Site-archief

Zomerpodium Ongehoord!

Jacobustuin Rotterdam

.

Op zondag 7 juli is er na een tijd stilte rondom stichting Ongehoord! weer een poëziepodium en wel in de mooiste binnentuin van Rotterdam, de Jacobustuin. Voor wie de tuin niet kent verwijs ik je graag door naar de website van ongehoord! https://stichtingongehoord.com/  die opent met een foto van de Jacobustuin in een eerdere editie.

Natuurlijk zijn er weer bijzondere dichters te beluisteren en bekijken. Zo komen uit Rotterdam de dichters Daniél Dee (voormalig stadsdichter van Rotterdam), Dirk Kroon, Karin van Kalmthout en Anna Borodikhina naar de tuin en verder Evy van Eynde (uit Vlaanderen), Alex Gentjens (Deventer) en Frans Terken (Leiden). Uiteraard is er een open podium. Hiervoor kun je je ter plekke opgeven bij de presentator Maiko.

Zondag 7 juli is de tuin open vanaf 12.00 uur, er zijn drankjes en hapjes verkrijgbaar en de toegang is natuurlijk gratis. Om 13.00 uur begint het programma en dat duurt tot ca. 17.00 (met uitloop). We hopen dat iedereen weer naar de tuin komt om te genieten van de sfeer, de plek, eten en drinken en natuurlijk de Poëzie.

Om je alvast in de stemming te brengen een gedicht van de nestor van die dag Dirk Kroon, uit zijn prachtige verzamelbundel ‘Op de hoogte van de vogels’ het gedicht ‘Aan een nieuwe generatie’ dat oorspronkelijk verscheen in ‘Bijna oud’ uit 2011.

.

Aan een nieuwe generatie

.

Ik zal je vertellen

hoe het werkt:

.

je geboortehuis

dat is er niet meer,

.

je gaat nooit meer samen

naar het heerlijke droomland,

.

de mailbox is leeg,

regenvlagen uitentreuren,

.

de telefoon rinkelt

nog maar zelden,

.

de stapel gewisselde

wenskaarten slinkt jaar na jaar

.

en bij de dagelijkse post

vind je alleen een rekening

of bedelbrief van goede doelen

om samen iets gedroomds te bouwen.

Eenzaamheid wil niemand delen.

.

 

Lees!

Ahmed Aboutaleb

.

In de Volkskrant van zaterdag jongstleden staat een mooi interview met de burgemeester van Rotterdam Ahmed Aboutaleb, over zijn fascinatie met poëzie. Rotterdam, als centrum van de poëzie wat mij betreft, had zich geen beter burgemeester kunnen wensen. Bevlogen en geïnspireerd vertelt de eerste burger van Rotterdam over hoe zijn liefde voor poëzie is ontstaan, en ontwikkeld, wat poëzie voor hem betekent onder andere in zijn huidige ambt en wat zijn plannen zijn met poëzie als hij op een dag geen burgemeester meer is (zelf een bundel uitbrengen).

Uitgeverij Douane (uit Rotterdam) heeft hem gevraagd 50 gedichten uit de wereldpoëzie bijeen te brengen die iets bijzonders voor hem betekenen. Dat heeft geresulteerd in de bundel ‘Lees!’ met daarin gedichten van onder andere Jamal Addine Aloumari, Ingrid Jonker, Günther Grass, Joseph Brodsky, Wendy Cope, Jules Deelder, Sappho, Ester Naomi Perquin, Jopi Hart en Ramsey Nasr. Van deze laatste dichter zegt Aboutaleb in het interview: “Nederlandse voordrachtskunst is zelden mooi. Maar ik moet een uitzondering maken voor Ramsey Nasr. Die kan fabelachtig voordragen.” Elders in het interview zegt hij dat hij van de poëzie ne het engagement is, dat hij niet alleen maar voor de schoonheid van de poëzie gaat.

In het gedicht van Ramsey Nasr (die naast dichter ook onder andere acteur is) ‘Een mooie dag om stilte te verscheuren’, uit de bundel ‘Mi have een droom’ uit 2012, komen wat mij betreft schoonheid en engagement te samen.

.

Een mooie dag om stilte te verscheuren

.

