Site-archief
Informatie over poëziepodia en poëzie-initiatieven
Poëziepodia en meer
.
Schrijvers tussen de kassen
In de gemeente Westland is een vereniging van schrijvers en dichters actief die de laatste tijd stevig aan de weg timmert. Maar liefst 36 schrijvers (waarvan 28 dichters) hebben zich verenigt in een collectief onder de naam Schrijvers tussen de kassen.
Op de website van Schrijvers tussen de kassen staat een overzicht van de leden en informatie over hun werk, worden wedstrijden en evenementen gemeld, staan verslagen van evenementen en poëziepodia, kun je proza en poëzie lezen en nog veel meer.
Ook publicaties van de verschillende schrijvers en dichters zijn te bekijken en te bestellen. Wil je meer weten over deze levendige vereniging, neem dan eens een kijkje op hun website: http://www.schrijvers-tussen-de-kassen.nl/
.
VZW De Boog
Cafe ‘RoodWit’ bestaat al een eeuwigheid. Het is een van de weinige authentieke buurtkroegen die Berchem (Antwerpen) nog rijk is. De naam RoodWit komt overigens van de kleuren van de biljartballen, die op de biljarttafel liggen die centraal staat in het cafe. Eind vorige eeuw nam Peter Melis samen met een vriend Pol en zijn vrouw Hilde de zaak over. Met als eerste bedoeling de plek en haar buurtfunctie voor de ondergang te vrijwaren. Hoe dat kon, werd met veel intuitie en creativiteit stap voor stap uitgezocht en opgebouwd. De jukebox werd vervangen door een piano. De speelkast door een boekenrek. RoodWit werd het startpunt van buurt- en straatfeesten, vergaderplek van talloze wijkcomitees, thuishaven van biljart-, bak- en voetbalsupporterclubs, schaaktoernooien. Elke tweede dinsdag van de maand organiseert VZW De Boog er een avond met poëzie, literatuur, lezingen en vertellingen. De toegangsprijs is drie euro.
Voor meer informatie kijk je op de website van De Boog: http://www.boog.be/
.
En wat dan?
Jotie T’Hooft
.
Het verhaal van Jotie T’Hooft (1956 – 1977) is bekend, op de middelbare school ernstige aanpassingsproblemen; door zijn zwakke resultaten, opstandige karakter en zijn onhandelbaar gedrag van meerdere scholen gestuurd zocht hij zijn heil in drugs, literatuur, poëzie en muziek. Op zijn 14e was hij al verslaafd. Op zijn 17e ging hij op kamers wonen in Gent, verdwaalde daar nog verder in het drugsmilieu en deed hij een mislukte zelfmoord.
Zijn ouders namen hem terug naar zijn geboorteplaats Bevere. Daar brak een periode van relatieve rust aan. In 1975 trouwt Jotie met zijn nieuwe liefde Ingrid Weverbergh. Zijn schoonvader, directeur van uitgeverij Manteau, bezorgde hem niet alleen werk als lector bij deze uitgeverij, maar zorgde er ook voor dat zijn eerste bundel ‘Schreeuwlandschap’ in 1975 gepubliceerd werd.
Het drugsmisbruik bleef echter en in 1977 verlaat Ingrid Jotie en pleegt hij uiteindelijk zelfmoord door een overdosis cocaïne te nemen.
Jotie T’Hooft is in de eerste plaats een neoromantisch dichter en de thema’s in zijn werk zijn dan ook de thema’s uit de deze stijlperiode: het onvervulbare verlangen, de spanning tussen ideaal en werkelijkheid, de droom, het ontvluchten van de werkelijkheid, het verlangen naar zuiverheid. De belangrijkste thema’s bij Jotie T’Hooft, zijn die zaken die een rechtstreekse vlucht vormen voor het bestaan: druggebruik, dood en zelfmoord, erotiek en seks.
Het oeuvre van Jotie T’Hooft is door zijn dood op jonge leeftijd beperkt (tijdens zijn leven verscheen nog ‘Junkieverdriet’ en meteen na zijn dood ‘de laatste gedichten’) maar nog steeds wordt zijn werk verkocht en gelezen.
