Site-archief

Beloofde land

Peter Verhelst

.

Voor mijn verjaardag kreeg ik de bundel ‘Zabriskie’ van dichter, romancier en regisseur Peter Verhelst (1962). In deze bundel beschrijft Verhelst waar we op af stevenen als mensheid. Dat dat niet altijd even fraai is mag duidelijk zijn. Maar hij dicht ook over kunst, rituele taal en poëzie.

Peter Verhelst is veelvuldig gelauwerd als dichter, voor zijn poëzie kreeg hij onder andere de Jan Campert-prijs, de Paul Snoekprijs, de Ida Gerhardt Poëzieprijs, de Awater Poëzieprijs en maar liefst driemaal de Herman de Coninckprijs. Ook ontving hij voor zijn oeuvre de Constantijn Huygensprijs.

De titel van deze laatste bundel (2023) van Verhelst verwijst naar de film ‘Zabriskie point’ uit 1970 geregisseerd door Michelangelo Antonioni. Voyage 5 (de bundel is opgedeeld in 7 Voyages) is dan ook getiteld: Naar Zabriskie point, the movie. Zabriskie Point is een onderdeel van de Amargosa Range , gelegen ten oosten van Death Valley in Death Valley National Park in Californië, Verenigde Staten , en staat bekend om zijn erosielandschap .

De film wordt vermeld in het boek The Fifty Worst Films of All Time uit 1978 en is beschreven als “de slechtste film ooit gemaakt door een geniale regisseur”. De kritische waardering is echter in de decennia sindsdien toegenomen. De film heeft in zekere zin een cultstatus bereikt en staat bekend om zijn cinematografie, een soundtrack met Pink Floyd en andere populaire rockacts uit de jaren zestig, en de regie van Antonioni.

Uit de bundel koos ik het gedicht ‘Het beloofde’ uit Voyage 6 Naar Jeruzalem.

.

Het beloofde

.

Kent iemand de naam van het land

.

van het ochtendlicht. Van de nevel.

.

Lap gras, uit de grond gerukt, als een gevlekte pels

over het skelet van een eik gegooid

zodat die poten krijgt, flanken, staart, een kop

.

die zich telkens opnieuw naar ons toe draait.

.

Het land dat ons beloofd werd

uit de tijd dat landen nog beloofd werden.

.

 

New York Botanische tuin

Poëziewandeling

.

In de Botanische tuin van New York is het mogelijk een African American Garden Poetry Walk te lopen. Op de website van het NYBG geeft Dante Micheaux, programmadirecteur van de Cave Canem Foundation, een introductie. Hierin staat hij stil bij de betekenis van de bijdragen aan de Amerikaanse poëzie door vertegenwoordigers van de Caribische literatuur en hoe zij die verbinden met de flora en fauna (hij spreekt tenslotte vanuit zijn functie bij de botanische tuin).

Als eerste voert hij Derek Walcott uit Saint Lucia op. Hij schrijft over hem: “Hoe zijn poëzie bewijst dat het Caribische leven en de cultuur doordrenkt zijn van de natuurlijke wereld. Zijn voorlaatste bundel gedichten, ‘White Egrets’, werd in feite geïnspireerd door de flora bij de huizen van zijn dochters, ‘soms puta-bomen of flamboyanten of immortelles’, die in hem een ​​fysieke sereniteit teweegbrengen. In een gesprek sprak hij over gedichten die een herinnering van verwachting bevestigen en het is deze houding die ik hoop dat de gedichten die zijn samengesteld voor  African American Garden: The Caribbean Experience zullen overbrengen; dat de flora die in de gedichten verschijnt, en ook in de tuin zelf, plaatsen van herinnering en portalen worden naar een tijd of plaats die speciaal is voor elke individuele bezoeker.”

De gedichten die in de tuin zijn aangebracht zijn in het Engels, Spaans en Haitiaans Creools, van dichters als Desiree C. Bailey, Louise Bennett, Gustavo Pérez Firmat, Rico Frederick, Jane Alberdeston Coralin en Marie-Ovide Dorcely.