Een mooie dag om stilte te verscheuren.
Oud-strijders staan te beven aan de kant
de blikken op zwartwit – en het gebeurt.
Gewoon, omdat het kan. Omdat één man.
.
Het is de wet van Nederland. Bij ons
moet alles vroeg of laat een keer gebeuren
dus dan ook dit. Elkeen zoekt naar het licht
als hamsters in een bak met open deuren.
.
Ik heb vandaag mijn oorlogsland herdacht
en struikel voort in ongeremdheid
zozeer bevrijd dat ik een kind vertrap.
.
Vlak voor mijn voeten valt een hoogbejaarde
in zijn soldatenpak. Hij huilt. Ik kijk.
Waar alles mag, is ieder vogelvrij.

.

Niet vanzelf goed

Sylvia Hubers

.

Bij de opening van de Haarlemse Dichtlijn droeg Sylvia Hubers een gedicht voor. De bundel die naar aanleiding van de Haarlemse Dichtlijn werd gemaakt draagt als titel een zin uit haar gedicht ‘Ze zag mij en groette’. Sylvia Hubers (1965) is dichter en prozaschrijfster. In 1988 verzorgde ze de illustraties bij een eigen beheerbundel van de toen 18-jarige Erik Jan Harmens. Sylvia Hubers was stadsdichter van Haarlem 2009-2013 en is medewerker van Het liegend Konijn. Van haar hand verschenen al meerdere bundels. Uit haar bundel ‘God gaf ons apparaten’ uit 2011 het gedicht ‘Dingen die niet vanzelf goed gingen’.

.

Dingen die niet vanzelf goed gingen

.

Er waren dingen die niet vanzelf goed gingen. Porren, er
moest gepord worden. Gesjouwd. Besproken. Geregeld.
Het nerveuze systeem ging ervan in een driedimensionale
versnelling. De geest ging in de kelder zitten rillen. Er
werden dingen gesjouwd, besproken, geregeld. Er begon-
nen dingen te gebeuren. Dingen die niet vanzelf goed
gingen. Deze moesten opnieuw worden bekeken. Er
moest opnieuw met de dingen worden gesjouwd. Er werd
weer besproken en geregeld. En nog eens. Het nerveuze
systeem schakelde over naar een vierde dimensie. Die nog
niet door het universum was ontketend. Dus dat moest
ook weer worden geregeld. Bij elkaar gesjouwd. Bespro-
ken. Gepord. Papieren ondertekend.

.

Minnezinne in moerstaal

Delia Bremer & Ria Westerhuis

.

Ik ken het dartele poëzieduo Delia en Ria al sinds een optreden bij Reuring in 2013. Daarna droegen ze voor bij Ongehoord!, zagen we elkaar regelmatig op poëziepodia zoals bij de Poëziebustoer en een festival in hun thuisregio. Toen ik hoorde van hun initiatief om hun succesbundel ‘Minnezinne’, (erotische) poëzie in de Drentse taal, een meer landelijk vervolg te geven heb ik dit meteen aan Evy van Eynde doorgegeven van wie ik toen een bundel ‘Zal ik liefde noemen’ aan het uitgeven was via MUG books. Zij reageerde en staat nu als één van de 49 dichters in deze fraaie bundel. In ‘Minnezinne in Moerstaal’ staan gedichten in vele dialecten en talen, van Utregs, Limburgs, Drents tot plat Haags, Achterhoeks, Deventers ( ik wist niet dat daar ook een eigen dialect gesproken werd), Vlaams, Suid-Afrikaans en Schleswig-Holsteins.

Een bonte verzameling van gedichten waar je soms wat meer en soms wat minder je best voor moet doen om ze te kunnen begrijpen. De bundel is netjes uitgegeven door Ter Verpoozing in Peize en bevat twee foto’s die vreemd genoeg hetzelfde zijn. De verbindende schakel tussen de gedichten (behalve dat ze in de eigen taal zijn geschreven) is de liefde, de liefde voor taal en lijf. In die zin blijven Delia en Ria dichtbij hun originele bundel.

