Site-archief
En wat dan nog?
Annie M.G.Schmidt
.
Hoewel Annie M.G. Schmidt (1911-1995) vooral bekend is van haar kinderboeken, musicalteksten, hoorspelen en series was ze bovenal dichter. In 1950 debuteerde ze met ‘Het fluitketeltje en andere versjes’ met daarin klassiek geworden versjes als Dikkertje Dap en het beertje Pippeloentje.
In 1951 verscheen van haar hand haar eerste bundel met gedichten voor volwassenen getiteld ‘En wat dan nog!’. Een tweede bundel gedichten voor volwassenen ‘Weer of geen weer’ volgde in 1954. Beide bundels heb ik op de kop getikt in een kringloopwinkel en ik ben er erg blij mee.
In deze bundels zijn de verzen rijmend zoals we gewend zijn van Annie M.G. Schmidt maar hebben de verzen volwassen onderwerpen. Een bekend gedicht, dat ze al in 1938 schreef is het gedicht ‘Leeszaal’ waar ik al eerder over schreef in 2017 https://woutervanheiningen.wordpress.com/2017/07/14/ik-ben-een-god/
Een ander mooi en herkenbaar gedicht, nog steeds, is het gedicht ‘Ondergang van een illusie’ over dromen die niet uitkomen.
.
Ondergang van een illusie
.
Je bent dus geen diep water, Jan Willem,
je bent maar een meneer op een fiets.
Je hebt wel een gezicht voor de film,
maar achter dat gezicht is – niets.
.
Je kon soms in het vuur zitten staren,
je ogen werden dieper en dieper…
Ik voelde, dat het zielsconflicten waren!
– Maar nee, je zat te denken aan de keeper.
.
Ik dacht zo, dat we samen zouden dromen
over gedichten, kleur en klank en rijm…
Maar litterair kon je niet hoger komen
dan bij de werken van E. Philips Oppenheim.
.
’t Is niet zo erg belangrijk. ‘t Wordt geen ruzie!
Je moet niet denken, dat mijn hart nu breekt!
Alleen – wat vang ik aan met mijn illusie
die ik met zoveel zorg heb opgekweekt.
.
Die ik gekoesterd heb in al die jaren…
Weggooien maar? Was het alleen maar kolder?
Ik zal haar in een oude doos bewaren
bij andre malle dromen, op de zolder
.
Gedicht I en II
Jana Beranová
.
Zoals aangekondigd deze week vooral tips en aanmoedigingen om de tijd zinvol door te komen met lezen. Nu de bibliotheken nog gesloten zijn, veel (grote) boekhandels gesloten zijn (maar wel gewoon on-line hun boeken verkopen, dus verkies de boekhandel boven de grote digitale ‘Kooppaleizen’, dan blijven ze ook na de crisis nog bestaan) is er nog een manier om aan boeken te komen. Naast de kringloopwinkel (maar die zijn bijna allemaal ook gesloten) zijn er de minibiebjes (feitelijk boekenkastjes in de buitenruimte waar mensen hun boeken die ze kwijt willen kunnen neerleggen) en de kasten met boeken in de supermarkten van o.a. Albert Heijn. Maar voor de Rotterdammers is er nog een mogelijkheid om gratis boeken te zoeken en te vinden (en te doneren) en wel bij Book Central in de centrale hal (Hal A) van het Groot Handelsgebouw. Book Central is 7 dagen per week geopend van 07.00 tot 20.00 uur op Stationsplein 45 naast het Centraal Station.
Dat is ook de plek waar ik ‘Geen hemel zo hoog’ van Jana Beranová (1932) vond. Deze bundel uit 1983 was, na enkele bibliofiele uitgaven, haar eerste grote dichtbundel, die toen al een paar jaar in voorbereiding was. In de bundel staan ‘Gedicht I’en ‘Gedicht II’. Twee gedichten waar voor mij leven en hoop uit spreken.
.
Gedicht I
.
