Site-archief

5 jaar minipoëziemagazine

Jubileum MUGzine

.

Niet zonder enige trots mogen wij van MUGzine onze jubileumuitgave aankondigen. Vanaf vandaag te lezen op mugzines.nl en deze week in de brievenbus van al onze donateurs, nummer 25. In 5 jaar MUGzines hebben we ruim 100 dichters de ruimte geboden om een paar gedichten te publiceren (we zijn maar een minipoëziemagazine met maximaal 20 pagina’s) in het meest eigenwijze en leukste (en zeker kleinste) poëziemagazine van Nederland en Vlaanderen.

Dit keer poëzie van maar liefst drie Vlaamse dichters te weten Lies Van Gasse, Elise Vos en Kris Lauwereys en een Nederlandse dichter Albert Hagenaars. Omdat we wat meer gedichten wilden plaatsen in dit jubileumnummer dit keer geen kunst of illustraties maar wel een nieuwe rubriek Muggenbeten, waarin we stekelige opmerkingen en uitlatingen over poëzie door de eeuwen heen en (soms) van over de landsgrenzen opnemen.

Wij van MUGzines (Bart de vormgever, Marianne redactiefilosoof en voorwoordschrijver, en ik duizenddingendoener) zijn ontzettend trots op wat we neer hebben gezet de afgelopen 5 jaar. En we gaan door! De eerste verkenningen zijn reeds begonnen, ideeën gedeeld, brainstorms gewoed en namen doorgegeven.

Bart heeft van 5 jaar MUGzines een prachtige poster gemaakt. Zou je die ook thuis willen ontvangen? Dat kan, we verloten er een paar. Stuur een mail naar mugazines@yahoo.com met in de onderwerpsregel Jubileumposter.

In editie 25 zoals gezegd vier dichters. Een ervan is Albert Hagenaars (1955) dichter en auteur. De belangrijkste thema’s in zijn boeken zijn reizen, interculturele relaties, vervreemding en identiteit. Hagenaars debuteerde in 1979 met de bundel ‘Stadskoorts’ waarna nog 12 bundels zouden volgen en een paar romans. Zijn laatste publicatie is van 2023 getiteld ‘Samenval – Gabungan’ Poëzie in het Nederlands en Indonesisch, in samenwerking met kunstenares Edith Bons. Uit De Tweede Ronde, jaargang 3 uit 1982 nam ik het gedicht ‘Voltooiing’.

.

Voltooiing

.

Er is een afgraving in de heuvels
van mijn jeugd, gevuld met regen
van jaren, zoals ook vele nachten
als hun bouwputten me trekken,
.
en ik de stilte van drijfzand onderga
en de beklemming van zware kranen,
roerloos spiegelend in het zwarte water,
verlaten dokken, verwrongen rails,
.
misthoorns en de moord op de heide,
fragmenten op een ver televisiescherm,
voor een lang geleden kind uitgezonden
en geluidloos nu, eindelijk voltooid.
.
.

Zondag

Toon Tellegen

.

Dat Toon Tellegen (1941) een van mijn favoriete dichters is mag geen verrassing meer zijn, ik schreef al vele malen over deze bijzondere dichter en schrijver (van prachtige dierenverhalen).  Zo was hij al in 2016 dichter van de maand. In 2016 begon ik de categorie Dichter van de maand nadat ik op vele zondagen gedichten van misschien mijn meest favoriete dichter Herman de Coninck deelde op dit blog. Vele dichters zijn in de loop der jaren dichter van de maand geweest wat betekende dat ik in een maand op elke zondag een gedicht van die dichter plaatste. Misschien moet ik daar weer eens mee beginnen. Heb je een idee of voorstel voor een dichter (liefst een die niet al een keer dichter van de maand is geweest) reageer dan even hieronder met een naam of namen.

Maar terug naar Toon Tellegen. In zijn bundel ‘Gewone gedichten’ uit 1998 schrijft Tellegen gedichten met uiteenlopende onderwerpen, bijvoorbeeld over aan welke voorwaarden een gedicht moet voldoen, over waarom de dichter schrijft of over gedachten aan Pessoa. En over een zondag als vandaag. Een gedicht waar ik bleef steken door de x en de y die hij opvoert.

.

Zondag

.

Het is zondag,

wandelaars zitten op bankjes,

converseren over de sinus en de cosinus van een kus

de tangens van het verlangen.

