Site-archief

Fonteintje

Annemarie Estor

.

De Nederlandse Annemarie Estor (1973) is dichter en essayist. Zij woont en werkt afwisselend in Antwerpen (België) en Aragon (Spanje). Ze groeide op in Nederlands Limburg en studeerde van 1991 tot 1996 Cultuur- en Wetenschapsstudies aan de Universiteit Maastricht. In 1996 werd zij AIO aan de vakgroep Engelse Taal en Letterkunde van de Universiteit Leiden. In juli 1999 was zij ‘fellow’ aan de International School for Theory in the Humanities te Santiago de Compostela. Na haar doctoraat in 2004 trok zij naar Antwerpen en sindsdien is zij actief als tekstredacteur in opdracht van onderzoekers en beleidsmakers. Sinds 2015 leeft zij off-grid op haar amandelboerderij in Aragon.

Naast haar werk als dichter en redacteur van het cultureel maatschappelijke tijdschrift ‘Streven’ dat zich vooral richt op essayistiek.  In Estors narratieve en mythologische poëzie zijn de planten- en de dierenwereld vaak prominent aanwezig. Alertheid, betrokkenheid, gevoel, compassie, expressiviteit en verbinding door wederzijdse transformatie zijn de creatieve principes onderliggend aan alle artistieke en dus ook haar literaire creaties.

Annemarie Estor zet zich in voor de universele vrijheid van meningsuiting en voor de versterking van internationale netwerken van geëngageerde schrijvers. Estor was bestuurslid van PEN Vlaanderen van 2014 tot en met 2018, waar zij onder andere meewerkte aan het project ‘Polyfoon’, met Arabische auteurs. Estor vertaald incidenteel Arabische poëzie naar het Nederlands.

In 2010 debuteerde Estor met de bundel ‘Vuurdoorn me’. Voor deze bundel ontving ze in 2011 de Herman de Coninckprijs voor het beste debuut. In 2018 ontving ze de Jan Campertprijs voor haar bundel ‘Niemandlandsnacht’. Haar laatste bundel is van 2022 en is getiteld ‘Nanopaarden en megasteden’.  Uit deze bundel komt het gedicht ‘Fonteintje’, een gedicht dat actueel is in deze warme nazomer.

.

Fonteintje
–
Op minder dan twee uur gaans
staat in de nog steeds heel erg hete avondzon
een fonteintje, met ornamenten,
wat oleanders erom,
en verder beton.
–
Dagloners stappen er uit een oude Renault,
ze stoffen elkander af, zo goed en zo kwaad
als dat gaat,
overalls, touwhaar,
het smeltend asfalt van hun verlangens, rorschach
zweetplekken tussen de schouderbladen,
ze koelen de paarden
die ze uit de kattenbak halen
onder het vredig snorren van de nachtzwaluwen

.

Tertiair

Cock van Viegen

.

Soms kom ik een dichter tegen die ik van naam niet ken maar die wel gepubliceerd is. In dit geval bij De Beuk, Stichting voor literaire publicaties. De Beuk werd in 1953 opgericht met als doel het in de handel brengen van literair werk dat vanwege de speciale aard of de beperkte omvang niet door de reguliere commerciële uitgeverij wordt uitgegeven. De Beuk specialiseerde zich in poëzie en het grootste titel aanbod van gedichtenbundels in het Nederlands taalgebied. De Beuk werd door Wim J. Simons (1926-2005) opgericht en na zijn dood gingen een aantal dichters van De Beuk door onder de naam ‘Dichterscollectief’ waaronder zijn weduwe Carla Dura (1935-2011).

Van deze uitgeverij dus kwam ik het bundeltje ‘Het verdampend moment’ van Cock van Viegen (1934) tegen uit 1995. Van Viegen gaf al eerder een bundel uit bij De Beuk getiteld ‘Overbodige getuige’ (1990). Volgens de flaptekst doet van Viegen in ‘Het verdampend moment’ verslag van dooltochten in de tijd, de ruimte en de menselijke geest. Het bijzondere aan deze bundel is ook dat alle gedichten zonder titel zijn maar dat onder elk gedicht tussen haakjes een woord staat dat je als titel zou kunnen lezen.