De winterzon droogt regentranen
op mijn ramen. Onder de witte vlakte
van mijn bureau sluimeren verzen.
.
Ik ben het rustige stekje.
Ik wacht op een gedicht.
Ik wacht als een visser of ze bijten.
Ik ben het aas.
.
Gedicht II
.
De zon veegt de slaap uit mijn ogen.
Met klappen van de zweep start ik de
schrijfmachien. De letters rennen
uit de schaduw naar buiten.
.
Ik loop de straat op, de pleinen over.
Ik hoor mijn gedichten met kloppend hart.
Ik hoor mijn gedichten tegemoet.
Ik loop mijn gedichten.
.
Uitzicht genoeg
Marjoleine de Vos
.
Vandaag uit mijn boekenkast de bundel ‘Uitzicht genoeg’ van dichter Marjoleine de Vos (1957). De Vos studeerde Nederlandse Taal- en Letterkunde aan de Universiteit van Amsterdam en schreef in 1985 haar doctoraalscriptie over dichter Gerrit Achterberg. Wat opvallend is aan haar carrière is dat ze vooral als jurylid van vele jury’s actief is zoals de Zilveren en Gouden Griffeljury (ze schreef zelf ook kinderboeken) maar ook voor de Herman Gorter-prijs, de P.C. Hooft-prijs, de A. Roland Holst-penning en de Ida Gerhardt Poëzieprijs.
Ze schrijft ook een column voor het opinieweekblad VolZin. In 2000 verscheen haar eerste poëziebundel ‘Zeehond graag’, in 2003 gevolgd door ‘Kat van sneeuw’. ‘Zeehond graag’ werd genomineerd voor de VSB Poëzieprijs 2002. In het voorjaar van 2008 verscheen haar bundel ‘Het waait’. De bundel ‘Uitzicht genoeg’ is uit 2013 en een succes gezien het feit dat ik een vierde druk heb (binnen één jaar).
Uit deze bundel het gedicht ‘Kringloop’, een gedicht over de kringloop van het leven maar voor mij ook omdat ik daar zo graag kom in kringloopwinkels (en veel van de bundels in mijn boekenkast daar vandaan komen).
.
Kringloop
.
En steeds is alles op zijn mooist: van start
in volle bloei tot rood en krachtig kaal.
Er huist geen groot schandaal in leven
dat verdwijnen moet om nog onwennig
op te staan in een herschreven vorm.
We spreken over ons bestaan, we lachen
willen hier zijn, altijd hier. Zoals de vlier
heel oud al in zijn ziel, maar graag bereid
tot flierefluiten voor wie wil.
.
Alst past
Victor Speeckaert
.
Ik verbaas me soms over dichtbundels die ik tegenkom in kringloopwinkels en op rommelmarkten. De staat waarin bundels zich bevinden die toch al heel oud zijn bijvoorbeeld. Zo kocht ik een klein bundeltje, je mag het eigenlijk niet eens een bundeltje noemen, het zijn 5 A4tjes met een slap kaftje aan elkaar geniet, met 9 gedichten daarin van de dichter Victor Speeckaert uit 1962 in een staat alsof het net vorige week gemaakt was.
Victor Speeckaert (1906-1988) was zijn leven lang werkzaam als ambtenaar op de administratie van de gemeente Gent. Daarnaast was hij archivaris der Fonteine (een Rederijkerskamer die stamt uit de 15e eeuw). Speeckaert debuteert in 1931 met de bundel ‘Najaarskleuren’ die nog door Marnix Gijsen in De Standaard wordt besproken. Zijn gedichten werden in 1970 bijeengebracht in de bundel ‘Verzamelde Gedichten’, een fraai uitgegeven boekje, met illustraties van Jos van den Abeele en Paul Mak en vier tekeningen van Herman Verbaere. De ‘Verzamelde Gedichten’ bevatten een herdruk van de cyclussen ‘Van Zomer en Najaar’ (1954/1955) en ‘De Rij der Maanden’ (1957) en verder twee reeksen van negen en acht stukken onder de respectievelijke titel ‘Alst Past’ en ‘Bi Apetite’, die samen het devies vormen van de rederijkerskamer ‘De Fonteine’, waarvan hij in 1931 bestuurslid en in 1941 archivaris was geworden.