Desiree C. Bailey komt uit Trinidad en Tobago en Queens, New York. Ze debuteerde met de bundel ‘What Noise Against the Cane’, dat de Yale Series of Younger Poets Prize won en een finalist was voor de National Book Award for Poetry. ‘What Noise Against the Cane’ stond op de longlist voor de International Dylan Thomas Prize en de OCM Bocas Prize for Caribbean Literature en werd geselecteerd als een van de beste boeken van 2021 door de New York Public Library.

Desiree was de eerste Writer-in-Residence aan de Clemson University van 2022-2024. Ze is assistent-professor poëzie in de MFA for Poets and Writers aan de University of Massachusetts Amherst. Het gedicht ‘A Retrograde’ komt uit haar debuutbundel.

.

A Retrograde

.

She crept into my room, took me outside into the mosquito night thick with the gutted hums
of fishermen’s wives, piercing the flesh of a sleep walking sky.She taught me that cobwebs are hammocks for spirits, a stop along the way to rest their weary
skins, a knot on the thread of their pilgrimage to a place they had almost touched once.

In those days, a village could grow legs. Wedge itself deep into the throat of mountains
where horses couldn’t smell it, where footsteps couldn’t sear its memory onto
peeling roads.

                             The orchids have teeth
the machetes are ornaments
rusting upon the walls.
Dear mama:       I want to build you a temple
                             The orchids have teeth
the machetes are ornaments
rusting upon the walls.
I want to build you a temple
.
                              On the ocean roams a shadow of splinters
the fish are hurling themselves onto the shore
the shore will break into birds of dust
Dear mama:       the scales are mirrors
blinding the sun.
On the ocean roams a shadow of splinters
how will I swim to you
when the day is done?
.

Nog een keer Buddingh’

Vergissen is menselijk

.

Zoals ik op 15 januari al schreef kocht ik in december een paar bundels van de illustere C. Buddingh’ (1918-1985). Schreef ik toen over zijn bundel ‘Deze kant boven’ uit 1965, vandaag gaat dit stukje over de bundel ‘De wind houdt het droog’ uit 1974. De bundel verscheen als Dar pocket, een reeks pockets waar ook bundels van Hugo Claus, Remco Campert, Lucebert, Bert Schierbeek en Adriaan Morriën en nog zo wat dichters verschenen. Maar in 1974 dus als geschreven ‘De wind houdt het droog’. De Dar pockets stonden onder redactie van Oscar Timmers en deze pocket was nummer 14 in de reeks.

De bundel is een poëzieselectie uit eerdere bundels van Buddingh’. Achterin is een chronologie opgenomen, een soort levensbeschrijving tot dan toe. En daar doe ik een verrassende ontdekking. Net als Cees Buddingh’ heb ook ik (weliswaar maar twee jaar) MO A Engels gestudeerd aan de Haagse school voor Taal- en Letterkunde. In de tijd dat Buddingh’ dat deed heette dat nog Middelbaar Engels. Buddingh’ maakte het overigens wel af en haalde er zijn diploma.

Na de chronologie is er ook nog een zeer leuk interview met hem opgenomen, afgenomen door P.J. Stolk. Over de tijd van toen gesproken: de eerste vraag die Stolk Buddingh’ stelt is: “Hoe vind je het eigenlijk, Kees, om met deze elektronische apparatuur zo’n gesprek op te nemen. Ben je geporteerd voor moderne apparatuur?” Buddingh’ geeft hierop een uitgebreid antwoord (hij is wel geporteerd voor moderne apparatuur) want: “Ik vind we moeten geen moderne apparaten uit de weg gaan. Dat is gewoon, ja die staan ons te wachten.”

In de bundel dus gedichten uit de jaren voorafgaand aan 1974. Met op pagina 70 een heerlijk, typisch Buddingh’ gedicht getiteld ‘vergissen is menselijk’.