Ik koos voor het gedicht met als ‘ondertitel’ tertiair.

.

tepels zetten wegen open

naar vraat en roof

van op de tast in duister gaan

naar nachtvlucht en

hiërarchie onder staande pupillen

.

uit voorspel in gebaar en toon

sturen seizoenen op samenvloeien aan

zorg en spel

kiezelstenen op het pad

met afslagen naar moord

.

langs vingertoppen

glijdt een duim

in bomen vangt denken aan

.

(tertiair)

.

Burleske humor en nuchterheid

L. Th. Lehmann

.
Louis Theodurus Lehmann (of zoals hij bekend was L.Th. Lehmann) was een Rotterdamse dichter en scheepsarcheoloog. Een verrassende combinatie. Zeker in de wetenschap dat Lehmann een originele dichter was met een heel eigen stem die veel verscheidenheid in zijn werk toont, met burleske humor en een door ironie doorkruiste romantiek. Lehmann (1920-2012) debuteerde in 1939 in de almanak ‘In Aanbouw’.
.
In de tweede wereldoorlog werkte hij onder meer mee aan het surrealistische en dadaïstische tijdschrift ‘De Schone Zakdoek’ (dat van 1941 tot 1944 gemaakt werd en in een oplage van 1 exemplaar werd gepubliceerd, in totaal verschenen er 23 nummers). Sommige van de bijdragen in ‘De Schone Zakdoek’ zijn later beroemd geworden zoals bijvoorbeeld de gorgelverzen ( Ik ben de blauwbilgorgel..) van Cees Buddingh.
.
 In 1964 won Lehmann de Jan Campert-prijs voor ‘Who’s who in Whatland’ uit 1963. In zijn latere poëzie geeft hij blijk van meer nuchterheid. Zoals bijvoorbeeld in de bijdragen aan ‘Hollands Maandblad’. In 2011 werden een aantal gedichten van Lehmann opgenomen in nummer 760 waaronder het volgende gedicht zonder titel.
.
Niemand van het nageslacht
Of zomaar iemand
Zal ooit weten dat ik op de avond
Van 19 januari 1970
Op de vraag bij het rijexamen:
Wat is het de bestuurder van een
Motorvoertuig
In een tunnel verboden mee te voeren?
Antwoordde: een koe,
En dat de vrager en ondervraagde
Toen homerisch lachten.
.
Of nu misschien wel
.
.

Poollicht

Maarten Inghels

.

De Vlaamse dichter, schrijver en multidisciplinair kunstenaar Maarten Inghels (1988) maakt boeken, video’s, performances en installaties. Op zijn website zijn verschillende van zijn projecten te zien en te lezen. Van 2016 tot 2018 was Inghels stadsdichter van Antwerpen. Hij werd gekozen voor zijn engagement en zijn hedendaagse poëzie.

Inghels debuteerde in 2008 met ‘Tumult’, het zeventiende deel in de Sandwich-reeks van oud-Dichter des Vaderlands Gerrit Komrij. In 2011 verscheen ‘Waakzaam’ waarin zijn bibliofiel uitgegeven bundel ‘Het abattoir van het afscheid’ uit 2009 integraal werd opgenomen. Inghels is coördinator van de Eenzame uitvaart in Antwerpen. In 2013 verscheen ‘De eenzame uitvaart’ veertig verhalen en gedichten bij het vergeten leven.

In De Gids nummer 4 uit 2015 verschenen twee gedichten van Inghels. Het gedicht ‘Inktbloedingen’ wil ik hier graag delen. Bij de titel moest ik meteen denken aan de Mariabeeldjes die uit hun ogen bloeden (wat meestal door de warmte kwam waardoor was smolt) maar Inghels geeft er een heel andere invulling aan. In dit gedicht is het taalgevoel van Inghels heel duidelijk aanwezig in de samenvoegingen en zijn beeldtaal.