Het bundeltje ‘Alst past’ heb ik dus nu in bezit. Uit dit kleine maar fijne bundeltje koos ik het gedicht ‘Aan de Sure’.
.
Aan de Sure
.
Er ruist een teder woord
Uit ranke wilgetwijgen
Die aan de Sûreboord
Naar ’t helder water nijgen,
Waarin hun spiegelbeeld,
Door ’t Stroomgeweld gebroken,
De Blaren kust en streelt
Om ’t woord door hen gesproken.
.
Dat woord ruist in mij mee,
In hart noch ziel te stelpen,
Als ’t ruisen van de zee
In parelmoeren schelpen,
Want aklles wat nog zin
En waarde schenkt aan ’t leven
Heeft aan dat woord “ik min”
Mij antwoord steeds gegeven.
.
Klein voorspel
Hanny Michaelis
.
Vorige week was ik bij een kringloopwinkel/opkoper/brocante die in een enorm pand gevestigd was. In de winkel waren prachtige en minder prachtige dingen te koop en ook boeken. Wanneer ik boeken zie ga ik altijd even kijken. Ik kon geen poëzie vinden maar wel wat Zwarte Beertjes (mijn broer spaart de exemplaren waarvan Dick Bruna de kaft ontwierp). Zoals zo vaak was de vraagprijs niet in verhouding tot de waarde (wat bezielt die commerciële winkeliers toch? Willen ze hun boeken niet verkopen?). Dus enigszins teleurgesteld legde ik ze terug. Ik keek nog wat verder en tot mijn verbazing vond ik nog twee oude dichtbundels; De muze op reis (dat deel had ik nog niet) én ‘Klein voorspel’ van Hanny Michaelis uit 1949. Tot mijn grote verbazing was de prijs voor deze bundeltjes een ‘rommelmarktprijs’ € 1,- per stuk. Waar Zwarte Beertjes werkelijk overal te koop zijn en in enorme aantallen zijn verkocht destijds en hier als dure waar wordt gezien, koop ik voor een habbekrats een klein juweeltje. Blijkbaar lag de kennis van deze opkoper minder bij boeken dan bij meubels en andere grote dingen.
Hanny Michaelis (1922 – 2007) was dichter en vertaalster en debuteerde in 1949 met ‘Klein voorspel’. In haar kleine oeuvre beschrijft zij de mens in zijn hulpeloosheid en eenzaamheid, op zoek naar liefde. Haar werk is sober en later ook relativeert. Haar beide Joodse ouders werden vermoord in het vernietigingskamp Sobibór, dit gegeven en de oorlog drukte een groot stempel op haar werk. In totaal verschijnen er van haar hand 6 dichtbundels. Na 1971 verschenen er geen nieuwe bundels meer van Michaelis. In 1995 ontving zij de Anna Bijns Prijs voor haar gehele oeuvre. In 1996 verschenen haar ‘Verzamelde gedichten’.
Het kleine bundeltje ‘Klein voorspel’ telt 30 gedichten en werd in 1949 gedrukt door drukkerij Thieme uit Nijmegen. ‘Klein voorspel’ was het een-en-twintigste deel van ‘De Ceder’ uitgegeven door J.M. Meulenhoff uit Amsterdam. Uit dit prachtige bundeltje koos ik voor het gedicht ‘De liefste’.
.
De liefste
.
Word wakker in de vroege voorjaarsmorgen
open je ogen in het grijze licht.
Voel je een ogenblik verlost van zorgen
en glimlach als een kind, bevrijd van plicht.
.
Glimlach en raak het lichtend spoor niet bijster
dat leidt naar een betoverend verschiet.