Ze doen hun ogen dicht en denken aan onbekenden,

x,y…

.

De zon schijnt,

kleine hypothesen gonzen in het warme middaglicht,

de zuivere waarheid slaapt.

.

Alles is nietswaardig en op een fractie na volmaakt,

.

en ver weg, oneindig ver weg, tussen de wilde ellipsen

en de rode parabolen,

zwemmen kinderen

in een bocht van een rivier.

.

Vrouwen

Fleur Bourgonje

.

Vandaag stond ik voor mijn boekenkast en heb ik met gesloten ogen een greep gedaan. Ik pakte het bundeltje ‘Sintering’ van Fleur Bourgonje (1946). Terugkijkend op dit blog zie ik dat ik nog maar één keer over Fleur Bourgonje heb geschreven. Toen over haar debuutbundel ‘Stenen voor het begin‘ uit 1987. En dus nog niet over haar bundel ‘Sintering’ uit 2000. Alleen maar goed dus dat ik deze bundel pakte. Uit de bundel koos ik, opnieuw zonder te kijken, voor het gedicht ‘Vrouwen’.

.

Vrouwen

.

Hoe ze op het plein zwart om elkaar heen staan, de binnenste

houdt alle warmte vast. Hoe ze tegen elkaar praten,

de stem van de buitenste klinkt het hardst. En hoe ze

over elkaar heen lopen om bijtijds te bereiken

wie ze willen zijn, hoe ze elkaar dan oprapen

en gladstrijken, arm in arm, dezelfde pijn

.

maar welke. Hun woorden wijken uit naar zijstraten

terwijl ze bij elkaar de vinger op de wond leggen,

er met een nagel vuil uitsnijden. Hoe ze elkaar

hun bittere balsem aanwrijven, hun buiken

op één lijn brengen, het hoofd

de vrije loop laten.

.

Liefde is business

Arnon Grunberg

.

In de afgelopen jaren ben ik een aantal keer verrast door, in mijn ogen, romanschrijvers, die ook dichterlijke aspiraties hebben en dichtbundels hebben uitgegeven. Denk daarbij aan Rita Mae Brown, Michel Houellebecq, Hella Haasse, Abdelkader Benali en Maarten ’t Hart (winnaar van de P.C. Hooftprijs 2024). Aan die lijst die nog steeds groeit kan wat mij betreft nog een naam worden toegevoegd namelijk die van Arnon Grunberg (1971).

Helemaal nieuw voor mij is deze schrijver als dichter niet want in 2018 deelde ik al eens een gedicht van hem dat in het literaire tijdschrift Hard Gras was geplaatst. Toen was ik nog in de veronderstelling dat dit een eenmalige iets was, niet wetende dat Grunberg in 1999 al een dichtbundel publiceerde getiteld ‘Liefde is business’.

De recensies waren destijds verschillend van toon maar er was een gedeelde opmerking: de poëzie van Grunberg is al zijn proza maar dan in stukjes gehakt en achter elkaar gezet. Zo schrijft Thomas van den Bergh: “De vraag blijft: is dit poëzie? Natuurlijk kan poëzie vele, zo niet alle vormen aannemen. Maar als het verhalend proza en de gedichten van één en dezelfde auteur alleen typografisch van elkaar verschillen, dan mogen er op z’n minst vraagtekens gezet worden bij de noodzaak van deze ‘poëzie’ en de drijfveren van de schrijver.”

Maarten Doorman is iets positiever maar vooral waar het gaat om de stijl van schrijven van Grunberg: “De gedichten lijken een soort bijproduct van Grunbergs romans en verhalen. Zoals de lever gal afscheidt, zo scheidt het proza van Grunberg kennelijk gedichten af. Maar ik houd van zijn stijl dus ik lijd er niet onder.”.

De gedichten in ‘Liefde is business’ gaan over de verhouding van de ‘ik’ met ‘Hoer C.’. Hoer C. komt vanuit Nederland naar New York, raakt aan lager wal, woont vervolgens in, of beter: huist, zichzelf verkopend, bij een tax-free shop op JFK Airport om uiteindelijk uit zicht te verdwijnen. Hieronder het gedicht ‘mooi’, ik zou zeggen oordeel zelf.

