Site-archief
Het literaire tijdschrift en MUG
Wat wil MUGzine?
.
Tijdens een overleg over MUGzine kwam de vraag naar voren waarom we MUG maken en met welk doel. In het kort is MUG het gevolg van een gesprek waarin de ene partij https://mugbookpublishing.wordpress.com/de wens uitsprak een klein poëziemagazine uit te geven en de andere partij (https://poetryaffairs.nl/) de kennis en de inzichten had in het opzetten, vormgeven en publiceren van een (digitaal) tijdschrift.
Maar welke kant we op wilden met http://mugzines.nl/, hoe het minipoëziemagazine er moest gaan uitzien, welke vorm het moest krijgen, welke mensen konden gaan bijdragen, daar hadden we het niet over. Tot het overleg waarin we ons zelf deze vragen stelden. Ik moest aan dit laatste overleg denken toen ik de masterscriptie van V.J. Drost uit 2008 las. Het betreft hier een scriptie over de functie van het literaire tijdschrift in de literaire wereld. Onderwerp van het onderzoek waren 10 gesubsidieerde Nederlandse literaire tijdschriften ( in de periode 2002 – 2007). te weten: Bunker Hill. De Revisor, De Gids, Liter, De Tweede Ronde, Hollands Maandblad, Parmentier, Passionate, Raster en Tirade.
“De acht aannames laten zien dat de functie van het literaire tijdschrift onduidelijk is. Het is in ieder geval geen kweekvijver, want slechts een klein aantal auteurs debuteert. Het aantal redactieleden dat publiceert in de literaire tijdschriften is zelfs groter dan het aantal debutanten. Daarnaast hebben de tijdschriften vrijwel allemaal een groep auteurs of redacteuren die regelmatig publiceren én tijdschriftvast zijn. Er kan dus gesteld worden dat het literaire tijdschrift eerder een plek is waar redactieleden en gerenommeerde auteurs publiceren en dat het in hun belang is dat de tijdschriften bestaan.”
Ook schrijft Drost:
“Tijdens het onderzoek zijn een aantal tijdschriften naar voren gekomen als plekken waar auteurs voor het eerst publiceren, zoals Op ruwe planken, Nymph, Lava, Krakatau en De Poëziekrant. Het is interessant om in vervolgonderzoek aandacht te besteden aan deze veelal ‘jonge’ initiatieven in vergelijking tot de toch ‘oudere’ gesubsidieerde literaire tijdschriften. Aan de opkomst van de e-zine is bij de dataverzameling van dit onderzoek geen aandacht besteed. Wellicht werpt een onderzoek naar e-zines een nieuw licht op de interactie tussen auteurs, publiek, redacteuren en uitgeverijen.”
Kom ik terug op MUGzine. Ik denk dat je kunt stellen dat MUGzine een (klein) gat vult dat nog open stond. MUG wil een poëtisch magazine zijn waar dichters van verschillende pluimage een stem krijgen. Met een oog voor kwaliteit en voor vernieuwing. Een magazine dat niet elke keer hetzelfde is. Dat qua vorm en inhoud zichzelf en de lezer wil verrassen. Waar gevestigde maar zeker ook talentvolle nieuwe namen een plek kunnen krijgen om poëzie te publiceren. In die zin beweegt MUGzine zich tussen de gevestigde bladen en de hierboven genoemde magazines. Toegegeven, de redacteuren zijn aanwezig in de MUG’s die tot nu toe zijn gepubliceerd maar ook dit is geen vast gegeven.
En omdat ik altijd met een gedicht wil eindigen, een gedicht over de mug van Meleagros (140 – 70 voor Christus) getiteld ‘Aan een mug als postiljon d’amour’.
.
Aan een mug als postiljon d’amour
.
Vlieg voort, o mug, mijn snelle bode en fluister
Aan de oren van Zenophila héél zacht,
‘Gij slaapt, vergetend lief, hij waakt en wacht.’
Vlieg voort, vlieg voort, mijn zangster zoet, maar luister:
Spreek zacht en wil haar slaapgenoot niet wekken,
Dat gij niet wekt mijn ijverzucht’ge trots.
Als gij haar hier brengt, mug, geef’k u een knots,
En ‘k zal u met een leeuwehuid bedekken.
.
.
Rivier
Kusters en Kuypers
.