Wees stil : buiten huldigt de eerste lijster
de wereld in een overmoedig lied.
.
Hij zal je hart loszingen uit het puin
van halfontluisterde herinneringen,
en neer doen strijken in de verre tuin
waar het geluk fonteinen doet ontspringen.
.
In deze tuin zal het mijn hart ontmoeten –
twee speelse vlinders in de zonneschijn.
Verheerlijkt zullen zij elkaar begroeten
en onuitsprekelijk gelukkig zijn.
.
Poeticaal
Gerrit Kouwenaar
.
In 1974 publiceerde Gerrit Kouwenaar bij uitgeverij Em. Querido de bundel ‘landschappen en andere gebeurtenissen’ uit. Ik heb deze bundel gekocht in een kringloopwinkel en achterin zit een getypt (!) vel waarvan ik vermoed, dat ie van iemand is geweest die aan de universiteit colleges heeft gevolgd over de poëzie van Gerrit Kouwenaar. Volgens de schrijver van dit vel zijn een aantal gedichten in deze bundel expliciet poeticaal (poëtisch zouden we nu zeggen). Een gedicht dat hier genoemd is kun je hieronder lezen. Over het al dan niet poeticaal zijn van de gedichten wordt een uitspraak aangehaald van Kouwenaar waaruit blijkt dat vrijwel alle gedichten poeticaal lijken te zijn. Deze uitspraak gaat over de relatie van gedicht en werkelijkheid en luidt:
“Maar wat al die werkelijkheden betreft, het schrijven berust – voor mij althans – op een gebruikmaken, een uitbuiten van de spanning tussen de empirische werkelijkheid en de werkelijkheid van de taal. De vraag hoe deze werkelijkheden op elkaar botsen, ergens zijn te verzoenen en toch niet zijn te verzoenen, toch altijd door het papier gescheiden blijven. Daar gaat het bij mij toch een beetje om, geloof ik.”
Ik zou zeggen oordeel zelf aan de hand van het volgende gedicht dat volgens de opsteller van dit schrijven poeticaal of poëtisch is.
.
Als de dood: men is
daar even stil gaan liggen
in die foto
en daar ligt men nu eeuwig
.
het gehoor hoort zich doof, zien
kijkt een blinddoek, stof vult
de alles ontkennende mond
.
deze sekonde stikkend van zonlicht: hoe lang
duurt de kou van die wolk?
.
even gaan liggen en meteen onophoudelijk
vergeefs op het punt staan van opstaan
in vlees
.
op papier –
.
Het laatste bed
Ingmar Heytze
.
In 2013 gaf Dagblad Trouw tien dichtbundels uit onder de titel Trouw Poëziecollectie. Het eerste deel van Judith Herzberg werd gratis weggegeven en dat kom ik dan ook vaak tegen bij kringloopwinkels en op rommelmarkten. De andere delen zie ik veel minder vaak. Dit zijn verzamelbundels van Lucebert, Remco Campert, Eva Gerlach, K. Michel, Gerrit Kouwenaar, Ester Naomi Perquin, Rutger Kopland, Ida Gerhardt en Ingmar Heytze.
Van de laatste dichter heb ik nu het deel te pakken. In deze verzamelbundel staan gedichten uit de (toen nog) 10 poëziebundels die van hem verschenen bij uitgeverij Podium. Ik koos voor het gedicht ‘Het laatste bed’.
.
Het laatste bed
.
Als kind had je een eigen leven
op je kleine jongenskamer
met de grote deur vol stickers
die de wereld buitensloot
.
met je beer tussen de dekens
lag je in een glanzend ei
van fantasie, je hebt altijd
geslapen in een soort van boot
.
dit alles komt gewoonlijk bij je op
in onbekende bedden
zoals nu – van een vreemd lichaam
krijg je slaperig een zoen
.
het liefste meisje voor vanavond
alsof zij je kan behoeden
voor je allerlaatste bed
in ziekenhuis of paviljoen.
.