.

inktbloedingen

.

Doorgaans aard ook ik niet in gezelschappen dus liep ik
met een emmertje oogstend door imaginaire tuinen,
de inktbloedingen in het binnenland van mijn hoofd.

Ik fantaseerde over ontmoetingen met waterberen
en houtvissen. Verdwaalde als een voetnoot
onder aan een heuvel en leerde de bosbessentaal.

Ik schrok wakker in de lawaaimaag van een walvis
en luisterde naar zijn fluitende geheimen.
Spaarde olifantentranen als amuletten,

vlooien in mijn haar waren talismannen.
Mijn lichaam werd een opgesmukte serre.
Ik was een arrogante wonderdwaas die mythes spuwde.

Met een botervloot ging ik langs de scharnieren
opdat de knarsetandende aarde was ingevet.
Ik zat op de rug van een reuzenschildpad

en hobbelde rond de continenten
om overal mijn bloedneuzen te laten zien.
(Waar ik ook kwam kaderde men mijn zakdoeken in —

rorschachtesten van mijn grootheidswaanzin.)
Uiteindelijk ben ik blauw in de badkuip leeggelopen,
tegen de emaillen graftombe galmde mijn ego na.

.

Zeventien dichters

Hella Haasse

.

In antiquariaat Colette in de Reinkenstraat in Den Haag kocht ik een paar poëziebundels. Colette heeft al sinds ik van haar bestaan weet een grote aantrekkingskracht op mij. Het is, of was moet ik zeggen, een winkel van een liefhebber die nooit een boek weggooide zo leek het. Stapels boeken liggen er in de winkel en slechts via een smal paadje kun je je weg vinden. Hoewel geordend liggen eer ook enorme stapels ongeordende boeken. Een schatkamer kortom. Tegenwoordig is de winkel overgenomen door wijkgenoten die, nadat de eigenaar had aangegeven de zaak te willen sluiten, het werk voortzetten als vrijwilliger, een mooi en nobel streven. Juist dit soort winkeltjes geven sjeu aan winkelstraten.

Een van de bundeltjes die ik kocht is ‘Singel 262′ met als ondertitel: Zeventien dichters.  Singel 262 waren jaarboekjes en de bedoeling van deze boekjes, zo lees ik op de tweede pagina is “de Nederlandse poëzie de aandacht en belangstelling te geven, die zij zozeer verdient en zozeer nodig heeft”.  Wanneer ik dit lees moet ik onwillekeurig aan MUGzine denken waarbij deze reden ook een rol speelt.

Mijn exemplaar is van 1952 en opvallend is vooral dat van de 112 pagina’s die de bundel heeft er maar liefst 32! zijn bestemd voor informatie en reclame van de uitgever. Desalniettemin staat er ook veel poëzie in de bundel, deels genomen uit bestaande bundels en deels (voor die tijd) nieuw werk. De zeventien dichters die vertegenwoordigd zijn krijgen allemaal een pagina met een foto en een biografie.

Een van de dichters is Hella Haasse (1918-2011) toen nog een jong talent (ze publiceerde toen pas 5 jaar) met een prachtige foto van Hella op 34 jarige leeftijd. In de bundel zijn drie gedichten van haar opgenomen waarvan één zonder titel die ik hier wil delen. Ad den Besten schreef over deze poëzie in ‘Stroomgebied’ uit 1954: “Bijna schoolse, meestal vier-regelige strofen zonder raffinement in woordkeus of beeldvorming, maar misschien juist daardoor zo concreet. Erachter is véél meer aan de hand dan men bij eerste lezing vermoedt, volkomen pretentieloos als zij zich voordoen. Helemaal niet modern, deze gedichten, – o nee, eerder ‘ouderwets’ van vormgeving. Maar naar ik meen oorspronkelijk van besef, existentieel, bezig met de heel intrinsieke dingen van het leven, die geen opschik verdragen. Een zo ingetogen en ingebloeide poëzie, dat men zich er gemakkelijk op zou kunnen verkijken; beslist niet groot, maar van een oprechtheid en diepte die mij persoonlijk imponeren. Een poëzie bovendien, die zeer stellig ‘functioneel’ wil zijn.”