.

mooi

.

als je heel erg dronken bent

komt er geen einde

aan het neuken

.

het gaat de hele tijd mis

zodat je weer van voren af aan

kunt beginnen

.

en als je dan eindelijk klaar bent

hoor je jezelf

merkwaardige zinnen mompelen

zoals

ik zou je wel willen adopteren

.

terwijl hoer C.

twee

hooguit drie jaar jonger is

.

en ’s ochtends vroeg

staand voor de wc

ontdek je een verschrompeld condoom

en je herinnert je

hoe je genoemd bent

door hoer C.

.

sukkel

macho

oud wijf

maar ook

lief zacht teder

verschrikkelijk lief

en één keer

een minuut of twee

na het neuken

mooi

.

ik moest heel hard lachen

kon het niet helpen

.

hoer C.

was weer erg hygiënisch geweest

die nacht

ze had haar tanden gepoetst

het wenkbrauwpotlood

van haar wenkbrauwen geschrobd

en

dit verklaart een hoop

haar lenzen uitgedaan

terwijl ze vertelde

hoe ze als kind

regelmatig

over het grind werd gesleurd

maar dat ze veel begreep

.

en dat het leven

voor haar vader

tenslotte

óók

geen lolletje was geweest

.

Blues om wat blijft

Willy Spillebeen

.

De Vlaamse dichter, schrijver, vertaler, bloemlezer en essayist Willy Spillebeen (1932) ken ik door een andere Vlaamse dichter Hervé Deleu, die in 2012 de allereerste gedichtenwedstrijd van poëziestichting Ongehoord! won. Toen ik in 2013 door Hervé gevraagd werd een paar gedichten voor te dragen bij de presentatie van zijn bundel ‘De geur van de maan‘ was Willy ook een van de dichters die daar voordroeg. Beide dichters wonen in Menen in Vlaanderen en kennen elkaar goed.

Na deze eerste kennismaking vroeg ik Willy in 2014 om voor te komen dragen in Rotterdam bij het podium van diezelfde poëziestichting. Daar maakte hij grote indruk op het vooral jonge publiek. Sindsdien ben ik Willy wat uit het oog verloren. Ik vroeg hem voor MUGzine maar na enige pogingen daartoe kreeg ik uiteindelijk een reactie van zijn vriendin dat Willy daarvan afzag. Het bleek dat ik in 2014 de beloofde reiskosten aan hem niet had voldaan. Stom natuurlijk al had ik het graag destijds meteen gehoord en niet jaren later achteraf. Een poging om het alsnog goed te maken kon in zijn (haar) beslissing helaas geen verandering brengen.

Dit staat los van de waardering die ik heb voor Willy en zijn bijdrage aan de literaire wereld en de poëzie in zijn lange leven. Om dit te illustreren wil ik hier graag een gedicht van hem delen. In Brugge waar ik pas geleden was, kwam ik in een boekwinkel zijn bundel ‘Blues om wat blijft’, uitgegeven bij uitgevrij P in 2011, tegen. In die bundel staat het gedicht ‘Reiger en specht’. En als je nou denkt ‘ah een natuurgedicht!’ ja dat is het ook maar het is zoveel meer, het verandert langzaam in een erotisch gedicht. Lees maar.

.

Reiger en specht

.

Blauwe reiger met grijs stuitje

vrouw met de rechte rug

staat roerloos naast het water

stijgt statig op.

.

Groene specht met geel stuitje

vliegt golven boven het water

vrouw met de rechte rug

hecht zich later aan een stam.

.

Hun stuitjes mimicry

van vogelverlangen.

.

Maar o de kuiltjes boven je stuitje

vrouw met de rechte rug.

.

O de orchidee van je schede.

.

O het verrukkelijke vrijen

met vogels met water

met bomen met bloemen.

.

Jij in het groene land

Hans Andreus

In de ‘Verzamelde gedichten‘ uit 2004 (herdruk van deze bundel uit 1983) van Hans Andreus (1926-1977) lees ik een bijzonder liefdesgedicht getiteld ‘Jij in het groene land’. Het gedicht valt mij meteen op door de eigenaardige eerste zin die meteen mijn aandacht vraagt (en krijgt). Nu ben ik een groot liefhebber van mooie liefdespoëzie en ik mag het ook graag zelf schrijven, dus alle reden dit gedicht hier te delen. Want van liefdesgedichten krijg en lees je nooit genoeg.

.

Jij in het groene land

.

Overal te mooi om los te lopen

loop je los

door het groene land dat verbleekt

bij je haar dat schoorstenen veegt

en je ogen van gerookt amber,

terwijl je mond het koppig blijft verkerven

bij het weiland en de sloot.

