Site-archief

Weggaan

Dubbelgedicht

.

Dit keer een dubbelgedicht met twee gedichten die dezelfde titel hebben namelijk ‘Weggaan’. Het eerste gedicht is van Rutger Kopland (1934-2012) uit de bundel ‘Het orgeltje van Yesterday’ uit 1968. Het tweede gedicht is van Anton Korteweg (1944) en komt uit zijn bundel ‘Comfortabel ongelukkig’ uit 1999.

.

Weggaan

.

Weggaan is iets anders

dan het huis uitsluipen

zacht de deur dichttrekken

achter je bestaan en niet

terugkeren. Je blijft

iemand op wie wordt gewacht.

.

Weggaan kun je beschrijven als

een soort van blijven. Niemand

wacht want je bent er nog.

Niemand neemt afscheid

want je gaat niet weg.

.

Weggaan

.

Als een auto die lang in de regen gestaan heeft

optrekt en wegrijdt, blijft waar hij stond achter

een plek die zich van de rest van de straat

onderscheidt, even nog, tot hij ook nat is

en niet afzonderlijk meer bestaat.

.

Dat is wat blijft als je weggaat.

.

Decolleté

Wisława Szymborska

.

In 1999 verscheen van Wisława Szymborska de bundel ‘Einde en begin’ : gedichten 1957-1997′ bij uitgeverij Meulenhoff.  Maria Wisława Anna Szymborska (1923 – 2012), zoals ze voluit heette, behoort tot de belangrijkste dichters van haar generatie in Polen en is een van de meest gelezen én gelauwerde dichters van deze tijd. Haar oeuvre is klein, slechts 400 gedichten, maar ze zijn wereldberoemd en uitgebracht in 40 talen. Ze won de Nobelprijs voor Literatuur in 1996. Het Nobelcomité zag in haar de Mozart van de poëzie.

Haar werk kenmerkt zich door een tedere kijk op alledaagse dingen. De gedichten van Szymborska worden vaak omschreven met termen als ‘speels’, ‘ironisch’ en ‘verrassend’. Ze slaagt er telkens in zich over het meest alledaagse te verwonderen en daarin een nieuw perspectief te openen: nuchter, helder, direct en vaak met humor.

Die nuchterheid en humor is vaak heel subtiel. Zoals in het gedicht ‘Decolleté, waar ze een historische gebeurtenis als aanleiding gebruikt voor een gedicht over iets alledaags als een decolleté. De vertaling van de gedichten in deze verzamelbundel zijn van Gerard Rasch.

.

Decolleté

.

Decolleté komt van decollo,

decollo betekent: ik onthals.

De koningin der Schotten, Mary Stuart,

betrad in een gepast hemd het schavot,

het hemd was uitgesneden

en rood als een bloeduitstorting.

.

Tegelijkertijd

stond in een afgelegen zaal

Elizabeth Tudor, de koningin van Engeland,

in een witte japon bij het raam.

De jurk was triomfantelijk dichtgeknoopt onder de kin

en afgewerkt met een gesteven ruche.

.

Zij dachten in koor:

‘God, erbarm u mijner.’

‘Het gelijk staat aan mijn kant.’

‘Leven is tegenstreven.’

‘In bepaalde omstandigheden is de uil de dochter van de bakker.’

‘Dit gaat nooit voorbij.’

‘Het is al voorbij.’

‘Wat doe ik hier, hier is toch niets.’

.

Verschillend gekleed – ja, daar kunnen we zeker van zijn.

Het detail

is onbewogen.

.

 

Regressie in de supermarkt, bij de kassa

Vasalis

.

In deze laatste week van 2022 zal ik een aantal gedichten plaatsen uit bundels die ik uit mijn boekenkast pak zonder meteen te weten welke bundel dit is. Vandaag was dit de bundel ‘De oude kustlijn’ uit 2002 van M. Vasalis (pseudoniem van Margaretha Drooglever Fortuyn (1909-1998). In de laatste jaren van haar leven werkte Vasalis aan deze bundel, na jarenlang geen bundels te hebben gepubliceerd (‘Vergezichten en gezichten’ was in 1954 eigenlijk haar laatste echte bundel). Ze kon uiteindelijk haar werk niet voltooien. Haar kinderen hebben op haar verzoek haar werk afgemaakt, waarvan deze bundel het resultaat is.

Een aantal gedichten werd wel eerder gepubliceerd bijvoorbeeld in Tirade. Ook ik plaatste al eerder een gedicht uit de bundel naar aanleiding van het overlijden van een collega die het gedicht Sub finem op haar rouwkaart had afgedrukt. Ik koos echter voor een heel ander gedicht. Het betreft hier het gedicht ‘Regressie in de supermarkt, bij de kassa’ waarin een situatie wordt geschetst die veel mensen zullen herkennen.