Uit de bundel ‘Schreeuwlandschap’ het gedicht ‘En wat dan?’.
.
En wat dan?
.
Op een dag zal ik weg zijn en
wat dan? Verdwenen zonder een
teken te geven of te nemen en
het puin dat ik achterlaat is
niet langer lachwekkend.
.
Want wie zoals ik nooit heeft
gebouwen laat niets achter dan
verwachting en verwarring en
wat dan?
.
Wellicht in uw herinnering zal ik
stollen verstijven, niet lang meer
blijven maar verbleken tot verleden
en wat toen? Te doen?
‘Het was waar’ zult gij zeggen ‘hij speelde
met woorden als geen ander maar wat
heeft dat te betekenen’. Zo bleek zal
ik zijn.
.
In u…
.
en wat dan…?
.
Jotie en Ingrid
Een dichter in oorlog
Frederick William Harvey
.
Frederick William Harvey werd geboren in 1888 en volgde onder druk van zijn familie een opleiding tot advocaat. Omdat zijn hart bij de poëzie lag en niet bij het leven van een jurist zakte hij voor zijn examen. Hierop werd hij naar een intensieve rechtenopleiding in Londen gestuurd waar hij uiteindelijk slaagde in 1912. Bij thuiskomst begon hij met flinke tegenzin in zijn eigen advocatenpraktijk.
Op 8 augustus 1914, vier dagen nadat Engeland Duitsland de oorlog had verklaard, schreef Harvey zich in bij het leger. Waarschijnlijk schreef Harvey zich vooral in om aan zijn beroep als advocaat te ontsnappen. “Daarnaast was het normaal om als goed opgeleide man zich in te schrijven” vertelt hij. “Dit werd gezien als een zeer patriottisch iets om te doen.” De meeste mannen twijfelden dan ook geen moment en schreven zich zo snel mogelijk in. “Iedereen dacht ook dat de oorlog zo voorbij zou zijn. Dit wereldconflict zou uiteindelijk vier jaar duren.” Harvey, die zo hoog opgeleid was en daarom meteen officier had kunnen worden, weigerde deze functie en hij was niet de enige. “Naarmate de oorlog voortduurt werden veel mannen gepromoot tot officier maar sommigen weigerden deze functie. Zij bleven liever soldaat in de ‘gewone’ troepen.”
Harvey was niet zomaar een soldaat in de Eerste Wereldoorlog. Hij werd tijdens en na de oorlog geroemd om zijn poëzie. Daarnaast was Harvey’s streven naar gelijkheid tussen de soldaten zeer benoemenswaardig. Zo schreef hij zich in het leger in als een ‘gewone soldaat’, terwijl hij, vanwege zijn hoge afkomst, meteen officier had kunnen worden. Zijn werk had zowel tijdens en na de oorlog een grote impact op de samenleving.
Terwijl Harvey meevocht in de loopgraven tegen Duitsland, schreef de soldaat honderden gedichten. Zijn werk werd zelfs gepubliceerd, nog tijdens de oorlog. Harvey bracht twee collecties uit genaamd ‘A Gloucestershire Lad at Home and Abroad’ in september 1916 en ‘Poems from a German Prison Camp’ in september 1917. Vooral die laatste is heel erg bijzonder; het is de enige verzameling van gedichten van een soldaat die tijdens publicatie daadwerkelijk een krijgsgevangene was.
.
If we return
just England still to you and me?
The place where we must earn our bread?
We who have walked among the dead,
and watched the smile of agony,
and seen te price of Liberty.
Which we had taken carelessly
from other hands. Nay we shall dread,
if we return.
Dread lest we hold blood-guiltily
the things that men have died to free.
Oh, English fields shall blossom red,
for all the blood that has been shed,
by men whose quardians are we,
if we return.
Een zwemmer is een ruiter
Paul Snoek
.