.

Wentel de steen van mijn graf,
wentel die last van mij af.
Ik wil, van windsels bevrijd,
deel aan de werkelijkheid.
.
Diep in de donkere grond
roep ik, maar zand smoort mijn mond.
Lazarus kwam hier vandaan,
mocht uit de doden opstaan,
.
wek mij, gij wekte ook hem,
ik heb geen kracht meer, geen stem,
ogen, met aarde gevuld,
lichaam in linnen gehuld,
.
stil in dit stilste verblijf.
Langzaam verpulvert mijn lijf.
Wek mij, of troost: – In jouw as
wortelt het bloeiende gras. –
.
.

Dichter op verzoek

Paul Demets

.

Op mijn vraag een paar weken geleden, aan welke dichter ik weer eens aandacht zou moeten besteden, antwoorde Alex Gentjens: Paul Demets. Paul Demets (1966) is dichter en poëzierecensent voor De Standaard, Cobra.be, Awater en Ons Erfdeel. Hij debuteerde in 1999 met de dichtbundel ‘De papegaaienziekte’ welke werd bekroond met de Prijs voor Letterkunde van de Provincie Oost-Vlaanderen. In 2011 verscheen ‘De bloedplek’, waarvoor hij de Herman de Coninckprijs ontving. In 2018 volgde de bundel ‘De klaverknoop’, die werd bekroond met de Jan Campert-prijs. Van 2016 tot 2019 was Demets plattelandsdichter van de provincie Oost-Vlaanderen. In 2022 kwam zijn meest recente bundel uit getiteld ‘Bijendans’. Het onderstaande titelloze gedicht uit uit ‘Bijendans’.

.

Die hand. We moesten onze troep opruimen,
maar we zijn het vergeten. In de maïs woekert

 

de builenbrand, grijze vuisten rond de stronken.
We moesten onze troep opruimen. En ook die

 

van jullie, moeder, vader. Maar we hebben alles
in de grond gestopt, aarde erover. De hitte ploegt

 

het boven. De nectar is zoek. Waar komen jullie vandaan,
van ver over de akker aangewaaid, vanachter

 

de dode wilgen, jullie gezichten zwart, gegroefd?
Er zwermt iets boven de mestvaalt, in dit knekelhuis

 

een stal vol karkassen. Wasmul in de korf. We zijn
de enigen goed in het vlees, vacuüm verpakt.

 

Die hand. Ze wijst aan wie mans genoeg is om het huis
te verlaten. Hier worden geen dieren meer opgehaald.

.

Zondag op maandag

Dubbelgedicht

.

Voor wie dacht dat het plaatsen van een liefdesgedicht daags na Valentijnsdag een vergissing was, die wil ik graag uit de droom helpen. Want vandaag, op maandag een gedicht over de zondag. Een dubbel-gedicht met twee gedichten over de zondag.

Het eerste gedicht, getiteld ‘Zondag’, is van Remco Campert (1929-2022) en komt uit zijn bundel ‘Bij hoog en bij laag’ uit 1959.

Het tweede gedicht getiteld ‘Zondagmiddag’ is van de Rotterdamse dichter Ellen Warmond (1930-2011) en komt uit de bundel ‘Mens: een inventaris’ uit 1969.

.

Zondag

.

Zondag had ik me voorgesteld

in de hangmat door te brengen

tussen de stevige stammen van de bomen

dicht boven de aarde

en van de hemel ver genoeg verwijderd

om me een mens op zijn plaats te voelen.

.

Maar het regende.

.

Zondagmiddag

.

De dag is zonder perspectief

in platte huizen schuiven

uit dun papier geknipte poppen

heen en weer langs de ramen

vlak zonlicht staat als

een kamerscherm tussen hen in

.

bij mij

is alles van zijn plaats geschoven

de mensen lopen met gesloten ogen

voorbij.