.

Regressie in de supermarkt, bij de kassa

.

Diep uit mijn jeugd, waarover nooit een doodsbericht

gekomen is, maar die is zoekgeraakt, vermist

komt dit gevoel: ik zou haar brede rug willen omhelzen,

haar stevige, onopgesmukte hand, nu op mijn hoofd

of in mijn nek af willen smeken –

en in een vlaag van onbeheerste en jaloerse pijn

begeer ik heftig weer als een kindje in haar

zo hoog gevulde, met overleg gepakte, kalm bestuurde

hemelse boodschappenwagentje te zijn.

.

Kerstmis

Charles Ducal

.

In de verzamelbundel ‘Tussen zon en maan’ Onweerstaanbare poëzie van vroeg in de ochtend tot diep in de nacht, samengesteld door Herman Kakebeeke uit 2002 las ik het gedicht getiteld ‘Avondgebed’ van Charles Ducal (1952). En omdat ik nog op zoek was naar een passend gedicht voor de eerste kerstdag wist ik dit dit hem was. Het gedicht ‘Avondgebed’ gaat over hoe de godsdienst als jonge jongen aan hem als kind werd meegegeven.

En aangezien Kerstmis nu eenmaal een van origine religieus feest is, wat we er tegenwoordig dan ook van gemaakt hebben met veel en luxe eten, kerstbomen, kerstmannen en allerlei andere commerciële uitingen, vandaag op deze eerste kerstdag dit gedicht van Ducal dat oorspronkelijk in de bundel ‘De hertog en ik’ uit 1989 verscheen.

.

Avondgebed

.

Wind en regen sloten de vensters.

Wij zaten geknield bij de haard

in de godsdienst die wij zouden erven.

De vrouw die ons had gebaard

.

zei formules om ons te verkleinen.

Haar stem zeurde taai in de nek.

Wij zaten, stom, pas ingewijden.

De man die ons had verwekt

.

hief de hand. Wij boden het hoofd.

Hij prentte zijn duim in de hersens.

Wind en regen bestookten de droom.

Onder bed sliepen wolven en heksen.

.

Even lekker bomen

K. Schippers

.

In het kader van de vrolijke vrijdag (okay een dag te laat maar beter een dag te laat dan geen vrolijke vrijdag toch?), een lichtpuntje in deze grijze tijden, vandaag een gedicht van K. Schippers (1936-2021) pseudoniem van Gerard Stigter. In zijn bundel ‘Een leeuwerik boven een weiland’ uit 1996 staat het ietwat absurde maar daardoor niet minder grappige gedicht ‘Bomen’.

.

Bomen

.

boom

boom

boom

boom

boom

boom

boom

boom

.

Hoorn, maart ’66

.

boom

boom

boom

boom

boom

boom

boom

boom

.

Edam, mei ’66

.

November in december

J.C. Bloem

.

Lezend in de bijzonder aardige en informatieve bundel ‘Beste meneer Bloem,’ die dit jaar uitkwam naar aanleiding van 20 jaar de Mr. J.C. Bloem Poëzieprijs, lees ik in de ‘Tweede Bloemlezing (over leven en werk van Bloem) van Willem Thies heel veel interessants over het gedicht ‘November’ van Bloem. Zo lees ik dat het gedicht opent met het stilistisch middel of procedé van de Natureingang. Dat is een kort natuurbeeld (vaak het noemen van het seizoen, het weer e.d.), dat direct de toon zet, de stemming of sfeer oproept, die het hele gedicht bepaalt, overheerst. Essentieel is dat de Natureingang in dienst staat van de innerlijke beleving – deze weerspiegelt; als het ware een ‘veruiterlijking” of ‘veruitwendiging’ van dat innerlijk vormt, van die grondstemming of gemoedstoestand. De Natureingang maakt het gevoel van het lyrisch ik zichtbaar en tastbaar in de buitenwereld. Het weer, het seizoen, het beeld van buiten, een natuurtafereel geeft uitdrukking aan dat gemoed of gevoel – vormt daarvoor een metafoor.

In het gedicht ‘November’ van Bloem is de Natureingang de metafoor voor iets anders namelijk depressie. Het verlies van plezier, van vreugde, van zin, van levenslust. Als je dan leest dat Bloem een lui, dik, vaak dronken en afwezig man was met een sombere levensvisie dan lees je zo’n gedicht al meteen anders.

Hoewel het inmiddels december is wil ik het vaak geciteerde gedicht van Bloem (1887 – 1966) uit  ‘Media Vita’ uit 1931 hier graag met jullie delen.

.

November

.