Ik heb de bundel met heel veel plezier gelezen. Wat een rijkdom biedt onze taal als je oog hebt voor de verschillen. Het was niet eenvoudig om een keuze te maken. Uiteindelijk heb ik gekozen voor het gedicht ‘Zomerfeest’ van Henk Jalvingh in het Zuidwest-Drents (ja de verschillen zijn groot, zelfs in een provincie als Drenthe). Voor taalliefhebbers die een beetje ondeugende poëzie kunnen waarderen is deze bundel een feest. Maar ook voor taalliefhebbers hebben Delia en Ria iets moois neergezet, waarvoor dank.

.

Zomerfeest

.

Was ’t de wien,

De breuierige nacht,

Wij hadden nargens over nao edacht,

En vertrukken ongezien.

.

Mooi was ze,

En lustvol.

Gien idee hoe dit uutpakken zol.

Maor ze was mij al bij de ritse.

.

Ongeremd,

Stroomden oenze hormonen.

Zoenen, likken, betasten en komen.

Gien meinse die wat vernemt.

.

Waor waaj?

Wij waren oe kwiet!

Dat is waor ’t de volgende morgen over giet.

Ik glundere, en geef ’t gesprek een andere draai.

.

Dichters in verzet

Shelley en Whitman

.

Bijna 175 jaar geleden zei Percy Bysshe Shelley in zijn “Verdediging van de Poëzie” dat “dichters de niet-erkende wetgevers van de wereld zijn”. In de jaren daarna hebben vele dichters die rol ter harte genomen, tot op de dag van vandaag. Het waren oproerkraaiers en demonstranten, revolutionairen en soms ook opstellers van wetten. Dichters hebben commentaar geleverd op de gebeurtenissen van de dag, hebben stem gegeven aan de onderdrukten, rebellen en voerden campagne voor sociale verandering. Er zijn inmiddels vele klassieke gedichten bekend over protest en revolutie. Percy Bysshe Shelley’s eigen ‘The Masque of Anarchy’ is daarvan een mooi voorbeeld. Omdat het een nogal lang gedicht is (91 verzen van 4 regels elk) plaats ik hier een link naar de volledige tekst http://knarf.english.upenn.edu/PShelley/anarchy.html  zodat je , als je dat wilt, het na kan lezen.

Een andere klassieke dichter die een protestgedicht schreef is Walt Whitman (1819-1892). Whitman begreep hoe belangrijk democratie was en hoe kwetsbaar. In ‘Leaves of Grass’ zijn levenswerk (tijdens zijn leven herschreef hij dit werk, het verscheen in verschillende edities waarbij in de eerste editie 12 gedichten stonden en in de laatste editie meer dan 400!) is het gedicht ‘O a foil’d European Revolutionaire’ uit 1900 opgenomen. Hierin spreekt hij tot de revolutionaire krachten in Europa. Het werk van Whitman werd in de eerste helft van de 20e eeuw geïntroduceerd in de populaire Little Blue Book- serie. Hierin werd het werk van Whitman voor een breder publiek dan ooit tevoren toegankelijk. De Little Blue Book was een serie die socialistische en progressieve standpunten ondersteunde. De publicatie verbond de focus van de dichter op de gewone man en het empowerment van de arbeidersklasse.

.

To a foil’d European Revolutionaire
.
COURAGE yet, my brother or my sister!
Keep on—Liberty is to be subserv’d whatever occurs;
That is nothing that is quell’d by one or two failures, or any num-
ber of failures,
Or by the indifference or ingratitude of the people, or by any
unfaithfulness,
Or the show of the tushes of power, soldiers, cannon, penal statutes.
What we believe in waits latent forever through all the continents,
Invites no one, promises nothing, sits in calmness and light, is
positive and composed, knows no discouragement,
Waiting patiently, waiting its time.
(Not songs of loyalty alone are these,
But songs of insurrection also,
For I am the sworn poet of every dauntless rebel the world over,
And he going with me leaves peace and routine behind him,
And stakes his life to be lost at any moment.)
The battle rages with many a loud alarm and frequent advance
and retreat,
The infidel triumphs, or supposes he triumphs,
The prison, scaffold, garroté, handcuffs, iron necklace and lead-
balls do their work,
The named and unnamed heroes pass to other spheres,
The great speakers and writers are exiled, they lie sick in distant
lands,
The cause is asleep, the strongest throats are choked with their
own blood,
The young men droop their eyelashes toward the ground when
they meet;
But for all this Liberty has not gone out of the place, nor the
infidel enter’d into full possession.
When liberty goes out of a place it is not the first to go, nor the
second or third to go,
It waits for all the rest to go, it is the last.
When there are no more memories of heroes and martyrs,
And when all life and all the souls of men and women are dis-
charged from any part of the earth,
Then only shall liberty or the idea of liberty be discharged from
that part of the earth,
And the infidel come into full possession.
Then courage European revolter, revoltress!
For till all ceases neither must you cease.
I do not know what you are for, (I do not know what I am for
myself, nor what any thing is for,)
But I will search carefully for it even in being foil’d,
In defeat, poverty, misconception, imprisonment—for they too
are great.
Did we think victory great?
So it is—but now it seems to me, when it cannot be help’d, that
defeat is great,
And that death and dismay are great.
.
                                                                                                                                                                  Een van de vele uitvoeringen van ‘Leaves of Grass’.