.

vergissen is menselijk

.

op het schemerige station

stak de jongen

een dikke bruine tong naar mij uit

.

hij tilde zijn rechterhand op,

pakte de tong beet, beet

een stuk eraf en liet

zijn hand weer zakken: het was

.

zijn tong niet, maar een kroketje

.

Achter gewone woorden

De beste poëzie uit tien jaar De Tweede Ronde

.

In 1990 gaf het literair tijdschrift De Tweede Ronde, dat van 1981 tot 1993 werd uitgegeven door uitgeverij Bert Bakker (daarna door Van Oorschot en als laatste door Mouria) een bloemlezing uit naar aanleiding van hun 10 jarig jubileum. Het geeft een beeld, zo stellen de oprichters Marko Fondse en Peter Verstegen in hun voorwoord, van de beste Nederlandse poëzie die tussen 1980 en 1990 in het blad verscheen.

Het is poëzie, zo schrift men verder, waarin het verstand niet is uitgeschakeld, die niet primair appelleert aan het irrationele of onbewuste, en waarin is gestreefd – in  overeenstemming met de klassieke traditie- naar ordening, naar wat er kan ontstaan uit de fusie van gevoel en intelligentie, naar het buitengewone dat wordt opgeroepen met gewone woorden, en wat daarachter zit. Bent u er nog?

Van de namen van wie relatief vaak poëzie werd opgenomen in het tijdschrift heeft men vier gedichten genomen en en van de overige één gedicht. Op zichzelf een logische beslissing, blijkbaar waren de dichters die vaker werden opgenomen in het tijdschrift bekender of geliefder. bij het lezend publiek. Als ik de namenlijst doorneem zie ik dan ook allerlei voorbeelden van dichters bij wie ik daar meteen een beeld bij heb: Herman de Coninck, J. Eijkelboom, de net overleden Esther Jansma (één gedicht!), Neeltje Maria Min (één gedicht), Leo Vroman en Jean Pierre Rawie (aan wiens gedicht ‘Moment’ de titel zijn bundel heeft ontleend).

Maar toch ook verschillende dichters van wie ik in ieder geval nog niet gehoord had. Mees Houkind, H.L. Prenen, Harry Pallemans, Rob van Moppes, Jaap Westerbos en Klaas de Wit, allemaal vertegenwoordigd met één gedicht. Maar er is ook een dichter (naast Cees van Hoore en Marko Fondse) die ik niet ken en toch met drie gedichten is opgenomen en dat is Georgine Sanders (1921-2015).

Hoewel haar naam mij vagelijk bekend voorkwam kon ik haar niet plaatsen. Tot ik haar naam opzocht en bleek dat zij de vrouw was van dichter Leo Vroman (1915-2014). Maar ze was vooral antropoloog en schrijver. Daarnaast schreef ze twee dichtbundels: ‘Onvoltooid bestaan’ (1990) en ‘Autogeografie’ (1991). Overigens is Georgine veel bekender dan menigeen zal denken doordat ze met regelmaat in de poëzie van Leo Vroman werd opgevoerd als de geliefde Tineke en ook als Tineke Vroman-Sanders.

In deze bloemlezing dus drie gedichten van haar opgenomen. Ik koos het gedicht ‘Weerbericht’ omdat hier duidelijk naar voren komt hoe ze, na inmiddels 27 jaar in Brooklyn te hebben gewoond, toch nog steeds terugdenkt aan de tijd dat ze in Nederland woonde en dan met name aan dat laatste harde oorlogsjaar.

.

Weerbericht

.

Hoe zacht en vochtig voelt de lucht vandaag.

Een grauwe sneeuwbank drenkt het dorre gras

en vlakke kou ontleedt zich, laag op laag

van geuren die herroepen hoe het was

.

nu lang geleden, langer nog, het langst.

En, oude vrouw, ben ik opeens weer kind

in Amsterdam, doorsta in Utrecht de angst

om dat hard oorlogseind in voorjaarswind.

