmis in dit geval maar wel met een verwijzing naar in de op een na laatste strofe.

.

Laatste oordeel

.

Moet dat nou echt? Is sterven niet genoeg.

In bed, op straat of in de strijd,

terwijl het regent of tijdens een hoog?

Maar nee, moeten we weer onder de mensen,

met weer dat licht, weer dat verkeer, links, rechts,

en alles afgerekend: geboeleerd

min stipt gestopt met zuipen plus de heiland,

vermomd als werkgever, vervloekt,

gedeeld door voorbestemming.

‘Maar Heer, ik was onder behandeling!’

‘Ik had aan het toneel gewild!’

.

Trouwens wat biedt het Nieuwe Jeruzalem?

Kan ik van huiselijk geluk op aan?

Die engel ruilen voor een centerfold?

Beloofd dat er niet weer zo’n boom…?

.

Lugubere vertoning, deze show,

gadegeslagen door het ramptoerisme.

Wat ik wil, niks, zit er niet bij.

.

Dingenverdriet

Marjolijn van Heemstra

.

Voordat Marjolijn van Heemstra (1981) debuteerde als romanschrijver met ‘De laatste Aedema’ (2016) en als columnist met ‘Het groeit! Het leeft!’ (2017) was ze al in 2010 gedebuiteerd als dichter met de bundel ‘Als Mozes had doorgevraagd’. Ze had toen al een goede neus voor publiciteit en marketing want ze vroeg bekende (onder andere Arie Boomsma, Henkjan Smits, Frits Bolkestein) en minder bekende Nederlanders (haar kapper) om een gedicht uit haar bundel voor de camera voor te lezen, deze leuke filmpjes werden op een website gezet en ze wist daar veel publiciteit mee te vergaren.

Helaas is de website of het deel van haar website waar de filmpjes ooit te zien waren offline maar de afzonderlijke filmpjes zijn nog terug te vinden op YouTube. Ik heb het filmpje waarin Youp van t Hek een gedicht uit deze bundel voorleest hieronder gezet.

De bundel (waarvan de omslag toen al een verwijzing was naar haar fascinatie voor het heelal en de ruimte) het vervolgens erg goed en haar naam als dichter was gevestigd. De bundel werd genomineerd voor de C. Buddingh’-prijs en kreeg de Jo Peters Poëzieprijs. Ik las de bundel en bleef hangen bij het gedicht ‘Dingenverdriet’ waarin haar poëtische stem wat mij betreft heel goed naar voren komt.

.

Dingenverdriet

.

Hierbij verklaar ik je rug tot rug,

je mond tot speeksel, tanden, tong

alle paden begaanbaar

het wonder gesloten.

.

Als we ons missen, bedenk

we waren oppervlaktevissers

haak- en wormloos

netten opgeknoopt

.

behalve een grasbrand

stichten we niets dan adem-

kastelen we lieten geen afdruk maar rode lintjes na

.

voor onbestemden om te volgen

een ontgoochelend simpel spoor

met aan de laatste lage tak

in een oogopslag te vinden

dit dingenverdriet.

.

.

piepkleine alien

Bo Vanluchene

.

Op zoek naar nieuwe dichters kom ik steeds opnieuw verrassingen tegen. Zo ook dit keer. Ik las op de website Aanlegplaats een stuk over haar en vervolgens ben ik op zoek gegaan naar meer informatie. In Stillmagazinen 9, akte van berouw, een uitgave van de KU Leuven, las ik het volgende: Bo Vanluchene (1988) studeerde journalistiek en schreef voor (bijlages van) De Morgen, Het Laatste Nieuws en De Standaard Avond om uiteindelijk te landen bij Het Nieuwsblad. Daar schreef ze enkele jaren de column ‘Bo luistert af’ in de weekendbijlage, werkt ze met veel plezier bij het online team en coördineert en schrijft ze film- en serierecensies. Daarnaast houdt ze zich graag bezig met poëzie. Bo woont in Antwerpen, maar haar hart klopt in Londen, de stad van musicals, queer (nacht)leven en haar partner Jamie.