Zo word je een kind

Dichter op verzoek

.

Op verzoek van Riet Lamers plaats ik vandaag een gedicht van dichter Delphine Lecompte (1978) uit haar bundel ‘De baldadige walvis’ uit 2014 waarin het ‘kind zijn’ meerdere malen terugkomt als thema.

.

Zo word je een kind

.

Zo word je een kind dat graag wordt gezien:
Hol naar het dichtstbijzijnde bos
En laat je adopteren door wolven
Ook al kun je ‘INSECT’ al spellen, en op de valreep ‘NEILPAARD’
Het is beter laat dan nooit, en je bent nog maar zeven.

Wolven zijn altijd happig om kinderen aan te nemen
Zolang de kinderen niet te veel noten op hun zang hebben
En bereid zijn de waarschuwingsfabels van hun ouders achter te laten
En hun twistzieke zussen, en hun aanstellerige namen, en hun brevetten
En de domme dashond, en de pedofiele tuinman, en het vlindernet, en de waterput.

Nu ben je een kind geworden dat een wolvenfamilie kan verzinnen
Het hoeft niet te stoppen in het bos, je moet je niet beperken tot wolven
Je kunt ook naar de zee en onder de hoede van de onstuimige Neptunus
Slierten kweken, zeepaardjes berijden en baarzen belazeren
Of naar de steppe om je te laten koesteren door korzelige kamelen.

Zo word je een kind dat graag wordt gezien:
Ga naar het hoenderhok, strooi granen in het rond
En laat de zorgeloze kippen je toekomst voorspellen
Ze komen uit hun hok en ze zijn gulzig
Dat kan maar 1 ding betekenen: het wordt een verrukkelijk leven!

.

Thuisloze

Jan Kal

.

Op Hemelvaartsdag sprak ik na mijn voordrachten tijdens de Haarlemse Dichtlijn kort met Jan Kal. De Nederlandse dichter Jan (Pieter) Kal (1946) is vooral bekend van zijn vele sonnetten. Hij groeide op in Haarlem, maar verhuisde naar Amsterdam voor een studie medicijnen. Aan studeren kwam hij niet toe door een alles overheersende liefde, maar die bracht hem wel tot het schrijven van sonnetten. Jan Kal kan van weinig poëzie maken. Hij heeft een eigen spontane, weemoedige toon, waarin ook zijn humor een plaats kan vinden. Kal debuteerde in 1974 met de bundel ‘Fietsen op de Mont Ventoux’ waarna nog vele dichtbundels zouden volgen. Zijn laatste bundel komt uit 2015 en is getiteld ‘Een dichter in mijn voorgeslacht’.

Uit zijn debuutbundel het sonnet ‘Thuisloze’.

.

Thuisloze

hij leeft zijn dagen stuk voor stuk, losbladig,
hij doet niet iets gerichts in een beroep,
hij ziet geen toekomst, hoort niet bij een groep,
heeft voor de dag van morgen niets voorradig.

hij loopt maar wat te lopen langs de stoep.
de meesten kijken langs hem, ongenadig.
wel zijn eerwaarde zusters hem weldadig,
en heilsoldaten, met het Woord en soep.

wie hem wat geeft die is zijn kameraad.
het gaat er in, als water in een spons,
waarmee God na lang wachten hem bedenkt.