.

In deze straat in Brooklyn, zonder zon,

die gister nog slechts ging van hier naar daar,

loop ik door een herwonnen werkelijkheid

.

en zie hoe hier de lente weer begon.

Wat eens bestond maakt nog mijn heden waar:

de geur van het verleden weert de tijd.

.

Brooklyn, juni 1987 – mei 1988

.

Pier Paolo Pasolini

Blind gepakt

.

Vandaag maar weer eens voor mijn boekenkast gaan staan en met de ogen dicht een bundel gepakt. Dit keer werd dat de bundel ‘De as van Gramsci’ uit 1989 van de Italiaanse filmregisseur, schrijver, dichter en marxist Pier Paolo Pasolini (1922-1975). De titel verwijst naar een vroege Pasolini-bundel uit 1957 met dezelfde titel, maar is in deze uitgave aangevuld met gedichten uit ‘De religie van mijn tijd’ uit 1961.

In mijn exemplaar heeft een vorige eigenaar nog van allerlei aantekeningen in potlood en markeringen met gele stift toegevoegd waarvan ik er een aantal kan plaatsen (Laat-Latijnse jongens = alliteratie) maar een groot aantal ook niet (bijvoorbeeld een aantal keer Lucca (de stad) gemarkeerd).

Vervolgens heb ik de bundel op een willekeurige pagina geopend (pagina 93) en daar staat het gedicht ‘Aan de christencritici’ uit ‘Vernederd en gekwetst’ epigrammen uit 1958.

.

Aan de christencritici

.

Vaak beschuldigt een dichter zichzelf, belastert zichzelf,

overdrijft uit liefde zijn eigenweerzin,

overdrijft als zelfkastijding zijn eigen simpelheid,

is puriteins en kwetsbaar, hard en decadent.

Is al te scherpzinnig haast in de analyse van sporen

van het erfgoed, het levende verleden:

heeft al te veel schroom haast voor enige concessie

aan redelijkheid en hoop op de toekomst.

Best, jammer voor hem! Er is geen ogenblik van

aarzeling: citeer hem, dat is genoeg!

.

Museum van het boek

Tom Lanoye

.

Op zoek naar een foto in mijn bestanden kwam ik een foto tegen waar ik even bij bleef hangen. Dat is altijd een goed teken, dus liet ik mijn zoektocht even voor wat het was en concentreerde ik me op de foto die mijn aandacht had getrokken. Het betreft hier een foto die ik nam in het Literatuurmuseum in Den Haag van een vitrine over Tom Lanoye (1958) Vlaams dichter, romancier, essayist en toneelschrijver.

In de vitrine lagen enige bibliofiel uitgegeven werken van Lanoye. Zoals de uitgave ‘Hanestaart’, gedichten, in 1988 uitgegeven in een beperkte oplage en geïllustreerd door Jimi Dams. Een oplage van 20 exemplaren van verguld halfleer met platten van versierd papier, genummerd en gesigneerd door de auteur.

De bladzijde waarop deze uitgave openlag was niet genummerd maar het gedicht was goed te lezen. Het betreft hier het gedicht ‘Clip’.

.

Clip

.

Leg een hertejong, ik zal het broeden

tot zijn schedel barst zoals

de lippen van een digitale vrouw.

.

Kus de jakhals in mijn plaats, ik zal hem

zegenen met satellieten tot zijn drift

kan karnen in een langverwacht vaccin.

.

Geef desnoods de schaamluis door, ik zal haar

strelen als tranquilizers op een sterfbed, haar

troosten als een vetplant met een flatneurose.

.

Maar vraag niet dat ik vrede neem met de

melt-down van verveling, dat ik de leeuwemuil

zou spalken met het hout van ersatz en geduld.

.

Verlang niet dat ik rusten zou voor ik nation-wide

gescreend heb: het scala van mijn tanden, de roep

van mijn ravage, het karma van mijn koorts.