Ik begrijp van de informatie van Aanlegplaats dat ze zich daar inmiddels gevestigd heeft. En dat haar debuutbundel in februari 2026 wordt verwacht. Op 2 mei van dit jaar verscheen al een gedicht op de website van Meander van haar met de titel ‘de vampier & ik‘ uit de groepsbundel ‘De ogen van de uil‘ uit 2025, en in de bundel ‘Nog een lente‘ uit 2010 blijkt ook al een gedicht van haar opgenomen. In Het Liegend Konijn 2025/1 staan vier gedichten van haar hand. Uit deze gedichten koos ik het gedicht ‘de piepkleine alien in het piepkleine kamertje spreekt’.

.

de piepkleine alien in het piepkleine kamertje spreekt

.

ik ben een

piepkleine alien

die een lichaam bestuurt

vanuit een piepklein kamertje

.

vlakbij mij bonst een levensgroot hart,

hoor ik stromen en pompen en

geslik, de machine loopt

gesmeerd

.

als een binnenstebuiten poppenspeler kleed ik mijn mensenlijf aan

om op stap te gaan, hoe je in gepaste schoenen moet staan

heb ik allang geleerd

.

niemand weet dat ze eigenlijk praten

met mij, meesterbrein, misvormde miniatuur,

beeldschoon schepsel van het universum,

kruipkoning. garnaalgeneraal, vernielziel

.

soms fantaseer ik dat ik het hartklepje

open, eruit sluip, wie ik ben

zomaar kan zeggen,

.

maar ik ben een enorme alien,

dan moet ik de hele wereld

in de as leggen

.

30 jaar Meander

Jubileumbundel

.

Meander, literair E-magazine voor Nederlandstalige poëzie bestaat dit jaar 30 jaar. In 1995 werd Meander opgericht door Rob de Vos (1955-2018). De Vos was de vennootschap vader en de stuwende kracht achter Meander, die in 1995 begon als e-mailnieuwsbrief met gecombineerde website. Jarenlang bestierde Rob de Vos Meander samen met een grote groep vrijwilligers tot zijn onverwachte overlijden in 2018. Toen nam Alja Spaan het stokje over als voorzitter van de stichting en sinds dat jaar ben ook ik als bestuurslid en secretaris toegetreden tot het bestuur dat verder bestaat uit Peer van den Hoven (penningmeester). Inmiddels is Meander flink gegroeid en heeft het maar liefst 43 vrijwillige medewerkers.

Deze medewerkers verzorgen de interviews, de recensies, de website, de social media, de commentaren, de kopij, de columns, de readymades, de klassiekers en de nieuwsbrief. Sinds een aantal jaren organiseert Meander ook de Rob de Vos poëziewedstrijd en een jaarlijkse medewerkersdag. Ook wordt met enige regelmaat een bundel of boek gepubliceerd. Zo werd in 2010 de bundel ‘Nog een lente‘ 30 dichters gekozen door Meander, uitgegeven door uitgeverij P en verscheen in 2023 de bundeling ‘Wat maakt een gedicht goed?  met bijdragen van Meander medewerkers.

En nu, na 30 jaar vele medewerkers en duizenden bijdragen verder verscheen bij Meander de bundel ’30 jaar Meander’, opnieuw met bijdragen van medewerkers en opnieuw vormgegeven door Bart van BRRT.Graphic.Design. De medewerkers werd gevraagd ‘iets’ te schrijven dat betrekking had op Meander. En daar werd in grote mate gehoor aan gegeven. Door persoonlijke verhalen maar ook door middel van poëzie.

Uit die laatste categorie koos ik voor de bijdrage van Annet Zaagsma (medewerker sinds 2021) getiteld ‘Alles wat in de ochtend weer verdwenen is’.

.

Alles wat in de ochtend weer verdwenen is

.

Ik schrijf alleen. Er mag niemand in de buurt zijn.

Mijn kinderen slapen.

Ik zet een eerste stip, neem de ruimte.

Kijk rond in een droom waar mijn denken

traag en mistig is, probeer de details

te proeven die belangrijk zijn.

.

Tussendoor de afwas, of in bad

ontstaan woorden die spelen, buitelen

zonder harde gedachten.

Onderweg naar de Spar

kan ik al trappend fijne regels binnenkrijgen

.

waarvan de meeste verloren gaan

omdat ik wil doorrijden

omdat ik word afgeleid door een vogel

een berg of een kerk

omdat het geheugen

nu eenmaal zijn beperkingen heeft.

.

’s Nachts overvalt me dan het gedicht

aan de rand van mijn gezichtsveld.

Onscherp in halfslaap is het de kunst

die briljante flarden te vangen in leesbare krabbels.