.

Tijd

Jeroen de Vos

.

Toen ik mijn dichterschap serieus begon (na de publicatie van mijn debuutbundel ‘Zichtbaar alleen, waar dit blog naar vernoemd is) waren er een paar dichters waar ik al snel kennis mee maakte via mijn uitgeverij. Dat waren onder andere David Muiderman, Karel Kramer (van wie net de tweede druk verschenen is van zijn bundel ‘Delft, zwarte inkt’ bij mijn facilitaire uitgeverij MUGbooks) en Jeroen de Vos. Van hem verscheen in 2009 in de serie ‘Haags fris’ de bundel ‘Soms zijn drie woorden genoeg’. In 2011 bij het verschijnen van mijn bundel ‘Zoals de wind in maart graven beroert’ deed hij een voordracht en ik deelde een podium met hem in Maassluis.

Toen ik deze week iets aan het opzoeken was kwam ik zijn bundel ‘Soms zijn drie woorden genoeg’ tegen. Wat me lezend in de bundel, opviel was dat Jeroen de Vos zoveel humor en mededogen in zijn gedichten stopt. Dat bleek al eerder in een bericht dat ik schreef over Hoe schrijf je poëzie (dat weer mooi aansluit bij het bericht dat ik hier eergisteren plaatste).

Daarom vandaag nog een gedicht uit deze fijne bundel getiteld ‘Tijd’.

.

Tijd

.

Mijn vader lag al twee weken in het ziekenhuis

en op de vijftiende dag zat er ineens een engel aan zijn bed.

De engel richtte zich tot mij en zei:

‘het is tijd voor je vader om te gaan.’

‘Sinds wanneer maak jij de dienst uit? schreeuwde mijn

vader vanuit het bed.

De engel keek even ontdaan naar mijn vader die nu toch

wat kleur in zijn bleke gezicht begon te krijgen.

‘Het is bepaald’ stotterde hij ‘Het staat in de kaarten’.

‘wat een onzin!’ brulde mijn vader.

‘Kom Jeroen, we gaan.’

Mijn vader pakte zijn spullen en vervolgens mijn hand.

.

Terwijl ik min of meer achter hem aan holde

zei mijn pa ‘Kom, jongen snel naar huis…

want langs je moeder komt hij nooit’.

.

Beste meneer Bloem,

Selectie uit 20 jaar Mr. J.C. Bloemprijs

.

In 2001 werd voor de 1e keer de Mr. J.C. Bloemprijs beschikbaar gesteld door de gemeente Steenwijkerland waar dichter J.C. Bloem (1887-1966) de laatste jaren van zijn leven woonde. Sindsdien wordt de prijs elke twee jaar uitgereikt aan een dichter uit het Nederlandse taalgebied. Het geld is bedoeld (als aanmoedigingsprijs) voor een tweede bundel (Inleiding pagina 6). Dit laatste klopt niet helemaal, je zou denken dat het hier dus een prijs voor debutanten betreft maar een snelle check levert meteen al op dat niet klopt. Neem bijvoorbeeld Hagar Peeters die in 2005 de prijs kreeg voor ‘Koffers zeelucht’. Peeters debuteerde in 1999 met de bundel ‘Genoeg gedicht over de liefde vandaag’. Een ander voorbeeld is Maria Barnas, winnaar van de prijs in 2009 met ‘Er staat een stad op’ uit 2007, terwijl zij als dichter debuteerde in 2003 met ‘Twee zonnen’.

Wanneer een dichter is genomineerd wordt deze gevraagd een gedicht te schrijven op de persoon Bloem, zijn werk of een regel of titel uit zijn oeuvre. Niet alle dichters gaven hieraan gehoor. Van de gedichten die wel geschreven werden daaruit is een overzicht gemaakt (van dichters uit Nederland en Vlaanderen). Deze zijn in de bundel bijeengebracht samen met twee lezingen van Willem Thies over Bloem die rijk zijn aan zijwegen die je na lezing verder wil bewandelen maar de hoofdweg die hij kiest (het hart in het werk van Bloem en de betekenis, een analyse, van het gedicht ‘November’) is duidelijk analytisch en zeer verteerbaar.