.

En daarbij loop je zo loom los,

toch driftig met passen die tikken

als een woedend aftikkende dirigent,

loop je zo vinnig en stil

met je passen van vrouw,

dat de huizen ervan schrikken hoewel ze

natuurlijk likkebaarden in hun kelders.

.

En later los kom je naast mij liggen maar niet

lang,

want een gelukkig rampjaar ’s nachts

lang lopen wij vast,

raken wij vast,

worden wij het eenparig dier dat van alles op aarde

het meest op een god lijkt, maar

denken wij daaraan?

.

Geen denken aan.

.

Zo mooi, veel te mooi ben je om er te zijn.

Maar je bent er en ik,

ik ben er om het je te zeggen:

zo mooi zwart en blank in het groene land.

.

Zwanenzang

Herman Leenders

.

In de nieuwe bundel van de Vlaamse schrijver en dichter Herman Leenders (1960) is een gedicht gewijd aan een andere dichter Koenraad Goudeseune (1965-2020). Herman Leenders debuteerde in 1982 met de bundel ‘Mijn landschap, een beeldinventaris’ waarna nog 7 dichtbundels en enkele romans volgden. Hij behandelt in zijn gedichten vooral de spanning tussen droom en werkelijkheid. Hij doet dat in een directe taal die beeldend en zintuiglijk is.

Hij was vrije Brugse stadsdichter voor de periode 2016 – 2017. Voor zijn poëzie ontving hij onder andere de C. Buddingh’-prijs (1993) en de Hugues C. Pernath-prijs (1993) beide voor zijn bundel ‘Ogentroost’.

In zijn laatste bundel ‘Het voorland’  “hangt een onuitgesproken dreiging over deze gedichten maar tegelijkertijd een geruststellende mist van weemoed en tevredenheid. De mens is op weg naar zijn lotsbestemming en leeft ondertussen onwetend, min of meer gelukkig, min of meer onschuldig in het voorland, het grensgebied tussen land en zee, hemel en aarde, gisteren en morgen, leven en dood”.

In deze bundel staat dus een gedicht voor Koenraad Goudeseune, de dichter die na een kort ziekbed in 2020 euthanasie koos. Het gedicht is getiteld ‘Zwanenzang’.

.

Zwanenzang

.

 Voor Koenraad Goudeseune

.

je bent onder vrienden als een koning gestorven

op het laatste podium dat je hebt bestegen

in het nerveuze licht van schermen

met likes als heilig oliesel

.

we leefden dag na dag van je sonnetten

die niemand ontzien – jezelf nog het minst –

we zagen bloemen glorieus verwelken

drank in de glazen verschalen

.

jouw lach verkrampen

weglekken in het infuus

het vege lijf mager en gekrompen

.

je poëzie zal blijven leven beweren de vazallen

straks krijg je postuum de Herman de Coninckprijs

weer niet: is dit dan het happy end waarde vriend

.

 

Reflectief

Inge Boulonois

.

Afgelopen dinsdag overleed heel onverwacht dichter en schilder Inge Boulonois (1945-2024). Ik ontmoette Inge voor het eerst tijdens een avond bij Alja Spaan in Alkmaar tijdens Alkmaar Anders. Zij droeg die avond niet voor maar kwam voor de voordrachten en voor Alja. Later leerde ik haar beter kennen vooral door haar poëzie en het contact dat we hadden via Facebook, via dit blog, Meander en de bundels die ze publiceerde zoals ‘Voor waar genomen‘ en ‘Vers gekruid‘.

Toen wij van Mugzines een nummer wilde maken met light verse benaderde ik Inge om haar te vragen of ze daaraan mee wilde werken en vroeg ik haar om de namen van nog drie dichters. Dat resulteerde in een zeer succesvolle uitgave van Mugzine nummer 8 met light verse gedichten van haar, Wim Meyles, Frank van Pamelen en Remko Koplamp.

In 2000 begon Inge met het schrijven van gedichten. Ze debuteerde in 2004 met de bibliofiele bundel ‘Ooglijke tijd’. Van 2011 tot 2015 was ze stadsdichter van Heerhugowaard. Haar poëzie werd opgenomen in diverse literaire tijdschriften en bloemlezingen en haar werk werd meerdere malen bekroond: Plantage Poëzieprijs (2005), Concept Poëzieprijs (2006), Guido Wulmsprijs (2006), Culturele Centrale Boontje Poëzieprijs (2008), Poëzieprijs Merendree (2009) en de Nieuwegeinse Poëzieprijs (2009).