Alles wat anders in de ochtend weer verdwenen is.

.

Yo! de liefde

Maria van Daalen

.

Over de schrijver en dichter Maria van Daalen (1950) schreef ik al een aantal malen. Over een bijdrage die ze schreef in ‘Die eeuwige wind‘ (over de Wierde van Wierum in Friesland) uit 2010,  over haar erotische bundel ‘Elektron, muon, tau‘ uit 2000 en over haar werk als vertaler van de poëzie van Dorothy Porter.

Vandaag wil ik een mooi liefdesgedicht met een licht erotische ondertoon van Maria (pseudoniem van Maria Machelina de Rooij) met jullie delen. Omdat het alweer even geleden is en omdat het altijd een goed moment is om een liefdesgedicht te lezen. Uit haar bundel ‘Yo! de liefde’ uit 2003 komt het gedicht ‘Opening’.

.

Opening

.

Het langzame ballet van twee lichamen

in bed, je hand onderzoekt mijn borst, je kust

de tepel, je zucht, legt je voorhoofd rustig

tegen mijn borstbeen, mijn hart, we zijn samen

.

voorzichtig op zoek naar liefde, een drama

in één bedrijf, steeds hetzelfde toegerust

maar nieuwe benaderingen, intussen

geef je wankel koningsgambiet aan dame.

.

Je zoekt veiligheid als je onder me ligt,

als ik over je heen welf, warm en levend,

mijn tepel raakt je lippen, mijn hand steunt je.

.

Ben je bij me? In mijn ogen, jouw gezicht.

Ik til je hoofd omhoog. Daar gaan we, zwevend.

Je bijt in mijn onderarm, en dan kreun je.

.

1 miljoen

Statistiek, bezoekers, pageviews en een gedicht

.

Dit wordt een blog over cijfers en statistiek, een extra blog om mijn lezers te bedanken voor hun vertrouwen en nieuwsgierigheid naar alles wat de poëzie te geven en te melden heeft. En zoals altijd met een gedicht.

Vanaf half oktober 2007, toen ik dit blog begon, heb ik regelmatig statistieken gedeeld. De eerste na een jaar in augustus 2008 toen dit blog nog onder web-log.nl draaide, toen ik in één jaar maar liefst 2116 bezoekers had. Ik weet nog dat ik daar heel blij mee was, mijn berichten werden gelezen en er zat een stijgende lijn in. In februari 2009 was het aantal bezoekers gestegen naar 5000 . In 2010 kwam de mijlpaal van 1000 reacties, in 2012 plaatste ik het 700ste bericht, in 2014 de 100.000 pageviews, in 2020 volgde het 1000ste bericht, de mijlpaal van 1 miljoen pageviews, in 2023 de 1,5 miljoen pageviews (inmiddels ruim 1,8 miljoen pageviews) en nu, afgelopen augustus werd opnieuw een mijlpaal behaald, namelijk de 1 miljoenste bezoeker. Ik realiseer me dat veel van deze 1 miljoen bezoekers regelmatige, vaak zelfs dagelijkse bezoekers zijn. Ik heb door de jaren heen vele abonnees op dit blog mogen verwelkomen (in totaal vandaag 497). Al die vaste en incidentele lezers wil ik hierbij bedanken voor hun vertrouwen in dit blog maar vooral voor hun liefde en nieuwsgierigheid van en in poëzie.

En omdat geen blog zonder gedicht kan (vind ik) heb ik gezocht naar een gedicht over cijfers of statistieken. Dat heb ik gevonden in de bundel van Radosław Jurczak (1995) die werd gepubliceerd en uitgegeven door Poetry International, Versopolis en de Europese Unie in 2023 en vertaald door Kris Van Heuckelom.

.

Elegie voor de afdeling speltheorie en sociale wiskunde van de universiteit van Warschau

.

Thou shalt not sit
With statisticians nor commit
A social science.