Het regent en het is November:
Weer keert het najaar en belaagt
Het hart, dat droef, maar steeds gewender,
Zijn heimelijke pijnen draagt.
.
En in de kamer, waar gelaten
Het daaglijksch leven wordt verricht,
Schijnt uit de troostelooze straten
Een ongekleurd namiddaglicht.
.
De jaren gaan zooals zij gingen,
Er is allengs geen onderscheid
Meer tusschen doove erinneringen
En wat geleefd wordt en verbeid.
.
Verloren zijn de prille wegen
Om te öntkomen aan den tijd;
Altijd November, altijd regen,
Altijd dit leege hart, altijd.
.
.

Hanoi

Kira Wuck

.

Zoals ik al eerder deze maand schreef zijn er verschillende dichters bekend en gepubliceerd zijn, die op enig moment aan de Turing gedichtenwedstrijd hebben meegedaan. Kira Wuck (1978) is ook iemand die meedeed aan deze wedstrijd. In de bundel van 2016 staat ze bij de 100 beste dichters. Wuck studeerde aan de Hogeschool Utrecht en volgde de schrijfopleiding aan de Schrijversvakschool. In 2011 brak zij door op het podium toen zij de NK Poetry Slam won. Een jaar later verscheen haar debuutbundel ‘Finse meisjes’ dat in 2013 bekroond werd met de Lucy B. en C.W. van der Hoogtprijs en werd genomineerd voor de C. Buddingh’-prijs en de Jo Peters Poëzieprijs. In 2018 verscheen haar tweede bundel ‘De zee heeft honger’.

.

Hanoi

.

In een goedkoop hotel waarvan het behang van de muren bladdert

kijken katten koortsachtig uit hun ogen

ze geven hun gasten kopjes zodat ze niet langer blijven

het zijn altijd anderen die kou mee naar binnen dragen

als luizen onder hun kraag

.

een jonge man die zijn kamer niet verlaat

denkt dat de wereld uit zijn vingers loopt

weilanden uit zijn jeugd drijven voorbij

zo ligt hij al eenentwintig dagen

hij droomt ervan zichzelf uit foto’s te knippen

in een land waar de lucht zwart is en opium niet duur

.

Belvedère

Peters over Wieg

.

In zijn debuutbundel ‘Belvedère’ uit 2021 denkt dichter Arjan Peters terug aan gestorven schrijvers, vrienden en familie, aan een voorbije liefde, aan de onvoltooide verzen van geliefde dichters, en aan het leven en de liefde in het heden. Peters (1963) studeerde Nederlands en is al dertig jaar bekend als literatuurcriticus, columnist en interviewer.

In deze bundel staat ook het gedicht ‘Rogi Wieg’. Toen ik dit gedicht las wist ik dat ik dit ging plaatsen in de categorie dichters over dichters. Peters beschrijft een ontmoeting met schrijver, dichter, beeldend kunstenaar en muzikant Rogi Wieg (1962-2015) die leed aan ernstige depressies waardoor hij driemaal een poging tot zelfmoord deed. Uiteindelijk overleed Wieg door euthanasie wegens ondraaglijk psychisch en lichamelijk lijden. Dit aspect komt in het gedicht duidelijk naar voren. Het gedicht is het openingsgedicht van het hoofdstuk ‘Met het einde voor ogen’.

.

Rogi Wieg

.

Eén oog bleef leep geloken boven de bunny
op je badjas, en grijnzend gaf je me een trilhand
toen ik jouw afscheid van de lezers kwam noteren
.
zonder idee hoe zoiets moet, maar dat had jij
al evenmin. Hartbrekende taferelen had ik vermoed
maar jij ging op je keyboard zitten spelen
.
en zong er een blues bij. Zei even later, verbaasd:
‘Wat ging het snel, het leven.’ De goulash was goed
en al verzekerde je me hoe dood je wilde
.
omdat jouw toverdraad al lang gebroken was
en er geen apotheek bestand bleek tegen de wildgroei
van kwalen waar je zelf zo geboeid van verhaalde –
.
in gekke opgewektheid reed ik weer naar huis.
Het wezenlijke gaat vanzelf
en snel. Niemand kan het je leren.

.

Daar begint de poëzie

Charlotte Van den Broeck

.

Pas geleden kocht ik in een tweedehandsboekenwinkel een drietal bundels uitgegeven naar aanleiding van de Turing gedichtenwedstrijd. Het betreft hier de edities 2013, 2014 en 2016. In deze bundels zijn de beste 100 gedichten opgenomen van elke editie. In 2013 deden er meer dan drieduizend dichters mee met in totaal bijna tienduizend gedichten. Wanneer je dan tot de beste 100 gedichten geraakt, dan kun je ervan uitgaan dat er kwaliteit wordt geleverd.