Paul Snoek (1933-1981) was het pseudoniem van Edmond André Coralie Schietekat (Hij nam de naam van zijn moeder aan Paula Snoeck). Snoek was een van de bekendste dichters en prozaschrijvers van België. Hij debuteerde met de bundel ‘Archipel’ in 1954 en er verschenen in totaal 22 bundels van zijn hand. Tijdens zijn leven ontving hij onder andere de Jan Campertprijs (1971) en de Driejaarlijkse Staatsprijs voor de Vlaamse poëzie (1969) voor ‘De zwarte muze’.
Paul Snoek wordt gerekend tot de vijfenvijftigers (als een reactie op de vijftigers). Zij organiseerden zich rond het tijdschrift Gard Sivik, een naoorlogs avant-garde tijdschrift dat zich ook bezighield met het ethische. Zij zetten zich af tegen de ethische implicaties van de ‘Tijd en Mens’-generatie. Ze gingen op zoek naar meer esthetisch georiënteerde poëzie. Met andere woorden, het ethische was voor hen ondergeschikt aan het esthetische. Zij moesten niets meer weten van een direct engagement. Bij hun ging het om de schoonheid van de gedichten.
Zijn werk is moeilijk bij één stroming in te delen of valt moeilijk onder één noemer te vatten. Begonnen als romantisch dichter, evolueerde hij naar meer agressieve en cynische geschriften. Op het laatste werd hij een gelaten, pessimistisch dichter, in overeenstemming met zijn manisch-depressieve buien.
.
Uit de bundel ‘Hercules’ uit 1960 het gedicht ‘Een zwemmer is een ruiter’.
.
Een zwemmer is een ruiter
Zwemmen is losbandig slapen in spartelend water,
is liefhebben met elke nog bruikbare porie,
is eindeloos vrij zijn en inwendig zegevieren.
En zwemmen is de eenzaamheid betasten met vingers,
is met armen en benen aloude geheimen vertellen
aan het altijd allesbegrijpende water.
Ik moet bekennen dat ik gek ben van water.
Want in het water adem ik water
word ik een schepper die zijn schepping omhelst,
en in het water kan men nooit geheel alleen zijn
en toch nog eenzaam blijven.
Zwemmen is een beetje bijna heilig zijn.
.
Hommage aan Paul Snoek van Jef Snauwaert (pasteltekening/schilderij op papier, 1983)
.
Met dank aan Wikipedia, DBNL.org en Poezie-leestafel.info
Men mag er niet aan denken
Paul Bogaert
.
Paul Bogaert (1968) is een Vlaams dichter. Hij studeerde Germaanse filologie aan de universiteiten van Brussel en Leuven. Hij publiceerde tot nu toe vijf gedichtenbundels. In 1996 debuteerde hij met de bundel ‘Welkom Hygiëne’. In 2008 schreef hij het Gedichtendagessay (Verwondingen). In oktober 2010 werd hij genomineerd voor de VSB Poëzieprijs, de belangrijkste poëzieprijs van de Nederlanden. In 2011 kreeg Paul Bogaert de driejaarlijkse Vlaamse Cultuurprijs Poëzie voor zijn bundel ‘de Slalom soft’; de bundel waarmee hij ook de Herman de Coninckprijs won in 2010.
Op zijn website http://www.paulbogaert.be/ zijn de gedichten van drie bundels integraal te lezen. Uit de bundel ‘Circulaire systemen’ uit 2002 het gedicht ‘Men mag er niet aan denken’.
.
Men mag er niet aan denken
dat het herbegint.
Men is op versnelling uit.
Men oefent in afwachting een uitspraak
of men staart zo een detail aan
dat het irritant wordt.
Niemand ontsnapt
aan gewenning.
Zelfs voor wie er niet aan went,
is hetzelfde nooit genoeg.
.
Wafwafwaf
Tom Lanoye
.