W.H. Auden

Spam is de basis van alle dingen en zal ons op een dag doden
als het ons eerder niet sterker zal maken Uit kartonnen dozen op de Banachmarkt

doen willekeurige Vietnamezen rekenmachines van de hand
(willekeurig zijn ook de processen: die Vietnamese jongen zijn

in een goedkoop Vietnamees T-shirt Een wiskundige als oom hebben
Die wiskundige zijn: geld naar huis sturen

en e-mails kleurloos als zuurstof) En je moet nog iets weten:
hoeveel geld je kunt verdienen met zulke rekenmachines

als Vietnamees kind (en je weet het niet: dus dat kind zijn
niets van getallen weten rekenmachines van de hand doen

elke dag bij het verlaten van de metro folders op de grond laten vallen
als offer aan de ondergrondse goden, want wie zou ze godverdomme lezen

in het Pools) Dus de oude statisticus droomt dat hij een zuurstofdeeltje is
of zijn eigen model: uitgestrekt zijn de rijstvelden

alsook de dorpen dichtbevolkt en zonnig: en dit weten ze niet:
onder de grond berekent elke rijsthalm winst en verlies

(en dus deze winst dit verlies zijn) Op alle zuurstofatomen
zitten zeer kleine tellers (als je dit eenmaal inademt)

stretto
Spam is de basis van alle dingen en als het ons niet sterker maakt
zal het ons uiteindelijk volkomen begrijpen Uit kartonnen dozen bij de Banachmarkt
doen ze rekenmachines van de hand Der Tod ist ein Statistiker
aus Vietnam (de lucht hecht zich aan één zuurstofatoom)

.

160 tekens (inclusief wit)

Sofie Cerutti

.

Het lijkt alweer heel lang leden dat we nog SMSte met elkaar. Tegenwoordig lijkt de directe chat met elkaar overgenomen door Whats App, Signal of de chatfunctie van social media als Facebook, Instagram, TikTok (ik weet niet of deze Chinese vorm van social media een chatfunctie heeft eigenlijk, ben er niet actief op) of zelfs apps als Wordfeud.

Maar in 2007, toen de bundel ‘160 tekens (inclusief wit)’ van Sofie Cerutti werd gepubliceerd was SMS-en nog de gewoonste zaak van de wereld. In 2019 schreef ik al eens over SMS-poëzie, toen naar aanleiding van de bundel ‘Gesluierde schandaaltjes‘ uit 2008, en eerder in 2010 schreef ik al eens een SMS-gedicht ook toen al naar aanleiding van de website http://www.precies160.nl (die overigens al lang niet meer bestaat). In 2008 verscheen er zelfs al een bloemlezing van SMS-gedichten van Cerutti maar daarna is niets meer over dit fenomeen vernomen.

In de bundel ‘160 tekens (inclusief wit)’ wordt nog verwezen naar deze website en naar de stichting 160 (ook al ter ziele) maar er zit achterin de bundel wel een DVD met daarop 160 filmpjes + lesmateriaal voor het voortgezet onderwijs, 30 gedichten van 14 dichters ( onder wie Vrouwkje Tuinman en Leo Vroman) en een interview met Sofie Cerutti. De bundel van Cerutti (1972) gaat over liefde, eenzaamheid, mobiele telefonie en de onmacht elkaar werkelijk te bereiken (toen was dit dus ook al actueel). Volgens de achterflap schrijft Cerutti prikkelende, melancholieke gedichten die behalve vormvast (160 tekens inclusief wit) ook lichtvoetig en speels zijn.

Jan de Jong kon de speelsheid en de vorm wel waarderen toen hij deze bundel voor Levende Taal in 2010 recenseerde (later, in 2021, opnieuw geplaatst op Tzum.nl).  Zo schreef hij: “Zo kunnen ook de strakke grenzen van een sms’je fraaie poëzie herbergen. Bijkomend voordeel is het medium. Door de alledaagse toegankelijkheid, zal een nieuw en jonger publiek makkelijker kennismaken met poëzie. De sms-bundel ligt voor velen nou eenmaal meer binnen bereik dan de dichtbundel.” Ik ben het met terugwerkende kracht helemaal eens met Jan.

Ik moet toegeven dat de vorm, de beperking van het aantal tekens een zekere compactheid brengt in de gedichten. Ik koos er twee, de eerste gaat over iets dat we nog steeds herkennen maar nu niet meer door de SMS maar door een andere ‘boodschapper’ en de tweede is een grappige variant.

.

SMS heeft de

wereld ingrijpend

veranderd: de

spanning in je lijf

als om 7:23 een

berichtje trilt

terwijl je wettige

wederhelft koffie

inschenkt redt

huwelijken.

*

De spannendste

komen van mijn

liefje (v), de

geilste van mijn

liefje (m), de

verstandigste van

mijn zus, de

mooiste van mijn

zoontje, de

leegste van mijn

vader.

.