Sinds 2005 analyseerde ze poëzie voor Meander op klassiekegedichten.net. Voor literatuursite Meander schreef ze recensies van light verse. Een heel veelzijdige vrouw en dichter kortom. Bij Meander gaan we haar missen maar ook als mens. Inge was een enthousiaste, warme en altijd geïnteresseerde vrouw. Op haar rouwkaart staat ‘Leven blijft omdat het overgaat’ en dat zijn ware woorden. Op haar facebook pagina staat een laatste gedicht dat ik hieronder plaats. Maar ik heb ook een ander gedicht van haar gevonden dat ik erbij wil zetten. Het is getiteld ‘Reflectief’ en het geeft de optimistische en vrolijke aard van Inge weer. Zoals we ons haar zullen herinneren.

.

Reflectief

.

Steeds vaker kijk ik op mijn leven terug
En ben dan helemaal niet ontevreden
Met wat de jaren brachten tot op heden
En wat ik nu doe, ouder, minder vlug

Ik dicht, dit maakt mijn dagen stukken lichter:
Hier heb ik het gebracht tot zondagsdichter!

.

 

Stadsontwikkeling

Daan de Ligt

.

De Haagse dichter Daan de Ligt (1953-2016) begon op relatief late leeftijd te schrijven, hij maakte in zijn gedichten gebruik van vaste versvormen als de sonnet. Ter gelegenheid van zijn vijftigste verjaardag gaf hij in eigen beheer de bundel ‘Vijftig’ uit, waarin ook een aantal Haagse stadsgezichten was opgenomen. Deze stadsgezichten maakten zo’n indruk op de redactie van de Haagsche Courant (later AD Haagsche Courant), dat De Ligt gevraagd werd om als stadsdichter voor de krant nog vijfentwintig stadsgezichten te schrijven. Dit werden er tussen 2003 en 2010 uiteindelijk 250.

Veel van deze gedichten spelen zich dan ook af in Den Haag. In 2009 verscheen zijn bundel ‘Oude nozem’ zijn vijfde dichtbundel (er zouden er nog drie volgen). De poëzie is het best te definiëren als light verse maar in ‘Oude nozems’ wilde De Ligt zijn andere wat meer serieuze kant belichten. Bladerend in de bundel stuitte ik op het gedicht ‘Stadsontwikkeling’ dat eigenlijk nog steeds, of alweer, heel actueel is. Met de grote vraag naar huizen worden allerlei stukjes grond in de stad die braak liggen of die nog wat natuur bevatten, opgeofferd aan deze vraag.

.

Stadsontwikkeling

.

dit is een prachtig bos, haast ongerept
met vogels, vlinders en volwassen bomen
de schoonheid naar een eeuwenoud recept
hier kunnen minstens vijftig villa’s komen

dat duingebied, de onschuld niet verloren
nog rusteloos, zoals het altijd was
met stuivend zand en vrolijk wuivend gras
de ideale bouwplaats voor kantoren

dat landgoed, nog zo groen, verstild en puur
met rozentuin en perken vol margrieten
een lustoord waar de stadsmens kan genieten
ik denk aan hoge flats (te koop, te huur)

natuur is wreed, de sterksten zullen groeien
ik vegeteer op staal, beton en steen
en woeker mij door al het leven heen
als alles is gestorven, zal ik bloeien

.

De zachte veren van de tijd

Ali Şerik

.

Enige tijd geleden stuurde uitgeverij U2pi mij een recensie exemplaar toe van ‘De zachte veren van de tijd’ van de van oorsprong Turkse schrijver/dichter Ali Şerik (1962). Door omstandigheden was ik nog niet toegekomen aan dit boek maar ik vond het terug in mijn stapel nog te lezen bundels en ben erin begonnen. Ik noem het expres een boek want een poëziebundel is het niet direct. Het is meer een poëtische vertelling. Of misschien kijk ik er met een te beperkte bril naar en valt zijn manier van schrijven, dichten, onder de noemer poëtisch proza of proza gedichten. Ik denk dat ik dit boek daar meer eer mee aan doe.