Tom Lanoye (1958) woont en werkt in België en Zuid Afrika. Hij schrijft poëzie, romans, columns, scenario’s en toneelteksten. Hij is een van de meest gelezen en gelauwerde auteurs van zijn taalgebied (Nederland en Vlaanderen). Zo werd zijn werk bekroond met onder andere Gouden Uilen (4 maal), Humo’s Gouden bladwijzer (2 maal) en kreeg hij de vijfjaarlijkse prijs voor podiumteksten van de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde en de Constantijn Huygens-prijs voor zijn hele oeuvre.
Bij velen bekend van zijn romans en toneelwerk schreef Lanoye ook meer dan 10 poëziebundels (vooral in het begin van zijn carrière).
Uit de bundel ‘Hanestaart’ een bijzonder gedicht wat je een aantal keer zorgvuldig moet lezen om een richting te krijgen van waar het gedicht over gaat, met als titel ‘Wafwafwaf’. Uit de recensie van Wijnand Steemers over de bundel Hanestaart:
“Sprankelende boekverzorging in bijna antroposofisch opgewekt kleurenpalet, een met ontblote doch behaarde borstkas poserende dichter op de achterflap. Ingrediënten van zijn dikwijls in wanhoop gedoopte thematiek: twijfel aan eigen schrijverschap (‘jezelf executeren’), homo-erotiek, jeugd, religie, tijd, in electrificerend idioom waarin het knettert van ‘mannentaal’ als ‘geil’, ‘kloten’, ‘hifi-toren’, ‘jeans’, ‘Quartz’, ‘digitale vrouw’, ‘syfilis’, en meer trendy taal uit de hedendaagse gruwelkamers. Edoch, verstaanbaar verwoord, met forse kwast, vaak eerder schrijnend dan balsemend, maar dat typeert meer recente poëzie”.
.
Waf waf waf
Leg de ketting klaar en hark mij tegen draad van
kokkelgeur, het ganzenei moet stuk voor stuk
gezwellen. Toe maar, bakkelei wat bokbederft, jij
stropop volle maan. Je lazerij nu pruimsteen en
dan vellen speelt geen rol, maar hou van mij.
Knip mijn oren, snij die staart. Dat kindschap
zweet in appeltaart vol hoedendoos en razernij?
En dat octaven biceps buitenspel erfdienstbaar
gaan, mits bloed gescheten foute formulieren
bij? Dat scheelt geen hol. Maar hou van mij.
Zing één voor één de nagels uit mijn poten,
hák. Geen jarretellen luxe geitebrij vol sap
ontstoken lippen meer, geen molleblinden eetgerei
of ellepijpen dood getij. Geen rollen
meer. Dan hou van hou van hou van mij.
.
Weer twee en niet alleen
Erotisch gedicht van Jo Govaerts
.
In de categorie erotische gedichten vandaag een gedicht van Jo Govaerts. Jo Govaerts (1972) debuteerde in 1987 met de bundel ‘Hanne Ton’, die genomineerd werd voor de Cees Buddingh-prijs. Na haar studies Oost-Europese Talen en Culturen in België en Polen publiceerde zij in 1997 ‘De vreugde van het schrijven, een bloemlezing’ vertaalde gedichten van Wislawa Szymborska. Poëzie schrijven is voor haar een omgangsvorm met de werkelijkheid, een uitdrukkingsvorm waartoe ze gedreven wordt dank zij de fysische mogelijkheid om met de pen om te gaan. Denken en beelden worden gekanaliseerd in woorden, die in gedachten tot een gedicht worden gekneed voordat het aan het papier wordt toevertrouwd. Jo Govaerts schrijft ook een blog op http://www.jogovaerts.be/
Hier nu een gedicht van haar hand uit de bundel ‘Apenjaren’ uit 1998 dit titelloze gedicht.
.
Alsof dit niet te voorspellen is
maar het is niet te
voorspellen, want oog om oog,
hand om hand, omhoog omlaag,
komt hier opnieuw uit alles of niets
wat iedereen herkennen gaat
als iets unieks
.
Zo wil ik altijd
overhoop met je liggen,
in die stilte
na de storm, in dat zachte
slagveld van vervlochten uitgevochten
weer twee en niet alleen
.
Vader en moeder
Marnix Gijsen
.