.

 

 

Kadootje

Jarig

.

Omdat ik vandaag jarig ben een toepasselijk gedicht over een kadootje. Het gedicht is van Theo Olthuis (1941-2024) uit zijn bundel ‘In je hoofd kun je alles’ uit 2007.

.

Kadootje

.

Kreeg zomaar

een kadootje

en maakte voorzichtig

het papiertje los.

Er schemerde iets

wat ik NIET wou hebben,

maar het was al van mij…

En voor ik het wist

riep ik: Dankjewel!

en keek

heel moedig blij.

.

Caroline

Taalverruwing versus taalvervlakking

.

Tussen 1997 en 2004 verzorgde Driek van Wissen (1943-2010) in het radio- en televisieprogramma Binnenlandse Zaken van de TROS een rubriek met de titel ‘Kritiek van Driek’. In deze rubriek, herinner ik me, mocht hij graag commentaar geven, al dan niet met een vette knipoog op de taalverruwing. Overigens ging deze taalverruwing vaker over het ontbreken van enige logica in de Nederlandse taal en grammatica dan over echte taalverruwing.

Ik moest hieraan terugdenken toen ik in de bundel (met CD) ‘Dat lijkt warempel sandelhout’ van Frank van Pamelen uit 2003 het gedicht ‘Caroline’ las. In eerste instantie denk je tegenwoordig bij zo’n naam een een ‘politica’ met diezelfde naam, maar in dit geval betreft het niemand minder dan Caroline Tensen, of zoals van Pamelen haar in het gedicht noemt Tenzen.

Van Pamelen (1965) stond in MUGzine #8 (samen met een aantal andere light verse dichters) en is in de light verse kringen een zeer bekende en gewaardeerde naam. In de bundel ‘Dat lijkt warempel sandelhout’ neemt hij Caroline Tensen op de hak en dan vooral de manier waarop zij het Nederlands uitspreekt (op de manier waarop men in het Gooi woorden verbastert). Misschien kan René Appel een keer het DNA van Caroline Tensen in de Taalstaat bespreken (als hij dit niet al een keer gedaan heeft).

.

Caroline

.

Taalvernieuwing kent geen grenzen

Dankzij Caroline Tenzen

.

Want zij is op dat gebied

Zerieus mijn vavoriet

.

Steeds wanneer zij talenknobbelt

(in een kenniskwis bevobbeld)

.

Roept zij met een luide sreeuw:

Goh, u weet wel heeuw ejg veeuw!

.

Ach, de taauw waar ik van hieuwd

Wordt door haar voorgoed vernieuwd…

.

Ik

Jan Arends

.

Als je veel poëzie leest ga je een bepaalde voorkeur ontwikkelen. Zo heb ik gemerkt dat ik gedichten die vanuit de Ik persoon zijn geschreven om de een of andere reden vaak minder beoordeel dan gedichten die over een jij of hij/zij zijn geschreven of gedichten die niet vanuit een persoon zijn geschreven. Misschien komt het doordat sommige dichters en spoken word-dichters  de neiging hebben om alles wat ze schrijven vanuit het eigen perspectief te doen.

Dat ik niet moet generaliseren weet ik, en dat wil ik ook niet, en om te onderstrepen dat poëzie geschreven vanuit een Ik perspectief ook heel verrassend en goed is of kan zijn hieronder een voorbeeld van dichter Jan Arends (1925-1974) uit de bundel ‘Lunchpauzegedichten’ uit 1975.

.

IK

Schrijf gedichten

als dunne bomen.

.

Wie kan zo mager

praten

met de taal

als ik?

.

Misschien

is mijn vader

gierig geweest

met het zaad.

.

Ik heb

hem nooit

gekend

die man.

.

Ik heb

nooit

een echt woord gehoord

of het deed pijn.

.

Om pijn

te schrijven

heb je

weinig woorden

nodig.

.

Poëzieweek 2025

Dennis Gaens

.