De bundel beschrijft een epos zo lees ik op de achterflap en dat is het met recht. Meeslepend, indringend, persoonlijk, dramatisch. Een verhaal verteld in verzen die soms 1 of 2 pagina’s lang zijn en soms meerdere. Verzen met duidelijke titels met een tijdsaanduiding zoals ‘Een jongen zingt een lied 00.20 uur’ of ‘Het gekluisterde gejammer 02.04 uur’ waardoor je al lezend een extra dimensie meekrijgt.

De stijl van Ali Şerik is duidelijk vanuit zijn Turkse achtergrond geschreven; bloemrijk, gebruik makend van veel bijvoeglijke naamwoorden, Şerik heeft het vermogen om met zijn taal je bij je kladden te grijpen en mee te sleuren in het verhaal. En toch is het voor een veellezer van poëzie soms ook moeilijk om de aandacht er bij te houden door deze vorm. De woordenstroom meandert zich een weg door een geschiedenis waarbij er uitstapjes worden gemaakt naar vroeger tijden (cursief gedrukt) waar je je in kan verliezen. Wanneer je daarna weer in de harde realiteit wordt gesleept is het voor mij soms even wennen en moet ik teruglezen waar het verhaal mij achterliet.

Desalniettemin vind ik het lezen van dit epos een uitdaging en een verrijking. Şerik zet de verhalen van vluchtelingen van nu in een perspectief, hij geeft ze een terechte plek in de geschiedenis door andere verhalen van vluchtelingen ernaast te zetten. Hij geeft daarmee de lezer eigenlijk de opdracht om te ontdekken dat vluchtelingen van alle tijden zijn, dat het mensen van vlees en bloed betreft en dat mededogen met deze vluchtelingen  te vergelijken is met de (terechte) aandacht die er nu is voor de oorspronkelijke inwoners van de Verenigde Staten (de native Americans), de vluchtelingen uit de Oekraïne of de slaven in het oude Rome (weer tot leven gebracht in (weliswaar een over-geromantiseerde) film als Gladiator.

In haar recensie van ‘De zachte veren van de tijd’ op de Meanderwebsite stelt Anneruth Wibaut een terechte vraag: Ali Şerik heeft een groots werk geschreven waarmee hij vluchtelingen hun volwaardige plek als mens geeft in de geschiedenis. De toekomstzoekers worden individuen onder zijn handen. De vraag is of onze harten groot genoeg zijn om ze er allemaal een plekje in te geven, met ook alle naamloze vluchtelingen uit de geschiedenis erbij. Het is ook de vraag of een gelover in het gevaar van asielzoekers door dit boek op andere gedachten zal komen.

Deze zelfde gedachte kwam ook mij op bij het lezen van het boek. Mij heeft het gesterkt in mijn mening over vluchtelingen, heeft het mijn idee van wat er gebeurt gekleurd op een menselijke wijze. Of dat ook geldt voor iemand die al heel negatief is tegenover vluchtelingen (met daarbij de vraag of zo iemand dit boek zou gaan lezen?) is maar zeer de vraag. Hoewel dat voor iedereen wel het beste zou zijn.

‘De zachte veren van de tijd’ heeft mij in ieder geval in staat gesteld om mijn idee van wat poëzie is (en dat is toch een best breed idee) nog wat te verbreden, poëtisch proza of prozagedichten zijn, mits goed geschreven, een verrijking voor mijn poëziebeleving. Rest de vraag hoe je, zoals ik dat doe op dit blog, een gedicht plaats uit dit boek. Ik heb ervoor gekozen een stuk op te nemen uit ‘Alsof zwijgen vergeten is, 01.24 uur’ omdat Şerik in dit vers heel mooi het thema of het probleem dat hij beschrijft, een menselijk gezicht geeft.

.

Alsof zwijgen vergeten is, 01.24 uur

 

Moeder Nahla is gesluierd

goed te zien zijn haar lichtbruine ogen, haar wimpers.

Haar wenkbrauwen dun alsof ze door een zijderups zijn gesponnen.

Hoewel je het gezicht van deze vrouw niet ziet

bekruipt je het gevoel dat haar hele gelaat bovenaards is

een bloemblad van een witte waterlelie.

Op haar schoot baby Dashni.

Een baby die graag lacht.

Nu lachte ze naar de pop die ze in haar handje heeft

een pop die een oog mist.

Een beeldschoon kind dat zoals alle kinderen het recht heeft

om volwassen te worden.

Het recht van volop lachen, luid schreeuwen

immens nieuwsgierig zijn, gul huilen.

.