Vandaag in de categorie Dubbel-gedicht als onderwerp de rivier. Er zijn veel gedichten geschreven over rivieren, meanderend door het Hollandse landschap, over bruggen over rivieren, dorpen en steden aan rivieren en ga zo maar door. En in sommige gevallen krijgt de rivier iets menselijks of vereenzelvigd de dichter zich met een rivier.
In de twee gedichten in dit Dubbel-gedicht is er sprake van de laatste twee voorbeelden.
Het eerste gedicht is van Wiel Kusters (1947) en is getiteld ‘Rivier’. Het gedicht komt uit de bundel ‘Leesjongen’ Verzamelde gedichten 1978 – 2017 uit 2017. In dit gedicht komt de rivier pas later in het gedicht voor maar Kusters geeft haar menselijke trekjes ( de rivier / die altijd weet waarheen ) en hij betrekt de rivier op zichzelf ( dat ik de rivier / niet meer kan zien / of stromen voel in mij ).
Het tweede gedicht is van Sjoerd Kuyper (1952) en is ook getiteld ‘Rivier’ en dit komt uit de bundel ‘Het heelal van jouw hart’ uit 2012. Kuyper begint zijn gedicht meteen met een wens (Ik zou zo graag / een rivier zijn ) en vervolgt het gedicht door de eigenschappen van een rivier op zichzelf te betrekken.
Twee totaal verschillende gedichten met de rivier als onderwerp.
.
Rivier
.
Toen mijn moeder
net zo oud was als mijn oma
wist ze niet goed meer
wie ze was.
.
Daar ben ik bang voor,
zei ze, en wees
naar witte strepen
in de blauwe lucht.
.
Later vlogen er ganzen
over. Wel zeven,
hoog boven de rivier.
.
(Ik had de strepen uitgewist
en was op weg
naar huis.)
.
Eén vloog er fier voorop,
zes volgden hem.
Allemaal achter die ene aan,
die ene wist de weg.
.
Of volgde hij soms niet
zichzelf maar de rivier
die altijd weet waarheen,
vanzelf?
.
Daar ben ik bang voor,
dacht ik vlug niet oud:
dat ik de rivier
niet meer kan zien
of stromen voel in mij.
.
Rivier
.
Ik zou graag
een rivier zijn
.
die door de zomer
stroomt, zo loom,
.
ik bewoog wel
maar niemand
die het zag.
.
Alleen een steen
zou zeggen:
Wat wriemel je toch!
.
En ik zei:
Praat niet zoveel.
.
Dan zou de steen
graag zijn
ik die dit schrijf
.
in een trein
op een brug.
.
Genieten van kunst
Dubbelgedicht
.
Dat er veel onderwerpen zijn waarover dichters schrijven is duidelijk. Feitelijk kan een dichter over alles schrijven. Opmerkelijk is het dat bepaalde onderwerpen dan juist weer veel voorkomen, waarschijnlijk omdat het veel mensen aanspreekt (liefde, dood, het dichterschap). Ook over kunst of eigenlijk over losse kunstwerken wordt veel gedicht. Zelf heb ik me daar ook ‘schuldig’ aan gemaakt (bijvoorbeeld mijn gedicht ‘Mae West Sofa’ over het gelijknamige kunstwerk van Salvador Dali https://www.deoptimist.net/2012/09/vers-in-de-etalage-17/ ).
Het is eigenlijk veel leuker om te kijken hoe dichters in algemene zin naar kunst kijken en erover schrijven, dus niet over een bepaald kunstwerk maar over de kunsten in brede zin. Daarover gaat dit dubbel gedicht.
Het eerste gedicht is van Willem Wilmink (1936 – 2003) en is getiteld ‘Kunstgenot’. Een gedicht waarin beschreven wordt hoe er van kunst (in dit geval klassieke muziek) genoten wordt door mensen die van kunst houden. het gedicht komt uit ‘Zeven liedjes voor een piek’ uit 1972.
In het tweede gedicht wordt door dichter Jules Deelder (1944 – 2019) ook de vraag gesteld wie er van kunst houdt, maar hier neemt het gedicht toch een heel andere wending. Het gedicht ‘Kunst’ komt uit ‘Renaissance; gedichten ’44 – ’94’ uit 1994.
.
Kunstgenot
(Wijze: Beethoven’s Negende, Slotkoraal)
Grenzenloos
Astrid Roemer
.