Ik wil de komende tijd wat meer aandacht besteden aan Vlaamse dichters. Aan de ene kant omdat het Vlaams taalgebied vele zeer goede dichters heeft voortgebracht die (wellicht) in Nederland wat minder bekend zijn en aan de andere kant speciaal voor mijn Vlaamse lezers.
Vandaag twee gedichten van Marnix Gijsen. Ooit bezat ik het verzameld werk van Marnix Gijsen. Hoewel ik getracht heb het te lezen vond ik (vooral) zijn proza erg taai. Ongetwijfeld kwam dat deels omdat de taal van Marnix Gijsen (1899-1984) nogal zwaar is en formeel. In zijn poëzie vind ik dat al veel beter leesbaar. Hoewel wat ouderwets zijn de gedichten over zijn vader en moeder zeer de moeite waard.
.
Mijn vadertje
.
Mijn vadertje, hij was rechtvaardigheid.
Hij had den zwaren last op zich geladen,
een eerlijk man te zijn
in woord en daad.
Dat is het schone, dwaze kwaad
waar, na ons Here Jezus Christus,
de sterkste man aan ondergaat.
Zijn oog was rustigblauw; een verre zee.
Zijn woord van blijheid soms plotse fusee
in stalen nacht.
Hij lachte rood en zoende onverwacht
mijn dwaze haren en mijn jong gedacht.
De hoge schepen die de Schelde droeg,
hij wist hun laden vast en schoon te sturen.
Hij had hun namen lief,
om mee te spelen – als een kind naïef;
Karatchi, Pantos, Calcutta,
lijk schoon koralen.
Hij wist de haven; heimwee en verdriet,
bij vroegen morgenmist
en in den avond onder luid en rauw sirenenlied.
Hij heeft de bossen van zijn jeugd bemind.
Hij kende bomen lijk wij mensen kennen.
Hij wist de winden en den oogst,
en wou mijn hand aan ‘t ruw bedrijf des jagers wennen.
Mijn vadertje; hij was rechtvaardigheid.
Hij had de goede liefde tot de still’en ware dingen.
Onder de schaduw van een dorpse kerk
ligt zijn sobere zerk.
Ik weet hoe zijn gedenken mij gelijk een lichte wolk behoedt.
Zijn rode, bange handen hield hij stervend Christus tegemoet.
.
Ik wil den lof van mijne dode moeder zingen
.
Ik wil den lof van mijne dode moeder zingen.
Zij was geen heilige vrouw, zij was een vrouw,
met al haar deugden, zwakten en aarzelingen,
vaak onberekenbaar doch steeds zich zelf getrouw.
Een werkslaaf en een slavendrijver heel haar leven,
die nooit kon vragen – altijd bereid te geven –
hard voor zich zelf en die van anderen verwachtte
dat z’even taai en dapper zouden zijn in daden en gedachten.
Een vrouw vol donker vuur en kracht, vol vlugge, vinnige spot,
misprijzend voor de vrouwen, opkijkend naar den man,
noch duldzaam noch gelaten, steeds meester van haar lot,
die dronk, van haar beperkt bestaan, het onderst uit de kan.
Trots op haar zonen maar te trots om toe te geven
dat zij haar naam glorie en luister hadden bijgezet.
Dat hoorde zo, zij zou het nooit vergeven
hebben, ware het niet zo geweest, want d’ijzeren wet
van haar geweten was arbeid en ambitie. Bij dagen
was zij stug en bot, dan weer een ruisende fontein
van dartle woorden, scherp’herinneringen, bij vlagen
licht ontroerbaar, lijk een kind dat niet redelijk kan zijn.
Bijna een eeuw heeft het geduurd vooreer zij weigerig ontdekte
dat haar broos lichaam niet meer luisterde naar haar stalen wil,
tot zij doodmoe de wereld losliet en haar povere leden strekte.
Zo werd het grote vuur dat ze geweest was, op een gure
winteravond, eindlijk kil.
.





