Van 30 januari t/m 5 februari is het weer Poëzieweek. Dit jaar is het thema ‘lijfelijkheid’ en de themabundel wordt geschreven door de Vlaamse dichter Charlotte van den Broeck. Ik las in de Volkskrant van zaterdag een recensie van haar nieuwe roman ‘Een vlam Tasmaanse tijgers’ waarin ze werd opgevoerd als dichteres. Dat kan toch eigenlijk niet meer. Na de directrice, presidente, en docente mag wat mij betreft de dichteres ook wel tot het verleden gaan behoren. Ik las in een artikel van Trouw dat dichteres vooral gebruikt wordt voor oudere vrouwelijke dichters en dat voor jonge vrouwelijke dichters gewoon dichter gebruikt wordt. Dat lijkt me een prima verdeling.

Maar terug naar de Poëzieweek. In de Poëzieweek is heel veel aandacht voor poëzie in Nederland en Vlaanderen. Maar vooral in Vlaanderen valt me op. Wanneer je de activiteiten in de Poëzieweek leest op de website valt op dat meer dan de helft (misschien wel twee derde) van alle activiteiten in Vlaanderen zijn. Op de banner van de Poëzieweek staat niet voor niets Vlaanderen voor Nederland. Nu kan het zijn dat men in Vlaanderen actiever is met het delen van poëzieactiviteiten maar dat geloof ik niet. Ik denk dat het in Nederland minder leeft en dat heeft vooral te maken volgens mij met het terugtrekken van de CPNB als partner in de organisatie.

In Vlaanderen staan er een aantal grotere partijen achter dit initiatief en dat merk je. In Nederland zijn er uiteraard ook poëziepartners aangesloten maar die hebben niet dezelfde dekkingsgraad noem ik het maar, als de CPNB had. Een gemis kortom. Desalniettemin valt er genoeg te genieten tussen 30 januari en 5 februari (en daarom heen ook nog wel trouwens). Blijft natuurlijk jammer dat we een Poëzieweek nodig hebben om poëzie onder de (nodige) aandacht te brengen.

Toen ik de Luule-special van MUGzines als activiteit wilde aanmelden bleek dat ik toch best een aantal gegevens moest achterlaten. Logisch natuurlijk want wanneer je een lezing of podium organiseert wil je wel laten weten waar en wanneer dit plaats vindt. In het geval van het publiceren en uitbrengen van een klein poëtisch magazine is dat natuurlijk toch wat anders. Dat donateurs van MUGzine de special automatisch toegestuurd krijgen hoef ik daar niet te melden maar dat de special ook te krijgen is voor niet donateurs door een mail aan mugazines@yahoo.com te sturen, staat er nu in ieder geval op.

Toen ik klaar was met het aanmeldingsproces moest ik denken aan een gedicht dat ik ooit las waarin een aanmelding terugkwam. Het was even zoeken maar ik heb het gedicht teruggevonden. Het betreft het gedicht ‘Vermeld altijd’ van Dennis Gaens (1982) uit de bundel ‘Ik en mijn mensen’ uit 2010.

.

Vermeld altijd

.

  1. ) Waar is het
  2. ) Wat is er
  3. ) Wie u bent

.

In principe weten wij dit (altijd) al, maar we horen het graag van uzelf. Het

liefst in een overslaande stem. Deze drie, maar van deze drie het meest: wie

u bent. Dit is geen oefening. Dat is het nooit.

.

Trouwens, paniek staat u niet. U hebt er het postuur niet voor. Wees gerust:

uw lichaam kent de routines. U kent dat verhaal van het leven in een flits

enzovoorts, maar de waarheid is veel kleiner. Alles wat u meemaakt zijn

zware voeten op steeds de volgende traptree, uw klamme handen om de

leuning en uw snelle hartslag. U bent nu heel dicht bij uzelf.

.

Maar u moet naar de uitgang.

.

Daar is een plek waar we met zijn allen hebben afgesproken.

.