Uitgeverij In De Knipscheer geeft al ruim 40 jaar poëzie uit. In 2015 kwam men op het idee om een bloemlezing te maken van dichters en gedichten uit de fondscatalogus met als titel ‘Grenzenloos’ 40 jaar Knipscheer poëzie. Samensteller Klaas de Groot heeft er zijn handen vol aan gehad want in de 40 jaar dat deze uitgeverij al poëzie uitgeeft zijn er ongelofelijk veel verschillende dichters en dichtbundels opgenomen in het fonds. Uit meer dan twee meter poëziebundels, boeken, en tijdschriften (Mandala, De held en Extaze) koos Klaas ruim 160 dichters met in totaal ruim 190 gedichten.
Het bijzondere aan deze bloemlezing is dat hier nu eens niet alleen maar bekende namen zijn opgenomen en gedichten die daar bij horen, maar juist een dwarsdoorsnede van allerlei dichters die ooit gepubliceerd zijn bij In De Knipscheer. Hierbij zijn een groot aantal namen van dichters die wel enige bekendheid hebben maar bij het grote publiek misschien niet of nauwelijks bekend zijn. Terwijl de echte poëzieliefhebber veel namen wel zal kennen of herkennen. Dat is wat mij betreft dan gelijk een dikke pluim voor deze uitgeverij. men is niet bang om nieuwe namen te introduceren, jonge of veelbelovende dichters uit te geven.
Bladerend door de bundel uit 2018 viel mijn oog op een gedicht van Astrid Roemer die ik vooral ken van haar proza. Ik herinner mij dat ik jaren geleden haar van huis ophaalde om een lezing te geven in de bibliotheek waar ik werkte. dat zij ook poëzie schreef daar had ik tot nu geen weet van. Daarom hier haar gedicht ‘Steffi huilt’ dat verscheen op het blog ‘Caraïbisch Uitzicht’ en op de website van de uitgeverij.
.
Steffi huilt
.
Het geeft niet Poes
het geeft niet dat we
sterven
Want weet je Poes
dood is het landgoed dat
we bij geboorte erven
Het geeft niet Poes ook al
is het om te huilen
Het is ons slot: leven opent het
en wij sluiten
.
Belofte
Dubbel-gedicht
.
Dat een Dubbel-gedicht (een gedicht met een zelfde titel of een titel die verwant is) niet altijd van heel beroemde en bekende dichters hoeft te zijn bewijzen de twee gedichten die vandaag het Dubbel-gedicht maken. Hiermee wil ik helemaal niets afdoen aan de kwaliteit van de dichters of de gedichten, tenslotte zijn beide gepubliceerd en worden beide dichters zeer gewaardeerd door mededichters en liefhebbers van poëzie.
Het thema van dit Dubbel-gedicht is ‘Belofte’. Het eerste gedicht van de twee van Egbert van Hattem heeft als titel ‘De belofte’ en is genomen uit de bundel ‘Campus poet 2011 / Campusdichter 2011’ uit 2012 uitgegeven door de Universiteit Twente.
Het tweede gedicht met de titel ‘Belofte maakt schuld’ van Martin Wijtgaart komt uit ‘Zwijgend naar de tering’ Gedichten uitgegeven door 302-bis.
.
De Belofte
.
Jong schijnt het talent.
De grootmoeder vult bij de bron
de emmers voor het groene loof,
de ouder de beurs voor een verre stage.
.
Beloofde kennis achter de lichtlijn van
de vertrouwde horizon.
De beenroeier, de broer met sterke vrije handen,
werpt het net – repetitie van generaties –
in kalme golven.
.
Minder land om te groeien,
het water onvoorspelbaar.
Zij, het talent, licht op, schetst,
hoogtelijnen en puntenwolken,
haar geboortegrond. Harde valuta retour,
meer monden om te voeden.
.
Belofte maakt schuld
.
Een klein, gedecideerd gebaar,
een dotje gras, een korte ruk,
de koprol over het talud,
de koude duik in het kanaal,
de tegemoetkomende truck –
gelegenheden zijn er zat.
.
Half vrezend en half hopend dat
de wal het schip ooit keren zal
weeg je de lasten en de baten
tot je, veel later, wakker schiet
door de ontstoken lichten van
de blijkbaar ongeschonden wagen.
.