En dat klopt. Lezend in de 2013 bundel viel me op dat er dichters meededen die jaren later bekende, gepubliceerde en ‘gearriveerde’ dichters zijn. Een kleine greep uit de deelnemers uit 2013 leverde de volgende namen op: Wout Waanders, Lize Spit, Ingmar Heytze, Luuk Gruwez en Charlotte Van den Broeck. Voorwaar niet de eerste de beste. Ook in de andere edities staan zeer bekende namen maar daar zal ik later aandacht aan besteden.

In 2013 deed zoals geschreven Charlotte Van den Broeck (1991) mee. Van den Broeck  behaalde een Master Engelse en Duitse Letterkunde aan de Universiteit Gent en een Master Drama (Woordkunst) aan het Koninklijk Conservatorium, Antwerpen voor ze in 2015 debuteerde met de dichtbundel ‘Kameleon’ (dus twee jaar nadat ze meedeed aan de Turing gedichtenwedstrijd). Deze bundel werd bekroond met de Herman De Coninck Debuutprijs. In 2017 verscheen ‘Nachtroer’, waarvoor ze de driejaarlijkse Paul Snoekprijs voor de beste Nederlandstalige bundel kreeg. Haar poëzie werd vertaald naar het Duits, Frans, Engels, Spaans, Afrikaans en Servisch.

In 2020 schrijft ze het Poëzieweek essay ‘Cosmos, Texaco’ en in 2021 komt haar derde dichtbundel uit getiteld ‘Aarduitwrijvingen’. In ‘Daar begint de poëzie’ de 100 beste gedichten uit de Turing Gedichtenwedstrijd is haar gedicht ‘Jubileum’ opgenomen.

.

Jubileum

.

Wij twee herhalen niet meer,

Ik geloof niet in een convergerend heelal.

Kilometers onder de korst wist men het allang:

er bestaat een punt waarop de aarde roodverbrand zijn rondheid bewijst.

Zo zullen ook wij op een dag samenvallen op eenzelfde as:

amper man, bijna vrouw met een uniseks regenjas.

.

Wij twee kennen geen evenbeeld

uit aarde en klei zouden ze jou niet zijn.

Geen jaren in geen baard, niet het grijs op je boterhammen.

Die foto op de koelkast met je blik

die mijn rok aan mijn enkels denkt.

Ik heb een huid die enkel nog jouw vingers kent.

.

Die keer toen we de haas aanreden, in zijn ingewanden

de oorzaak van verdriet probeerden lezen.

We vreesden dat het nooit zou drogen.

Als je iets niet uitspreekt, is het niet noodzakelijk gebeurd.

‘Ons’ is een bezittelijk voornaamwoord, dat we evengoed kunnen zwijgen.

Een huis gebouwd uit taal met oneindig veel andere namen.

Het is moeilijk wonen in drie letters.

Er is zo weinig plaats.

.

foto: Kioni Papadopoulos

 

Lotsbestemming

Oktay Rifat

.

Ik lees weer eens in ‘500 gedichten die iedereen gelezen moet hebben’ De canon van de Europese poëzie, samengesteld door Ilja Leonard Pfeijffer en Gert Jan de Vries uit 2008. En ik lees een gedicht van de Turkse dichter Oktay Rifat (1914-1988) getiteld ‘Lotsbestemming’.

Ali Oktay Rifat, zoals zijn volledige naam luidt,  was een Turkse schrijver en toneelschrijver , en een van de vooraanstaande dichters van de moderne Turkse poëzie sinds eind jaren dertig. Samen met Orhan Veli en Melih Cevdet was hij de grondlegger van de Garip beweging . De naam Garip (vreemd) betekende destijds een breuk met de conventionele, decadente stijl van Turkse poëzie en literatuur.

Oktay Rifat had een grote invloed op de moderne Turkse poëzie, stond buiten de traditionele poëtische conventies en creëerde een nieuwe beweging. Zijn werk verwierp oudere, complexe vormen en gaf de voorkeur aan eenvoud en frisse ritmes. Voor zijn werk ontving hij meerdere literaire prijzen.  Het gedicht ‘Lotsbestemming’ is genomen uit ‘Ik luister naar Istanbul, zes moderne Turkse dichters’ uit 1988. De vertaling is van Erik Jan Zürcher.

.

Lotsbestemming

.

Wat is toch dit noodlot van mij?

Ik kan niet rekenen

En ik heb een baan als boekhouder,

Gevulde aubergine is mijn lievelingseten

En ik kan er niet tegen,

Ik ken een meisje met sproeten

En ik hou van haar

En zij niet van mij.

.