De dichters die in de bundel zijn vertegenwoordigd worden geïntroduceerd middels een korte biografie, citaten, een overzicht van hun werk en iets over het gedicht dat is opgenomen. In de inleiding wordt de dichters die genomineerd zijn geweest voor de Mr. J. C. Bloemprijs en geen gedicht hebben aangeleverd gevraagd dit alsnog te doen. Alle genomineerden staan vermeld achterin de bundel. Men hoopt dat men zo een tweede (vermeerderde druk) van deze bundel kan uitgeven waarin meer genomineerde dichters staan.

Als ik kijk naar dichters die wel zijn genomineerd maar die geen bijdrage in de vorm van een gedicht hebben geleverd dan zijn dit niet de minste: Ilja Leonard Pfeijffer en Rodaan al Galidi (2003), Mark Boog (2005), Micha Hamel en Erik Jan Harmens (2007), Peter Swanborn (2011), Maud Vanhauwaert (2015) Maarten van der Graaff (2017), Daniel Vis en Charlotte Van den Broeck (2019) en Marieke Lucas Rijneveld (2021), en dit is nog maar een greep. Me dunkt dat je met gedichten van deze dichters een aardige (extra) bundel kunt vullen.

Desalniettemin staan er nog genoeg dichters van naam in deze bundel met een gedicht die deze bundel bijzonder de moeite waard maken. Zoals het gedicht van Sylvie Marie (1984) ‘Het leven zou zoveel leuker zijn’. Sylvie Marie werd in 2013 genomineerd met de bundel ‘Toen je me ten huwelijk vroeg’.

.

Het leven zou zoveel leuker zijn

.

zonder aanmodderen, deze lamme sofa,

staren, sterren, altijd dat raam.

.

ik zocht het op ; er zijn geen wedstrijden,

noch is er een wereldrecord janken

en toch trekken we jassen aan

als zwachtels, slenteren we ons suf.

 

waarom kiezen we niet eens

voor de donder, vegen we met regen

nooit gewoon de vloer aan,

wie weet wat er dan komt aangewaaid?

.

ja, waarom hebben de tegels

waarop we onze schoenen slijten geen

namen als martha, albert, julia, roger ?

heel eenvoudig hinkelspel had dan gezegd

wie van wie moet houden.

.

 

Hanoi

Kira Wuck

.

Zoals ik al eerder deze maand schreef zijn er verschillende dichters bekend en gepubliceerd zijn, die op enig moment aan de Turing gedichtenwedstrijd hebben meegedaan. Kira Wuck (1978) is ook iemand die meedeed aan deze wedstrijd. In de bundel van 2016 staat ze bij de 100 beste dichters. Wuck studeerde aan de Hogeschool Utrecht en volgde de schrijfopleiding aan de Schrijversvakschool. In 2011 brak zij door op het podium toen zij de NK Poetry Slam won. Een jaar later verscheen haar debuutbundel ‘Finse meisjes’ dat in 2013 bekroond werd met de Lucy B. en C.W. van der Hoogtprijs en werd genomineerd voor de C. Buddingh’-prijs en de Jo Peters Poëzieprijs. In 2018 verscheen haar tweede bundel ‘De zee heeft honger’.

.

Hanoi

.

In een goedkoop hotel waarvan het behang van de muren bladdert

kijken katten koortsachtig uit hun ogen

ze geven hun gasten kopjes zodat ze niet langer blijven

het zijn altijd anderen die kou mee naar binnen dragen

als luizen onder hun kraag

.

een jonge man die zijn kamer niet verlaat

denkt dat de wereld uit zijn vingers loopt

weilanden uit zijn jeugd drijven voorbij

zo ligt hij al eenentwintig dagen

hij droomt ervan zichzelf uit foto’s te knippen

in een land waar de lucht zwart is en opium niet duur

.