Veranderlijke stilte. Dan:
nijdige hakjes op het pad,
de sleutels krassend aan de deur
die ze voorgoed had dichtgeslagen.
.
Clowns
Dubbelgedicht
.
Wanneer je poëziebundels leest kom je regelmatig gedichten tegen met dezelfde titel. Deze gedichten kunnen echter uit totaal verschillende tijden komen, in verschillende stijl zijn geschreven en heel verschillend zijn van inhoud of betekenis. Juist omdat een vergelijking tussen gedichten met dezelfde titel zo interessant is, is er de categorie Dubbel-gedichten.
Een nieuw voorbeeld van een dubbelgedicht zijn de onderstaande twee gedichten over clowns. Het eerste gedicht ‘Clowns’ is van de Tsjechische dichter Miroslav Holub (1923 – 1998) in een vertaling van Jana Beranová uit de bundel ‘Machine van woorden’ uit 1985.
Het tweede gedicht met de titel ‘Clown’ is van de dichter Martinus Nijhoff (1894 – 1953) genomen uit de bundel ‘Verzamelde gedichten’ uit 1975 maar voor het eerst gepubliceerd in de bundel ‘De wandelaar’ in 1916.
.
Clowns
.
Waar gaan de clowns naar toe?
.
Wat eten de clowns?
.
Waar slapen de clowns?
.
Wat doen de clowns,
wanneer niemand,
maar dan ook niemand meer lacht,
.
mamma?
.
.
Clown
.
Met blauw-papierenpijlen op mijn wangen
En op mijn hoofd een gele ster geplakt,
Blijf ik, terwijl een aap mijn handen pakt,
Onderste-boven aan een rekstok hangen.
.
Mijn meester wil de wereld vroolijk maken,
– ‘Satans Apostel’ noemt mij ’t aanplakbord –
En ’t volk, een optocht gekke pelgrims, wordt
Hierheen gestuurd, en ik moet het vermaken.
.
Het lacht om alles wat mijn waanzin doet,
Ik speel voor hond, voor mensch, voor olifant:
Ik blaf, ik schreeuw, ik daver met mijn snuit-
.
Laat in den nacht stroomt het de tent weer uit:
Ik leun op ’t plein, waar de lantaarn brandt,
Tegen den paal, en keur mijn daden goed.
.
Voordracht
Richard Minne
.
Hoewel ik een paar boekenkasten vol poëzie heb en dus alle mogelijkheid om van poëzie te genieten, mis ik toch iets. En dat iets is het in levende lijve aanschouwen en aanhoren van dichters die hun werk voordragen. Er gaat niets boven zelf voordragen en al helemaal niet als je op een podium staat met andere dichters. Zo heb ik bijvoorbeeld dit jaar de podia van Ongehoord! In Rotterdam en de Haarlemse dichtlijn enorm gemist. Op 1 dag met zoveel dichters en op verschillende podia voordrachten. Dat is waarlijk genieten.
En omdat het momenteel niet mogelijk is om zelf voor te dragen op een podium of om naar andere dichters te luisteren, heb ik als pleister op de wonde een gedicht opgezocht dat over de edele kunst van het voordragen gaat. Het is het gedicht ‘De voordracht’ van de dichter Richard Minne (1891 -1965).
Minne was een Vlaams dichter en prozaschrijver. Hij debuteerde in 1927 met de bundel ‘In den zoeten inval’. Zijn gedichten verschenen in allerlei literaire tijdschriften. Met name in de jaren dertig en vijftig werd veel van zijn werk gepubliceerd in tijdschriften als ‘De Gids’, ‘Forum’ en Nieuw Vlaams tijdschrift’. Het gedicht ‘De voordracht komt uit ‘In den zoeten inval’ dat in 1955 werd heruitgegeven.
.
De voordracht
.
Wie durft er cynisch te beweren
dat schoonheid geen gemeengoed is?
Vol dames is de zaal en heren
voor des dichters belijdenis.
.
Daar troont hij op het spreekgestoelte,
met zijn Zondagse kleren aan
(Door ’t open raam speelt de onweerszwoelte).
Een volk dat leest kan niet vergaan.
De dichter spreekt in keurge termen:
‘koopt boeken!’ Maar in zijn gemoed
is het alsof de vlammen zwermen.
Koopt boeken? ’t Is ook brandbaar goed.
.