Zijn komst is zeker als de dageraad,
zoals de regen komt hij toe naar ons,
als late regen die het land doordrenkt.

.

Jan Kal, Frans Terken, Wouter van Heiningen

Klinck-dicht

Minne-dichten

.

Soms loop je per ongeluk tegen iets aan dat heel bijzonder blijkt te zijn. Zo hebben tegen woordig filialen van een grote supermarktketen boekenkasten waar mensen hun oude boeken kunnen achterlaten. Iedereen kan vervolgens in die boekenkasten kijken en als er iets van je gading tussen zit mag je het meenemen.

Meestal bestaat de inhoud van zo’n boekenkast uit ouwe rotzooi, studieboeken van studies die niet langer bestaan, kapotte kinderboeken, oude bibliotheekboeken, Ludlums ( opvallend vaak) en series uit vergeten tijden. Maar soms zit er dus iets bijzonders tussen. Zo ook een boek dat ik afgelopen week in een filiaal in Vlaardingen vond. Het is getiteld ‘Gedichten’. En is heel oud. Genaaid en op geschept papier. Op zoek naar de leeftijd kwam ik uiteindelijk een Romeins jaartal tegen en het blijkt uit 1621 te zijn. Na meer onderzoek (Google-Books) lijkt het hier toch te gaan om een bundel uit 1892 maar ik twijfel of dat niet om een latere druk gaat.

De bundel bestaat uit 4 delen: Minne-kunst, Minne-beat, Minne-dichten en Mengel-dichten. Voorafgaand aan de inhoud is er een ‘Alpabetische naamlijst der intekenaren’ opgenomen waarbij de eerste inteekenaar Zijne majesteit de Koning der Nederlanden is voor maar liefst 3 exemplaren. Andere inteekenaren zijn individuen, scholen, instituten en boekhandels en verrassend veel leden van het Koninklijk-Nederlands instituut in Leiden.

Via Google Brooks heb ik een gedigitaliseerd exemplaar gevonden ( uit de Nationale bibliotheek van Oostenrijk!).

Uit het hoofdstuk Minne-dichten een Klinck-dicht op ‘t ongekleed zijn van Cloris

,

Als eerstmael onversiens mijn ooghen u besaghen,

So waert Guy naë u sin en zeggen ongekleed,

En ‘ speet u, dader Guy dit of noyt of selden deed,

Ick juyst in sulcken staet most naë u komen vraghen.

Ey, Schoone, laet u dit dus euvel niet mishaghen,

Want ick gewis voor u geen beter kleedingh weet

Dan ‘t geen ghy soo versmaed en ongekleet zijn heet:

De rechte schoonheyd kan geen groote pronck verdraghen.

Een witte gaeve muur word met geen verw beklad;

En of ghy schoon-al ‘t best had prachtige aengehad,

Dat u dat schoonder noch sou hebben kunnen maken,

Geloof ick nimmermeer; en soo ‘t so wesen souw,

O dat ick u dan noyt also gekleed aanschouw’!

Want mijne sinnen licht aen ‘t hollen souden raken.

.

 

De stijgbeugel

Poëziewedstrijd

.

Pas geleden kocht ik in een kringloopwinkel een bundeltje gedichten met de titel ‘De stijgbeugel’ veertig verzen van nieuwe dichters. Het bundeltje is uit 1953 en uitgegeven door N.V. De Arbeiderspers in de serie De Boekvink,  litteratuur in miniatuur (dit is geen typefout, het staat er echt litteratuur). Ik was in de veronderstelling dat het hier een verzamelbundeltje betrof maar dat ligt toch iets anders. Wat blijkt? Het betreft hier een bundel met winnaars van een door de VARA-rubriek ‘Met en zonder omslag’ uitgeschreven prijsvraag voor nog onbekende ‘naam’-loze dichters in Nederland.

De organisatoren hadden zich verkeken op het grote aantal gedichten dat er werd ingezonden (maar liefst 3000) en deze moesten door een driekoppige jury (Max Dendermonde, Reinold Kuipers en Garmt Stuiveling) worden gelezen en beoordeeld. De winnaar van deze wedstrijd werd Christine Meyling (1925 – 1983), een naam is die ik nog nooit ergens ben tegengekomen. Het lijkt erop dat Meyling haar dichtersloopbaan niet heeft voortgezet ( ik heb het uiteraard even uitgezocht, van haar hand verschenen in 1954 – 1956 een aantal gedichten in Maatstaf en De Nieuwe Stem, daarna werd het stil).

Wat opmerkelijk is is dat de tweede prijs werd gewonnen door Ellen Warmond (1930 – 2011), een dichter die later heel bekend is geworden. Haar naam is de enige tussen vele onbekende namen die bij mij een belletje lieten rinkelen. En ondanks dit feit is deze bundel een heel fijn boekje om te lezen. het geeft heel mooi weer hoe er aan het begin van de jaren vijftig in Nederland werd gedicht. Een mengeling van poëzie van na de oorlog (waar de oorlog nog in na klinkt), vaste versvormen, romantische poëzie en poëzie die al naar de vernieuwingsdrang van de vijftigers neigt.

Ik heb besloten een van de twee eerste prijswinnende gedichten hier te plaatsen van Meyling ( Claire) en een van de tweede prijs van Warmond (***) om het verschil in stijl te laten zien.

.

Claire

.

Jouw kind is aarzelend geboren.

Het toefde op de drempel van verdriet,

Begroef de droom die het voorgoed verliet

en zou de wereld droef en blij behoren.

.

Het was een meisje, weer, en vaag geschonden

(twee rose wonden, maar die gaan voorbij).

Je hebt haar – moeilijk – toch maar lief gevonden,

zij paste logisch in de onvoltooide rij

.

van de verbloemde, heimelijke zonden.

Nog even bracht een klein en zoet gemis,

toen er veel mensen in je kamer stonden,

je tot de grens van een bekentenis.

Maar omdat zij het ook niet helpen konden,

bleef alles als het was en steeds gebleven is.

.

Voor Wim

.

***

.

Ik steek je onbekommerd

overmoedig dwars door de aarzeling

die kamers vierendeelt en ons

afzijdig houdt mijn hand

toe met de woorden zie

dit heb ik voor je meegebracht

een landkaart zonder wegen

een nooit meer in roulering komend

geldstuk een sublieme

seconde van volkomen

van onbeheerst en mateloos

van bandeloos en onbelemmerd

blind-zijn.

.

Over het sparen

Gerrit Krol

.

De Groningse dichter Gerrit Krol (1934 – 2013) studeerde wiskunde en was computerprogrammeur. Naast poëzie schreef hij essays, en romans. Hij debuteerde in 1962 met de roman ‘De rokken van Joy Scheepmaker en na nog eens 10 verhalenbundels, romans en essays kwam in 1976 zijn eerste dichtbundel uit met de titel ‘Polaroid’. Toch publiceerde Gerrit Krol al eerder gedichten zoals in Tirade 142 uit december 1968. Daarin zijn vier gedichten van hem opgenomen.

In deze gedichten (Over onze tekortkomingen, Over het sparen, Over het stukslaan van een ei, en Over het nut van borsten voor een vrouw en het gebruik van haar achterste) komt heel duidelijk het analytische denkvermogen van krol naar voren. In algemene zin gebruikte Krol regelmatig wiskundige elementen, schema’s en tekeningen. In het gedicht ‘Over het sparen’ ontleed Krol het sparen, hij werpt een stelling op en verbindt daar een conclusie aan die hij vervolgens weer tegen het licht houdt. In dit spel met de taal is de uitkomst even verrassend als onwaarschijnlijk.

.

Over het sparen

.

Sparen is nee zeggen tegen wat goed is.

Goed is datgene waartegen je

ja kunt zeggen, zoals slecht in het algemeen

datgene is waar je nee tegen zegt,

want wie ja zegt tegen het slechte

doet dat omdat het slechte

goed voor hem is.

.

Wat goed is

is slecht zodra het er niet meer is.

Het goede is datgene wat gekozen kan worden.

Het slechte wordt niet gekozen.

Daarom kan iets dat goed is veranderen in

iets dat slecht is.

Iets dat slecht is is goed

zodra het gekozen is.

Daarom kan het goede

dat slecht is omdat het er niet meer is

niet goed zijn omdat het

niet meer gekozen kan worden.

En daarom is het beter het slechte te kiezen hoewel dit

dus niet mogelijk is.

.